Bijlage 4 Omgevingsplan Laar Nieuw Laar_Toelichting (1396680)
Tekst van het document
•
uit de planregels ook niet blijkt dat deze bouwwerken op een andere manier voor de veehouderij kunnen worden gebouwd of gebruikt en deze dus alleen voor de overige toegelaten functies mogen worden gebouwd;
•
hetzelfde geldt voor de overige gronden waarop de aanduiding ontbreekt die het mogelijk maakt dat deze gronden gebruikt worden voor een intensieve veehouderij. Deze gronden mogen alleen worden gebruikt voor de functies waarvoor geen (functie)aanduiding geldt zoals opgenomen in de planregels;
•
het is ook niet mogelijk om buiten het bouwvlak met de aanduiding vergunningvrije bouwwerken (ex artikel 2 bijlage II Bor) te bouwen voor de veehouderij. De gronden buiten het bouwvlak en de aanduiding kunnen niet tot het achtererfgebied worden gerekend. Er is geen sprake van ‘erf’ als bedoeld in artikel 1 bijlage II Bor. Het is immers niet mogelijk om de gronden buiten het bouwvlak te gebruiken ten dienste van het hoofdgebouw, omdat daarvoor de noodzakelijke aanduidingen veehouderij, respectievelijk intensieve veehouderij, ontbreken.
25
Voor de tweede gewijzigde vaststelling wordt voor Laar 31/33/35 en Nieuw Laar 5a: • •
•
•
•
•
de enkelbestemming ‘Agrarisch’ in stand gelaten; alleen de ligging van het bouwperceel/bouwvlak wordt gewijzigd); het ‘bouwvlak’, de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bouwperceel’ binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch’ in stand gelaten (met een gewijzigde ligging); in artikel 8.1 lid 1 (kolom 1) van de planregels geborgd dat een grondgebonden veehouderij alleen is toegestaan binnen het bouwvlak, en een intensieve veehouderij alleen binnen de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’; in artikel 8.1 lid 2 van de planregels geborgd dat als sprake is van een hoofdfunctie grondgebonden veehouderij of intensieve veehouderij de ‘bij de hoofdfunctie behorende voorzieningen’ alleen zijn toegestaan binnen het bouwvlak of de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - bouwperceel’. in artikel 8.2 van de planregels (extra) geborgd dat onder ‘verboden gebruik’ wordt verstaan het gebruik van gronden of bouwwerken buiten het bouwvlak en/of de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bouwperceel’ ten dienste van de (intensieve) veehouderij.
Daarbij wordt zoals bij artikel 8.1 – een kolom ‘Nadere uitleg of voorwaarden’ toegevoegd waarin staat aangegeven dat op deze gronden geen bouwwerken/voorzieningen kunnen worden opgericht die functioneel bij de bebouwing in het bouwvlak voor een veehouderij horen en dat daarmee deze perceelsgedeelten niet zijn aan te merken als ‘erf’ in de zin van artikel 1 van bijlage II Bor zodat vergunningsvrij bouwen ter plaatse niet mogelijk is. Bouwwerken die ter plaatse conform de bouwregels kunnen worden opgericht mogen alleen voor de overige in artikel 8.1 toegelaten functies worden gebruikt; in artikel 8.4 en 8.5 (bouwregels) geborgd dat gebouwen en bijbehorende bouwwerken alleen binnen het bouwvlak kunnen worden gebouw, tenzij dit in de regels anders is geregeld. Dit is alleen anders geregeld voor sleufsilo’s, mestsilo’s en (folie)mestbassins, containervelden, waterbassins, een weegbrug en kadaverplaatsen die ook binnen de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bouwperceel’ zijn toegestaan. Alleen voor erf- en perceelsafscheidingen geldt dat deze buiten het bouwvlak kunnen worden gebouwd. Op grond van artikel 8.1 en 8.2 van de planregels kunnen deze bouwwerken niet ten behoeve van de hoofdfunctie worden gebruikt.
In de planregels van dit bestemmingsplan is de vermindering van de geurbelasting als voorwaarde opgenomen voor de uitbreiding van intensieve veehouderij-activiteiten en juridisch geborgd in de regels. Omdat er sprake kan zijn van geuremissie en geurbelasting ten gevolge van mestbewerking op Laar 31 is hiervoor aanvullend in de planregels een normering met betrekking tot de maximale geurbelasting op voor geurhinder gevoelige objecten (conform de definitie van een geurgevoelig object uit de Wet geurhinder en veehouderij) opgenomen. De geurbelasting ten gevolge van mestbewerking, algenteelt en verband houdende activiteiten (zoals laden en lossen, verladen, drogen en mengen) mag niet meer bedragen dan 0,5 ouE(H)/m3 op woningen in het buitengebied (98percentielwaarde). Daarbij is aangesloten bij de Beleidsregel industriële geur NoordBrabant 2018.
26
Geuren als gevolg van het bewerken van mest vallen onder de reikwijdte van deze provinciale beleidsregel in situaties waarbij de provincie het bevoegd gezag is. Er is in deze beleidsregel voor gekozen om bij mestbewerking niet uit te gaan van de reguliere richt- en grenswaarden die gelden voor industriële activiteiten, maar van de helft van die waarden, zodat op deze wijze rekening wordt gehouden met de emissies uit de stallen van de veehouderij op dezelfde locatie. Omdat de woningen in de nabijheid van de twee blijvende veehouderijen maatgevend zijn en in het buitengebied zijn gelegen, zijn de provinciale normen voor mestbewerking voor de omgevingscategorie ‘gemengd gebied’ opgenomen. Daarnaast is aangesloten bij de definitie van gevoelige objecten uit de Wet geurhinder en veehouderij. Voor onderhavig bestemmingsplan is de cumulatieve geurbelasting (optelsom van geur van meerdere veehouderijen) van belang. De landelijke regelgeving bevat geen normen voor de cumulatieve geurbelasting. In de IOV is een hinderpercentage opgenomen om een voor geur cumulatieve overbelaste situatie (geur uit stallen van veehouderijen) te duiden: een geurbelasting die leidt tot een bepaalde kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten.
In de IOV is een overbelaste situatie gedefinieerd als een situatie waarbij de kans op cumulatieve geurhinder in de bebouwde kom hoger is dan 12 % en in het buitengebied hoger dan 20%. De IOV bevat geen normen m.b.t. de hoogte van de achtergrondbelasting (bijvoorbeeld maximaal 10 Ou of maximaal 20 Ou). In de toelichting bij de IOV (toelichting bij artikel 3.49 veehouderij in het landelijk gebied) is opgenomen dat de provincie met de regels rondom geur het ontstaan van nieuwe overschrijdingen in een gebied wil voorkomen, maar tegelijkertijd beleidsvrijheid biedt aan de gemeente om te bepalen hoe zij invulling geeft aan de juridische uitvoeringsaspecten van de regels, zoals de keuze voor geurgevoelige objecten. In dit bestemmingsplan is voor de definitie van een voor geur cumulatief overbelaste situatie aangesloten bij de Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 van de gemeente Sint-Michielsgestel. Daarin is opgenomen dat bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen, als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ uit stallen van veehouderijen, de volgende waarden m.b.t. de achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting) worden gehanteerd als toetswaarden die gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten.
Bij deze beoordeling worden alleen de dieren mee berekend waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij een emissiefactor vastgesteld is: - Woonkernen: een goed woon- en leefmilieu tot 5 Ou achtergrondbelasting; een slecht woon- en leefmilieu boven 5 Ou achtergrondbelasting - Bebouwingsconcentraties in het buitengebied, bedrijventerreinen en het buitengebied: een goed woon- en leefmilieu tot 10 Ou achtergrondbelasting; een slecht woon- en leefmilieu boven 10 Ou achtergrondbelasting. Deze waarden komen overeen met de relatie tussen de achtergrondbelasting en de kans op hinder zoals die in de bijlage van de Wet geurhinder en veehouderij is opgenomen voor de niet-concentratiegebieden: 5 Ou achtergrondbelasting komt overeen met 12% kans op hinder; 10 Ou achtergrondbelasting komt overeen met 20% kan op hinder.
27
Deze waarden wijken af van de relatie tussen geurbelasting en kans op hinder zoals die in de bijlage van de Wet geurhinder en veehouderij is opgenomen voor de concentratiegebieden. Met het vaststellen van deze scherpere waarden heeft de gemeente rekening gehouden met de resultaten van onderzoek door GGD en IRAS naar de relatie tussen geurbelasting en kans op hinder. Het Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid van de GGD Brabant/Zeeland (Bureau GMV) en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van Universiteit Utrecht onderzochten in 2014 de relatie tussen geurbelasting afkomstig van veehouderijen en de ervaren geurhinder bij ruim 13.000 respondenten op het platteland en in kleinere kernen van Noord-Brabant en Noord-Limburg. Deze resultaten bevestigen volgens de GGD signalen dat er bij gegeven geurbelasting aanzienlijk meer geurhinder voorkomt dan op basis van de Handreiking Wgv (Wet geurhinder veehouderij) voor de concentratiegebieden te verwachten zou zijn. De relatie tussen de berekende geurbelasting en de kans op geurhinder uit het GGD-IRAS-onderzoek komt veel meer overeen met de relatie tussen geurbelasting en hinder voor de niet-concentratiegebieden (uit de handreiking Wgv) dan met de relatie tussen geurhinder en hinderkans voor de concentratiegebieden uit die handreiking.
De GGD adviseerde in het kader van de evaluatie van de geurregelgeving (2015-2016) het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden op te heffen en overal dezelfde normen te hanteren. Voor de maximale cumulatieve geurbelasting op objecten stellen zij ook een norm voor van 12% voor de bebouwde kom en 20% in het buitengebied, te vertalen als maximaal 5 Ou (bebouwde kom) respectievelijk 10 Ou (buitengebied) achtergrondbelasting (= cumulatieve geurbelasting). Niet-agrarische ontwikkelingen In de IOV zijn specifieke regels opgenomen met betrekking tot een aantal niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied, bijvoorbeeld functiewijzigingen en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven. De regels zijn erop gericht om een kader te geven voor de aard en omvang van de ontwikkelingen, waarbinnen de gemeente haar eigen ruimtelijke afweging kan maken. Algemeen uitgangspunt is dat gebruik dient te worden gemaakt van bestaande bebouwing en de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan. Voorwaarden functieverandering niet-agrarische functie Conform artikel 3.73 kunnen nieuwe niet-agrarische functies zich vestigen in het gemengd agrarisch gebied op een bestaand bouwperceel (= bouwperceel waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat).
Hiervoor gelden wel randvoorwaarden: • Het voornemen dient te passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, ook op langere termijn (een gebiedsgerichte benadering t.a.v. de activiteiten en functies die passen in de omgeving, de effecten op oa. mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders en de bijdrage aan het versterken van de omgevingskwaliteit); • Het bouwperceel mag niet gesplitst worden; • Overtollige bebouwing moet worden gesloopt;
28
• •
Het niet-agrarisch bedrijf mag niet toezien op een kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking; In het bestemmingsplan moet gewaarborgd worden dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en moet regels bevatten over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking en welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan. Het gaat om kleinschalige bedrijvigheid die passend is in een gemengde omgeving, waarvan het niet doelmatig is deze te vestigen op een bedrijventerrein (dit betreft bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2).
Voorgaande randvoorwaarden gelden ook in geval van uitbreiding of wijziging van een bestaande niet agrarische functie. In het plangebied wordt op één locatie de agrarische bedrijfsbestemming gewijzigd in een nieuwe niet-agrarische bestemmingsbestemming (Laar 19), ten behoeve van voortzetting van de reeds bestaande niet-agrarische nevenactiviteiten in de vorm van eierverkoop en caravanstalling binnen bestaande gebouwen, waarbij aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan. Daarnaast wordt in dit bestemmingsplan voor één locatie voorzien in een geringe uitbreiding van het bestemmingsvlak, te weten Plein 30 (uitbreiding cf feitelijk verleende bouwvergunning dd. 03-07-1996). Tenslotte wordt op een viertal vijf locaties voorzien in een bedrijfsmatige nevenactiviteit bij een (burger)woonbestemming. Dit heeft betrekking op de locaties Schellekesveld 2 (sw-1), Laar 32 (sw-2), Laar 32a (sw-5), Laar 29 (sw-3) en Oud Laar 17(sw-4). Voorwaarden omzetting voormalige agrarische bedrijfswoning en woningsplitsing Een bestemmingsplan dient in beginsel te bepalen dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. Op basis van artikel 3.69 kan een bestemmingsplan echter voorzien in de vestiging of splitsing van een of meer woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing (waaronder karakteristieke boerderijen).
Voorwaarde is dat met deze vestiging of splitsing het belang van het behoud of herstel van deze waardevolle bebouwing gediend is. Daarnaast is onder voorwaarden de bestemmingswijziging mogelijk van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning, mits op het perceel geen agrarische of niet-agrarische functie meer wordt uitgeoefend, er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing wordt gesloopt. De gemeente bepaalt in het bestemmingsplan welke bebouwing overtollig is. In het algemeen geldt dat als er geen concrete gebruiksfunctie voor bebouwing aanwezig is gerelateerd aan de woonfunctie, dat er dan sprake is van overtollige bebouwing. In het geval er tevens sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is het beleid gericht op behoud van de bebouwing In dit bestemmingsplan is voor vier locaties voorzien in splitsing van de voormalige agrarische bedrijfswoning in 2 burgerwoningen. Dit betreft de locaties Oud Laar 9, Laar 27, Laar 32/Laar 32a en Plein 26. De betreffende locaties zijn cultuurhistorische waardevolle boerderijpanden, die op basis van een nadere cultuurhistorische onderbouwing op de verbeelding als zodanig zijn aangeduid.
29
Via een voorwaardelijke verplichting is in de regels geborgd dat bij woningsplitsing instandhouding van de onderkende cultuurhistorische waarden (zoals benoemd in de cultuurhistorische waardestellingen) Deze cultuurhistorische waardestellingen zijn als bijlage 4 bij de regels opgenomen. Voorwaarden realisering Ruimte voor ruimte woningen De ruimte-voor-ruimte regeling komt voort uit het Pact van Brakkenstein dat in maart 2000 is gesloten tussen betrokken overheden bij de uitvoering van de reconstructie (Rijk en provincies). Het doel van deze regeling is om aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst te behalen door in ruil voor de beëindiging van een veehouderij, het inleveren van fosfaatrechten en de sloop van bedrijfsgebouwen de bouw van woningen op een passende locaties toe te staan. Op basis van artikel 3.80 van de IOV kan een bestemmingsplan dat is gelegen binnen gemengd landelijk gebied voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: 1. er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst danwel een ruimte-voor-ruimtekavel wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte; 2. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; 3.
een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; 4. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. In onderhavig bestemmingsplan worden op basis van de RvR regeling zestien RvRwoningen opgericht. Deze woningen worden deels gerealiseerd als gevolg van milieu- en kwaliteitswinst op de stoppers locaties zelf door de bedrijfsbeëindiging met sloop van bedrijfsgebouwen en inlevering van fosfaatrechten (in totaal 4 ½ bouwtitel). Daarnaast worden tevens enkele extra RvR titels aangekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte (in totaal 11 ½ bouwtitel). Aangezien voor enkele locaties de vereiste sloop van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de te generen bouwtitels nog niet heeft plaatsgevonden is voor deze RvR-locaties (Laar 27, nabij Laar 11 en Schellekesveld naast nr, 14), na afstemming met de provincie, een voorwaardelijke verplichting toegevoegd op basis waarvan de vereiste sloop van de voormalige bedrijfsgebouwen nader is geborgd. Alle ruimte-voor-ruimte kavels liggen op planologisch aanvaardbare locaties, worden goed landschappelijk ingepast (op basis van opgestelde erfinrichtingsplannen, zie ook bijlage 3 van de regels) en vormen geen aanzet voor een stedelijke ontwikkeling. De bewijsstukken van de noodzakelijke RvR titels zijn bijgevoegd in bijlage 18 van de toelichting.
Generieke ontheffingsmogelijkheden In de IOV is in artikel 5.12 een mogelijkheid opgenomen voor ‘nadere regels voor gebiedsgericht maatwerk’, artikel 5.12. Met deze bevoegdheid is een gebiedsgerichte aanpak mogelijk waarbij de som van de delen een duidelijke meerwaarde heeft ten opzichte van het onverkort toepassen van de regels.
30
Aan deze bevoegdheid zijn echter diverse voorwaarden gekoppeld gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie, waaronder een koppeling aan de kernwaarden en opgaven uit de omgevingsvisie. Daarnaast gelden er ten aanzien van veehouderij ontwikkelingen, aanvullende voorwaarden bij het gebruik van deze bevoegdheid. Zo is een toename van het oppervlakte dierenverblijf niet toegestaan. Voor het voornemen kan geen gebruik worden gemaakt van bovengenoemde maatwerk regeling. De voorgenomen uitbreidingsmogelijkheden van de resterende intensieve veehouderijen ten behoeve van verdere verbetering van het woon- en leefklimaat voldoet namelijk niet aan de gestelde aanvullende voorwaarden, aangezien het voornemen tevens voorziet in een (geringe) uitbreiding van het oppervlakte dierenverblijf. Omgevingsverordening De provincie heeft vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 11 maart 2022 een nieuwe omgevingsverordening vastgesteld, die tegelijk met de Omgevingswet, naar verwachting 1 januari 2024 in werking treedt. In deze omgevingsverordening is de indeling in structuren niet gewijzigd. Het westelijk gedeelte van het plangebied maakt onderdeel uit van 'stedelijk gebied', het oostelijk gedeelte van het plangebied maakt onderdeel uit van het 'landelijk gebied'.
Basis van het provinciale verstedelijkingsbeleid blijft dat nieuwe woningen in beginsel binnen het stedelijk gebied worden gerealiseerd, waar ook de voorzieningen aanwezig zijn. Daarnaast blijft het beleid gericht op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van verdere verstening en verrommeling van het landelijk gebied en wordt blijvend terughoudend omgegaan met het verspreid toevoegen van nieuwe woningen in het landelijk gebied. In de omgevingsverordening is tevens wederom een Ruimte voor ruimte regeling opgenomen, waarmee met behulp van een Ruimte voor ruimte titel een woning kan worden opgericht, op een aanvaardbare locatie in het landelijk gebied. Daarnaast is het geldende veehouderij beleid overeenkomstig overgenomen. Gelet op bovenstaande is het voornemen passend binnen het voorgestane beleid in de Omgevingsverordening.
31
2.3. Gemeentelijk beleid 2.3.1.
Structuurvisie Sint Michielsgestel 2025
Op 13 oktober heeft de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel besloten tot vaststelling van de 'Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025', die structuurvisie is op 16 december 2011 in werking getreden.
Uitsnede structuurvisie Sint Michielsgestel
De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling en de hoofdzaken van het ruimtelijke beleid voor de gemeente tot 2025. Het doel van de structuurvisie is om de wensen op een hoog abstractieniveau weer te geven. Het is een strategisch document en het biedt een ruimtelijk afwegingskader voor toekomstige plannen. In de structuurvisie komen thema’s aan de orde zoals: wonen, werken, recreatie, groene kwaliteit, bereikbaarheid en leefbaarheid in de kernen en duurzame ontwikkeling. Het plangebied is in de structuurvisie aangeduid als ‘waardevol landschap’. Rust en ruimte staan hier voorop. De bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten worden hier gekoesterd. Het voornemen leidt tot een afname van de milieuhinder in het gebied en versterking van de landschapskwaliteit en wordt daarmee passend geacht binnen de gemeentelijke structuurvisie.
2.3.2.
Gebiedsvisie
Met de op 23 maart 2017 vastgestelde gebiedsvisie wordt gestreefd naar een integrale oplossing voor de overbelaste situatie in het urgentiegebied Laar – Nieuw Laar, waarbij voor de blijvende bedrijven een haalbaar toekomstperspectief kan worden geboden, maar waarbij tevens sprake is van een goed woon-,werk- en leefklimaat, waarbij de in het gebied beleefde overlast wordt beperkt. In de visie staan vier speerpunten: 1) Vermindering overlast iv door: o Permanente beëindiging iv bedrijven in ruil voor nieuwe functies en/of bouwmogelijkheden (met landschappelijke inpassing): ▪ Woningsplitsing; ▪ Kleinschalige bedrijfsactiviteiten (mil. cat. 1 / 2); ▪ Ruimte voor Ruimte – regeling
32
Beëindiging van een bestaande intensieve veehouderij locatie leidt tot een directe afname van geur, fijnstof en ammoniak. Daarnaast verdwijnt hiermee ook potentiele ontwikkelruimte voor een iv uit het gebied. Een goede landschappelijke inpassing van nieuwe functies alsmede sloop van oude stallen kan de gebiedskwaliteit versterken. Daarnaast kunnen nieuwe functies leiden tot verbetering van de leefbaarheid. o Maatregelen bij doorgaande intensieve veehouderij bedrijven: de bestaande bedrijven dienen bij uitbreiding te investeren in vermindering van emissie van geur, fijnstof en ammoniak. Om deze investeringen mogelijk te maken wordt in ruil een uitbreiding toegestaan van het bouwvlak en het aantal dieren. Het maximum aantal gehouden varkens in het gebied mag het huidige aantal echter niet overschrijden, te weten 12.878 stuks. 2) Verfraaiing van het landschap; er is een landschapsplan opgesteld, waarin voorbeelden en handreikingen zijn opgesteld voor versterking van de landschapskwaliteiten van het gebied bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (zie navolgende paragraaf); 3) Verbetering van de verkeersveiligheid; bestaande bedrijven dienen goed bereikbaar te blijven voor toeleveranciers en afnemers, terwijl bewoners veilige routes naar de kern, scholen, sportpark en bos wensen.
Dit kan worden bereikt door wijziging van de transportroute van een transportbedrijf, aanleg van parkeerstroken ter hoogte van bedrijfspercelen en/of gedeeltelijke afsluiting voor gemotoriseerd verkeer en eventueel aanvullende maatregelen. Voornoemde speerpunten hebben uiteindelijk geleid tot een integrale visiekaart, waarin de verschillende maatregelen zijn geïntegreerd om te komen tot een beter woon-, werken leefklimaat in het gebied.
Uitsnede visiekaart gebiedsvisie
33
Naar aanleiding van het gebiedsproces hebben zes agrarische ondernemers zich bereid verklaard hun planologische en milieurechten in te leveren in ruil voor de individueel afgesproken functie-wijzigingen. Twee ondernemers hebben aangegeven hun intensieve veehouderij bedrijf door te zetten op Laar 31 respectievelijk Nieuw Laar 5a. Over de hiervoor te hanteren randvoorwaarden (met name met betrekking tot de maximaal toe gestane omvang van bouwvlak, de bebouwing en het aantal dieren alsmede de vereiste landschappelijke inpassing en gebruik van innovatieve technieken (algenteelt) is in het gebiedsproces en de gebiedsvisie geen consensus bereikt. Op 23 november 2017 heeft de raad besloten: 1) de afspraken rond de stoppers te faciliteren en te effectueren; 2) dat het maximum aantal varkens in het gebied niet meer dan het huidige aantal mag bedragen: 12.878 stuks. o het bedrijf aan de Laar 31-33-35 mag onder de afgesproken voorwaarden groeien naar maximaal 9.000 varkens (toename van 1.778 varkens, ca + 25%); o het bedrijf aan de Nieuw Laar 5 – 5a mag groeien naar maximaal 3.787 varkens (toename van 1.125 varkens, ca 41%).
o aan bovenstaande uitbreidingen wordt uitsluitend meegewerkt, indien door de bedrijven volledig wordt meegewerkt aan het plan zoals omschreven in de gebiedsvisie en het raadsvoorstel, inclusief het toepassen van de op dit moment in de markt aanwezige best beschikbare technieken voor het gehele bedrijf (tenminste 85% reductie in zowel geur als ammoniak en vergelijkbare reductie in fijnstof); o indien een bedrijf niet meewerkt aan het bedoelde plan dat wordt er geen uitbreiding toegestaan en blijft het toegestane aantal dieren beperkt tot het huidige aantal vergunde dieren; 3) het landschapsplan Laar – Nieuw Laar vast te stellen; 4) met uitzondering van de verbreding van Nieuw Laar de verkeersmaatregelen te effectueren; 5) de percelen Laar 29a en 29b niet te verkopen aan het bedrijf aan de Laar 31-33-35. Herijking uitgangspunten Een belangrijk onderdeel van het raadsbesluit uit november 2017 is dat de groei van de twee blijvende veehouderijen alleen is toegestaan bij het toepassen van technieken om o.a. de geur uit stallen met minimaal 85% te reduceren. Op dat moment waren er zogenaamde combiluchtwassers beschikbaar met een geurverwijderingsrendement van 85%. Naar aanleiding van de evaluatie van de landelijke geurregelgeving in 2015 en 2016, is er onderzoek verricht naar de rendementen van combiluchtwassers m.b.t. de verwijdering van geur.
De gemiddelde geurverwijdering van de onderzochte combiluchtwassers bedroeg slechts 40-45%. Door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn daarom met ingang van 20 juli 2018 nieuwe emissienormen vastgesteld. De nieuwe emissiefactoren zijn terug gebracht naar maximaal 45% geurverwijdering van combiluchtwassers en maximaal 30% bij enkelvoudige luchtwassers. Dit betekent dat 85% reductie van de geuremissie zoals vastgelegd in het raadsbesluit uit november 2017 op dit moment (december 2018) niet meer haalbaar is.
34
De gevolgen van deze gewijzigde emissiefactoren zijn middels een scenario-onderzoek in beeld gebracht, voor de huidige vergunde situatie en een aantal ontwikkelscenario’s. Naar aanleiding van de resultaten van dat scenario-onderzoek heeft de raad op 13 december 2018 in meerderheid besloten het raadsbesluit van november 2017 op het punt van reductie van geur als volgt aan te passen: “ de groei van een bedrijf alleen wordt toegestaan bij volledige medewerking aan het plan zoals omschreven in het raadsvoorstel en de gebiedsvisie, inclusief het toepassen van op dit moment in de markt aanwezige best beschikbare technieken voor het gehele bedrijf, zijnde een gecombineerd luchtwassysteem met een maximaal geurverwijderingsrendement of een hiermee gelijkwaardige technologie’. Ter borging van de gemaakte afspraken in het kader van de gebiedsvisie en het gebiedsproces is deze visie in onderhavig bestemmingsplan doorvertaald. De rechtsgeldige vergunde situatie van Laar 31/33/35 en Nieuw Laar 5a op moment van eerste vaststelling van het bestemmingsplan (13 december 2023) is rechtstreeks toegestaan.
Hierbij wordt beperkte flexibiliteit geboden door wijzigingen toe te staan die niet leiden tot een toename van de milieuhinder (waaronder ook emissies en deposities), die binnen bestaande bouwwerken plaatsvinden, waarbij de diersoorten (bijvoorbeeld varkens of rundvee) niet wijzigen en de totale dieraantallen per diersoort niet wijzigen. Voor de uitbreiding van intensieve veehouderij activiteiten op Laar 31 en Nieuw Laar 5a wordt het aantal dieren per type varken per stal als maximum vastgelegd overeenkomstig de ontwikkelplannen van deze veehouderijen. Zie navolgende tabellen. De plattegrondtekeningen met aanduiding van de stalnummers zijn opgenomen als bijlage bij de regels. Ook bij deze uitbreidingsmogelijkheid wordt beperkte flexibiliteit geboden door wijzigingen toe te staan die niet leiden tot een toename van de milieuhinder (waaronder ook emissies en deposities), die binnen bestaande bouwwerken plaatsvinden, waarbij de diersoorten (bijvoorbeeld varkens of rundvee) niet wijzigen en de totale dieraantallen per diersoort niet wijzigen. Tabel Maximale dierbezetting Laar 31 bij uitbreiding intensieve veehouderij Laar 31 stalnr soort varken maximaal aantal 4 en 5 guste en dragende zeugen 1.050 6 en 7 kraamzeugen (incl. biggen tot spenen) 300 6 en 7 gespeende biggen 1.040 6 en 7 opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking 1.170 8 en 9 kraamzeugen (incl.
biggen tot spenen) 645 10 en 11 guste en dragende zeugen 1.778 10 en 11 dekberen 7 maanden en ouder 17
35
Tabel Maximale dierbezetting Nieuw Laar 5a bij uitbreiding intensieve veehouderij Nieuw Laar 5a stalnr soort varken maximaal aantal 1 gespeende biggen 201 1 kraamzeugen 50 2 guste en dragende zeugen 546 3 vleesvarkens 192 3 opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking 768 3 dekberen 7 maanden en ouder 4 4 guste en dragende zeugen 821 5 vleesvarkens 1.296 1b overig rundvee 27
2.3.3.
Landschapsplan Laar – Nieuw Laar
De bestaande landschapstructuur van het gebied bestaat uit een 4-tal elementen: 1) Wegenstructuur met daarlangs de laanbomen (onderbrekingen rond Plein en langs de Groenstraat) als groen raamwerk; 2) 3 knooppunten in de wegenstructuur: o Nabij Plein, oud restant van een de oude ‘kampen’; o Dierenweide nabij 2 splitsingen Laar – Nieuw Laar; o Nabij Laar – Oud Laar, open driehoekige ruimte. 3) Groene erven (veelal goed verzorgd) als aanvulling op de laanbeplanting; bij de 3 grootste bedrijven ontbreekt het groen qua volume en hoogte; 4) Open ruimtes tussen de beplante wegen. De Wambergsche beek is momenteel nauwelijks herkenbaar in het landschap. De beek heeft geen natuurlijk verloop en een diepe ligging met steile taluds. De beek biedt wel potentie voor verbetering, door middel van een gewijzigd verloop, minder steil/natuurvriendelijke oevers en het beter beleefbaar maken via aanleg van wandelpaden. Met het landschapsplan wordt getracht de gebiedskwaliteit als uitloopgebied van de kern te versterken door behoud van het contrast tussen kleinschalig en grootschaliger en tussen besloten en meer open.
Hiertoe zijn een 7-tal maatregelen voorgesteld: 1) Behoud en versterken laanbeplanting van zomereik, linde of evt berk (aan weerszijden van de weg met onderlinge afstand van 8 tot 12 m); 2) Beter herkenbaar maken 3 bestaande kruispunten: o Nabij Plein (open houden driehoek met versterking omliggende boombeplanting); o Laar/Nieuw Laar (open houden bestaande dierenweide, versterking omliggende laanbeplanting); o Laar/ Oud Laar (open houden driehoek, versterking omliggende boombeplanting met name aan de zuidwestzijde en eventuele nieuwe RvR kavels clusteren in een nieuw erf met landelijke uitstraling); 3) Versterken groene karakter van de erven aan de hand van set van spelregels;
36
4) Behoud groene karakter van de randen van de open ruimtes door het robuust inplanten van bovenmaatse bedrijfsgebouwen: o Nieuw Laar 55a: ▪ zicht van bestaande stal substantieel verminderen (vooral vanaf Nieuw Laar en vanaf het oosten Schellekensveld); ▪ verschil maken tussen voorerf (kleinschaliger) en achtererf (meer robuuste inrichting; o Laar 31/33/35: ▪ Zicht van bestaande stal aanzienlijk verminderen (vooral vanuit het noordwesten, noorden en oosten); ▪ verschil maken tussen voorerf (kleinschaliger) en achtererf (meer robuuste inrichting). 5) Behoud en versterken van de openheid van de agrarische percelen door duurzaam agrarische functie veilig te stellen (bv door extensieve begrazing); 6) Verbeteren van de bewandelbaarheid door aanleg van een wandelpad, in aansluiting op bestaande structuren; 7) Opwaardering Wambergsche beek tot een herkenbaar doorgaand landschapselement, aansluitend op de ‘herstelde Wambergsche Loop’ langs de komgrens van Berlicum.
Uitsnede visiekaart Landschapsplan
Ter borging van de gemaakte afspraken in het kader van de gebiedsvisie en het gebiedsproces is deze visie in onderhavig bestemmingsplan doorvertaald met dien verstande dat de eventuele verlegging van de Wambergse beek pas in een later stadium zal worden uitgevoerd. Daarnaast heeft de gemeente individuele overeenkomsten met betrokken partijen afgesloten ten behoeve van vereiste landschappelijke inpassing op eigen percelen.
37
2.3.4.
Verordening geurhinder en veehouderij 2017
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Op grond van deze wet kunnen gemeenten een geurverordening opstellen waarin zij - binnen bepaalde wettelijke marges - hun eigen geurnormen stellen. Op 19 februari 2017 heeft de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel een gemeentelijke geurverordening voor het hele grondgebied vastgesteld, waarin wordt afgeweken van de wettelijke geurnormen en minimum afstanden. De verordening is in werking getreden op 17 maart 2017. De onderbouwing van de (aangescherpte) geurnormen is uitgewerkt in een geurgebiedsvisie. De geurnormen zien toe op voorgrondbelasting van geur (individuele geurbelasting ten gevolge van één veehouderij). De verordening is bedoeld als toetsingskader voor vergunningen, zoals voor de twee blijvende iv-bedrijven Laar 31 en Nieuw Laar 5a.
Uitsnede Geurnormenkaart behorend bij de verordening geurhinder en veehouderij 2017
In de geurverordening zijn de volgende afwijkende geurnormen en afstanden opgenomen: A. Woonkernen 2,0 Ou. B. Bedrijventerreinen 5,0 Ou. C. Bebouwingsconcentraties 7,0 Ou. D. Buitengebied 10,0 Ou. A: Woonkern en B: Bedrijventerrein - (voormalige) bedrijfswoning bij veehouderij: > 50 m - overige geurgevoelige objecten: > 100 m
38
C: Bebouwingsconcentraties en D: Buitengebied: - (voormalige) bedrijfswoning bij veehouderij: > 25 m - overige geurgevoelige objecten: > 50 m. Conform bovenstaande geurnormenkaart bedraagt in het plangebied de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied de ‘reguliere’ normering van het buitengebied, te weten 10,0 odour units /m 3 . Op alle nieuwe geurgevoelige objecten die het bestemmingsplan mogelijk maakt wordt voldaan aan de geurnormen en vaste afstanden conform de geurverordening van 2017. In de vergunde situatie zijn wel een aantal bestaande burgerwoningen overbelast, hetgeen betekent dat beide veehouderijen in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt worden door deze bestaande, overbelaste woningen. Het toevoegen van nieuwe geurgevoelige objecten aan het plangebied levert ten aanzien van geur geen extra beperkingen op voor de ontwikkelingsmogelijkheden van beide veehouderijen, zie paragraaf 5.6.5 voor een uitgebreide beschrijving van het geuraspect.
39
3.
BESCHRIJVING PLANGEBIED
Het plangebied is gelegen ten oosten van de kernen Berlicum en Middelrode en heeft een totale omvang van 1,77 km2. Diverse woonkavels en agrarische percelen wisselen elkaar af. Het gebied was van oorsprong een echt buitengebied. In de loop der jaren is het dorp Berlicum door uitbreiding van het woongebied steeds dichterbij gekomen. In het gebied tussen de dorpsrand en Nieuw-Laar zijn onder andere diverse RvR woningen toegevoegd, waardoor het gebied steeds meer een dorpsrandkarakter krijgt. Door de ligging nabij de dorpse voorzieningen vormt de planlocatie een aantrekkelijk woongebied en recreatief uitloopgebied. In het gebied bevinden zich naast diverse burgerwoningen, een 12 tal agrarische bedrijven (waarvan 7 iv-bedrijven)2 en een 6- tal bestaande niet- agrarische bedrijven.
Uitsnede topografische kaart
Vanwege noodzakelijke investeringen door veranderende markt en aangescherpte regelgeving ten aanzien van dierenhuisvesting, dierenwelzijn, milieu en gezondheid worden agrarische ondernemers genoodzaakt de bedrijfsvoering te beëindigen en op zoek te gaan naar andere inkomstenbronnen en/of functies.
2 De besluitvorming omtrent het bestemmingsplan was aanvankelijk gepland voor eind 2019, aangezien de
stoppende varkenshouderijen in het gebied per 1 januari 2020 hun niet-emissiearme varkensstallen leeg moesten hebben staan, vanwege het aflopen van de gedoogregeling in het kader van het Actieplan ammoniak en veehouderij. Deze planning is aanzienlijke verschoven, met als gevolg dat inmiddels alle (beoogde) stoppende intensieve veehouderijen leeg staan. Als het bestemmingsplan geen doorgang vindt kan op de locaties van de stoppende veehouderijen op basis van de huidige iv-aanduiding en vigerende vergunningen nog een doorstart worden gemaakt met de intensieve veehouderij, mits stallen emissiearm zijn uitgevoerd en voldaan wordt aan alle wet- en regelgeving.
40
Door de combinatie van intensieve veehouderijen en relatief veel burgerwoningen is in het gebied sprake van een overbelaste situatie door geur, fijnstof en beleving daarvan door omwonenden. Door direct omwonenden wordt overlast ervaren in de vorm van geur, fijnstof, ongedierte, verkeersonveilige situaties en geluid. Daarnaast maken zij zich zorgen over hun gezondheidssituatie vanwege mogelijk negatieve effecten van geur, fijnstof ammoniak en risico op infectieziekten. Het gebied tegen de dorpsrand is nog relatief kleinschalig, besloten en erg groen met een dicht patroon van met bomen omzoomde lanen. Verder van het dorp wordt het landschap grootschaliger met vergezichten. Hier lagen voorheen oude bouwlanden met een kleinschalige percelering. Deze kleinschaligheid is in de loop der jaren verdwenen in ruil voor grotere, beter te bewerken landbouwkavels, waarbij vele perceelsrandbeplanting is verdwenen.
Uitsnede historische kaart 1925
Het contrast tussen de door beplanting en erven besloten wegen en de open ruimtes is een belangrijke gebiedskwaliteit. De erven zijn veelal fraai, met opgaand groen. De bebouwing is niet monumentaal (veelal na 1950), maar wel met een eigen ‘gebiedseigen’ architectuur. In het plangebied bevindt zich een 5-tal cultuurhistorisch waardevolle boerderij panden, te weten: Laar 11, Laar 27, Laar 32/32a, Oud laar 9 en Plein 26. In het gebied geven de beplante wegen het landschap structuur. Het wegenpatroon kent veelal nog haar oorspronkelijk verloop, maar wegen zijn wel breder geworden en verhard. De Wambergsche beek loopt dwars door het gebied. De loop is verlegd, passend binnen nieuwe gebiedsverkaveling.
41
4.
PLANBESCHRIJVING
4.1. Doorvertaling gebiedsvisie en landschapsplan In het raadsbesluit van november 2017 zijn de uitgangspunten voor de verdere uitwerking van de gebiedsvisie in een bestemmingsplan op hoofdlijnen geformuleerd. Besloten is hierbij de 6 stoppende iv-bedrijven te faciliteren bij het beëindigen van hun bedrijf en de twee blijvende intensieve veehouderijbedrijven (aan de Laar 31 en Nieuw Laar 5a) uitbreidingsruimte te geven om de realisatie van verbeterde bedrijfstechnieken ten behoeve van een vermindering van de overlast (geur, fijnstof, ammoniak) in het gebied te kunnen financieren. In dit bestemmingsplan zijn de resultaten van de gebiedsvisie en het bijbehorend raadsbesluit doorvertaald.
Dit betekent concreet in het gebied: 1) Van de 6 stoppende intensieve veehouderij-bedrijven in het gebied wordt de voormalige agrarische bestemming (‘bouwvlak’) gewijzigd in : o Een burgerwoonbestemming ter plaatse van: ▪ Schellekesveld 2, waarbij ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 1’ tevens als nevenactiviteit kleinschalige bedrijvigheid (maximaal milieucategorie 2) alsmede een opslagbedrijf tot een maximale gezamenlijke omvang van 900 m2 wordt toegestaan alsmede maximaal 300 m2 aan bijgebouwen; daarnaast worden 6 RvR woningen mogelijk gemaakt, 2 woningen ten noorden van Schellekensveld 14 en daarnaast in totaal 4 ten noorden van Nieuweweg 6; ▪ Oud Laar 17, waarbij ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 4’ tevens als nevenactiviteit kleinschalige bedrijvigheid (maximaal milieucategorie 2) alsmede een vakantie-woning met een gezamenlijke begane grond vloeroppervlakte van 315 m2 wordt toegestaan alsmede maximaal 364 m2 aan bijgebouwen; daarnaast worden 3 RvR woningen ten zuiden van de voormalige bedrijfslocatie opgericht; o Een dubbele woonbestemming, als gevolg van de woningsplitsing van de voormalige bedrijfswoning ter plaatse van de cultuurhistorische waardevolle boerderijpanden van: ▪ Laar 32/32a (feitelijk reeds gerealiseerd); waarbij ter plaatse van Laar 32 met de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - 2’ en Laar 32a met de
aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - 5’ tevens een bestaande nevenactiviteit in de vorm van statische opslag in de bestaande bijgebouwen wordt toegestaan; ▪ Laar 27, waarbij tevens een extra RvR woning wordt gerealiseerd ten oosten van de voormalige bedrijfslocatie. o Een niet-agrarische bedrijfsbestemming ter plaatse van Laar 17/19, (sb-7) waarbij de bestaande nevenactiviteiten in de vorm van caravanopslag en eierverkoop als hoofdactiviteit worden voortgezet binnen de bestaande bebouwing, met aanzienlijke verkleining van het bouwvlak en realisering van een robuuste groenstrook. Daarnaast worden ten zuiden van de huidige bedrijfslocatie een tweetal RvR woningen opgericht;
42
o
Een agrarische bestemming, ter plaatse van Laar 11, waarbij het geldend agrarisch bouwvlak van vorm wordt veranderd en ter plaatste uitsluitend het houden van 35 ooien alsmede 1.000 m2 caravanstalling is toegestaan en geen verdere veehouderij activiteiten meer mogelijk zijn; daarnaast wordt een wijzigingsmogelijkheid opgenomen voor splitsing van het cultuurhistorisch waardevolle boerderijpand, waarbij dan tevens de huidige agrarische bedrijfsbestemming in een woonbestemming dient te worden gewijzigd. Bovendien worden ten zuidwesten van de bedrijfslocatie 2 RvR woningen opgericht.
2) Van het stoppende overige veehouderij-bedrijf in het gebied wordt de voormalige agrarische bestemming (‘bouwvlak’) gewijzigd in : o Een dubbele woonbestemming, als gevolg van de woningsplitsing van de voormalige bedrijfswoning ter plaatse van het cultuurhistorische waardevolle boerderijpand van: ▪ Plein 26; 3) De 2 blijvende iv-bedrijven krijgen onder voorwaarden uitbreidingsmogelijkheden: o
Vormverandering en vergroting van het bestaande agrarisch bouwvlak ter plaatse van Laar 31/33/35 van afgerond 2,12 ha naar 2,27 ha (waarvan 21.525 m2 2,0 ha ten behoeve van de met aanduiding ‘intensieve veehouderij’) en een bouwperceel van 24.992 m2 (afgerond naar boven 2,50 ha); waarbij een uitbreiding van het aantal varkens tot maximaal 9.000 is toegestaan (uitbreiding van 1.778 varkens), bestaande uit de volgende maximale aantallen per soort: Stalnr * soort varken maximaal aantal 4 en 5 guste en dragende zeugen 1.050 6 en 7 kraamzeugen (incl. biggen tot spenen) 300 6 en 7 gespeende biggen 1.040 6 en 7 opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste 1.170 dekking 8 en 9 kraamzeugen (incl. biggen tot spenen) 645 10 en 11 guste en dragende zeugen 1.778 10 en 11 dekberen 7 maanden en ouder 17 * de stalnummers staan aangeduid op plattegrondtekening die is bijgevoegd als bijlage bij de regels.
Verder wordt inpandige mestbewerking en vergisting van maximaal 15.000 ton/jaar uitsluitend op Laar 31 geproduceerde mest mogelijk gemaakt, met een maximale vergistingscapaciteit van 14.864 ton/jaar (waarvan 1.000 ton glycerine, 3.750 ton dikke fractie na mestscheiding en aangevuld met water).Ter plaatse zijn conform de huidige planologische regeling en bestaande situatie 2 bedrijfswoningen toegestaan (Laar 31 en Laar 35);
43
o
Vergroting van het bestaand agrarisch bouwvlak ten behoeve van een met aanduiding ‘intensieve veehouderij’ ter plaatse van Nieuw Laar 5a van 0,73 naar 0,96 ha 0,95 ha, waarbij een uitbreiding van het aantal varkens tot max. 3.878 varkens is toegestaan (uitbreiding van max. 1.125 varkens), bestaande uit de volgende maximale dieraantallen per soort: Stalnr* soort varken maximaal aantal 1 gespeende biggen 201 1 kraamzeugen 50 2 guste en dragende zeugen 546 3 vleesvarkens 192 3 opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste 768 dekking 3 dekberen 7 maanden en ouder 4 4 guste en dragende zeugen 821 5 vleesvarkens 1.296 1b overig rundvee 27 * de stalnummers staan aangeduid op een plattegrondtekening, die is bijgevoegd als bijlage bij de regels.
Het overige gedeelte van het bouwvlak (0,97 ha) blijft ongewijzigd. Hier zijn geen veehouderij activiteiten toegestaan. Bovenstaande vergrotingen van het bouwvlak en/of uitbreiding van het aantal dieren is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan alle afspraken, zoals opgenomen in de gebiedsvisie en bijbehorend raadsbesluit, inclusief afspraken over het toepassen van op dit moment in de markt aanwezige best beschikbare technieken voor het gehele bedrijf, zijnde een gecombineerd luchtwassysteem met een maximaal geurverwijderingsrendement of een hiermee gelijkwaardige technologie. Indien het intensieve veehouderij-bedrijf besluit om niet mee te werken aan het bedoelde verbeterplan dan is er geen uitbreiding toegestaan. Daarmee blijft het aantal dieren binnen dat iv-bedrijf dus beperkt op het huidige aantal dieren. Dit is in de juridische regeling nader geborgd.
4) Doorvertaling van het landschapsplan vindt navolgend plaats: o Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf aan Laar 31/33/35 is ter hoogte van Laar 29a en 29 b een groenbestemming opgenomen; o Met een voorwaardelijke bepaling wordt in de juridische regeling de landschappelijke inpassing en overige landschapsmaatregelen, die de gemeente met initiatiefnemers eerder heeft afgestemd over de perceelsinrichting nader geborgd; de hiertoe opgestelde landschappelijke inrichtingsplannen zijn als bijlage 3, 5 en 6 bij de regels gevoegd; Ten behoeve van de tweede gewijzigde vaststelling is voor de intensieve veehouderij Nieuw Laar 5a een landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt en opgenomen als bijlage 8 bij de regels. o In het plan wordt tevens een gedeeltelijke verlegging van de Wambergse beek voorgesteld; ter hoogte van Plein 8 wordt een meer westelijke situering
44
beoogd; Deze eventuele verlegging zal echter pas in een later stadium worden opgepakt. De haalbaarheid van de verlegging is op dit moment onvoldoende onderbouwd en onvoldoende verzekerd en maakt derhalve geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. De bestaande watergang is derhalve geconsolideerd in het bestemmingsplan opgenomen. 5) Ten behoeve van de blijvende veehouderijen wordt in de gebiedsvisie voorzien in de aanleg van parkeervakken voor vrachtwagens. Dit is op basis van de huidige bestemmingen reeds mogelijk. Hiervoor is geen nadere bestemmingsregeling in dit bestemmingsplan noodzakelijk. Dit geldt tevens voor de aanleg van wandelpaden en extensief recreatieve voorzieningen. 6) De huidige voormalige bedrijfswoning aan Laar 29a alsmede de bestaande burgerwoning aan Laar 29b worden gesloopt; ter plaatse wordt een robuuste groenvoorziening gerealiseerd, conform afspraken in het kader van het landschapsplan. In het bestemmingsplan is een regeling opgenomen, waarmee deze 2 te slopen woningen ten westen van Laar 27 herbouwd kunnen worden alsmede één extra RvR woning.
4.2. Overige ontwikkelingen Naast bovenstaande wijzigingen in de bestemmingsregeling, is voor de overige bestaande functies in het gebied de huidig geldende regeling zoveel mogelijk overgenomen, waarbij wel is aangesloten op de meest actuele juridische regeling van de gemeente. Daarnaast hebben op enkele locaties enkele kleine correcties plaatsgevonden op basis van feitelijke en vergunde situaties. Gebiedsbestemmingen In het bestemmingsplan zijn een tweetal agrarische gebiedsbestemmingen opgenomen. Het merendeel van het gebied is bestemd als ‘Agrarisch’. Het meest oostelijk gedeelte van het plangebied, ten oosten van Schellekesveld, is echter conform de geldende bestemming voorzien van de bestemming ‘Agrarisch met waarden-Landschapswaarden’, vanwege de hier voorkomende historische landschappelijke waarden. Agrarische bedrijven In het gebied bevindt zich het agrarisch bedrijf aan de Groenstraat 31, te weten een kwekerij. Het geldende agrarisch bouwvlak ter plaatse is ongewijzigd opgenomen.
Hier is ter plaatse van de bedrijfswoning de aanduiding ‘plattelandswoning’ toegevoegd; daarnaast zijn een tweetal wijzigingsbevoegdheden opgenomen: voor oprichting van permanente teeltondersteunende voorzieningen, waarbij onder meer de 5 meter brede beschermingszone van de naastgelegen A-watergang in acht genomen dient te worden evenals een goede landschappelijke inpassing is vereist, alsmede voor een toekomstige mogelijkheid tot realisering van in totaal 2 burgerwoningen op het perceel (inclusief voormalige bedrijfswoning) bij volledige bedrijfsbeëindiging.
45
Niet-agrarische bedrijven De overige vijf bestaande niet-agrarische bedrijven in het gebied zijn overeenkomstig de geldende bestemmingsregeling overgenomen, met dien verstande dat ter plaatse van Plein 30 een correctie van de begrenzing van het bestemmingsvlak heeft plaatsgevonden conform de bestaande en vergunde situatie, die landschappelijk reeds was ingepast. Recreatie Achter de bestaande burgerwoning Schellekensveld 7 wordt een uitbreiding van de bestaande mini-camping met 10 standplaatsen tot een camping met 35 standplaatsen toegestaan, waarbij het terrein tevens wordt gemoderniseerd middels oprichting van de reeds vergunde 220 m2 aan gebouwen ten behoeve van sanitair en een gemeenschappelijke ruimte. Hiertoe is de aanduiding ‘overige zone – recreatie’ op de verbeelding opgenomen. Voor de voorgestane ontwikkeling is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, die als bijlage 15 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen. Daarnaast wordt ten zuiden van de bestaande burgerwoning (Schellekensveld 7) tevens een extra RvR woning opgericht. Achter de bestaande woning Nieuw Laar 16 wordt met dit plan tevens de reeds bestaande en vergunde mini camping nader planologisch geborgd. Ter plaatse zijn uitsluitend 10 camperstandplaatsen toegestaan.
Burgerwoningen De diverse bestaande burgerwoningen in het gebied zijn overeenkomstig de generieke regeling voor burgerwoningen in het buitengebied van de gemeente overgenomen. Ter plaatse van Laar 29 zijn de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten, zoals nog opgenomen in het geldend bestemmingsplan, reeds geruime tijd beëindigd en is derhalve een woonbestemming opgenomen, waarbij ter plaatse van de aanduiding (‘specifieke vorm van wonen – 3’) de bestaande ondergeschikte hoveniersactiviteiten worden toegestaan. Ter plaatse van de burgerwoningen aan de Groenstraat 27, Koesteeg 7/7a en Plein 29 heeft een geringe vormverandering plaats gevonden, om daarmee de bestaande, vergunde bebouwing binnen het woonbestemmingsvlak te situeren.
46
5.
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Algemeen Als uitgangspunt voor het bestemmingsplan geldt dat geen strijdigheden (mogen) bestaan met de normen uit de betrokken milieuwetten waaronder de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet geurhinder en veehouderij, het Besluit externe veiligheid inrichtingen en het binnenkort inwerking tredende Besluit externe veiligheid buisleidingen. Daarnaast wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met het relevante gemeentelijke milieubeleid. Het bestemmingsplan voorziet ten opzichte van de vigerende bestemmingsregeling in een aantal nieuwe ontwikkelingen. Hiervoor is door middel van locatie specifiek onderzoek aangetoond dat aan de vereiste (milieu)randvoorwaarden wordt voldaan. Alle noodzakelijke onderzoeken zijn als bijlagen bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen.
5.1. PlanMER 5.1.1.
Algemeen
Op basis van Europese regelgeving dient sinds september 2006 bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen en programma’s het milieu een volwaardige plaats te worden geven met het oog op de bevordering van een duurzame ontwikkeling. Hiertoe dienen milieudoelstellingen integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces te worden meegewogen, waardoor milieubelangen volwaardig kunnen worden afgewogen tegen andere belangen die evenzeer claims kunnen leggen op de schaars beschikbare ruimte. Een plan-m.e.r. is een milieueffectrapportage voor onder andere een bestemmingsplan of omgevingsplan, waarin onderzocht wordt welke milieueffecten kunnen plaatsvinden op basis van de geboden ontwikkelingsmogelijkheden van het vast te stellen bestemmings/omgevingsplan. Binnen de Wet Milieubeheer is bepaald wanneer een plan-m.e.r. verplicht is. Als een plan kaders biedt voor m.e.r.-beoordelings-plichtige activiteiten of als niet is uit te sluiten dat de geboden ontwikkelingsmogelijkheden significante nadelige gevolgen voor de Natura2000-gebieden kunnen hebben (als voor het plan een passende beoordeling in de zin van de Wet natuurbescherming nodig is) is een plan-m.e.r. een vereiste.
5.1.2.
PlanMER Laar- Nieuw Laar
In dit bestemmingsplan wordt de planologische regeling voor de ontwikkelingsmogelijkheden van enkele veehouderijlocaties herzien. Deze aangepaste regeling vormt hiermee onderdeel van een kaderstellend plan, en dus dient voor dit bestemmingsplan een PlanMER te worden opgesteld. Naast de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij zijn in het bestemmingsplan buitengebied geen andere activiteiten voorzien, die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht.
47
De plan-m.e.r. procedure voor dit bestemmingsplan is gestart met een openbare bekendmaking van het voornemen. Daarnaast is een zogenaamde Notitie reikwijdte en detailniveau opgesteld en gepubliceerd. Deze NRD notitie beschrijft de opzet en inhoud van het op te stellen PlanMER. Het document informeert iedereen over welke alternatieven en varianten worden onderzocht en beschreven, hoe dat gedaan wordt (onderzoeksmethodiek) en hoe de resultaten in het PlanMER opgenomen worden. Vervolgens is een PlanMER opgesteld ten behoeve van het ontwerp bestemmingsplan. Dit PlanMER is samen met de bijbehorende bijlagen als bijlage 1 en 2 bij de toelichting van het bestemmingsplan toegevoegd. De Commissie voor de m.e.r. heeft het PlanMER getoetst en een voorlopig toetsingsadvies uitgebracht. Het PlanMER voldeed nog niet aan alle beoordelingscriteria van de Commissie voor de m.e.r.. Vervolgens is een Aanvulling PlanMER opgesteld, die als bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is gevoegd. Deze documenten samen vormen ‘het PlanMER’. Deze aanvulling is ook door de Commissie m.e.r. getoetst en vervolgens heeft de Commissie voor de m.e.r. een definitief toetsingsadvies uitgebracht. In bijlage 4 is het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. bijgevoegd.
Hieruit volgt dat alle essentiële informatie in het PlanMER aanwezig is, maar dat de regeling in het bestemmingsplan nog een aanpassing behoeft. Op basis van dit definitieve toetsingsadvies zijn de regels van het bestemmingsplan aangepast, waardoor volledig invulling is gegeven aan de adviezen van de Commissie voor de m.e.r. Voor de tweede gewijzigde vaststelling is een oplegnotitie MER (d.d. 5 december 2025) opgesteld en als bijlage 20 bij de toelichting bijgevoegd. In deze oplegnotitie bij het planMER worden voor de volledigheid de milieueffecten ten gevolge van de tweede gewijzigde vaststelling toegelicht en waar nodig aanvullend beoordeeld. In het PlanMER zijn de verschillende milieueffecten van de op basis van de gebiedsvisie bepaalde ontwikkelingsmogelijkheden onderzocht. In het PlanMER staan de gecumuleerde effecten voor de omgeving door de combinatie van activiteiten en functies in en rondom het plangebied centraal. Hierbij is ondermeer onderzocht op welke wijze de voorgenomen uitbreiding en modernisering van de twee blijvende intensieve veehouderijen gestalte kan c.q. moet krijgen om de huidige overlast voor omwonenden nog verder te verminderen. Het PlanMER vormt daarmee een belangrijk hulpmiddel bij het nemen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
Het PlanMER is mede afgestemd op de milieuonderzoeken die reeds zijn uitgevoerd in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor beide blijvende varkenshouderijen. In het PlanMER is uitgegaan van de uitwerking en vergelijking van drie scenario’s: 1. Een consoliderend scenario gebaseerd op de vergunde situatie van de twee resterende veehouderijen Laar 31 en Nieuw Laar 5a. In dit scenario kunnen de beide veehouderij-bedrijven alleen de nog niet-gerealiseerde vergunde ruimte benutten. 2. Een realistisch ontwikkelscenario gebaseerd op de door de twee resterende intensieve veehouderijen ingediende aanvragen (inclusief de randvoorwaarden m.b.t. maximale omvang, milieugrenzen en eisen m.b.t. milieuprestaties conform de raadsbesluiten en gebiedsvisie) met een verhoogde uittredesnelheid van 7 m/s , ~ het ‘voorkeursalternatief’;
48
3. Een maximaal scenario, waarbij wordt uitgegaan van een standaard uittrede snelheid van 4 m/s, ~’het worst-case scenario’; Voor de drie scenario’s geldt dat deze betrekking hebben op de twee blijvende intensieve veehouderijen, Laar 31 en Nieuw Laar 5a alsmede de functiewijzingen ten gevolge van het stoppen van de overige veehouderijen binnen het plangebied. Verder is de referentiesituatie in beeld gebracht. Deze situatie wordt gevormd door de feitelijke situatie, rekening houdend met autonome ontwikkelingen. Niet-gerealiseerd gebruik en illegale situaties zijn niet bij de referentiesituatie meegenomen. Resultaten Uit de beoordeling van de milieueffecten in het MER volgt dat het aspect geur bepalend is voor verbeteringen ten gevolge van de veehouderijen Laar 31en Nieuw Laar 5a ten opzichte van de huidige feitelijke situatie 3. De verbeteringen voor de verkeers- en milieuaspecten zijn mede het gevolg van de andere inmiddels gestopte veehouderijen. In het consoliderend scenario (Laar 31 en Nieuw Laar 5a vergund) is ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen sprake van een goed of afweegbaar leefklimaat conform de gemeentelijke beleidsregel.
In het consoliderende scenario is de voorgrondbelasting van Nieuw Laar 5a afweegbaar ter plaatse van 3 nieuwe RvR woningen (vanwege voorgrondbelasting Nieuw Laar 5a) en afweegbaar ter plaatse van een andere RvR woning (vanwege voorgrondbelasting Laar 31). De gemeenteraad maakt uiteindelijk de afweging en heeft hierin beleidsvrijheid. Bij deze (belangen)afweging kan betrokken worden dat de cumulatieve achtergrondbelasting van stallen en mestverwerking ter plaatse van deze RvR-woningen wel voldoet aan de toetswaarde van 10 OU en dat de overschrijding van de toetswaarde klein is, aangezien de voorgrondbelasting onder de 6 Ou blijft. In het realistisch scenario (= de ontwikkelplannen die in dit bestemmingsplan planologisch mogelijk worden gemaakt) is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van alle nieuwe woonbestemmingen (RVR-woningen, woningsplitsingen en te herbestemmen woningen) voor zowel de voorgrond- als achtergrondbelasting. In het maximaal scenario is dit niet het geval voor de voorgrondbelasting. In het realistisch scenario wordt tevens de overbelaste situatie ter plaatse van een aantal bestaande woningen opgelost en onder de 10 OU gebracht (oa. Laar 29a, Nieuw Laar 8 en Schellekensveld 7). Alleen bij Nieuw Laar 15 en Nieuw Laar 25 blijft de achtergrondbelasting nog boven de 10 OU, maar hier is wel sprake van een verbetering.
De verhoogde uittredesnelheid in het realistisch scenario is noodzakelijk om de ontwikkelingen van beide veehouderij aan te kunnen merken als verbetermaatregelen conform de doelen uit de gebiedsvisie Laar – Nieuw Laar. Het maximaal scenario geeft slechts een kleine verbetering van het leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen.
3 Na gereedkoming van het ontwerp PlanMER besloten is om voor de locatie Plein 13-15 een aparte procedure
te voeren. Dit heeft verder geen gevolgen voor de resultaten met betrekking tot de milieueffecten van het voornemen.
49
Het realistisch scenario is dus alleen uitvoerbaar onder de voorwaarde dat de verhoogde uittredesnelheid het hele jaar door aantoonbaar gehaald wordt en dit afdoende gewaarborgd is in het bestemmingsplan. Aangezien uit het maximaal scenario volgt dat met 4 m/s ter plaatse van enkele nieuwe woonbestemmingen geen ‘goed’ woon- en leefklimaat is gegarandeerd, en daardoor niet aanvaardbaar is op basis van de gemeentelijke beleidsregel, moet de verhoogde uittredesnelheid van het realistisch scenario volledig gewaarborgd worden in het bestemmingsplan om tot een uitvoerbaar bestemmingsplan te komen. Om te kunnen garanderen dat met name de geurbelasting op basis waarvan het plan wordt vastgesteld ook in werkelijkheid gehaald wordt dienen middelvoorschriften (met betrekking tot de technische uitvoering van het ventilatiesysteem en monitoringsplicht voor een goede werking) en/of doelvoorschriften (met betrekking tot een maximale geurbelasting op maatgevende woningen) opgenomen te worden in het bestemmingsplan. De ontwikkelscenario’s voor Laar 31 en Nieuw Laar 5a zijn niet noodzakelijk om de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen, woningsplitsingen en te herbestemmen bedrijfswoningen planologisch mogelijk te maken. Deze zijn ook in het consoliderende scenario inpasbaar.