Bijlage 4 Omgevingsplan Laar Nieuw Laar_Toelichting (1396680)
Tekst van het document
Bestemmingsplan - Toelichting -
Omgevingsplan Laar Nieuw Laar Gemeente Sint-Michielsgestel
BESTEMMINGSPLAN - Toelichting -
Omgevingsplan Laar Nieuw Laar Gemeente Sint-Michielsgestel
IDNnummer:
NL.IMRO.0845.BP2023BLCLaarNLaar-VA02
Status:
vastgesteld
Datum:
21 December 2023 (met aanvullingen herstelbesluit 2026)
Locatie Nijmegen Wijchenseweg 102 6538 SX Nijmegen
Locatie Rosmalen Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen
024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
Inhoudsopgave
Toelichting
bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar
3
Bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Laar – Nieuw Laar’ Toelichting Tweede gewijzigde vaststelling (Herstelbesluit)
Bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Laar - Nieuw Laar’ Gemeente Sint-Michielsgestel Toelichting Tweede gewijzigde vaststelling (Herstelbesluit)((
Naam opdrachtgever:
Gemeente Sint-Michielsgestel
Idn-nummer:
NL.IMRO.0845.BP2023BLCLaarNLaar-VA02
Status:
definitief
Datum:
9 december 2025
Vestigingen te Nijmegen, Vught, Baexem en Voerendaal Wijchenseweg 102 6538 SX Nijmegen T (024) 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl pouderoyentonnaer.nl
1
INHOUD
1.
INLEIDING............................................................................................................. 4
1.1. 1.2. 1.3. 1.4.
Aanleiding en doelstelling ........................................................................................ 4 Ligging en begrenzing plangebied........................................................................... 7 Geldend bestemmingsplan ...................................................................................... 8 Leeswijzer .............................................................................................................. 12
2.
BELEIDSKADER ................................................................................................ 13
2.1.
Europees en rijksbeleid ......................................................................................... 13 2.1.1. Nationale omgevingsvisie (NOVI) ............................................................... 13 2.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ................................. 14 2.1.3. Bro; motivering duurzame verstedelijking ................................................... 14 2.1.4. Crisis- en herstelwet ................................................................................... 15 2.2. Provinciaal beleid................................................................................................... 16 2.2.1. Provinciale structuurvisie ruimtelijke ordening – partiele herziening 2014 . 16 2.2.2. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant........................................... 19 2.3. Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 32 2.3.1. Structuurvisie Sint Michielsgestel 2025 ...................................................... 32 2.3.2. Gebiedsvisie ............................................................................................... 32 2.3.3. Landschapsplan Laar – Nieuw Laar ........................................................... 36 2.3.4. Verordening geurhinder en veehouderij 2017 ............................................ 38
3.
BESCHRIJVING PLANGEBIED ......................................................................... 40
4.
PLANBESCHRIJVING........................................................................................ 42
4.1. 4.2.
Doorvertaling gebiedsvisie en landschapsplan ..................................................... 42 Overige ontwikkelingen ......................................................................................... 45
5.
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN .............................................................. 47
5.1.
PlanMER ................................................................................................................ 47 5.1.1. Algemeen .................................................................................................... 47 5.1.2. PlanMER Laar- Nieuw Laar ........................................................................ 47 5.2. Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................... 51 5.2.1. Archeologie ................................................................................................. 51 5.2.2. Cultuurhistorie ............................................................................................. 52 5.3. Natuur en landschap ............................................................................................. 54 5.3.1. Wetgeving ................................................................................................... 54 5.3.2. Gebiedsbescherming – Natura 2000 .......................................................... 55 5.3.3. Soortenbescherming ................................................................................... 60 5.3.4. Landschap .................................................................................................. 63 5.4.
Waterhuishouding .................................................................................................. 64
2
5.4.1. Inleiding....................................................................................................... 64 5.4.2. Bestaande situatie ...................................................................................... 67 5.4.3. Toekomstige situatie ................................................................................... 68 5.5. Verkeer en parkeren .............................................................................................. 71 5.6. Overige milieuaspecten ......................................................................................... 72 5.6.1. Bodem......................................................................................................... 72 5.6.2. Externe veiligheid ....................................................................................... 72 5.6.3. Fijn stof / luchtkwaliteit ................................................................................ 74 5.6.4. Endotoxinen ................................................................................................ 77 5.6.5. Geur ............................................................................................................ 78 5.6.6. Geluid.......................................................................................................... 90 5.6.7.
Bedrijven en milieuzonering........................................................................ 92
6.
ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ............... 93
6.1. 6.2.
Economische haalbaarheid ................................................................................... 93 Maatschappelijke aanvaardbaarheid ..................................................................... 93
7.
JURIDISCHE ASPECTEN .................................................................................. 95
7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5.
Algemeen ............................................................................................................... 95 Verbeelding............................................................................................................ 95 Regels .................................................................................................................... 95 Wijze van toetsen .................................................................................................. 97 Artikelsgewijze toelichting ...................................................................................... 98
8.
BIJLAGEN......................................................................................................... 106 1. PlanMER 2. Bijlagen PlanMER 3. Aanvulling PlanMER 4. Toetsingsadvies Commisie m.e.r. 5. Passende beoordeling Wet natuurbescherming 6. Archeologisch vooronderzoek 7. Aanvullend archeologisch vooronderzoek 8. Selectieadvies aanvullend archeologisch vooronderzoek 9. Quickscan flora en fauna Gebiedsvisie Laar – Nieuw Laar 10. Notitie resultaten onderzoek vleermuizen Laar 11 11. Notitie resultaten onderzoek vleermuizen Laar 27 12. Verkennend bodem- en asbestonderzoek, inclusief aanvulling Laar 29 en Laar ong. 13. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Plein 26 14. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 15. Ruimtelijke onderbouwing camping Schellekensveld ong. (achter nr. 7) 16. Besluit hoge grenswaarde Wgh Nieuweweg 17. Nota vooroverleg 18. Bewijsstukken Ruimte voor Ruimte dossiers 19. Geuronderzoek mestbewerking Laar 31 Buro Blauw, 6 januari 2025 20. Oplegnotitie MER t.b.v. tweede gewijzigde vaststelling, 8 december 2025
3
1.
INLEIDING
1.1. Tweede gewijzigde vaststelling Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte met plannaam 'Omgevingsplan Laar Nieuw Laar' en met identificatienummer NL.IMRO.0845.BP2023BLCLaarNLaar-VA01 is op 21 december 2023 gewijzigd vastgesteld. Naar aanleiding van ingestelde beroepen en gelijktijdige verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen, heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 16 september 2024 met zaaknummer ECLI:NL:RVS:2024:3707, een voorlopige voorziening getroffen, en het besluit van de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel van 21 december 2023 waarbij het bestemmingsplan "Omgevingsplan Laar - Nieuw Laar" gewijzigd is vastgesteld, geschorst voor zover het betrekking heeft op de plandelen met de bestemming "Agrarisch" aan de Nieuw Laar 5a en de Laar 31-33-35 en Nieuw Laar 11 in Berlicum. De uitspraak in voorlopige voorziening heeft in combinatie met de aangevoerde beroepsgronden tot nieuwe inzichten geleid en vormt mede aanleiding voor een herstelbesluit (zoals bedoeld in artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht) in de vorm van een tweede gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte met plannaam 'Omgevingsplan Laar Nieuw Laar' en met identificatienummer NL.IMRO.0845.BP2023BLCLaarNLaar-VA02. De toelichting bij de tweede gewijzigde vaststelling is grijs gemarkeerd.
Alle wijzigingen ten behoeve van het herstelbesluit, zijn opgenomen in een Nota van wijzigingen die onderdeel uitmaakt van het Raadsbesluit. De wijzigingen op hoofdlijnen zien toe op de volgende aspecten: •
•
•
•
Wijziging van het oppervlakte en van de vorm van het bouwperceel, bouwvlak, aanduiding intensieve veehouderij en bestemming Groen – landschappelijke inpassing op Laar 31-33-35 (hierna genaamd: Laar 31); Toevoeging van een uitgewerkt landschappelijk inpassingsplan voor Nieuw Laar 5a met een bestemming Groen - landschappelijke inpassing die is gekoppeld aan een voorwaardelijke verplichting. Hierdoor is het bouwvlak iets verkleind; Binnen de aanduiding intensieve veehouderij wordt de geldende vergunde situatie bij recht toegestaan. Hierbij wordt enige flexibiliteit geboden door wijzigingen toe te staan die niet leiden tot een toename van de milieuhinder (waaronder ook emissies en deposities), die binnen bestaande bouwwerken plaatsvinden of plaatsvinden binnen vervangende bouwwerken die worden opgericht ter plaatse van die bestaande bouwwerken, waarbij de diersoorten (bijvoorbeeld varkens of rundvee) niet wijzigen en de totale dieraantallen per diersoort niet wijzigen; De maximale planologische mogelijkheden bij uitbreiding van de intensieve veehouderij worden verder ingeperkt door voor Laar 31 en Nieuw Laar 5a de dieraantallen te maximaliseren per type varken per stal.
Hierbij wordt voor uitsluitend Nieuw Laar 5a enige flexibiliteit geboden door verschuivingen in de diercategorieën toe te staan tot de maxima genoemd in de planregels, voor zover de (cumulatieve) milieuhinder (waaronder ook begrepen de emissies en
4
•
•
• •
deposities en o.a. op gebied van geur, geluid en verkeersbewerkingen) daardoor niet toeneemt. Uitsluiten van mestbewerking op Nieuw Laar 5a (de definitie ‘mestbewerking’ is breed geformuleerd en ziet toe op alle technieken die de aard, samenstelling of hoedanigheid van mest wijzigen, waaronder mestscheiding en (co)vergisting); Inperken van maximale planologische mogelijkheden ten aanzien van de mestbewerking en algenteelt op Laar 31, waardoor het bestemmingsplan niet meer mogelijk maakt dan het ontwikkelplan waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd en is verleend op 13 augustus 2025 (nog niet onherroepelijk); Aanvullend een geactualiseerd geuronderzoek voor mestbewerking op Laar 31; Enkele ondergeschikte wijzigingen zonder effecten voor milieu en omgeving: o de provinciale gebiedsaanduiding ‘Beperkingen veehouderij’ is opgenomen; o een aanduiding voor statische opslag ten behoeve van een bijgebouw bij Laar 32a, overeenkomstig de aanduiding op hetzelfde bijgebouw op Laar 32; o een aanduiding bij Schellekesveld 14 ter verwerking van een verleende omgevingsvergunning voor een BOPA (afwijkende maatvoering bijbehorende bouwwerken).
1.2. Aanleiding en doelstelling In het gebied Laar-Nieuw Laar ten oosten van de kern Berlicum bevinden zich een aantal agrarische bedrijven, waaronder 8 intensieve veehouderijbedrijven, in de directe nabijheid van de kern en talrijke burgerwoningen. Door de direct omwonenden van het gebied wordt overlast ervaren in de vorm van geur, fijn stof, ongedierte (vliegen), (vracht)verkeer en geluid en is sprake van een slecht woon- en leefklimaat.
Figuur: huidige geurhinder (achtergrondbelasting) vergunde situatie (Bron: Gebiedsvisie Laar-Nieuw Laar, Rho)
Vanwege de ervaren overlast door bewoners en de overbelaste situatie door geur en fijn stof, zie bovenstaande figuur, heeft de gemeente Sint-Michelsgestel naar aanleiding van het Brabantberaad het gebied Laar- Nieuwe Laar benoemd als urgentiegebied.
5
Partijen in het Brabantberaad, een samenwerkingsverband waarin gemeenten, GGD, BML, ZLTO en de provincie Noord-Brabant in vertegenwoordigd zijn, hebben afgesproken de overlast in de urgentiegebieden aan te pakken. De maatregelen dienen reëel en uitvoerbaar te zijn en te worden beschreven in een verbeterplan. Veehouders en burgers dienen zelf bij te dragen aan het opstellen van een verbeterplan en de uitvoering van de maatregelen. Om tot een oplossing te komen voor de overbelaste situatie in het gebied hebben bewoners, ondernemers, provincie en andere (in)direct betrokken partijen via een gebiedsproces een gebiedsvisie opgesteld. De gebiedsvisie is op 23 november 2017 door de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel vastgesteld. In deze visie zijn de ambities opgenomen voor de gewenste toekomstige ruimtelijke en functionele ontwikkelingen in het gebied, zodat het woon-, werk- en leefklimaat in het gebied wordt verbeterd. De gebiedsvisie is te zien als verbeterplan in het kader van de aanpak van urgentiegebieden in Noord-Brabant. Op basis van deze visie zullen in het gebied een 6tal intensieve agrarische bedrijven definitief worden beëindigd en de landschappelijke gebiedskwaliteit verder worden ontwikkeld. Ter financiering hiervan wordt op enkele locaties woningsplitsing en realisering van ruimte-voor-ruimte woningen toegestaan.
Daarnaast blijven twee actieve intensieve veehouderij bedrijven in het gebied gevestigd. Op basis van de visie wordt aan deze twee bedrijven onder strenge randvoorwaarden enige uitbreidingsruimte geboden qua agrarisch bouwvlak en qua dierenaantallen, zodat geïnvesteerd kan worden in toepassing van Best Beschikbare Technieken, waardoor de totale milieubelasting als gevolg van emissies van geur, fijnstof en ammoniak in het gebied verder kan worden verbeterd. Deze vastgestelde gebiedsvisie is nader uitgewerkt en doorvertaald in onderhavig bestemmingsplan. Gedurende het gebiedsproces voor het gebied is tevens een landschapsplan ‘LaarNieuw Laar’ vastgesteld, waarin een leidraad wordt geboden voor toekomstige ontwikkelingen in het gebied. Enerzijds als streefbeeld en inspiratiebron, anderzijds ook als toetsingskader voor particuliere initiatieven en handvaten voor uitvoering. In onderhavig bestemmingsplan is de uitwerking van het landschapsplan ook vastgelegd. Dit betreft onder meer de realisering van (groene) knooppunten en het opleggen van voorwaardelijke verplichtingen bij de erven van de blijvende en stoppende agrarische bedrijven. De in de visie tevens opgenomen gewenste verlegging van de Wambergse beek zal pas in een later stadium worden opgepakt.
Om de mogelijkheid te hebben om ook milieugebiedsnormen (voor de twee overblijvende iv-bedrijven) integraal in het bestemmingsplan te kunnen opnemen is het plan bij het ministerie van Binnenlandse Zaken aangemeld als bestemmingsplan met verbrede reikwijdte en bij besluit van 8 maart 2019 opgenomen in de 18e tranche van het Besluit Uitvoering Crisis- en Herstelwet. Hierdoor kan in dit bestemmingsplan nader juridisch worden geborgd dat de uitbreiding van deze bedrijven gepaard moet gaan met de best beschikbare technieken om de uitstoot van geur, fijn stof en ammoniak te verminderen en de overlast voor omwonenden zo ver als redelijker wijze mogelijk is terug te dringen.
6
In de periode 2019 t/m 2021 is het plan verder uitgewerkt. Het planproces was aan aanzienlijke vertraging onderhevig ten gevolge van meerdere factoren. Dit betrof onder meer de gevolgen van de stikstofcrisis en daaruit volgende wijzigingen in wet- en regelgeving, de noodzakelijke afstemming met provincie, wijzigingen in de plannen van de blijvende veehouderijen en van de individuele wensen van stoppende veehouders en burgers in het gebied bij nadere concretisering van de planvorming en resultaten van de omgevingsdialoog. Ter ondersteuning van de besluitvorming over het bestemmingsplan is een milieuonderzoek (planMER) uitgevoerd. Het doorlopen van de procedure milieueffectrapportage (m.e.r.) en het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Als een bestemmingsplan een planologisch kader biedt voor de uitbreiding van een veehouderij, waarbij er voor een omgevingsvergunning voor die uitbreiding een verplichting is voor het opstellen van een milieueffectrapport of een m.e.r-beoordeling, dan is het bestemmingsplan zelf ook m.e.rplichtig. Dat is voor het bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar aan de orde.
Het milieueffectrapport (PlanMER) van 7 december 2022 alsmede de bijbehorende bijlagen, de aanvulling PlanMER van 12 oktober 2023 en het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. zijn als bijlage 1 t/m 4 bij onderhavig bestemmingsplan opgenomen. In het PlanMER staan de gecumuleerde effecten voor de omgeving door de combinatie van activiteiten en functies in en rondom het plangebied centraal. Ten behoeve van de tweede gewijzigde vaststelling is een Oplegnotitie MER opgesteld en bijgevoegd als bijlage bij de toelichting. In deze oplegnotitie bij het plan-MER worden de mogelijk milieueffecten ten gevolge van het herstelbesluit toegelicht en waar nodig aanvullend beoordeeld.
1.3. Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft een zone ten oosten van de kernen Berlicum en Middelrode in de gemeente Sint Michielsgestel en heeft een omvang van ca. 1,77 km2. Het plangebied voor dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is groter dan het gebied waar de gebiedsvisie voor is vastgesteld. Dit heeft te maken met het feit dat de vast te leggen contouren voor geur, fijnstof en ammoniak buiten het gebied van de gebiedsvisie liggen. Daarnaast dienen ook enkele buiten het gebied van de gebiedsvisie te realiseren RvR woningen binnen dit bestemmingsplan te worden opgenomen. Het plangebied wordt nu derhalve globaal begrensd door de Werststeeg in het noorden, de bebouwde kom en sportpark de Brand in het westen, de Zandstraat en Milrooijsedijk in het zuiden en de Nieuweweg en Schellekesveld in het oosten, zie onderstaande afbeelding.
7
Uitsnede globale planbegrenzing
Aangezien voor 2 locaties binnen het plangebied een afzonderlijke r.o.procedure gevolgd wordt zijn deze 2 locaties voor terinzageligging van het ontwerp bestemmingsplan uit het plangebied gehaald. Dit betreft de locatie Groenstraat ong. (kadastraal perceel L 1556) alwaar een Ruimte voor Ruimte woning op onbebouwde agrarische grond wordt gerealiseerd. Daarnaast betreft dit de locatie Plein 13-15, waar een van de 2 agrarische bedrijfswoningen (Plein 15) wordt afgesplitst van het agrarisch bedrijf. Dit rijksmonument zal worden gesplitst in een tweetal wooneenheden. Het resterend agrarisch bedrijf blijft gehandhaafd, maar ter plaatse zullen geen dieren meer worden gehouden.
1.4. Geldend bestemmingsplan De planologische situatie van het plangebied is vastgelegd in verschillende bestemmingsplannen. Voor het merendeel van het plangebied is het onherroepelijke bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 16 december 2010, onherroepelijk 25 januari 2013) van toepassing.
8
Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied’
Dit bestemmingsplan is echter voor navolgende locaties binnen het plangebied gedeeltelijk herzien met het onherroepelijke bestemmingsplan ‘Actualisatie Buitengebied fase 1’’ vastgesteld 16 juli 2015): • • • • • •
Laar 19: agrarisch bouwvlak met functieaanduiding ‘caravanstalling’ en ‘specifieke vorm van bedrijf – eiergroothandel’; Laar 31- 33 -35: agrarisch bouwvlak met functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden : 2’; Laar 34: burgerwoonbestemming; Nieuw Laar 5/5a: agrarisch bouwvlak met (gedeeltelijk) functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’; Plein 17: burgerwoonbestemming; Schellekensveld 7/7a: gesplitste woonbestemming (als gevolg van de uitspraak van Raad van State dd. 24 augustus 2016 is deze voorgenomen splitsing vernietigd).
9
Uitsnede bestemmingsplan ‘Actualisatie Buitengebied fase 1’
Daarnaast is voor de locatie Plein ong. (tegenover Plein 11) het bestemmingsplan ‘Actualisatieplan Buitengebied – Fase 2’ van toepassing. Dit plan is op 17 december 2015 vastgesteld. Hierin is de bestemming van de betreffende locatie gewijzigd van een (niet-agrarische) bedrijfsbestemming in de bestemming ‘Agrarisch’. In dit bestemmingsplan was voor de locatie Laar 29a ook voorzien in een burgerwoonbestemming. Deze bestemmingswijziging is echter met de uitspraak van de Raad van State over dit bestemmingsplan (dd. 24 augustus 2016) vernietigd.
Uitsnede bestemmingsplan ‘Actualisatieplan Buitengebied – Fase 2’
10
Op 12 januari 2017 is door de raad het bestemmingsplan ‘Ruimte voor Ruimte ontwikkeling Groenstraat – Laar’ vastgesteld. In het kader van een Ruimte voor Ruimte ontwikkeling worden met dit bestemmingsplan één solitaire woning aan de Groenstraat en 3 geclusterde, vrijstaande woningen aan het Laar toegestaan met een toegestane maximale inhoud van 1.000 m3.
Uitsnede bestemmingsplan ‘Ruimte voor Ruimte ontwikkeling Groenstraat – het Laar’
Voorbereidingsbesluit Voor het merendeel van het plangebied zijn in het kader van opgestelde gebiedsvisie een tweetal voorbereidingsbesluiten genomen (dd. 9 maart 2017 en 8 februari 2018) om ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen (in tegenspraak met de gebiedsvisie) te kunnen voorkomen.
Uitsnede begrenzing voorbereidingsbesluit
Op 14 juni 2018 is door de raad het bestemmingsplan “Buitengebied, tweede actualisatie” vastgesteld. In dit bestemmingsplan is voor enkele locaties binnen het plangebied een juridisch-planologische regeling opgenomen ten behoeve van het behoud van de gebiedskarakteristieke paraplu hooibergen. Dit betreft onder meer: Nieuw Laar 16, Nieuw Laar 25, Plein 31 en Schellekesveld 14.
11
Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied, tweede actualisatie’ Daarnaast is in dit bestemmingsplan voor het gehele buitengebied, dus ook onderhavig plangebied een geconsolideerde versie van de juridische regeling opgenomen.
1.5. Leeswijzer Deze toelichting kent de volgende opzet: • • • • • •
hoofdstuk 2 omvat een globale beschrijving van het relevant beleidskader, waar het nieuwe bestemmingsplan aan dient te voldoen; hoofdstuk 3 omvat een globale, beknopte gebiedsbeschrijving van het plangebied; in hoofdstuk 4 is het planvoornemen beschreven. in hoofdstuk 5 zijn de omgevings- en de milieuaspecten beschreven. In hoofdstuk 6 wordt de economische (financiële) uitvoerbaarheid en de maatschappelijke aanvaardbaarheid van het bestemmingsplan beschreven. In hoofdstuk 7 is de juridische toelichting weergegeven. Hierin is aangegeven hoe de regels en verbeelding zijn opgebouwd.
12
2.
BELEIDSKADER
2.1. Europees en rijksbeleid 2.1.1.
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten : 1. ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel bevorderen; 3. zorgen voor sterke en gezonde steden en regio's; 4. stimuleren van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Omgevingsinclusieve benadering Centraal in de te maken afwegingen tussen belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Hierbij wordt aangesloten bij de integrale opvatting uit de Omgevingswet van het begrip fysieke leefomgeving en wordt de noodzakelijke integraliteit van afwegingen benadrukt. Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is dat tussen beschermen en ontwikkelen. Het doel van de toekomstige Omgevingswet (deze wet treedt naar verwachting in werking per 1 juli 2023) is namelijk het bereiken van een balans tussen: '(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in de omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving. Hiermee moet dus rekening worden gehouden bij het maken van beleidskeuzes. Een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving houdt in dat ontwikkeling van de leefomgeving samen gaat met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit.
Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw.
13
Afwegingsprincipes Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken & identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Een van de opgaven in de NOVI is het stimuleren van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Met onderhavig voornemen wordt beoogd het woon-, werk- en leefklimaat in een overbelast gebied sterk te verbeteren door het faciliteren van de beëindiging van diverse veehouderijen in het gebied, het opnemen van verbetermaatregelen voor de resterende veehouderijen alsmede realisering van diverse landschapsverbeteringsmaatregelen. Het onderhavige plan is hiermee passend binnen de in de Omgevingsvisie gestelde doelen. De NOVI krijgt verder doorwerking op lagere beleidsniveaus. De relevante beleidsstukken op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau zijn in de navolgende paragrafen getoetst.
2.1.2.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), beter bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn dertien nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Dit betreft onder meer het Nationale Natuurnetwerk (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Onderhavig plangebied is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het Rijk een specifiek nationaal belang heeft aangewezen. Het Barro heeft derhalve geen consequenties voor voorliggend plan.
2.1.3.
Bro; motivering duurzame verstedelijking
Conform het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. De motivering duurzame verstedelijking richt zich op substantiële veranderingen en bouwplannen, die qua aard en omvang zodanig zijn, dat voor mogelijke leegstand elders gevreesd zou kunnen worden. Het doel is om overbodige bouwplannen (kantoren, woningen) te voorkomen en hergebruik te stimuleren.
14
Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte tevens een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen. Een stedelijke ontwikkeling betreft “een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.“ De ladder voor duurzame verstedelijking richt zich op substantiële veranderingen en bouwplannen, die qua aard en omvang zodanig zijn, dat voor mogelijke leegstand elders gevreesd zou kunnen worden, die uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening tot een onaanvaardbare situatie zal leiden. Het doel is om overbodige bouwplannen (kantoren, woningen) te voorkomen en hergebruik te stimuleren. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Conform jurisprudentie (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.
Er is sprake van één woningbouwlocatie als er tussen de te realiseren woningen, ruimtelijke en functionele samenhang bestaat. Uit de jurisprudentie volgt dat daarvoor onder meer betekenis toekomt aan de onderlinge afstand tussen de woningen. Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op enkele afzonderlijke ruimtelijke ontwikkelingen op afzonderlijke locaties, waar in ruil voor de bedrijfsbeëindiging en sloop van bestaande opstallen enkele RvR woningen toegevoegd worden. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Een nadere toets aan de motivering duurzame verstedelijking wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
2.1.4.
Crisis- en herstelwet
Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. De wet was aanvankelijk bedoeld om een snellere uitvoering van ruimtelijke plannen te realiseren en vernieuwende en duurzame projecten te stimuleren, onder meer door vermindering en versnelling van beroepsprocedures. Ondertussen vormt het experimenteren met de Omgevingswet inmiddels ook een belangrijk motief voor de Chw-projecten. De Crisis- en Herstelwet kent immers een experimenteerbepaling om vooroplopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet (naar verwachting 1 juli 2023) al in de geest van en met de systematiek van de Omgevingswet te werken. In het kader van de nieuwe Omgevingswet wordt dan gesproken over een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. In een dergelijk bestemmingsplan kunnen naast de gebruikelijke ruimtelijk ordeningsaspecten ook aspecten van andere wetgeving, waaronder milieu, gezondheid, landschap en duurzaamheid worden meegenomen. Dit is vergelijkbaar met het integrale karakter van het omgevingsplan uit de Omgevingswet.
15
Om in dit bestemmingsplan milieugebiedsnormen te kunnen borgen is het bestemmingsplan aangemeld en bij besluit van 8 maart 2019 opgenomen in de 18e tranche van het Besluit Uitvoering Crisis- en Herstelwet. De verbrede reikwijdte heeft in dit bestemmingsplan invulling gekregen door het vastleggen van milieueisen, randvoorwaarden en extra monitoringsmaatregelen met betrekking tot de bedrijfsvoering van de twee blijvende intensieve veehouderijen Laar 31 en Nieuw Laar 5a. Dit om te borgen dat de eventuele uitbreidingen van deze bedrijven gepaard moeten gaan met de best beschikbare technieken om de uitstoot van geur, fijn stof en ammoniak te verminderen en de overlast voor omwonenden zo ver als redelijker wijze mogelijk is terug te dringen.
2.2. Provinciaal beleid 2.2.1.
Provinciale structuurvisie ruimtelijke ordening – partiele herziening 2014
Op 7 februari 2014 hebben Gedeputeerden Staten de Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014 vastgesteld, die op 19 maart 2014 in werking is getreden. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het beleid tot 2025. In de structuurvisie is het landelijk gebied van de hele provincie gezoneerd. De zonering is bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de diverse functies in het buitengebied zoals landbouw, natuur en recreatie, voor zover deze het provinciaal belang aangaan. De zonering is op zichzelf niet bindend voor gemeentelijke bestemmingsplannen. Dit geldt echter niet voor de doorvertaling van deze zonering in de Verordening ruimte provincie Noord-Brabant, want die is wel bindend voor een bestemmingsplan. Het landelijk gebied is opgedeeld in vier ruimtelijke structuren. Dit zijn de: groenblauwe structuur; het landelijk gebied; stedelijke structuur; infrastructuur. Het plangebied ligt in zijn geheel in het landelijk gebied. Het landelijk gebied omvat die agrarische gebieden die niet tot de groenblauwe structuur behoren. Het landelijk gebied De provincie beschouwt het landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is.
Naast ruimte voor de land- en tuinbouw is hier ook ruimte voor de ontwikkeling van nietagrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie.
16
In de gebieden rondom dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. In het gebied is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Nieuwe ontwikkelingen dienen wel rekening te houden met hun omgeving en bij te dragen aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. De provincie wil daarnaast ruimte bieden voor de verdere ontwikkeling van de land- en tuinbouw, mits deze bijdraagt aan een verdere verduurzaming van de sector. Belangrijke aspecten daarbij zijn zorgvuldig ruimtegebruik, volksgezondheid, dierenwelzijn, een afname van de milieubelasting, duurzame energieopwekking en efficiënt energiegebruik. Vanuit de denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd' wil de provincie stimuleren dat de veehouderij op een verantwoorde manier verbonden is met de sociale en fysieke omgeving. De beleidslijn maakt geen onderscheid naar veesector en geldt voor alle veehouderijen. De denklijn verloopt langs drie lijnen: • • •
ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen.
Ontwikkelruimte betekent niet automatisch dat er verdere schaalvergroting of forse groei van bedrijven plaatsvindt. De ontwikkeling richt zich juist op de inpassing in de omgeving en een transitie richting duurzame en zorgvuldige veehouderij. Hiertoe heeft de provincie samen met de partners de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) ontwikkelt. De BZV is een flexibel instrument dat een duurzame bedrijfsvoering objectiveert door maatregelen te benoemen die bijdragen aan een verbetering van de fysieke leefomgeving, volksgezondheid, dierenwelzijn en -gezondheid. Waar mogelijk wordt aangesloten bij certificeringssystemen. Via een puntensysteem bepaalt de individuele ondernemer welke maatregelen hij toepast. Door de BZV regelmatig bij te stellen aan de meest moderne inzichten ontstaat er een trapsgewijze transitie. De provincie wil voorkomen dat er nieuwe overbelastingen ontstaan op het gebied van geurhinder, fijnstof en ammoniak. Daarnaast wil de provincie een afname van bestaande overbelastingen realiseren. Om een goede leefomgeving te waarborgen, stelt de provincie daarom op gebiedsniveau normen vast voor geur en fijn stof. Voor de sociale binding van de veehouderij met diens omgeving is het voeren van een dialoog belangrijk.
De dialoog is er op gericht in een vroegtijdig stadium aandachtspunten met de omgeving te bespreken waardoor die betrokken worden bij de concrete planontwikkeling.
17
Gebiedspaspoort Een specifiek onderdeel van de structuurvisie vormen de zogeheten Gebiedspaspoorten. Dit is een uitwerking van de structuurvisie en daarmee een apart document, waarin de provincie aangeeft welke landschapskenmerken zij bepalend vindt voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype (de kernkwaliteiten van Noord-Brabant). De provincie geeft tevens haar ambities weer voor de ontwikkeling van de landschapskwaliteit in die gebieden. De provincie wil de diversiteit en de contrasten in de Brabantse landschappen in stand houden en als uitgangspunt nemen voor nieuwe ontwikkelingen. De gebiedspaspoorten geven inhoud aan het provinciaal belang van landschap en zijn daarom belangrijk voor het handelen van de provincie en de inzet van provinciale instrumenten, zoals subsidies. In het geval dat gemeenten of andere partijen initiatiefnemer zijn, vraagt de provincie de landschapskenmerken en de ambities van de paspoorten uit te werken in hun eigen plannen, ze te betrekken in de afwegingen bij ruimtelijke planvorming en daaraan uitvoering te (laten) geven in plannen.
Uitsnede gebiedspaspoorten
Het plangebied maakt onderdeel uit van gebiedspaspoort Meierij, dat wordt gekenmerkt als ‘kleinschalig mozaïek aan de benedenloop van beken, rijk aan populieren’. Het plangebied maakt onderdeel uit van het jonge zandontginning landschap. De provincie wil het karakter van de Meierij als groen hart van Brabant versterken. Onder meer door mogelijkheden te bieden voor menging van functies in het buitengebied en verbreding van de landbouw. De ontwikkeling van dorpen, steden en de intensieve landbouw (waaronder de intensieve veehouderij) dient plaats te vinden in samenhang met het versterken van landschapselementen die bijdragen aan de biodiversiteit en het groene, kleinschalige karakter van de Meierij, zoals poelen, houtwallen, open graslanden, bomenlanen en onverharde wegen.. Met name in de jonge ontginningslandschappen worden mogelijkheden geboden voor nieuwe landschapskwaliteit door het robuuster maken van de beplantingsstructuur in combinatie met het versterken van agrarische enclaves.
18
Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ Vooruitlopend en anticiperend op de inwerkingtreding van de nationale Omgevingswet (naar verwachting januari 2024) hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma’s en een provinciale omgevingsverordening. De omgevingsvisie bevat geen specifieke ambities voor het plangebied.
Met onderhavig voornemen wordt beoogd het woon-, werk- en leefklimaat in een overbelast gebied sterk te verbeteren door het faciliteren van de beëindiging van diverse veehouderijen in het gebied, het opnemen van verbetermaatregelen voor de resterende veehouderijen alsmede realisering van diverse landschapsverbeteringsmaatregelen. Het onderhavige plan is hiermee passend binnen de in de Omgevingsvisie gestelde doelen.
2.2.2.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld (geconsolideerde versie 1 augustus 2023). De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de, in de omgevingsverordening opgenomen, voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd.
19
Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die wordt bepaald door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Planspecifiek In deze paragraaf wordt ingegaan op de diverse onderdelen uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant die relevant zijn voor het plangebied. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies is opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving (art. 3.5). Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1)) Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6), dit houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing (bestaand stedelijk gebied danwel bestaand bouwperceel); 2) Toepassing van de lagenbenadering (art.
3.7): het effect van de ontwikkeling op de verschillende lagen (ondergrond, netwerk en bovenlaag) in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; 3) Meerwaarderecreatie (art. 3.8): een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken; Gemengd landelijk gebied Het gemengd landelijk gebied betreft de agrarische gronden, gelegen buiten de groenblauwe structuur. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor landen tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Landen tuinbouw zijn daarbij de grootste ruimtegebruikers. In het gebied worden de agrarische functies in samenhang met de andere functies uitgeoefend. Voor wat betreft het agrarisch gebied vraagt de provincie aan gemeenten om aan te geven welke ontwikkelmogelijkheden er zijn voor een gevarieerde plattelandseconomie. Functies die niet passen bij het gewenste ontwikkelingsperspectief moeten in het bestemmingsplan worden uitgesloten. Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderij In de Interim omgevingsverordening zijn afzonderlijke regels opgenomen voor de ontwikkeling van veehouderij bedrijven.
Deze regels zijn tevens opgenomen in een rechtstreeks werkende regel, zodat deze bij iedere nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning betrokken dienen te worden, ook als het geldende bestemmingsplan nog niet op deze regels uit de Interim Omgevingsverordening is aangepast. De beleidsregels voor de veehouderij komen voort uit de vastgestelde denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’ (maart 2013).
20
Er is daarbij besloten dat er alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen, als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. GS hebben nadere regels opgesteld over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij. Deze nadere regels staan inmiddels bekend als de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) (versie 2.2; vastgesteld door GS op 19 juli 2022). Hoofdregel is dat veehouderijbedrijven in beginsel niet groter groeien dan 1,5 ha. Daarnaast worden randvoorwaarden gesteld aan de toename van de bestaande bebouwingsoppervlakte van dierenverblijven (ook binnen het agrarisch bouwperceel) of het in gebruik nemen van bebouwing die eerder niet voor de veehouderij in gebruik was. Er wordt hierbij niet langer een onderscheid gemaakt tussen categorieën dieren die tot de intensieve of niet-intensieve veehouderij worden gerekend. In de IOV zijn onder meer ook normen voor geur opgenomen op gebiedsniveau. Deze normen geven invulling aan de grenzen die vanuit gebiedsniveau aan individuele ontwikkelruimte gesteld worden. Het gebruik van etagestallen is verboden, behoudens in geval van legkippen.
Concreet betreft het navolgende randvoorwaarden, zoals opgenomen in artikel 3.49 waaraan voldaan dient te worden bij ontwikkelingen die voorzien in een uitbreiding (vestiging of omschakeling naar) een veehouderij: 1) Er dient te worden geborgd dat ter plaatse alleen een veehouderij is toegestaan, waar maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij. Een zorgvuldige veehouderij is in de IOV gedefinieerd als 'een veehouderij, die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving'. Hiertoe dient een veehouderij ten minste 7,25 punten te behalen overeenkomstig de bij de nadere regels horende BZV (versie 2.2), waarbij geldt dat ten minste 0,2 punten behaald moet worden via de pijler Certificaten en minimaal 0,6 punten via de pijler Inrichting & Omgeving. 2) Een bouwperceel van een veehouderijbedrijf bedraagt ten hoogste 1,5 ha. 3) De ontwikkeling dient vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar te zijn in de omgeving. 4) Op een bouwperceel voor een veehouderij is uitsluitend mestbewerking mogelijk van ter plaatse geproduceerde mest.
De bewerking van ter plaatse geproduceerde mest maakt deel uit van de agrarische bedrijfsvoering. Mestbewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest (of mestbewerking voor derden) dient in beginsel plaats te vinden op een daartoe geschikt middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein.
21
5) De kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in het buitengebied dient niet meer dan 20% te bedragen, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voorgenomen percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage compenseert. De geurnorm is opgenomen om ervoor te zorgen dat er op gebiedsniveau, geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Door voor het aspect geurhinder onder voorwaarde van een proportionele bijdrage aan de afname van geurhinder ontwikkelingen toe te staan neemt de overbelasting af. 6) De landschappelijke inpassing omvat tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel; 7) De toelichting op een bestemmingsplan dient een verantwoording te bevatten over dat er een zorgvuldige dialoog is. Deze dialoog is er specifiek op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat die bij de uitwerking kunnen worden betrokken. Het gaat er om dat inzicht bestaat in de wensen van de omgeving in relatie tot de mogelijkheden die de ondernemer heeft.
De gemeente beslist of de dialoog op een (voldoende) zorgvuldige wijze is gevoerd. Conform artikel 3.50 is een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen toegestaan, indien: 1) maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; 2) de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar in de omgeving is; 3) de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in het buitengebied niet meer dan 20% bedraagt, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voorgenomen percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage compenseert. 4) er een zorgvuldige dialoog is gevoerd. Voor gebieden rondom kernen en natuur gelden naast bovenstaande nog extra beperkingen, zoals opgenomen in artikel 3.51. Hiervoor is de aanduiding ‘Beperking veehouderij ‘ opgenomen in de IOV. Dit is voor het westelijk gedeelte van het plangebied van toepassing. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. In dit gebied gelden (vergaande) beperkingen voor alle veehouderijen.
Binnen deze aanduiding is iedere uitbreiding van bestaande bebouwing en voorzieningen (peildatum 21 september 2013) van veehouderijen niet toegestaan, tenzij sprake is van een 'grondgebonden veehouderij', zoals opgenomen in nadere regels van de IOV).
22
Voor de begrenzing van het gebied is aangesloten bij de begrenzing van het eerdere extensiveringsgebied rondom kernen en natuur conform de Reconstructiewet. Voor hokdierhouderijen (= een veehouderij met uitzondering van een melkrundveehouderij en schapenhouderij) gelden cf de IOV (artikel 3.52) aanvullende stalderingseisen. Staldering betekent dat een ondernemer die een dierenverblijf wil oprichten danwel uitbreiden of die een bestaand gebouw als dierenverblijf in gebruik wil nemen binnen het bestaand bouwperceel, bewijs moet overleggen dat er elders 120% bestaand dierenverblijf1 is gesaneerd door sloop of herbestemming. Een dierenverblijf betreft een gebouw van het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daarbij behorende voorzieningen. De regeling geldt in alle gevallen waarbij de oppervlakte dierenverblijf van de hokdierhouderij toeneemt, dus ook als een bestaande stal wordt vergroot qua oppervlakte of met een aanbouw. Omdat er voor nertsenhouderijen ook landelijke maatregelen gelden die de omvang sturen, geldt de stalderingsregeling niet voor nertsen. Op basis van artikel 3.53 kan een verdere verruiming van het bouwperceel tot een maximale omvang van 2 hectare worden toegestaan voor bedrijven die afhankelijk zijn van de opslag van ruwvoer.
Harde voorwaarde hierbij is dat het bestemmingsplan er voor zorgt dat deze verruiming alleen benut wordt voor het oprichten van voorzieningen ten behoeve van ruwvoeropslag. In artikel 3.53 zijn een aantal uitzonderingssituaties opgenomen, op basis waarvan een verruiming boven 1,5 ha van het bouwperceel kan worden toegestaan: 1. Het bedrijf heeft een veebezetting van ten hoogste 2 GVE per hectare en kan blijvend beschikken over voldoende grond. 2. De uitbreiding boven de 1,5 hectare draagt bij aan het opheffen van een overbelaste situatie. Hieraan zijn strenge voorwaarden verbonden, waaronder dat er elders een bedrijf feitelijk en juridisch wordt opgeheven en de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, waardoor ook een overbelaste situatie wordt opgeheven. De vergroting van het bouwperceel mag niet groter zijn dan het bouwperceel dat wordt opgeheven met een maximum van 2,5 hectare. In de IOV is in lid 2 het volgende opgenomen over een overbelaste situatie zoals bedoeld in bovenstaande uitzonderingssituatie: -
-
er vanwege de cumulatieve uitstoot van milieubelastende stoffen een aanzienlijke overschrijding bestaat van vastgestelde normen in landelijke regelgeving of in deze verordening, gericht op het borgen van een goed woonen leefklimaat; of er vanwege de cumulatieve uitstoot van milieubelastende stoffen een aantasting van in de nabijheid gelegen ecologische waarden plaatsvindt.
1 Bestaande dierenverblijven betreffen dierenverblijven die uitgaande van de peildatum van 17 maart 2017 in
de drie daaraan voorafgaande jaren legaal en onafgebroken bedrijfsmatig zijn gebruikt voor het houden van dieren.
23
3. De derde uitzondering betreft een situatie waarin een bedrijf vanwege een vernieuwend bedrijfsconcept meer ruimte nodig heeft. Hierbij wordt advies voorgeschreven van een deskundigen commissie. 4. Een vierde uitzondering betreft zogenaamde voorloper bedrijven. Als een bedrijf dusdanige maatregelen treft dat hij een blijvende score behaalt op de BZV van 8,5, kan het daarmee eenmalig ontwikkelingsruimte verdienen van 0,5 hectare. De maximaal toelaatbare omvang van een bouwperceel bedraagt daarmee 2 hectare. Het gaat dan vooral om maatregelen die de ondernemer treft om de inpasbaarheid van het bedrijf in diens omgeving te verbeteren, zoals het terugdringen van emissies en volksgezondheid. In het bestemmingsplan zijn bovenstaande beleidsregels met betrekking tot een zorgvuldige veehouderij, oprichting van een nieuw dierenverblijf, staldering en mestbewerking overeenkomstig de IOV doorvertaald alsmede de aanvullende gemeentelijke beleidsuitgangspunten met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij binnen de gemeente. Het westelijk gedeelte van het plangebied maakt tevens onderdeel uit van het gebied ‘beperkingen veehouderij’.
De voorgestane uitbreiding van het bestaande agrarisch bouwvlak van de twee bestaande intensieve veehouderijen kan worden toegestaan, omdat elders binnen het plangebied zes veehouderijen met bijbehorende bouwvlakken definitief worden beëindigd met een gezamenlijke oppervlakte die aanzienlijk groter is dan de beoogde uitbreidingsruimte van de twee resterende intensieve veehouderijen. Het stoppen van de zes veehouderijen en de beoogde ontwikkelplannen van de twee blijvende veehouderijen dragen bij aan het verminderen van de geurbelasting en het daardoor opheffen van een cumulatief overbelaste situatie in het aangewezen ‘urgentiegebied’ (zie ook onderstaand tekstkader). De uitbreiding van de veehouderijen worden noodzakelijk geacht om verlaging van de geurbelasting vanuit de bestaande intensieve veehouderijen te kunnen realiseren. Voor de tweede gewijzigde vaststelling zijn op Laar 31-33-35 en op Nieuw Laar 5a de maatvoeringen van het bouwperceel, bouwvlak, aanduiding i.v. en groenlandschappelijke inpassing gewijzigd. De wijzigingen staan per veehouderijlocatie in de volgende tabellen: Laar 31-33-35 Bouwvlak Bouwperceel Aanduiding i.v. Groen- landschappelijke inpassing
Tweede gewijzigde vaststelling [oppervlakte in m2] 22.706 24.992 21.525 7.080
24
Nieuw Laar 5a Bouwvlak * Aanduiding i.v. Groen – landschappelijke inpassing
Tweede gewijzigde vaststelling [oppervlakte in m2] 19.446 9.512 997
* Het bouwvlak omvat Nieuw Laar 5a en Nieuw Laar 5, maar de verkleining van het bouwvlak bij de tweede gewijzigde vaststelling betreft alleen Nieuw Laar 5a.
Binnen de enkelbestemming ‘agrarisch’ wordt in de regels geborgd dat het niet is toegestaan om de gronden buiten het bouwvlak, de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bouwperceel’ en de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ te gebruiken ten behoeve van de veehouderij en ook wordt hier vergunningvrij bouwen niet toegestaan. Hiermee wordt aangesloten bij een werkwijze uit een dat aan de orde was in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juli 2023 (AbRS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2700). Overwegingen Afdeling uitspraak van 12 juli 2023 ECLI:NL:RVS:2023:2700 •
•
het grootste gedeelte van het plangebied heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden 1’; alle gronden die deze bestemming hebben, met uitzondering van een vlak aan de noordzijde van het plangebied, hebben daarnaast de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij’;
•
op grond van artikel 3.1, aanhef en onder b van de planregels is uitsluitend ter plaatse van de gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij’ een ‘zorgvuldige veehouderij’ toegestaan;
•
het bouwvlak is gelijk aan de gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij’ en in artikel 3.2.1 onder b van de planregels is bepaald dat gebouwen alleen zijn toegestaan binnen het bouwvlak;
•
op het vlak aan de noordzijde in het plangebied, dat buiten de aanduiding en het bouwvlak ligt, alleen bouwwerken, geen gebouwen zijn toegestaan en dat uit artikel 3.2.6 van de planregels volgt dat het daarbij kan gaan om een erf- of terreinafscheiding of een bouwwerk geen gebouw zijnde van maximaal 3 m hoog en met een maximale oppervlakte van 10 m2;
•
deze bouwwerken buiten het bouwvlak niet ten behoeve van een (zorgvuldige) veehouderij kunnen worden gebouwd of gebruikt omdat het noordelijk vlak niet de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij’ heeft;