CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting BP Oud Herlaer Haanwijk

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 26 oktober 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: 11 Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Oud Herlaer en Haanwijk24.419 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen behelst een verdere ontwikkeling van toeristischrecreatieve/culturele activiteiten in het buitengebied van de gemeente SintMichielsgestel. Binnen de kaders van de provinciale regelgeving is deze ontwikkeling,

30

mogelijk, indien voldoende aandacht wordt besteed aan de voorwaarden opgesteld in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening. Dit artikel heeft met name betrekking op de zorgvuldige inpassing van het nieuwe plan in de bestaande omgeving. Hierbij wordt de voorgestane ontwikkeling geïntegreerd binnen bestaand gebied, met vooraf vastgestelde kwaliteiten. Met respect voor deze omgevingskwaliteiten wordt een zorgvuldig landschappelijk versterkingsplan opgesteld welke de kwaliteiten ter plaatse een plaats bieden in de nieuwe situatie. De wijze waarop het bestaande landschap binnen het plangebied en in haar omgeving wordt versterkt, is uitgebreid beschreven in hoofdstuk 2 van deze plantoelichting. Ook wordt verwezen naar de verschillende bijlagen van deze plantoelichting voor een uitgebreidere verantwoording van de gemaakte keuzes hieromtrent. Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is het plangebied aangeduid als ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’ en ‘Complex van cultuurhistorisch belang’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorisch vlak’ geldt dat een bestemmingsplan mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dit betekent dat het bestemmingsplan moet voorzien in een beschermende regeling zoals een vergunningstelsel en waar nodig verbodsbepalingen. Een bestemmingsplan dat voor een locatie waarop deze aanduiding van toepassing is, wordt opgesteld stelt zodoende regels op ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant stellen een beschrijving vast van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de als cultuurhistorische vlakken aangewezen gebieden als onderdeel van de Cultuurhistorische Waardenkaart.

31

De ruimtelijke impact van het plan en de oppervlakte van het ruimtelijke ingrepen zijn dermate minimaal dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. De waarden en kenmerken binnen het plangebied zijn op waarde geschat en krijgen derhalve een plaats binnen de planvorming. Bestemmingsplannen ter plaatse van de aanduiding ‘complex van cultuurhistorisch belang’ nemen de geldende bestemming met de daarbij horende regels over het gebruik van de grond en van de zich daarop bevindende bouwwerken in acht. Een beoogde ruimtelijke ontwikkeling dient een bijdrage te leveren aan het behoud of het herstel van het cultuurhistorisch karakter van het complex, de beoogde ruimtelijke ontwikkeling past tevens binnen het te voeren beleid voor dat gebied. Doorwerking plan(gebied) De ruimtelijke impact van de plannen op de bestaande bebouwing is minimaal. Met onderhavig planvoornemen wordt bovendien gestreefd naar het leveren van een bijdrage aan het behoud en/of het herstel van de beide cultuurhistorisch waardevolle complexen. Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ is het plangebied aangeduid als ‘Attentiezone waterhuishouding’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Een bestemmingsplan gelegen in het ‘Natuur Netwerk Brabant’ strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden, stelt daarbij regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en

32

kenmerken. Zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, zijn de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteiten toegelaten. Een plangebied dat is gelegen binnen de ‘Attentiezone waterhuishouding’ strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Een bestemmingsplan stelt in ieder geval regels over het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet. Voorts dient aandacht te worden besteed aan de aanleg van drainage en dienen er regels te worden opgesteld omtrent het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen. De overheid is het begrip Natuur Netwerk Nederland (NNN) gaan gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Natuur Netwerk Brabant (NNB) is het NNN dat in Noord-Brabant ligt. Het NNB bestaat uit de EHS en de ecologische verbindingszones. Met deze wijziging wordt de benaming EHS en ecologische verbindingszone in deze verordening aangepast naar Natuur Netwerk Brabant (NNB).

Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen, zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming of het recreatieve medegebruik daarvan, zijn toegestaan, mits dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant. Een ontwikkelingsplan ter plaatse van de aanduiding ‘Behoud en herstel van watersystemen’ strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen waarbij het gebied een breedte heeft van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop. Doorwerking plan(gebied) Voor het plangebied c.q. de plannen geldt dat land(schapp)elijke en natuurwaarden en kwaliteiten, de beleving van het buitengebied en een vitaal platteland behouden blijven. De aanwezige waarden en kwaliteiten van het plangebied en de directe omgeving worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. Fysiek-ruimtelijke bouwingrepen zijn niet aan de orde. Wel is sprake van functiewijzigingen. Zo maakt de agrarische bestemming, inclusief bouwvlak, ter plaatse van Oud Herlaer plaats voor een maatschappelijke bestemming ten behoeve de realisatie van een expositieruimte en een beheerders-/dienstwoning.

De woonbestemming van Haanwijk 1 wordt omgezet in een passende bestemming waarmee de uitoefening van horecaactiviteiten planologisch-juridisch geregeld is. Het overige gedeelte van het totaalplan betreft het opnemen van passende aanduidingen voor de parkeervoorzieningen en voor de oprichting van een Brabants Buitenmuseum in de vorm van een museaal landschap, inclusief beeldenpark. De wijzigingen in het landelijk gebied c.q. het Natuur Netwerk Brabant zijn mogelijk, mits ze gunstig zijn voor de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Door initiatiefnemer zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd en rapportages opgesteld waarin expliciet rekening wordt gehouden met natuurlijke en land(schapp)elijke waarden en kwaliteiten ter plaatse. Dit is terug te lezen in de verschillende bijlagen die aan onderhavige rapportage zijn toegevoegd en reeds in een eerder

33

stadium zijn benoemd. Zodoende zullen de kwaliteiten op het gebied van natuur, landschap, kunst, cultuur, horeca en recreatie binnen het plangebied worden gerespecteerd en waar mogelijk verbeterd. De te realiseren kwaliteitsverbetering van het landschap, conform de eisen van de provincie (artikel 3.9 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant), zijn voor onderhavig initiatief aangemerkt. Deze berekening is voor de beschreven ontwikkeling momenteel niet opgesteld, aanleiding hiervan is de hoge mate van landschapsverbeterende maatregelen op het gebied van groen-, grijs- en recreatieve maatregelen. De totale inrichting en de ontwikkeling van de bebouwing en haar omgeving is reeds gericht op een kwaliteitsverbetering van het landschap, conform de ambities van Brabants Landschap. Dit is dan ook een meerwaarde vanuit de beschreven ontwikkeling en bijbehorende maatregelen op zichzelf. Een afzonderlijke kwaliteitsverbetering conform de eisen van de provincie zou hier een dubbele investering opleveren.

De geleverde / te leveren landschappelijke kwaliteitsverbetering, conform artikel 3.9 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, betreft concreet: • het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur; • activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; • het leveren van een fysieke bijdrage aan de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de initiatieven worden verder gemotiveerd in de hoofdstuk 4. In hoofdstuk 2 is reeds nader verantwoord welke gevolgen de ontwikkelingen hebben voor het landschap. Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘Regionale waterberging’ en ‘Reservering waterberging’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

34

Ontwikkelingen ter plaatse van de ‘Regionale waterberging' moeten ertoe leiden dat het waterbergend vermogen ter plaatse behouden blijft. Ter plaatse van de ‘Reservering waterberging’ geldt dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze gebieden het waterbergend vermogen van deze gebieden niet mogen aantasten. Doorwerking plan(gebied) Conform de instructieregels uit de Interim omgevingsverordening zijn op de verbeelding de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ en de aanduiding ‘reservering waterberging’, inclusief bijbehorende regels, opgenomen. Op dit moment wordt er gewerkt aan een projectplan waterwet om de natuurkwaliteit in Natte Natuurparel Bossche Broek Zuid (NNP BB-zuid) te verbeteren. Eén van de herstelmaatregelen is het afgraven van de voedselrijke bovengrond op 45 hectare. Circa 80.000 m3 grond wordt afgevoerd. Dit gecombineerd met hydrologische maatregelen levert een netto extra waterberging op van in totaal tussen de 15.000 en 25.000 m3. Een exact getal is nog niet bekend, daar wordt de komende tijd aan gerekend. In het kader van dit herstelplan voor NNP BB-zuid wordt de omgeving van Oud Herlaer ook heringericht (lees: afgegraven) (zie navolgende tekening, de getallen geven de diepte in centimeter aan dat afgegraven wordt). Ook deze consequenties worden in de hydrologische effectbepaling meegenomen.

Geconcludeerd kan worden dat het op beperkte schaal toevoegen van landart/kunstwerken, vanwege de vergroting van het huidige waterbergingsvolume als gevolg van de natuurontwikkeling, geen nadelig effect heeft op het huidige volume van de waterberging.

35

Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Groenblauwe mantel’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Onderhavig plangebied is gelegen in het ‘Landelijk gebied’ en de ‘Groenblauwe mantel’ van de provincie Noord-Brabant. Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt in het landelijke en het stedelijke gebied. Binnen deze eerste aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het 'Wijstverschijnsel' (het opstuwen van grondwater) op de Peelrandbreuk in Oost-Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de 'Naad van Brabant'. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden.

Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Bijvoorbeeld in geval van stedelijke ontwikkeling

36

die vanwege de groen-rood verhouding juist bijdraagt aan de ontwikkeling van de kwaliteiten van gebied. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodemwatersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houdwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. De groenblauwe mantel richt zich niet alleen op het beschermen van die waarden maar juist ook op de ontwikkeling daarvan. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Het beleid richt zich ook op een toename van de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen passen daarom qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden. Gemeenten werken het concrete beleid binnen een gebied verder uit, rekening houdend met deze achterliggende doelstellingen. Hierbij is veel achtergrondinformatie beschikbaar, zoals de gebiedspaspoorten en de gebiedsgerichte ontwikkeling van gebieden zoals opgenomen in het Groenblauw Stimuleringskader. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen behelst een verdere ontwikkeling van toeristischrecreatieve/culturele activiteiten en natuurherstel in het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel.

Binnen de kaders van de provinciale regelgeving is deze ontwikkeling, mogelijk, vooral plekken die vallen binnen de aanduidingen ‘Landelijk gebied’ en ‘Groenblauwe mantel’ bieden mogelijkheden tot dergelijke ontwikkelingen. Eerder in de beschrijving van de provinciale beleidskaders is al beschreven dat ontwikkelingen in het landelijke gebied mogelijk zijn, mits er een gedegen belangenafweging is gemaakt en er aantoonbaar rekening wordt gehouden met de aanwezige kwaliteiten. In onderhavig geval is er sprake van een ruime compensatie in vorm van het landschappelijk inpassen van voorgenomen ontwikkelingen, waarbinnen natuurontwikkeling een kans krijgt en de omgevingskwaliteiten zijn geïntegreerd en waar mogelijk zullen worden versterkt. Dit is onder meer gebeurd door vooraf te onderzoeken welke kwaliteiten er aanwezig zijn, en deze kwaliteiten vervolgens in te passen, en waar mogelijk te versterken door middel van het opstellen en uitvoeren van een landschappelijk versterkingsplan. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘Stalderingsgebied’ en ‘Beperkingen veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

37

De aanduidingen ‘Stalderingsgebied’ en ‘Beperkingen veehouderij’ hebben enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft vooral een toeristischrecreatieve/culturele activiteiten en de ontwikkeling daarvan, in het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van ‘Stalderingsgbied’ en ‘Beperkingen veehouderij’ hebben hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘Attentiezone waterhuishouding’, ‘Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied’ en ‘Normvrij gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

38

De aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’ is reeds behandeld bij het kaartbeeld Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden. Voorts heeft elke plek een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Binnen ‘Normvrij Gebied’ geldt geen verplichting voor het waterschap om een genormeerd beschermingsniveau te bieden. Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied van Sint-Michielsgestel. De norm ten aanzien van wateroverlast buiten stedelijk gebied is hier dan ook deels op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: • 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen; • 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; • 1/25 per jaar voor akkerbouw; • 1/10 per jaar voor grasland. Voor bebouwing die is gelegen buiten stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Doorwerking plan(gebied) De genoemde inspanningsverplichting is ten aanzien van onderhavig initiatief niet van toepassing, aangezien er geen uitbreiding van bouwwerken en/of verhardring plaatsvindt.

Hierop aangevuld wordt binnen de locatie waarop de landschappelijke versterking plaats gaat vinden veel ruimte gereserveerd voor de opvang en infiltratie van hemelwater.

39

Conclusie De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. Brabant wil blijven ontwikkelen, maar Brabant stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. In deze paragraaf zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld. Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderhavig plan zal aansluiten bij c.q. geen afbreuk doen aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de structuurvisie en verordening. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in hoofdstukken 4.

3.4 Gemeentelijk beleid Het planologisch-juridische beleidskader van het vigerende bestemmingsplan “Actualisatieplan Buitengebied” is reeds in paragraaf 1.3 aan bod gekomen. In het verdere vervolg van deze paparagraaf worden de gevolgen van de beleidslijnen uit achtereenvolgens de ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’, de ‘Structuurvisie buitengebied SintMichielsgestel’ en het ‘Toeristisch-recreatief ontwikkelingsplan’ beschreven. Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 (2009) Toetsingskader In 2009 is door de gemeente Sint-Michielsgestel de strategische visie ‘Zieners 2025’ vastgesteld. In deze strategische visie is het gewenste (ruimtelijke) toekomstbeeld van Sint-Michielsgestel vastgelegd. Op de hierna volgende uitsnede van de kaart ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ is de globale ligging van het plangebied rood omcirkeld aangegeven.

40

Landschappelijk gezien is Sint-Michielsgestel onderdeel van de Meierij. De gemeente ligt aan de rand van het Groene Woud. In combinatie met de ligging betekent dit dat SintMichielsgestel een belangrijke recreatieve functie voor de hiervoor genoemde stad/steden vervult. Daarnaast wordt de gemeente doorsneden door de Dommel, de Aa en de Zuid-Willemsvaart. Alle drie landschappelijk zeer aantrekkelijke elementen. De Dommel en Aa zouden echter nog beter ervaarbaar en beleefbaar gemaakt kunnen worden en de natuur- en ecologische waarden moet worden versterkt om ze (recreatief) nog aantrekkelijker te maken. De toegankelijkheid van natuurgebieden kan worden verbeterd. Er ontbreekt een sterke ruimtelijke relatie met aanwezige landschappelijke structuren (zoals Dommel, Aa, Keerdijk en Beeksche Waterloop) en met Het Groene Woud. Bovendien scheidt het infrastructuur (verkeer) de aanwezige natuur en ecologische gebieden. Langs de waterroude wordt op veel plekken het water de rug toegekeerd; achterkanten van woningen, bedrijven, ontoegankelijke gebieden, etc. Verder wordt Zuid-Willemsvaart kanaal ervaren als scheidende structuur tussen kern Berlicum-Middelrode en de overige kernen. De gemeente heeft een ambitieus programma vastgesteld voor landschaps- en natuurontwikkeling, het programma ‘Gestel Groene Gemeente 2010 – 2014’.

Eén van de in dit programma genoemde projecten is het Koepelplan Dynamisch beekdal de Aa.

41

Het buitengebied heeft een aantal interessante cultuurhistorische elementen die een rol kunnen spelen in de versterking van de recreatie: landgoederen, oude maar nog werkende molens, watersportontwikkeling en de Keerdijk. Daarnaast bieden de beekdalen de nodige potenties voor kleinschalige recreatie (wandelen, picknickplaatsen, visstekken et cetera). Het opwaarderen van de historische landgoederen en andere cultuurhistorische objecten in de gemeente kan de recreatie versterken. De opgave is om de historisch waardevolle structuren, complexen, en elementen beter zichtbaar en beleefbaar te maken, zonder de authenticiteit ervan verloren te laten gaan. De Structuurvisie buitengebied en het bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel geven ruimte aan ondernemers om daar initiatieven te nemen op het gebied van recreatie en toerisme. Korte vakanties in de vorm van kamperen, logeren of werken bij de boer zijn erg in trek. Verder moet nog meer worden ingezet op de samenwerking in de regio om het Groene Woud te ‘vermarkten’ als een recreatief-toeristische product. Doorwerking plan(gebied) Met onderhavig planvoornemen wordt expliciet ingezet op recreatie en toerisme. Er wordt verder tegemoet gekomen aan de ambities op het gebied van natuur- en landschapsontwikkeling.

Onder meer met het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan worden de belangrijkste waarden en kwaliteiten voor de toekomst beschermd en waar mogelijk versterkt. Conclusie Onderhavig plannen sluiten aan bij c.q. doen geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Structuurvisie SintMichielsgestel 2025. Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel (2011) Toetsingskader Landbouw, recreatie, natuur en water(berging) zijn de hoofdfuncties die aan het buitengebied worden toebedeeld. Het gemeentelijk beleid voor het buitengebied richt zich in eerste instantie op de ontwikkeling van deze functies. De gemeente ziet kansen voor vestiging van niet-agrarische bedrijven op vrijkomende agrarische bedrijfslocaties. Eén van de meest voorkomende ontwikkelingen in het buitengebied is het vrijkomen van agrarische bedrijfsgebouwen door het teruglopen van het aantal landbouwbedrijven en door de verdergaande rationalisatie in de landbouw. Met het oog op de instandhouding van de gebiedswaarden in de gemeente Sint-Michielsgestel, biedt het bestemmingsplan geen mogelijkheden voor nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid op gronden zonder bouwvlak/bebouwing. Dergelijke nieuwvestiging zou leiden tot ongewenste verstedelijkingsdruk en verdichting van het buitengebied en aantasting van gebiedswaarden.

Water is de natuurlijke drager van het landschap en bepaalt in grote mate voor welke doeleinden een gebied (al van oudsher) geschikt is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied buiten de bebouwingsconcentraties waar de bebouwing meer verspreid is. • Bebouwingsconcentraties: In het beleid over plattelandsvernieuwing hebben de bebouwings-concentraties, waartoe kernrandzones, bebouwingsclusters en –linten behoren, een bijzondere plek gekregen. In deze bebouwingsconcentraties worden ruimere hergebruiksmogelijkheden toegestaan dan het huidige bestemmingsplan op dit moment toelaat. • Overig buitengebied:

42

Ook in het overig buitengebied buiten de bebouwingsconcentraties waar de bebouwing meer verspreid is, zijn mogelijkheden voor nieuwe economische activiteiten, al zijn die minder ruim dan in de bebouwingsconcentraties. Hierbij wordt nog een onderscheid gemaakt tussen cultuurhistorische panden en gebouwen zonder cultuurhistorische waarde. Doorwerking plan(gebied) Het plangebied maakt geen deel uit van een aangewezen bebouwingsconcentratie. Er is sprake van een uitbreiding wat betreft economische activiteiten op het gebied van recreatie en toerisme. Hier is geen nieuwbouw c.q. uitbreiding van aanwezige bebouwing voor nodig, enkel in feite functiewijziging. Verder wordt met het bestemmingsplan tegemoet gekomen aan de ambities op het gebied van natuur- en landschapsontwikkeling. De plannen doen geen afbreuk aan de hoofdfuncties die aan het buitengebied worden toebedeeld: landbouw, landschap, recreatie, natuur en water(berging). Deze hoofdfuncties worden bovendien beschermd en waar mogelijk versterkt. Conclusie Onderhavig plannen sluiten aan bij c.q. doen geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Structuurvisie buitengebied. Toeristisch-recreatief ontwikkelingsplan, Sint-Michielsgestel, het groene buiten! (2008) Toetsingskader De belangrijkste doelstellingen van het ‘Toeristisch-recreatief ontwikkelingsplan’ zijn: 1.

Het ontwikkelingsplan moet een heldere visie bevatten en een daarvan afgeleid uitwerkingsplan waarin een aantal prioritaire acties duidelijk beschreven zijn; 2. Het plan moet aangeven of en op welke wijze kansen benut kunnen worden die de aanwijzing van het Nationaal Landschap en de positie als reconstructiegebied bieden; 3. Het plan dient nieuwe voorstellen te formuleren die als basis kunnen dienen voor de gemeente om het eigen beleid inzake verblijfsrecreatie en andere onderwerpen uit de Wet Openlucht Recreatie te kunnen bepalen. De provincie Noord-Brabant beoogt de kwaliteit en mogelijkheden voor het toerisme en recreatie in de provincie verder tot ontwikkeling te brengen onder andere door de aanleg van het fietsroudenetwerk. De gemeente stelt zichzelf ten doel om een goed klimaat te scheppen voor de ontwikkeling van het toerisme en voor stimulering van het ondernemerschap daarbinnen. Het aanbod aan vermaak is relatief beperkt van omvang. Er zijn in de gemeente SintMichielsgestel enkele te bezoeken en/of te bezichtigen voorzieningen, zoals het Oudheidkundig Museum en museum 't Brabants Leven. De verschillende landgoederen, zoals Haanwijk, Seldensate en De Wamberg, bieden een aantrekkelijke habitat voor een openluchtrecreatief verblijf of activiteit.

Daarnaast lopen er vanuit Gemonde tal van onverharde paden het buitengebied in en vormen daarmee een aantrekkelijke faciliteit voor een ommetje te voet of op de fiets. Doorwerking plan(gebied) Met onderhavig bestemmingsplan wordt tegemoet gekomen aan de ambities op het gebied van natuur- en landschapsontwikkeling. De plannen doen geen afbreuk aan de hoofdfuncties die aan het buitengebied worden toebedeeld: landbouw, landschap, recre-

43

atie, natuur en water(berging). Deze hoofdfuncties worden bovendien beschermd en waar mogelijk versterkt. Conclusie Onderhavig plannen sluiten aan bij c.q. doen geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in het Toeristisch-recreatief ontwikkelingsplan. Klimaat en duurzaam De gemeente Sint-Michielsgestel wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. De gemeente Sint-Michielsgestel wil daarom graag van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord bouwen. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand.

44

4. Milieu- en ruimtelijke waardentoets 4.1 Inleiding De ruimtelijke ontwikkeling dient praktisch uitvoerbaar te zijn. In dit kader is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan alle ruimtelijke en milieu-hygiënische (deel)aspecten. Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe en het onderscheid is vaak ook niet meer goed aan te geven. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. Dit hoofdstuk gaat in op de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de voorgenomen ontwikkelingen. De resultaten van de kwalitatieve onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer, parkeren en mobiliteit, getoetst. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.

4.2 Geluid Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie. Doorwerking plan(gebied) Wegverkeerslawaai Op Oud Herlaer wordt met onderhavig bestemmingsplan een beheerders-/dienstwoning mogelijk gemaakt.

Deze woonfunctie wordt opgericht op circa 160 meter afstand van de

45

Dooibroek, te weten de op kortste afstand gelegen openbare weg. Dit weggetje betreft bovendien een 30 km/uur-weg in welk geval op grond van de Wet geluidhinder geen onderzoek naar de invloed van het wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Om deze twee redenen is het niet noodzakelijk dat met betrekking tot de nieuwe woonfunctie op Oud Herlaer een onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai wordt uitgevoerd. Wel is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de toename in geluidbelasting op de overige omliggende woningen als gevolg van de planontwikkelingen. De voorkeursgrenswaarde wordt slechts bij enkele woningen in de omgeving licht overschreden. De extra geluidbelasting als gevolg van het plan is bij deze woningen akoestisch niet relevant. De geluidbelasting neemt met maximaal 1,19 dB toe wanneer alle woningen in de omgeving worden beschouwd. Geconcludeerd kan worden dat de toename van de geluidbelasting ter plaatse van de woningen in de omgeving niet in betekende mate is. De integrale rapportage is als bijlage 6 bij deze plantoelichting gevoegd. Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld.

Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Blijkens de kaarten, behorend bij de Milieuverordening Noord-Brabant, is het plangebied niet gelegen in of nabij een stiltecentrum. Conclusie Vanuit het aspect akoestiek zijn er geen belemmeringen voor het plan.

4.3 Milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2

46

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandstrap worden verlaagd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

Op 9 februari 2017 heeft de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ en de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ vastgesteld. Doorwerking plan(gebied) Geurhinder (Wgv) In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. Gesteld kan worden dat de individuele hinder van veehouderijen geen belemmeringen oplevert. De cumulatieve geurbelasting bedraagt minder dan 3 odour units, wat neerkomt op een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat. Aan het gestelde in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente SintMichielsgestel’ en de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente SintMichielsgestel’ wordt voldaan. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen vinden plaats buiten de geurcontouren van 10,0 ouE/m3 van alle veehouderijen in de omgeving. Als norm voor de afstanden geldt 100 meter. Binnen 100 meter van de ruimtelijke ontwikkelingen liggen geen veehouderijen. Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen, maar kan de mate van geurhinder worden beoordeeld op basis van geurhinderpercentages. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit.

De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie beschrijven wij in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. De voorziene ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats in een gebied met een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat (op basis van de achtergrondbelasting).

47

De voorgrondbelasting, afstanden en achtergrondbelasting vormen geen knelpunt voor de ruimtelijke ontwikkeling. Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Ter plaatse van het gebouwencomplex Haanwijk zijn horeca- en kantoorvoorzieningen, gemengd met woondoeleinden, aanwezig. Zo is aan Haanwijk 3/3a een koffie- en theehuis gevestigd met terras op het binnenterrein. De binnenruimte wordt slechts gebruikt voor sanitaire voorzieningen en bereiding van de consumptie. Voor de uitoefening van de aan-huis-gebonden bedrijfsmatige horeca-activiteit mag niet meer dan 45 m2 vloeroppervlak in gebruik zijn, waarbij maximaal 9 tafels voor maximaal 6 personen geplaatst worden. Een en ander is vastgelegd in een vrijstellings- c.q. vergunningbesluit uit 1998. Ook in het kader van het milieuspoor vormen de aspecten geur en geluid geen belemmering: Geur: in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt geurhinder in de omgeving voorkomen door bijvoorbeeld een afvoerpijp of een doelmatige ontgeuringsinstallatie. Met dit soort voorzieningen wordt (ook bijvoorbeeld in stadcentra) geurhinder in de omgeving voorkomen Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor het ruimtelijke plan. Geluid: in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt geluidhinder in de omgeving voorkomen door te voldoen aan de grenswaarden voor geluid.

Mogelijke geluidbronnen zijn voertuigbewegingen, parkeren, stemgeluid op terras en installaties/afzuigingen. Bij het te bestemmen restaurant vinden geen voertuigbewegingen of parkeren op eigen terrein plaats. Er is ook geen sprake van een terras. Het stemgeluid van het komen en gaan van bezoekers bij horecainrichtingen wordt uitgesloten van toetsing. Het geluid van installaties en afzuigingen is de enige resterende geluidbron. In de praktijk blijkt dat het heel reëel is om met de juiste keuze van apparatuur en locatie aan de grenswaarden voor geluid te kunnen voldoen. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor het ruimtelijke plan. Volledigheidshalve en aanvullend op het bovenstaande heeft De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het industrielawaai uitgevoerd. In dit onderzoek zijn de geluidniveaus vanwege de ontwikkeling van het restaurant aan Haanwijk 1 ter plaatse van geluidgevoelige objecten in de omgeving bepaald. Getoetst is of ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen sprake is van een acceptabel woonen verblijfsklimaat en of het restaurant inpasbaar is in de omgeving. Ter plaatse van alle beoordelingspunten wordt aan de richt- en grenswaarden voldaan.

Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en dat het restaurant inpasbaar is in de omgeving. Ter plaatse van alle beoordelingspunten wordt aan de richt- en grenswaarden voldaan. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. In het Activiteitenbesluit zijn geen grenswaarden voor de indirecte hinder opgenomen, dit is dan ook niet getoetst. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het gewenste plan. De integrale rapportage is als bijlage 7 bij deze plantoelichting gevoegd. In en nabij het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die conform de richtafstanden uit de voormelde VNG-brochure een belemmering vormen voor de planvorming (en andersom). Naast de ruimtelijke ordeningaspecten is verder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim/Wm/Bor) van toepassing. In dit besluit zijn voorschriften

48

opgenomen waaraan de bedrijven zich dienen te houden om schade, gevaar of hinder naar de omgeving te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Conclusie Bezien vanuit het oogpunt van ‘inwaartse milieuzonering’ komt er in de nabijheid van het plangebied dus geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende initiatief. Daarnaast levert het initiatief, vanuit het oogpunt van ‘uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan. Dit betekent dat er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het plan.

4.4 Externe veiligheid Toetsingskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is gericht op het gebruiken, opslaan en productie van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, als wel het transport van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de richtlijnen ten aanzien van inrichtingen opgenomen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In deze regelgeving is de verplichting opgenomen om in ruimtelijke plannen de ontwikkelingen te toetsen op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft dus betrekking op situaties waar iets mis zou kunnen gaan met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen gevaar lopen. Voorbeelden van risicobronnen en risicovolle activiteiten zijn: productie, gebruik of opslag en transport van gevaarlijke stoffen (LPG-tankstations en fabrieken, roudes voor gevaarlijke stoffen, leidingen). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg).

De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (artikel 3.1 Wro) wordt ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

49

Doorwerking plan(gebied) Externe veiligheid inrichtingen Het plan heeft geen verhoging tot gevolg van het aantal mensen dat mogelijk wordt blootgesteld aan veiligheidsrisico. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen risicovolle inrichtingen die hier invloed op hebben. Externe veiligheid vervoer Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroudes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.

In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroude. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroudes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Het plangebied kent verschillende wegen. Deze wegen zijn geen van allen beschouwd in onderzoek naar vervoersstromen van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen in Noord-Brabant (Arcadis, 2010). Dit wijst erop dat hierover geen significant vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De wegen hebben dan ook geen PR 10-6 contour. Ook is het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een en ander heeft dan ook geen (nieuwe of nadelige) gevolgen voor het veiligheidsrisico. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Er ontstaan geen groter veiligheidsrisico en ook geen extra belemmeringen naar de omgeving toe. Volledigheidshalve heeft de veiligheidsregio nog advies uitgebracht (zie bijlage 8) voor het integrale advies).

De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: De bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden door de ontwikkeling niet negatief beïnvloed. Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. Tevens is er sprake van voortschrijdend inzicht. Recentelijk is overleg geweest met de Veiligheidsregio en is er advies uitgebracht met betrekking tot een gifwolk (zie bijlage 8.1): Uit de beoordeling volgt dat het beste ingezet kan worden op het optimaliseren van de mate van zelfredzaamheid.

50

• •

Communiceer actief met initiatiefnemers en gebruikers over het aanwezige risico en handelingsperpectief. In het kort: schuilen in bebouwing, sluit ramen en deuren, mechanische ventilatie uitzetten. Voer extra controle uit bij de vergunningverlening en uitvoering van bouwcontrole op detaillering van gevels, ramen, deuren en het op eenvoudige wijze individueel (per woning/appartement) afschakelen of afsluiten van ventilatie. Hierdoor wordt de kans op het binnen dringen van schadelijke stoffen verder beperkt.

Conclusie Gesteld kan worden dat het voorgenomen plan zelf geen extern veiligheidsrisico vormt. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten. Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze quickscan dan ook niet nodig.

4.5 Fysieke belemmeringen: kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden.

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het plan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang, aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied.

51

Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend plan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Overige zonering Er zijn in/op en nabij het plangebied verder geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, molenbiotopen of invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.

4.6 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit m.e.r. is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte mer-beoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Dit beslissingsdocument moet vervolgens in de bijlage van de toelichting opgenomen worden. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1.

het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).

52

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied vindt geen uitbreiding van bouwwerken met stedelijke functies plaats. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’.

Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Conclusie Gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. en de ligging van het plangebied en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. In het kader van de planprocedure is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

53

4.7 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Binnen het plangebied worden geen nieuwe bouwwerken opgericht, enkel kunstobjecten waarvan het oppervlak gering is. Deze kunstobjecten worden bovendien in veel gevallen niet in, maar op, de bodem geplaatst. Het gaat om herstelwerkzaamheden / renovatie binnen de huidige bebouwing en aldaar hebben nooit bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden (op basis van alle daarbij behorende historische feiten). Ook vindt er geen uitbreiding van de huidige bebouwing plaats. Mocht dat in een later stadium toch de wens zijn van de huidige of nieuwe gebruiker(s)/eigenaren zijn, dan zal daar eventueel een vergunning voor moeten worden aangevraagd. Te zijner tijd kan dan een omgevingsvergunningprocedure worden doorlopen om een aanbouw of oprichting van een vrijstaand bijgebouw mogelijk te maken.

Een aanvullend bodemonderzoek zou dan één van de vereisten van bevoegd gezag kunnen zijn, om dergelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Tot die tijd wordt de grond niet geroerd, is de bodem beschermd en is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Hier moet aan worden toegevoegd de vermelding dat indien er, om welke reden dan ook, vergraving van grond / bodemmaterialen plaatsvindt binnen het plangebied het aspect bodem nader onderbouwd dient te worden. Minimaal historisch en daarop volgend wellicht een daadwerkelijk bodemonderzoek. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

4.8 Water Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’.

54

Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Doorwerking plan(gebied) Binnen het plangebied vindt geen directe / relevante uitbreiding van verhard oppervlak plaats. Drainage of bemalen als gevolg van het bestemmingsplan is niet aan de orde. Ophoging kades als gevolg van het bestemmingsplan is niet aan de orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=73788810-9f1c-4fa0-819b-9a3379770e31