Bijlage 3 - Toelichting BP Oud Herlaer Haanwijk
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Haanwijk en Oud Herlaer
PLANTOELICHTING
NL.IMRO.0845.BP2022OUDHERHAANW-VA01
1
Titel: Projectnummer: Status / versie:
Ontwikkeling Haanwijk en Oud Herlaer 2018.121 Vast / 28-06-2023
Initiatiefnemer:
Brabants Landschap
Adviesbureau:
Wintraecken Advies B.V.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en planvoornemen ......................................................................... 5 1.2 Plangebied ................................................................................................... 7 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 8 1.4 Doelstelling bestemmingsplan ...................................................................... 11 1.5 Leeswijzer .................................................................................................. 11 2. Bestaande situatie en planbeschrijving ............................................................... 13 2.1 Deelgebied Oud Herlaer: achtergrond en planvorming ..................................... 13 2.2 Deelgebied Haanwijk: achtergrond en planvorming ......................................... 16 2.3 Planbeschrijving ten aanzien van functies en bebouwing .................................. 20 2.4 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit .......................................................... 24 2.5 Conclusie ................................................................................................... 24 3.
Ruimtelijk beleidskader .................................................................................... 25 3.1 Inleiding .................................................................................................... 25 3.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 25 3.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 28 3.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 40 4. Milieu- en ruimtelijke waardentoets ................................................................... 45 4.1 Inleiding .................................................................................................... 45 4.2 Geluid ....................................................................................................... 45 4.3 Milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid ....................................................... 46 4.4 Externe veiligheid ....................................................................................... 49 4.5 Fysieke belemmeringen: kabels en (buis)leidingen .......................................... 51 4.6 M.e.r.-beoordeling ......................................................................................
52 4.7 Bodem ....................................................................................................... 54 4.8 Water ........................................................................................................ 54 4.9 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 55 4.10 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ................................................ 58 4.11 Flora en fauna en stikstof(depositie) ............................................................ 59 4.12 Historische kwaliteit .................................................................................. 64 4.13 Verkeer en parkeren .................................................................................. 72 5. Juridische toelichting........................................................................................ 74 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument ................................................ 74 5.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 74 5.3 Bebouwing algemeen .................................................................................. 75 5.4 Toelichting bestemmingen............................................................................ 75
3
6. Uitvoeringsaspecten ......................................................................................... 76 6.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................... 76 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 76 7. Slotconclusie ................................................................................................... 77
Bijlagen 1. Parklaan Landschapsarchitecten b.v, in samenwerking met Brabants Landschap en Het Noordbrabants Museum, Het Brabants Buitenmuseum – Realisatieplan Oud Herlaer, 2018; 2. SB4 - Specialisten in Groen, Toekomstvisie voor de tuin bij Huis Haanwijk te SintMichielsgestel, 2013; 3. SB4 – Specialisten in Groen Erfgoed, Inrichtingsplan tuinen Huis Haanwijk te Sint-Michielsgestel, maart 2021 4. Land & Co, Moestuin landgoed Haanwijk, maart 2021 5. Rho – Adviseurs voor leefruimte, Onderbouwing verkeer en parkeren, 16-06-2022 6. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Out Herlaer Haanwijk, referentie: 20211171.v03, 7 maart 2022, revisie 1 7. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek industrielawaai, Restaurant Huize Haanwijk te Sint-Michielsgestel, referentie: 20211172.v01, 29 november 2021, revisie 1 8. Advies Veiligheidsregio/Brandweer Brabant-Noord Bijlage 8.1 - Officieel Standaard advies toxisch VRBN 9. De Roever Omgevingsadvies, Stikstofdepositieonderzoek ontwikkeling Out Herlaer en Haanwijk Sint-Michielsgestel, referentie: 20211675.v05, 21 april 2023 Bijlage 9.1 - Bijlage bij stikstofdepositie-onderzoek – gebruiksfase AERIUS Bijlage 9.2 – Bijlage bij stikstofdepositie-onderzoek – aanlegfase AERIUS 10. Convenant
4
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en planvoornemen Brabants Landschap – initiatiefnemer – wil met voorliggend bestemmingsplan de huidige en gewenste situatie planologisch-juridisch actualiseren en vastleggen. Concreet is het op de eerste plaats de wens om een Brabants Buitenmuseum in te richten in de omgeving van Oud Herlaer 1 en dit onder meer te realiseren in de vorm van een museaal landschap, inclusief beeldenpark, expositieruimte met werkplek voor kunstenaars, ontvangstruimte en een beheerders-/dienstwoning. Dit laatste moet een plek krijgen in het tot langgevelboerderij met koestal en kasteelplaats omgebouwde voormalige kasteel ‘Out Herlaer’; zie onderstaande foto.
Op de tweede plaats heeft voorliggend bestemmingsplan betrekking op het mogelijk maken van de uitoefening van horeca-activiteiten in de vorm van een restaurant ter plaatse van Haanwijk 1.
5
Onderstaande foto’s geven impressies van de bestaande situatie bij Haanwijk – landgoed Haanwijk (bron: Toekomstvisie voor de tuin bij Huis Haanwijk te Sint-Michielsgestel).
Op de derde plaats regelt dit bestemmingsplan de omzetting van de agrarische (bedrijfs)bestemming met bedrijfswoning in een reguliere woonbestemming ter plaatse van Sterrenbos 1. Ten aanzien van deze wijziging van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschapswaarden’ in de bestemming ‘Wonen’ is thans reeds een wijzigingsbevoegdheid van toepassing die is opgenomen in artikel 6.8.13 van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel, 2e Actualisatie”. In het verdere vervolg van deze plantoelichting blijft de bestemmingswijziging van Sterrenbos 1 buiten beschouwing. Feitelijk heeft deze wijziging namelijk geen (negatieve) ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor de planlocatie en de directe omgeving ervan. Er is in feite enkel sprake van het treffen van een passende planologischjuridische regeling ten behoeve van een al jaren bestaande situatie. Dat wil concreet zeggen dat ter plaatse reeds geruime tijd geen agrarisch bedrijf meer actief is, de woning bewoond wordt door burgers, alle (overtollige) voormalige agrarische bebouwing (stallen) inmiddels is gesloopt, er geen bouw- of (andersoortige) sloopwerkzaamheden (meer) plaatsvinden en er geen sprake is van nabij gelegen bedrijven die in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden geschaad zouden kunnen worden.
Conclusie is dat onvoorwaardelijk wordt voldaan aan de in artikel 6.8.13 gestelde voorwaarden. Burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel hebben reeds in principe ingestemd met het verzoek om, voor zover nodig, ter plaatse bestemmingen en gebruik te wijzigen ten aanzien van onderhavig planvoornemen. Om het planvoornemen te kunnen realiseren dient het vigerende bestemmingen op onderdelen te worden her-
6
zien. Het plangebied betreft ook gebiedsdelen waarvoor geen planologische wijziging noodzakelijk is. Onderhavig bestemmingsplan heeft voor die gronden derhalve een conserverend – niet-ontwikkelgericht – karakter.
1.2 Plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel. Meer concreet is het gelegen tussen de kernen Vught (aan de westzijde) en Sint-Michielsgestel (aan de zuidoostzijde). ’s-Hertogenbosch is gelegen ten noorden van het plangebied. De omgeving bestaat voornamelijk uit voor natuur- en bosdoeleinden ingerichte gronden, agrarische gronden en hier en daar een (woon)boerderij. Op navolgende luchtfoto’s (bron: maps.google.com) zijn respectievelijk het plangebied in relatie tot de omgeving en de begrenzing van het plangebied weergegeven.
7
1.3 Vigerend bestemmingsplan Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel” uit 2013 gelden voor het plangebied de hoofdbestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’, ‘Bos’, ‘Natuur’ en ‘Wonen’. Daarnaast zijn er binnen het plangebied verschillende dubbelbestemmingen aanwezig, te weten: ‘Waarde – Archeologie 2’ ,‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waarde – Natte natuur’ en ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’. Binnen deze bestemmingen is het uitoefenen van de voorziene horeca-activiteiten ter plaatse van Haanwijk 1 niet toegestaan. Daarnaast heeft de initiatiefnemer het planvoornemen om met onderhavig bestemmingsplan planologisch-juridisch een plaats te bieden aan een museaal landschap, inclusief beeldenpark en – ter plaatse van Oud Herlaer – een expositieruimte, werkplek voor kunstenaars en beheerders-/dienstwoning. Tot slot regelt dit bestemmingsplan de omzetting van de agrarische (bedrijfs)bestemming met bedrijfswoning in een reguliere woonbestemming ter plaatse van Sterrenbos 1. Al deze onderdelen dienen planologisch-juridisch vastgelegd te worden.
8
Op de navolgende uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel” zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied aangegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl). Gezien de omvang van het plangebied en het minimale belang van de dubbelbestemmingen voor onderhavig planvoornemen zijn enkel de hoofdbestemmingen in de legenda opgenomen.
Navolgend worden de op het plangebied meest van toepassing zijnde bestemmingregels van de hoofdbestemmingen kort omschreven. De voor ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ aangewezen grond zijn bestemd voor: a. een agrarische bedrijfsuitoefening; b. agrarisch gebruik; c. een grondgebonden bedrijf;
……………………………….. aj. agrarisch natuurbeheer en/of landschapsbeheer; af. extensief dagrecreatief medegebruik; ak. paden en wegen en parkeervoorzieningen; al. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De voor ‘Bos’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van het bos met de daarop afgestemde bosbouw; b. instandhouding van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden; …………………………...
9
x. instandhouding van in het bos aanwezige onverharde wegen; y. extensief dagrecreatief medegebruik; z. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuurwaarde en/of ecologische waarde; ……………………………. w. extensief dagrecreatief medegebruik; x. paden en wegen; y. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in een woning; ……………………………. ae. tuinen, erven en terreinen; af. parkeervoorzieningen; ag. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; ah. groenvoorzieningen. Ter toelichting op het bovenstaande zijn hierna de omschrijvingen van twee begrippen opgenomen. Dit om aan te duiden welke functies en welk gebruik reeds zijn toegestaan en waarop initiatiefnemer met onderhavig planvoornemen zoveel mogelijk wil aansluiten. • •
Dagrecreatie: recreatieve activiteit die plaatsvindt binnen een periode van een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang. Extensieve recreatie: die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.
Ten aanzien van de voorgenomen wijziging van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschapswaarden’ in de bestemming ‘Wonen’ ter plaatse van Sterrenbos 1 geldt thans reeds een wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 6.8.13 van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel, 2e Actualisatie”: 6.8.13 Het wijzigen van de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden in de bestemming Wonen Het wijzigen van de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden met een bouwvlak en bedrijfswoning in de bestemming Wonen is toegestaan, indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het agrarisch bedrijf dient te zijn beëindigd; b. de wijziging mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven; c. de wijziging dient milieu-hygiënisch aanvaardbaar te zijn; d. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast; e. er dient een legale bedrijfswoning op het bouwvlak aanwezig te zijn; f. ingeval de bedrijfswoning cultuurhistorisch waardevol is, dient minimaal 400 m³ te worden ingezet voor wonen; g. de oppervlakte van het bouwvlak dient te worden verkleind ten behoeve van de wijziging naar Wonen; h.
de woning krijgt de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing';
10
i.
de overige gronden van deze bestemming worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende gebiedsgerichte bestemmingen; j. er geen sprake is van een duurzame locatie indien de gronden zijn gelegen binnen de op de verbeelding aangegeven reconstructiewetzone – verwevingsgebied; k. de ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving; l. de ontwikkeling geen belemmering vormt uit oogpunt van externe veiligheid; m. alle overtollige bebouwing gesloopt moet worden; n. de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal te zijn. Zoals vermeld in paragraaf 1.1 blijft de bestemmingswijziging van Sterrenbos 1 in het verdere vervolg van deze plantoelichting buiten beschouwing. Feitelijk heeft deze wijziging namelijk geen (negatieve) ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor de planlocatie en de directe omgeving ervan.
1.4 Doelstelling bestemmingsplan Doelstelling van deze partiële herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied SintMichielsgestel” is om de realisatie van het onderliggende planvoornemen planologisch en juridisch mogelijk te maken en vast te leggen. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkelingen. Onderzocht wordt hoe het initiatief zich verhoudt – zowel in negatieve als in positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieu-hygiënische aspecten alsmede de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van de afwijking(en) van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt derhalve een planologische en juridische basis gelegd om de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen te kunnen realiseren.
Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en de standaarden die zijn ontwikkeld voor DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) en de RO Standaarden 2012 (Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening): • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012); • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012); • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012).
1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de bestaande en de gewenste situatie. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijk-planologische beleidskader. Voor
11
een beschrijving van de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 4. De juridische aspecten worden toegelicht in Hoofdstuk 5 en het onderdeel economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 bevat de slotconclusie.
12
2. Bestaande situatie en planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de bestaande situatie en de planbeschrijving. Zoals eerder opgemerkt is het plangebied in te delen in twee deelgebieden: Oud Herlaer en Haanwijk. Voor de planvorming met betrekking tot beide deelgebieden geldt dat er uitgebreide rapportages / toekomstvisies zijn opgesteld. Deze rapportages zijn met name gericht op natuur- en landschapsontwikkeling, recreatie, toerisme, kunst en cultuur en ruimtelijke kwaliteit. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens de visie op het deelgebied Oud Herlaer en de visie op het deelgebied Haanwijk beschreven. Het betreft in feite een samenvatting van de volledige rapportages welke als bijlagen bij deze toelichting zijn gevoegd. In paragraaf 2.3 wordt aangegeven welke ontwikkeling ten aanzien van bestaande bebouwing en gewenste functies binnen het plangebied de initiatiefnemer voor ogen heeft.
2.1 Deelgebied Oud Herlaer: achtergrond en planvorming In de rapportage ‘Het Brabants Buitenmuseum – realisatieplan Oud Herlaer’, welke is opgesteld door Brabants Landschap, in samenwerking met het Noordbrabants Museum, zijn de uitgangspunten en doelstellingen op het gebied van natuur en natuurontwikkeling, kunst en cultuur en ruimtelijke kwaliteit uiteengezet. Dit onderdeel uit de plantoelichting is daar voor een groot deel op gebaseerd. De volledige rapportage is als bijlage 1 van onderhavig bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied maakt in de huidige situatie onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant en het Van Gogh Nationaal Park (i.o.). De voorgestelde ontwikkeling maakt het mogelijk om stad en land op een natuurlijke en organische manier met elkaar te verbinden. In samenwerking met Waterschap de Dommel zullen diverse maatregelen worden genomen om het hydrologisch systeem weer op orde te brengen. De gebouwen op de diverse landgoederen worden hersteld, opgewaardeerd en ten dele toegankelijk gemaakt, om het erfgoed maar ook kunst te tonen. De restauratie van het hoofdhuis, de historische muur en tuin bij Haanwijk – oostzijde van het plangebied – is reeds in 2015 van start gegaan. Sinds 2013 vormen Het Noordbrabants Museum en het Stedelijk Museum ’sHertogenbosch, het Museumkwartier ’s-Hertogenbosch.
Daarmee manifesteert de stad ’s-Hertogenbosch zich als kunst- en cultuurstad van allure. Het uitbouwen van de relatie van de stad met het oude cultuurlandschap ten zuiden ervan – onderhavig plangebied maakt daar onderdeel van uit – rondom het thema kunst en cultuur zou deze allure nog kunnen versterken en zou ook een authentieke economische drager kunnen vormen voor de historische gebouwen die zich op de landgoederen bevinden. Brabants Landschap en de Stichting Adriaans hebben daar al een begin mee gemaakt door de opening van de ‘Artists in Residence Sterrenbosch’, bij de kunst-boerderij Adriaans, eveneens in 2013. In deze bijzondere werkplaats in een verbouwde kippenschuur mogen kunstenaars werken en verblijven en die vervolgens de kans krijgen te exposeren in Het Noordbrabants Museum. Op Landgoed Haanwijk is een wederopbouwschuur verbouwd. Dit is de plek geworden waar Museum Romeins Halder lokale Romeinse vondsten ten toonstelt. Een culturele bestemming met een zekere mate van publieke toegankelijkheid zou een juiste bestemming zijn voor Oud Herlaer en Haanwijk.
13
De cultuurhistorische kwaliteit van de landgoederen Haanwijk, Pettelaer, Sterrenbosch, Oud Herlaer en de reeds genomen initiatieven bieden een unieke kans de relatie met de historische kunst- en cultuurstad ’s-Hertogenbosch verder uit te bouwen. Met relatief geringe investeringen kan hier een ‘Bossche Buitenplaats’ ontstaan die een belangrijke versterking is van het kunst- en cultuurkarakter dat de stad al heeft. Ook de historische vaarverbinding van ’s-Hertogenbosch met Haanwijk via de Dommel, die reeds aarzelend weer wordt gebruikt, kan daarbij een belangrijke rol spelen. Bij Oud Herlaer is reeds een bescheiden aanlegplaats aanwezig. Deze krijgt een meer permanent karakter. De aanlegplaats is geplaatst aan een van de historische waterverbindingen van de gemeente Sint-Michielsgestel. Deze verbinding is ook als zodanig erkend in de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Sint-Michielsgestel (zie ook paragraaf 4.12). Al met al streven de verschillende partijen / belanghebbenden naar een samenhang tussen de verschillende culturele en natuurlijke hoogtepunten in de regio ’s-Hertogenbosch en Sint-Michielsgestel. Het is daarvoor noodzakelijk dat betrokken partijen, kunstliefhebbers en -verzamelaars de handen ineen slaan om te komen tot een gelijkluidende ontwikkelingsvisie.
Brabants Landschap en Het Noord-Brabants Museum werken aan de realisatie van dit toonaangevende project, bestaande uit de drie deelprojecten ‘Herstel robuust moeraslandschap’ (1), ‘Kwaliteitsverbetering cultuurhistorisch landschap’ (2) en ‘Ontwikkeling en inrichting kunstbeleving’ (3). Verschillende partijen zijn bereid eigen middelen, kennis en capaciteit in het project te investeren. Op langere termijn (10 jaar) moet dit uitgroeien tot een collectie die ook internationaal tot de verbeelding spreekt. Daarnaast biedt het landschap plaats aan educatieve ruimten (over de bijzondere flora en fauna in het gebied, over de Romeinen en over de linie 1629) en een sculptuurspeeltuin voor de jongste gasten. In samenwerking met scholen worden educatieve programma’s opgezet die passen in hun curriculum. Vrijwilligers (o.a. Museum Romeins Halder en Natuurwerkgroep Gestel) worden getraind in educatie en beheer van het terrein. Vanaf het centrum van de stad ’s-Hertogenbosch is het gebied per fiets, te voet of per boot te bereiken. Voor de automobilist zijn aan de randen parkeerfaciliteiten beschikbaar, zoals nu al nabij Kasteel Maurick. Gerichte promotie wordt ingezet om het gebied onder de aandacht te brengen van natuur- en cultuurliefhebbers, gezinnen en scholen. Oud Herlaer met omgeving vormt de kern van het westelijke deel van het plangebied.
Het is een belangrijke plek in de cultuurhistorie, de ontwikkeling van natuur en het klimaatbestendig maken van het landschap. Daarnaast ligt het op een fantastische plek in het wandel-, fiets- en vaarnetwerk, bereikbaar vanuit het landelijk en stedelijk gebied. Oud Herlaer wordt dan ook een prominente plek in het gebied; een buitenmuseum in een waardevol museaal landschap. Een plek waar mensen samenkomen, kennis en inspiratie kunnen opdoen en kunnen genieten van natuur, landschap cultuurhistorie en beeldende kunst. Geen gewoon beeldenpark, maar een plek waar de beeldende kunst gerelateerd is aan dit specifieke Dommellandschap en iets vertelt over de natuur, de cultuurhistorie en het klimaatbestendig maken van het landschap. Vanuit Oud Herlaer worden verschillende landschappelijke eenheden ontsloten die samenhangen met de historie en natuurdoeltypen; het levende Dommeldal, het fossiele Dommeldal, de akkers en moeras- en droge bossen. Kortom, rond Oud Herlaer komen cultuurhistorie, natuur en klimaatadaptatie samen. Beeldende kunst is hierbij een middel om dit over te dragen op het publiek.
14
Navolgend kaartbeeld, ontleent aan de rapportage ‘Het Brabants Buitenmuseum – realisatieplan Oud Herlaer’, geeft een artist impression van het museaal landschap.
Een landschap waar voor de omwonenden en recreanten veel te beleven is; een museaal landschap met kastelen, buitens en boerderijen. Een buitenmuseum op korte afstand van ’s-Hertogenbosch, waar natuur, cultuurhistorie en kunst samen komen. Een museaal landschap dooraderd door een netwerk van paden met aan de randen parkeerplaatsen. Vanuit het centrum van ’s-Hertogenbosch en de parkeerplaatsen aan de rand stap je over op de fiets of start je met een heerlijke wandeling. Bij kasteel Maurick steek je met een voetveer over naar Oud Herlaer. Kasteel Maurick en (de tot dit bestemmingsplan behorende) theetuin Haanwijk zijn twee plekken waar je ook wat kunt eten en drinken. Een bijzondere ervaring is de vaartocht vanuit de binnenstad van ’s-Hertogenbosch over de Dommel. Op een beperkt aantal plaatsen kun je aan land. Vandaaruit kun je het landschap en zijn historie al wandelend verder ontdekken. Het ensemble van de bewoningsplaats Oud Herlaer bestaat in de toekomst uit verschillende delen; de langgevelboerderij, de koestal en de kasteelplaats. Deze bouwwerken omsluiten een binnenhof. De langgevelboerderij krijgt een centrum-, expositie- en entreefunctie. De koestal wordt een beheerdersfacaliteit/dienstwoning. De kasteelplaats is een plek om het verhaal van de middeleeuwen te beleven en zichtbaar te maken. Mogelijk wordt er ook nog een beheerdersfaciliteit toegevoegd.
Bij de herbestemming van de gebouwen wordt respect getoond voor de architectuur van het onder- en bovengrondse monument. Om een delicaat evenwicht te bereiken wordt zeer zorgvuldig omgegaan met de bestaande kwaliteiten en wordt het nieuwe subtiel ingevoegd. Een nieuw gebruik waarin de beleving van kunst voorop staat maar waar ook de tijdlagen duidelijk aanwezig en afleesbaar zijn. Uiteraard wordt hierbij rekening gehouden met de begrenzingen van het bouwvlak en is gekozen voor een passende be-
15
stemming ‘Maatschappelijk’. Dit is mede afhankelijk van wat uit onderzoek naar voren komt. Bij het natuurbeheer van het gebied wordt de recreatieve beleving ingepast. De landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten, zoals afwisseling tussen gras- en bouwlanden en singels en bossen, worden actief in stand gehouden. De variatie in biotooptypen en de geleidelijke overgangen tussen verschillende vegetatietypen geven het gebied een natuurlijke uitstraling en de statige lanen en opstallen maken het een landgoed. De aanwezigheid van diverse biotooptypen in verschillende successiestadia is vanuit educatief oogpunt waardevol. Brabants Landschap streeft ernaar om in processen en projecten duurzaam te werken. Deze duurzaamheid uit zich bij de verwerving van de gronden en gebouwen van Oud Herlaer in duurzaam restaureren en herbestemmen, duurzaam materiaalgebruik, duurzaam energiegebruik, duurzaam inrichten, duurzaam verwerven, duurzame instandhouding en social return.
2.2 Deelgebied Haanwijk: achtergrond en planvorming In de rapportage ‘Toekomstvisie voor de tuin bij Huis Haanwijk te Sint-Michielsgestel’, welke in 2013 is opgesteld door SB4, zijn de uitgangspunten en doelstellingen op het gebied van natuur en natuurontwikkeling, kunst en cultuur en ruimtelijke kwaliteit uiteengezet. Dit onderdeel uit de plantoelichting is daar voor een groot deel op gebaseerd. De volledige rapportage is als bijlage 2 van onderhavig bestemmingsplan opgenomen. De in maart 2021 opgestelde actualisatie van deze rapportage is als bijlage 3 van onderhavig bestemmingsplan opgenomen. Het hoofdhuis met voorplein wordt verhuurd en sinds 2019 gebruikt als horeca voor kleine gezelschappen. In het aangrenzende zuidelijke bouwhuis zijn een woning en opslagruimte. In het noordelijke bouwhuis (te bereiken via de poort aan de westkant van het gebouwencomplex) bevindt zich koffie- en theehuis ’t Haantje met woning. De oranjerie in de tuin wordt gebruikt als atelierruimte en de nevenstaande schuur voor opslag. De tuinen ten oosten van het huis worden omsloten door tuinmuren en beplante kades en kennen momenteel geen specifiek gebruik. Voorheen werd het deel ten oosten van de vijver gebruikt als moestuinen, recent (2019-2020) is het geheel opgeschoond met uitzondering van de restanten van enkele kweekbakken en een voormalige kippenschuur.
Het perceel grasland ten oosten hiervan kent een agrarisch gebruik. Haanwijk is gesitueerd nabij de samenvloeiing van de Dommel en de Essche Stroom. De landgoedkern ligt op de overgang tussen hogere gronden aan de noordzijde (donken) en lagere (beekdal)gronden aan de zuidzijde (beemden). De verschillende voormalige Dommelarmen liggen als slingerende sloten met begeleidende singelbeplanting in het lagere terrein en bepalen in belangrijke mate de herkenbaarheid van deze landschappelijke situering. Het gebouwencomplex van Haanwijk neemt een centrale positie in op het landgoed, waar vandaan lange rechte lanen richting Halder, veerhuis Het Vaantje en landgoed Oud-Herlaer leiden. Het gebouwencomplex kent mede door de concentratie rond de binnenplaats (0) - aan de westzijde van het hoofdhuis - een naar binnen gekeerd karakter. Vanaf de platanenlaan is via een (nieuwe) inrijpoort het plein (1) met oud lindencarré ten zuiden van Huis Haanwijk te bereiken. Een witte houten tuinpoort geeft vanaf het bescheiden voorplein toegang tot de tuinaanleg ten oosten van het hoofdgebouw, dat in totaal een oppervlakte van ruim één hectare beslaat. Het tuinencomplex is aan de west-
16
en noordzijde begrensd met tuinmuren, terwijl zich aan de oost- en zuidzijde hogere kades bevinden, waarop een gesloten, opgaande begroeiing. Het terrein is te verdelen in drie deeltuinen. De westelijke deeltuin (2), aan de zijde van het huis, is de oorspronkelijke siertuin. De invulling bestaat thans uit gazon met een uitgegroeide beukenberceau en enkele solitaire bomen. De oude loofgang loopt vanaf de ingang vanaf het voorplein in een rechte lijn naar de middelste deeltuin (3). Het midden van deze vijvertuin, gesitueerd ten zuiden van de oranjerie en de naastgelegen ingang vanaf de Venstraat, bestaat uit een diepe, ovale waterkom. Op de oevers staan oude parkbomen en groepjes heesterbeplanting. Bijzonder is de enorme mammoetboom zuidwestelijk van de vijver. De aangrenzende oostelijke deeltuin (4) betreft de vroegere nuts- of moestuin. Aan deze functie herinneren thans nog enkele broeibakken, schuren, berging en fruitbomen. Een kade met bovenop een uitgegroeide haag en enkele verspreid staande bomen scheidt deze moestuin van een uitgestrekt perceel grasland (5) dat wordt omgeven door sloten en singelbeplanting en oorspronkelijk ook in gebruik was als nutsgrond (moestuin, boomgaard).
Bij de uitwerking van de visie op hoofdlijnen wordt uitgegaan van de historische sfeer en karakter van het tuinencomplex in haar geheel en het behoud van de kenmerkende verdeling in deelgebieden. Elk deel kan een eigen invulling en functie krijgen. De samenhang blijft bewaard door lange doorzichten en aansluitende of doorlopende paden. De waardevolle historische onderdelen als tuinmuren, wallen, berceau, vijver en gebouwen blijven behouden, worden hersteld of enigszins aangepast en gaan opnieuw een beeldbepalende en functionele rol spelen. Daar waar gekozen wordt voor nieuwe toevoegingen, is aan hedendaags materiaal en materiaalgebruik te denken. De kenmerkende indeling met een siertuin enerzijds, een nutstuin anderzijds en een vijver als schakelstuk hiertussen wordt verder geaccentueerd in beplanting en inrichting. De siertuin rondom de berceau wordt op historische wijze middels paden in meerdere kwadranten verdeeld, waarbij deze in eerste instantie hoofdzakelijk als gazon worden ingericht, met tegen het huis een terras. In de nabijheid van het terras en aan de noordzijde van de tuin is ruimte voor meer gedetailleerde bloemperken. Tegen de muur kan opnieuw leifruit (of klimplanten) gekweekt worden. Vooralsnog blijven de uitgegroeide bomen van de oude berceau behouden. De padenloop is voorbereid op herplant van de berceau.
In dat geval ontstaat ook een meer zonnigere situatie in de tuin en kunnen meer bloemvakken worden aangebracht. Mede omdat kennis over de historische sierbeplanting hier ter plekke ontbreekt, kan voor een modern sortiment worden gekozen.
17
Vanuit gebruiksoogpunt en afsluitbaarheid is een hogere haag gedacht als afscheiding naar de vijvertuin, met enkele openingen ter plekke van zichtlijnen. Ter accentuering van de vijver wordt hier omheen een rondgaand pad aangelegd. De verschillende zichtlijnen vanuit siertuin en nutstuin komen samen in het centrum van de vijver, al waar een waterobject (sculptuur, fontein, o.i.d.) is gedacht. Vanuit de nutstuin loopt het wandelpad met een trap naar de waterlijn. Hetzelfde gebeurt aan de zijde van de oranjerie waarmee dit gebouw, voorzien van een klein omhaagd voorterrein, goed in het totaalontwerp wordt opgenomen. Ten oosten van de vijver ligt het nutstuinencomplex dat uiteen valt in een biologische moestuin (tot aan de wal met meidoornhaag) en een biologische tuinderij met boomgaard ten oosten hiervan. De moestuin wordt getypeerd door de kweekbedden voor intensieve teelt van fijne groente en de aanwezigheid van een kippenren en een kleindierenweide. De te herbouwen (restaureren) schuur naast de entreepoort aan de noordzijde gaat dienen als opslag en onderkomen voor medewerkers. Op het aangrenzende erf is ruimte voor kleinschalige verkoop en ontvangst van bezoekers. De historische (thans in zeer slechte staat verkerende) lage kweekbakken worden opnieuw opgemetseld op dezelfde locatie.
Ten noorden van de tuinmuur zijn naast de entreepoort eventueel enkele mindervalide-parkeerplaatsen te realiseren in de berm van de Venstraat. De tuinderij ten oosten van de wal, die met een haag geaccentueerd is, kent een wat grootschaligere teelt en een iets natuurlijker beheer. De groenteteelt (eenjarig en meerjarig) wordt hier gecombineerd met klein fruit en een boomgaard (hoog- en/of laagstam). Voor een verdere uitwerking van de ‘moestuin landgoed Haanwijk’ wordt verwezen naar bijlage 4. Er is een begaanbaar pad, tussen langgerekte borders, naar de uitzichtplek in het zuidoosten van dit terrein, maar er zijn ook eenvoudige paadjes, tussen de bomen en struiken door. Daarnaast zijn er paden specifiek voor de teelt en machinegebruik. In het plan is rekening gehouden met een entree voor leveranciers (grond, compost, etc.), een door hagen omzoomde bergplaats en de (tijdelijke) plaatsing van een tunnelkas. In het boomgaardgedeelte krijgt de bijenstal een plaats. Als verwijzing naar de vroegere verdedigingsfunctie van het complex Haanwijk in de linie van 1629 rondom ’s-Hertogenbosch worden enkele uitkijkplatforms toegevoegd bovenop de zuidelijke kadewal. Vanaf hier zijn vensters met vergezichten op het omringende landschap, refererend aan die van de militaire verdediging. Daartoe worden diverse houtsingels in het landschap gedund of onderbroken.
Navolgende afbeelding geeft een sfeerbeeld van de manier waarop de hiervoor omschreven doelstellingen en uitgangspunten een plaats hebben in de bestaande situatie. Deze landschappelijke inrichtingsschets is tevens integraal in bijlage 2 opgenomen.
18
19
2.3 Planbeschrijving ten aanzien van functies en bebouwing Oud Herlaer Het voornemen is om Oud Herlaer onderdeel van het Brabants Buitenmuseum te maken, in de vorm van een museaal landschap, inclusief beeldenpark, expositieruimte en beheerders-/dienstwoning. De bebouwing behorende tot Oud Herlaer (zie navolgende foto) betreft een 19e eeuwse boerderij op een historisch knooppunt. Momenteel rust er op deze locatie een agrarische bestemming met bouwvlak. Deze hoofdbestemming geeft nauwelijks mogelijkheden voor wijziging of opwaardering van de functie en het gebruik van de cultuurhistorische boerderij en hiertoe behorende gronden.
Boerderij Oud Herlaer in 1955 Bij de herbestemming van de gebouwen wordt respect getoond voor de architectuur van het onder- en bovengrondse monument. Om een delicaat evenwicht te bereiken wordt zeer zorgvuldig omgegaan met de bestaande kwaliteiten en wordt het nieuwe geheel subtiel ingevoegd. Een nieuw gebruik waarin de beleving van kunst voorop staat, maar waar ook de tijdlagen duidelijk aanwezig en afleesbaar zijn. Uiteraard wordt hierbij rekening gehouden met de begrenzingen van het bouwvlak en is in samenspraak met de gemeente gekozen voor een passende bestemming ‘Maatschappelijk’. Binnen het complex van bebouwing wordt onderscheid gemaakt in langgevelboerderij, koestal, kasteelplaats en binnenhof. Op navolgende afbeelding is, in de vorm van een voorlopige impressie, een concept-situatieschets weergegeven.
20
Alle onderdelen krijgen een eigen functie in het toekomstige geheel. De langgevelboerderij Een museale expositieruimte vormt de kern van de langgevelboerderij. De boerderij kent drie delen: een schuur met hooizolder, het woongedeelte in het midden en een voormalige korenschuur. Het nieuwe gebruik wordt aangesloten bij deze driedeling; een multifunctionele ruimte; de entree met infobalie en beperkte ondersteunende horeca; tentoonstellingsruimte.
21
De koestal Dit is de werkplaats en dienstwoning Oud Herlaer. De kasteelplaats en binnenhof Het fantastische is dat de tijdlaag van het middeleeuws kasteel voor een deel in de oksel ligt van de huidige gebouwen. Het muurwerk wordt beschermt én mogelijk gevisualiseerd. Het binnenhof wordt door het ensemble van gebouwen gevormd. Het is een eenvoudige verharde verzamelplek en mogelijke verbeelding van de voormalige grote zaal. Haanwijk Ten aanzien van het gebouwencomplex Haanwijk geldt dat deze tot op heden is bestemd voor woondoeleinden en dat daarbij enkele ondersteunende functies zijn toegestaan. Het voornemen richt zich op een bestemming / gebruik / functie gericht op de ontwikkeling van de natuur, horeca, kunst, cultuur en recreatie in het gehele plangebied. Onderstaande afbeeldingen geven de huidige situatie weer (bron: maps.google.com).
De bestaande, voor het grootste deel, cultuurhistorische bebouwing blijft bestaan, zal niet worden uitgebreid en is intern gewijzigd / verbouwd / gerenoveerd. Deze aanpassingen in de bebouwing staan in het teken van de (nieuwe) diversiteit aan functies die na goedkeuring van onderhavig planvoornemen moeten verrijzen, te weten: een restaurant, ruimte voor expostie/atelier in de orangerie en (mogelijk) een ondergeschikte functie in de vorm van een kantoor aan huis. Binnen het complex bestaat in de huidige situatie reeds een woonfunctie (met diverse wooneenheden) en, op Haanwijk 3, een horecafunctie in de vorm van een koffie- en theehuis welke voor het grootste deel voor de toekomst intact en behouden blijven. Parkeren Om de diversiteit van de hiervoor omschreven functies als plangebied te kunnen dragen, is aandacht besteed aan de parkeervraag/-behoefte. In dit kader heeft Rho Adviseurs in opdracht van Brabants Landschap een verkeers- en parkeeronderzoek uitgevoerd. De integrale rapportage van Rho Adviseurs is als bijlage 5 bij deze plantoelichting gevoegd. Tegenover Haanwijk 4a is sprake van een bestaand parkeerterrein met een capaciteit van 50 parkeerplaatsen. Naast de genoemde 50 parkeerplaatsen zijn er nog enkele parkeerplaatsen beschikbaar direct tegenover Haanwijk 4 (10 stuks) en ten westen van Haanwijk 3 (5 stuks).
Bij Oud Herlaer worden tenslotte nog enkele parkeerplaatsen gerealiseerd.
22
Parkeren omgeving Haanwijk Er wordt ruim voldoende voorzien in de parkeerbehoefte van de voorzieningen op Haanwijk en Oud Herlaer. De verwachte verkeersstromen op de wegen van en naar het plangebied, kunnen gezien de inrichting van de verschillende wegen zonder knelpunten in de verkeersafwikkeling of de verkeersveiligheid voor de verschillende modaliteiten (gemotoriseerd en langzaam verkeer) worden afgewikkeld op de omliggende wegen. Door de invoering van de verkeersmaatregelen in fase 1 tot en met 3 wordt daarnaast voorkomen dat de ontwikkeling van het gebied een aanzuigende werking heeft op bijvoorbeeld wandelaars. Deze bezoekers zullen worden geleid naar de verschillende parkeergelegenheden aan de randen van het gebied of worden gestimuleerd om met andere vervoerwijzen het gebied te bereiken. Ook de bezoekers van het buitenmuseum zullen naar de randen van het gebied worden geleid om vanaf daar te parkeren en verder het gebied te voet te bereiken. Ook voor hen geldt dat het gebruik van alternatieve vervoerwijze wordt gestimuleerd.
23
De nadruk in de communicatie zal liggen om het gebied met andere vervoersmiddelen dan de auto te benaderen. Brabants Landschap gaat uit van de bestaande parkeermogelijkheden binnen het plangebied en heeft samen met de gemeente en omwonenden het facilliteren van parkeren aan de randen en het gefaseerd minder toegankelijk maken van het gebied voor gemotoriseerd verkeer (met uitzondering van bestemmingsverkeer) onderzocht. In overleg met de gemeente en een afvaardiging namens de omwonenden is met betrekking tot de parkeer- en verkeersaspecten een werkwijze gevonden, waarbij het opvangen en voorkomen van verkeers- en parkeerdruk wordt nagestreefd. Middels een convenant – zie bijlage 10 – is hierin een stappenplan afgesproken.
2.4 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit Met onderliggende initiatieven ontstaan representatieve locaties die, ook omdat geen sprake is van nieuwbouw, de ruimtelijke en land(schapp)elijke beeldkwaliteit, karakteristiek en identiteit van het gebied in stand houden. Op deze wijze heeft het totaalplan een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de land(schapp)elijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
2.5 Conclusie Bij de planuitwerking wordt aansluiting gezocht bij de bestaande karakteristieken en kwaliteiten van de natuur, het landschap en de architectuur. Geconcludeerd kan worden dat het totaalplan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande situatie en omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. Voor het plangebied en de planvorming gelden de land(schapp)elijke en natuurwaarden en kwaliteiten, de beleving van het buitengebied en een vitaal platteland als belangrijkste uitgangspunten. De aanwezige waarden en kwaliteiten van het plangebied en de directe omgeving worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. Uit deze plantoelichting blijkt dat de plannen zich verhouden tot de aanwezige functies en waarden binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, de landschappelijke en natuurwaardentoets, alle ruimtelijke en milieu-hygiënische aspecten nader beschouwd. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstuk 4. De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is verankerd in de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding en regels.
24
3. Ruimtelijk beleidskader 3.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen.
3.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen.
Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen.
25
Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.
Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Doorwerking plan(gebied) Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van NOVI een relevante ruimtereservering geldt.
Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de NOVI, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te
26
vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.’ De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen.
Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord ‘regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten.
Doorwerking plan(gebied) Onderliggende plannen voorzien niet in nieuwe ‘stedelijke ontwikkelingen’ als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro,, waardoor artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Conclusie Het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking, waarmee is aangetoond dat er sprake is van zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving.
27
3.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant en Interim omgevingsverordening NoordBrabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden.
Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek.
Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening
28
is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging
Van toepassing Nee Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Verbod uitbreiding veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
29
De aanduiding ‘Verbod uitbreiding veehouderij’ heeft enkel invloed op bestaande veehouderijbedrijven. Onderhavig plan betreft vooral een toeristisch-recreatieve/culturele activiteiten en de ontwikkeling daarvan, in het buitengebied van de gemeente SintMichielsgestel. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van het verbod op uitbreiding van veehouderijen hebben hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Onderhavig plangebied is ook gelegen in het ‘Landelijk gebied’ van de provincie NoordBrabant. Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt in het landelijke en het stedelijke gebied. Binnen deze eerste aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk. Binnen de primair agrarische gebieden is de provincie terughoudend met de (verdere) ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat. Bij stedelijke ontwikkelingen in het door de provincie Noord-Brabant aangewezen landelijke gebied dient te worden voorzien in een kwaliteitsverbetering. Artikel 3.9 ‘kwaliteitsverbetering landschap’ zegt hierover het volgende: Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.
Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.