CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting BP Oud Herlaer Haanwijk

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 26 oktober 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: 11 Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Oud Herlaer en Haanwijk24.419 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Voor de inrichting van de natuur wordt op dit moment een projectplan Waterwet gemaakt in samenwerking met Waterschap De Dommel. Dit omdat het gebied een zogenaamde Natte Natuurparel is. In dat project wordt reeds 70.000 m 3 extra waterberging gecreëerd. Hiertoe is ook een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met het waterschap. Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

4.9 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.

55

De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof.

Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 1% op 500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 1.000 woningen worden gehanteerd. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken).

De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. Doorwerking plan(gebied) Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aan-

56

getoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg en ook niet binnen een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg. Het plan heeft geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in SintMichielsgestel ook geen negatieve invloed op het plangebied.

Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij het plangebied globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 µg/m3; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 µg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 µg NO2/m3). Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCN-kaarten) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Uit de gegevens blijkt dat voor Sint-Michielsgestel het volgende geldt: het aantal dagen dat overschrijding van het daggemiddelde concentratie fijnstof plaatsvindt is minder dan 25. De norm van 35 dagen of meer wordt niet overschreden; • het jaargemiddelde fijnstofconcentratie bedraagt 25-30 µg/m3. Deze blijft daarmee onder de norm van 40 µg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide ligt tussen de 10-30 µg NO2/m3. Deze blijft beneden de norm van 40. De normen voor luchtkwaliteit worden in de huidige situatie niet overschreden. Uit de onderbouwing verkeer en parkeren (zie bijlage 5) blijkt een verkeersgeneratie van maximaal 220 mvt/etmaal op drukke dagen.

Uit de NIBM-tool blijkt dat een toename van de verkeersintensiteit van 220 mvt/etmaal met licht verkeer niet in betekenende mate (NIBM) van invloed op de luchtkwaliteit:

57

Uit de GCN-achtergrondconcentratiekaarten van RIVM blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van aanvaardbare achtergrondconcentraties. Daarom is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plan heeft derhalve geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in SintMichielsgestel ook geen negatieve invloed op het plangebied. Het plan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het plan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit. Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast is in het projectgebied sprake van een goed leef- en woonklimaat doordat de achtergrondconcentraties ruim onder de normen blijven. Tenslotte is de beoogde woning geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.10 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Er liggen geen geitenhouderijen binnen een straal van 2 km rondom het plan. Er is echter geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico omdat het plan niet voorziet in een nieuwe gevoelige bestemming. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de afstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico.

58

De geurbelasting en fijn stof concentraties voldoen aan de geldende normen. Het plan voorziet niet in bijzondere gevoelige bestemmingen en er worden geen klachten vanwege veehouderijen verwacht. In de omgeving bevinden zich geen bedrijven met pluimvee en varkens waardoor een verhoogde kans op zoonosen aanwezig is. Een GGD advies hoeft niet te worden gevraagd.

4.11 Flora en fauna en stikstof(depositie) Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, is vervangen door deze wet. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het onderliggende planvoornemen vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats. Negatieve effecten op aanwezige beschermde soorten in de omgeving kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Tevens geldt dat de plannen op het gebied van landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering binnen het plangebied vooraf zijn gegaan door een bepaling van de natuur- en landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse. Het plan richt zich met name op de ontwikkeling van natuur, kunst en cultuur en streeft naar ruimtelijke kwaliteit.

Aanvulling flora en fauna Buitenmuseum Herlaer Datum: 21 februari 2022 Auteur: Vivian Maas MSc (Brabants Landschap) Bij de beoordeling van de onderbouwing voor de bestemmingsplanwijziging voor het Buitenmuseum Herlaer bleek dat er te weinig aandacht besteedt was aan voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied en mogelijke effecten op deze soorten. Aangezien de aanleg van de parkeerplaats en de verbouwingswerkzaamheden die nodig zijn voor het plan geen onderdeel zijn van deze bestemmingsplanwijziging, is hier alleen ingegaan op mogelijke effecten op beschermde flora en fauna als gevolg van een toename van het aantal recreanten in het gebied. Zoogdieren (figuur 1) Uit de NDFF blijkt dat in ieder geval gewone en ruige dwergvleermuis in het plangebied voorkomen. Er kan vanuit worden gegaan dat ook laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis aanwezig zijn. Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van deze en andere vleermuissoorten worden echter niet aangetast of verstoord als gevolg van een toename in het aantal recreanten. Dit omdat hierdoor geen bomen of gebouwen verdwijnen en omdat het Buitenmuseum alleen overdag opengesteld is voor recreanten. Hierdoor is er geen sprake van overlapping met de avond- en nachtperiode waarin vleermuizen actief zijn.

59

Figuur 1: Waarnemingen beschermde zoogdieren in de periode 2019 t/m 2022 Bron: NDFF Behalve vleermuizen komen ook bever, das, hermelijn, bunzing, wezel en steenmarter in het plangebied voor. De bever en das hebben burchten in het gebied. De aanlegsteiger ligt op meer dan 100 meter afstand van de beverburcht met daartussen bosschages. De burcht zelf wordt dan ook niet aangetast of verstoord. In het kennisdocument van de RVO wordt daarnaast gesteld dat bevers snel kunnen wennen aan menselijke activiteiten: “ook in de buurt van bebouwing en in woonwijken kunnen bevers aanwezig zijn en van bijvoorbeeld de recreatieve activiteiten in de Biesbosch en Millingerwaard trekken ze zich weinig aan”. Dassenburchten worden niet aangetast of verstoord als gevolg van de aanwezigheid van recreanten omdat de recreanten niet op de burchten komen en vaste wegen en paden volgen. Ook vaste verblijfplaatsen van bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter zullen niet aangetast of verstoord worden aangezien de aanwezigheid van recreanten geen invloed heeft op bomen, takkenrillen, bebouwing en andere mogelijke verblijfplaatsen. Daarnaast zijn al deze soorten voornamelijk in de avond en nacht actief waardoor er geen overlap plaatsvindt in activiteit van deze soorten en de aanwezigheid van recreanten, het gebruik van de aanlegsteiger en de vaarbewegingen van het pontje.

Tot slot wordt het functionele leefgebied van deze soorten niet aangetast als gevolg van de aanwezigheid van recreanten: voedsel blijft aanwezig en de oppervlakte van het leefgebied veranderd niet. Om deze redenen kunnen nadelige effecten op bunzing, hermelijn, wezel, bever, das en steenmarter uitgesloten worden. Verder komt de eekhoorn verspreid door het plangebied voor. Het is een uitgesproken bossoort en brengt het merendeel van zijn leven in de toppen van bomen door. Het merendeel van de recreanten zal rondom de boerderij Out Herlaer verblijven en alle recreanten moeten vaste wegen en paden gebruiken. Ook heeft de aanwezigheid van recreanten geen invloed op verblijfplaatsen van de eekhoorn.

60

In braakballen zijn resten van de waterspitsmuis aangetroffen. Er zijn binnen het plangebied geen waarnemingen bekend van levende exemplaren en het is niet bekend waar de resten van de soort uit de braakballen vandaan komen. De soort heeft een voorkeur voor schone, licht stromende wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie en ruige oeverbegroeiing. Op de locatie van de aanlegsteiger ontbreekt een dergelijk biotoop (foto 1) en de recreanten zullen zich niet in oeverzones van sloten en andere wateren bevinden.

Foto 1: Oeverzone met aanlegsteiger Conclusie: op basis van bovenstaande informatie en gegevens is er wat betreft beschermde zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb. Amfibieën en reptielen Volgens gegevens van het Brabants Landschap komt de kamsalamander in het onderzoeksgebied voor. De soort bevindt zich in een poel bij Haanwijk 4a. Op basis van de NDFF komen er verder alleen algemene, vrijgestelde soorten voor, zoals gewone pad en bruine kikker. Er is geen sprake van nadelige effecten op amfibieën. Dit omdat de recreanten vaste wegen en paden volgen waardoor vernieling of verstoring van winterverblijfplaatsen niet aan de orde is. Daarnaast heeft de aanwezigheid van recreanten geen invloed op poelen of andere voortplantingswateren van amfibieën. Recreanten komen namelijk niet in de buurt van dergelijke wateren. Er zijn geen waarnemingen van beschermde reptielen bekend binnen het onderzoeksgebied. Hazelworm en levendbarende hagedis komen echter wel in de (ruime) omgeving van het gebied voor. Nadelige effecten voor deze soortgroep treden niet op omdat recreanten op wegen en paden blijven en daardoor geen invloed hebben op verblijfplaatsen van deze soorten. Conclusie: ten aanzien van amfibieën en reptielen is er geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb.

Vaatplanten Er zijn binnen het onderzoeksgebied geen groeiplaatsen van beschermde vaatplanten bekend. Het merendeel van de beschermde soorten is zeldzaam en komt op maar een paar plekken in Nederland voor. De aanwezigheid van recreanten heeft ook geen invloed

61

op groeiplaatsen van vaatplanten omdat ze op vaste wegen en paden blijven en daarmee geen mogelijke groeiplaatsen betreden. Conclusie: er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van vaatplanten Vogels Uit de NDFF blijkt dat de kerkuil een vaste verblijfplaats heeft in het onderzoeksgebied en ook van de bosuil en spreeuw zijn verblijfplaatsen bekend (figuur 2).

Figuur 2: Verblijfplaatsen bosuil, kerkuil en spreeuw Deze verblijfplaatsen worden niet aangetast als gevolg van de aanwezigheid van recreanten. Ook wordt het functionele leefgebied niet aangetast: de oppervlakte aan leefgebied veranderd niet en er is geen sprake van invloed op het aanbod aan voedsel. Bovendien zijn de uilen vooral in de avond en nacht actief, waardoor hun activiteitenpatroon niet overlapt met de aanwezigheid van de recreanten. Mogelijk aanwezige vaste verblijfplaatsen van andere soorten, zoals de buizerd worden ook niet aangetast omdat er geen sprake is van ruimtelijke ingrepen, zoals kap van bomen. De aanwezigheid van recreanten heeft daarom geen nadelige invloed op vaste verblijfplaatsen van vogels. Wel kan er sprake zijn van nadelige gevolgen voor vogels die de graslanden grenzend aan de Dommel ter hoogte van Out Herlaer gebruiken als rust- en foerageergebied. Deze graslanden zijn nu afgesloten voor recreanten (foto 2), maar in de huidige plannen zal hier een wandelpad doorheen gaan lopen vanaf het pontje naar de oude boerderij.

62

Foto 2: Graslanden afgesloten voor recreanten Volgens de beheerder van het gebied gebruiken onder andere wintergasten, zoals ganzen en slobeend deze graslanden om te rusten en foerageren. Ten tijde van het veldbezoek voor dit document (18 februari 2022), waren er daadwerkelijk grauwe ganzen aanwezig op de graslanden. Een nieuw wandelpad door deze graslanden en daarmee aanwezigheid van recreanten in de graslanden, zorgt in ieder geval in de eerste periode voor verstoring van vogels die deze graslanden als rust- en foerageergebied gebruiken. Ook wordt een zone van tientallen meters langs beide zijden van het wandelpad ongeschikt als rust- en foerageergebied, waardoor de oppervlakte aan geschikt rust- en foerageergebied afneemt. Wanneer honden toegestaan zijn, zal de verstoring nog groter zijn. Wel zal er gewenning optreden onder de vogels omdat de recreanten op het wandelpad moeten blijven. Conclusie: ten aanzien van vogels is er geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb. Wel zullen er, als gevolg van het nieuwe wandelpad, nadelige effecten optreden voor vogels die de graslanden langs de Dommel ter hoogte van de oude boerderij gebruiken als rust- en foerageergebied.

Ten behoeve van onderliggende planontwikkeling heeft De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Uit de berekening van de beoogde situatie (aanleg- en gebruiksfase) blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Stikstof vormt dus geen belemmering voor het plan. De integrale rapportage is als bijlage 9 bij deze plantoelichting gevoegd.

63

Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstof(depositie) zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

4.12 Historische kwaliteit Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom het plangebied belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan.

Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie.

Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuur-historische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

64

Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(gebied) Archeologie Op het plangebied rusten de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ welke tot doel hebben de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen met een hoge verwachting voor de periode Neolithicum tot Middeleeuwen en/of terreinen met een middelhoge verwachting. De locatie valt echter in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde en verschillende berschermingsgradaties. Dat blijkt uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Sint-Michielsgestel (zie de navolgende uitsnede met groen omlijnd de globale ligging van het plangebied).

Ten aanzien van AMK-terreinen geldt: Behoud in situ is uitgangspunt. Indien dat niet mogelijk is, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden bij ingrepen groter of gelijk aan 50 m² en dieper dan 30 cm. Ten aanzien van hoge verwachting voor late middeleeuwen tot nieuwe tijd bij cultuurhistorisch element, MIP-pand of in dorpskern geldt: Behoud in situ is uitgangspunt. Indien dat niet mogelijk is, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden bij ingrepen groter of gelijk aan 30 m² en dieper dan 30 cm. Ten aanzien van hoge verwachting voor vestingwerken 1629 geldt: Behoud in situ is uitgangspunt. Indien dat niet mogelijk is, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden bij ingrepen groter of gelijk aan 50 m² en dieper dan 50 cm. Ten aanzien van hoge verwachting voor neolithicum tot middeleeuwen geldt: Behoud in situ is uitgangspunt. Indien dat niet mogelijk is, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden bij ingrepen groter of gelijk aan 50 m² en dieper dan 50 cm.

65

Ten aanzien van middelhoge verwachting geldt: Behoud in situ is uitgangspunt. Indien dat niet mogelijk is, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden bij ingrepen groter of gelijk aan 100 m² en dieper dan 50 cm. Ten aanzien van lage verwachting geldt: Behoud in situ is uitgangspunt. Indien dat niet mogelijk is, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden bij ingrepen groter of gelijk aan 100 m² en dieper dan 50 cm. Ten aanzien van water in 1832 geldt: behoud in situ is uitgangspunt. Indien dat niet mogelijk is, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden conform het beleidsadvies van de aangrenzende oever. Er bestaan vanuit het gemeentelijke beleid geen onderzoeksverplichtingen binnen bestaande bouwvlakken. Er bestaat wel een onderzoeksverplichting indien er een MIP-pand aanwezig. Ten behoeve van de voorgestane ontwikkeling binnen het plangebied vinden geen ingrijpende bouw- en graafwerkzaamheden plaats. Derhalve geldt in feite hetzelfde als geldt voor onderzoeken op het gebied van bodem en water: mocht er in een later stadium ten behoeve van uitbreiding of oprichting van bouwwerken een vergunning worden aangevraagd, dan zal bevoegd gezag als aanvullende eis kunnen stellen om een archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Tot die tijd wordt de grond niet geroerd, is de bodem beschermd en is een archeologische verkenning van de bodem niet noodzakelijk.

In algemene zin geldt altijd wel een meldingsplicht, indien er tijdens de bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie niet aan de realisatie van het planvoornemen in de weg staan. Cultuurhistorie Het zijn niet alleen de ‘panden’ die als complex cultuurhistorisch belang zijn aangeduid op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Noord-Brabant, maar de landgoederen in het geheel. Niet alleen de gebouwen, maar ook groenstructuren, wegen, bossen, landbouwgronden, tuinen en dergelijke kunnen dus tot de complexen cultuurhistorisch belang behoren. In dit verband wordt verwezen naar de CHWkaart waarop een uitgebreide beschrijving, inclusief waarden en kenmerken, is gegeven.

66

67

68

Cultuurhistorisch waardevol complex (Provinciaal cultuurhistorisch belang) Naam Kasteel Oud Herlaer CHW-code CC166 Gemeente Sint-Michielsgestel Complextype Cultuurhistorisch belang Industriële complexen, kloosters, landgoederen en militaire complexen zijn kenmerkend voor Brabant Rijksmonument 526773 t/m 526774, 526776 t/m 526777 Beschrijving Het huidige Oud Herlaer, gelegen in het beekdal van de Dommel, gaat terug op een mottekasteel, een kasteel op een ronde kunstmatige heuvel. Het mottekasteel bestond waarschijnlijk al in 1076. In de 12e eeuw is voor het eerst sprake van een familie Van Herlaer die op het kasteel woonde. Het kasteel Herlaer was de zetel van de heerlijkheid Herlaer. Deze heerlijkheid bestond grotendeels uit goederen van de bisschop van Luik, waarover de heren van Herlaer de voogdij hadden. Na 1305 komt Herlaer achtereenvolgens in bezit van de families Van Loon, Van Horn en De Merode. In 1638 komt Herlaer, dan ook al Oud Herlaer geheten omdat in de 14e eeuw in de directe nabijheid een kasteel Nieuw Herlaer is gebouwd, in handen van de markiezen van Bergen op Zoom. Op de plek van het oude mottekasteel werd in of rond de 14e eeuw een kasteel opgetrokken. Kaarten en prenten van rond 1700 tonen een grote burcht, met een vierkante donjon, binnen een ronde gracht. Rond 1700 werd het kasteel Oud Herlaer nauwelijks nog bewoond.

In 1736 was het kasteel zodanig vervallen dat het voor sloop werd verkocht. Slechts enkele muren bleven staan en zijn opgenomen in het huidige boerderijcomplex. Dit complex ligt op de kunstmatige heuvel van het oude kasteel en bestaat uit een langgevelboerderij en een vrijstaande koestal. De boerderij bestaat deels uit muurresten van het oude kasteel en deels uit nieuwbouw van rond 1875. De boerderij heeft een rieten schilddak. De koestal staat op fundamenten van het oude kasteel. De bovenbouw van de koestal dateert uit de jaren 18751900 en is rond 1950 deels vernieuwd. De koestal heeft een zadeldak met dakschild. Aan de westzijde van het boerderijcomplex staan zes oude linden. Het kasteel maakt deel uit van het landgoederenlandschap rond ‘sHertogenbosch en heeft een nauwe samenhang met de nabijliggende landgoederen en kastelen Nieuw Herlaer, Haanwijk, Sterrenbos, Maurick en Muyserick. Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang) Naam Meierij CHW-code REME Ligging Brabant van het zand Beschrijving De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oost-west lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk.

Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen van het bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense duinen). Een en ander had tot gevolg dat het agrarische landschap over het algemeen heel kleinschalig was. De beekdalen waren heel besloten. De percelen waren er klein en vrijwel allemaal omgeven door opgaande beplanting. De oude akkercomplexen waren wat grotere, open ruimten in deze besloten wereld. De heidevelden vormden hiermee een groot contrast: dit waren zeer grote, open gebieden.

Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In

69

de Meierij zijn verschillende kastelen, abdijen en kloosters gebouwd. Enkele middeleeuwse kastelen zijn bewaard gebleven. Nog veel rijker is het gebied aan landgoederen, buitenplaatsen en statige villa's, vooral in de omgeving van 's-Hertogenbosch. Een voorbeeld van een oud landgoed is 't Veldersbosch bij Boxtel. De landgoederen en buitenplaatsen uit de negentiende en twintigste eeuw liggen vaak op vroegere heidevelden die hun functie voor de boeren verloren hadden door de komst van kunstmest. Tussen Boxtel en Vught liggen verschillende van deze jonge landgoederen en buitenplaatsen, zoals Dommeloord (ook wel Wilhelminapark genoemd), De Oude Hondsberg, Sparrenrijk, Beukenhorst, Halsche Barrier en De Eikenhorst. In de negentiende en twintigste eeuw zijn veel van de 'woeste gronden', de heidevelden en de broekgebieden, omgezet in landbouwgrond. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest. In de jonge heideontginningen is een rationele verkaveling en ontwatering gerealiseerd. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen, zoals Veghel en Schijndel.

De grote stedelijke gebieden van '''s-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg zijn met elkaar verbonden door een netwerk van snelwegen, provinciale wegen, kanalen en spoorlijnen. Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. Cultuurhistorisch belang De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt.

Essentiële acpecten In de regio liggen de volgende cultuurhistorische landschappen van provinciaal belang:;Groene Woud ;Beerse en Baardwijkse Overlaat (gedeeltelijk) ;Loonse en Drunense Duinen;Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg (gedeeltelijk).;Dragende structuren in de regio zijn:;De oude agrarische cultuurlandschappen met akkercomplexen, beemden, broekgebieden;De dorpen en buurtschappen met langgevelboerderijen;De woeste gronden met heidevelden, vennen en zandverstuivingen;De kastelen, kloosters, landgoederen en buitenplaatsen;De populieren;De ZuidWillemsvaart Ontwikkelingsstrategie 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio.;2. De cultuurhistorische waarden van de Meierij in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristischrecreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen:“Groene Woud” (ook deels in gebiedspaspoort Kempen) en “De Loonse en Drunense Duinen”.;3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Loonse en Drunense Duinen”, “Dekzandrug Tilburg-Den Bosch” en “Dommeldal Nuenen-Gestel”.

Cultuurhistorisch waardevol gebied (provinciaal cultuurhistorisch belang) Naam Landgoederen rond Vught CHW-code GW18 Cultuurhistorisch Landschap Groene Woud Gemeente (n) Sint Michielsgestel, Vught, 's Hertogenbosch Waarden en kenmerken De historische bebouwing en parkaanleg van de landgoederen De Pettelaar, Sterrenbosch, Out Herlaer, Haanwijk, Nieuw Herlaer, Bleijendijk en Maurick ;De afgesneden meanders ;De lanen;De kleinschalige strokenpercelering bij De Pettelaar;De perceelrandbegroeiing van boomrijen en houtsingels;De dijken en dijkrestanten;Lunet 8 van de stelling van Vught Strategie Planologische bescherming van de waarden/kenmerken Beschrijving algemeen

70

Het gebied is een gaaf landgoederenlandschap met landbouwgronden, bosjes, lanen en een rijkdom aan historische gebouwen. De dijken en dijkrestanten getuigen van de regelmatige wateroverlast van de Beerse Maas. Beschrijving specifiek Het gevarieerde landschap tussen 's-Hertogenbosch en Sint-Michielsgestel, bestaat uit een aaneengesloten complex van landgoederen. We vinden er enkele kastelen, akkers, graslanden en bosopstanden van loof- of naaldhout met verspreid op terpen of tegen dijklichamen gelegen hoeven.De verdeling in hogere en lagere gronden is in het bodemgebruik en de percelering nog goed te herkennen. In de laaggelegen gebieden is de percelering strookvormig en bestaan de percelen grotendeels uit grasland. De hogere gronden zijn in gebruik als bouwland of bos. Het gebied wordt doorsneden door diverse oude, deels middeleeuwse dijklichamen, al dan niet voorzien van groenopstanden en oude lanen. De dijken zijn aangelegd om het water van de Beerse Maas te keren; sommige hadden ook een militaire functie in verband met de inundatieterreinen rond 's-Hertogenbosch. Landgoed De Pettelaar ligt in de oksel van de A2 en de N617. Kern van het landgoed is de op een donk gelegen negentiende-eeuwse boerderij, nabij de locatie waar een oude hoeve van het fraterhuis te 's-Hertogenbosch heeft gestaan. Een verhoogd gelegen laan van rode beuken vormt de oprijlaan.

Bij de boerderij ligt een boomgaard met walnotenbomen. De percelen in het kleinschalige gras- en akkerland worden begrensd door bomenrijen, houtsingels en lanen. Ten oosten van de boerderij ligt een complex zeer smalle graslandpercelen met elzensingels. Meer naar het westen liggen verscheidene donken, enkele bosopstanden van loof- en naaldhout, hakhout en enkele oude dijken. Op een donk ten westen van De Pettelaar ligt landgoed Sterrenbosch, bestaande uit een landhuis uit 1820-1830, een boerderij en enkele schuren. Markant is de kruisvormige lanenstructuur. Het gebied bestaat grotendeels uit graslanden; sommige percelen zijn begrensd door houtsingels en bomenrijen. In het oosten bevinden zich enkele bosopstanden op hoger gelegen gronden. Iets ten zuiden van Sterrenbosch, vlak bij een afgesneden meander van de Dommel, ligt de hoeve Out Herlaer, een langgevelboerderij die circa 1850 is gebouwd op de fundamenten van het in 1737 afgebroken kasteel Oud Herlaer. Oud Herlaer wordt voor het eerst genoemd in 1076. Er zijn resten van grachten en fundamenten gevonden, tevens zijn op het terrein enkele vondsten uit de Romeinse tijd gedaan. Centraal in het gebied ligt landgoed Haanwijk aan een oude meander van de Dommel en omringd door diverse met opgaand groen beplante dijklichamen.Haanwijk is een voormalig jachtslot, waarvan de kern uit 1649 dateert. Het werd verbouwd in 1834.

Het huis wordt omgeven door diverse woningen, verspreid gelegen boerderijen en het voormalig veerhuis 't Vaantje. Een lange rechte laan loopt van het landhuis naar het veerhuis. De verschillende gebouwen stammen uit de periode 1600-1900. Rond het landhuis ligt een parkachtig gebied in landschapsstijl met een tuinmuur, berceau en vijver, graslanden en een oud akkercomplex, meer naar het westen liggen loofbossen. De verhoogd gelegen oprijlaan is voorzien van laanbeplanting van esdoorns. In het zuiden van het gebied bevindt zich op de rechteroever van de Dommel, nabij een oude dijk tegenover het gehucht Halder, het klooster Nieuw-Herlaer. Het oorspronkelijke gebouw dateert van 1400, maar werd op de achtkantige traptoren uit 1544 na, in 1791-1799 vervangen door het huidige, als seminarie ingerichte gebouw. Achter het kasteel bevindt zich een kerkhof met twee grafmonumenten uit 1920-1930. Kasteel Maurick ligt op de linker (westelijke) oever van de Dommel, op de overgang van hogere zandgronden naar de Dommelbeemden. Het is een omgracht gebouw uit 1504-1509, gelegen bij een verlande Dommelarm en omringd door een park met oude bomen, waterpartijen en een op het poortgebouw van het kasteel gerichte laan. Een met bomen beplante dijk verdeelt het landgoed in een binnendijks en een buitendijks gedeelte.

Ten zuiden van het huis, ter hoogte van Haanwijk, bevindt zich Lunet 8, die deel uitmaakt van de stelling van Vught, in 1844 aangelegd. De grachten en de met loofhout begroeide wallen van de lunet zijn nog goed herkenbaar. Landgoed Bleijendijk ligt aan de Essche Stroom en bestaat uit enkele boerderijen, een voormalig veerhuis en een tweelaags herenhuis omringd door een park en aangrenzende landbouwgronden. De landbouwpercelen worden begrensd door hakhoutwallen en eiken- en beukenlanen. Aan de oostzijde van Bleijendijk loopt een noordzuid georiënteerde oude Dommeldijk (voor 1840).Er is een relatie tussen de terpen en dijken en de laaggelegen gronden, die behoorden tot de inundatiegebieden rond 's-Hertogenbosch en die tevens deel uitmaakten van de Beerse Maas.

Onderhavig bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het cultuurhistorisch waardevol gebied ‘Landgoederen rond Vught’. Artikel 3.29 van de IOV gaat uit van planologische borging van de genoemde waarden en kenmerken van het cultuurhistorisch waardevol gebied: Artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden

Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied: a. b.

is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

71

Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit Lid 2

De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd: d.

als de ontwikkeling plaatsvindt binnen een Cultuurhistorisch waardevol gebied ter behoud van een waardevol cultuurhistorisch complex, zoals beschreven op de Cultuurhistorische Waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie gericht op behoud of versterking van de aldaar benoemde waarden en kenmerken.

Het landgoed Oud Herlaer gaat terug op een historisch kasteelterrein waarvan de geschiedenis bijna 1000 jaar oud is en dus ouder is dan ’s-Hertogenbosch. Het kasteel vervulde tijdens het beleg van ’s-Hertogenbosch een belangrijke rol. De gebouwen aan Haanwijk krijgen de bestemmingen Wonen (met thee/koffiehuis), Horeca of Maatschappelijk. Relevant is dat tevens aandacht wordt geschonken aan het beleg van ’sHertogenbosch in 1629 waarbij gedacht wordt aan de reconstructie van schansen van de circumvallatielinie. Ook is het westelijk gelegen perceel in ogenschouw genomen. Hier liggen de relicten van een sterrenbos; het zogenaamde wandelbos. Ook dit maakt deel uit van de beschermde buitenplaats Haanwijk. Het herstel van een sterrenbos kan een bijzondere locatie opleveren voor een kunstwerk van het Buitenmuseum Oud-Herlaer Cultuurhistorische bescherming is daarom van belang voor het bestemmingsplan. Derhalve zijn de volgende dubbelbestemmingen opgenomen die overigens over het gehele plangebied zijn gelegd met een koppeling naar de CHW-kaart: • Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen • Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle ensembles • Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle gebieden • Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

4.13 Verkeer en parkeren De gemeente Sint-Michielsgestel streeft bij ruimtelijke ontwikkelingen naar een goede ontsluiting en een goede parkeerbalans. Voor het plangebied betekent dit dat de ontsluitingsmogelijkheden afdoende moeten zijn en dat er voldoende parkeergelegenheid is. Voor het uitgevoerde verkeers- en parkeeronderzoek wordt verwezen naar bijlage 5. Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling Doel van het verkeersplan is om de negatieve gevolgen van de toenemende verkeersintensiteiten op de omliggende wegen zoveel mogelijk te beperken en een mogelijke aanzuigende werking naar het gebied toe (van wandelaars die per auto het gebied willen bezoeken) te voorkomen. Het verkeersplan gaat uit van verschillende fasen. Die fasen zijn gekoppeld aan de fase waarin de ontwikkeling zich op dat moment bevindt. Voor het onderzoek wordt er vanuit gegaan dat alleen maatregelen die de doorgang van het verkeer fysiek onmogelijk maken, effect hebben. Zachte maatregelen zoals bewegwijzering en communicatie hebben minder effect. Deze maatregelen kunnen immers genegeerd worden zonder strenge handhaving.

72

Parkeren Het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid en verkeersgeleiding. De bezoekers van het buitenmuseum worden gestimuleerd om niet met de auto te komen en te parkeren aan de randen van het gebied. Daarnaast zal het gebied in toenemende mate alleen bereikbaar zijn voor bestemmingsverkeer. Het verkeer ontsluit op deze manier gerichter en veiliger naar de parkeermogelijkheden. Om deze redenen zal geen sprake zijn van parkeeroverlast en evenmin van een toename van de parkeer-druk in het openbaar gebied. Bovendien kan er op gewezen worden dat er in de huidige situatie geen parkeervoorzieningen zijn. In die zin is er sprake van een expliciete verbetering wat betreft mobiliteit; verkeer en parkeren. Zo zullen de nieuwe functies, in vergelijking met de vigerende situatie, geen (nadelige) invloed hebben op de verkeerssituatie en evenmin leiden tot een significante druk op de infrastructurele voorzieningen. Conclusie Er wordt ruim voldoende in de parkeerbehoefte van de voorzieningen op Haanwijk en Oud Herlaer voorzien. De verwachte verkeersstromen op de wegen van en naar het plangebied, kunnen gezien de inrichting van de verschillende wegen zonder knelpunten in de verkeersafwikkeling of de verkeersveiligheid voor de verschillende modaliteiten (gemotoriseerd en langzaam verkeer) worden afgewikkeld op de omliggende wegen.

Door de invoering van de verkeersmaatregelen in fase 1 tot en met 3 wordt daarnaast voorkomen dat de ontwikkeling van het gebied een aanzuigende werking heeft op bijvoorbeeld wandelaars. Deze bezoekers zullen worden geleid naar de verschillende parkeergelegenheden aan de randen van het gebied of worden gestimuleerd om met andere vervoerwijzen het gebied te bereiken. Ook de bezoekers van het Buitenmuseum zullen naar de randen van het gebied worden geleid om vanaf daar te parkeren en verder het gebied te voet te bereiken. Ook voor hen geldt dat het gebruik van alternatieve vervoerwijze wordt gestimuleerd. Het aspect parkeren en verkeer geeft dan ook geen aanleiding tot aanpassingen van het plan. In het kader van het plan is uitgebreid overleg gevoerd met omwonenden om gemotoriseerd verkeer binnen het plangebied te ontmoedigen en parkeren elders te faciliteren. Waarbij afspraken zijn vastgelegd in een convenant. Het convenant is bijgevoegd als bijlage 10.

73

5. Juridische toelichting 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening moeten bestemmingsplannen ook digitaal beschikbaar zijn en volledig voldoen aan een aantal standaardeisen die zijn opgenomen in de ‘Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012’. Zo dient het bestemmingsplan, behalve aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), te voldoen aan de standaarden die zijn ontwikkeld voor DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen): • • •

IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012), SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012), STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012).

Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.

5.2 Systematiek van de regels De Wet ruimtelijke ordening bepaalt een drietal zaken met betrekking tot de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: • • •

de digitale raadpleegbaarheid; de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012; de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld: • • • •

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. Op de verbeelding zijn de volgende zaken aangegeven: • de (dubbel)bestemming(en) van de in het plangebied gelegen gronden; • de grens van het plangebied;

74

• •

het bouwvlakken; de aanduidingen.

5.3 Bebouwing algemeen Voor de situering en maatvoering van bouwwerken wordt verwezen naar de planregels.

5.4 Toelichting bestemmingen Voor een goed begrip van de regelingen dienen in elk geval de regels tezamen met de verbeelding te worden geraadpleegd.

75

6. Uitvoeringsaspecten 6.1 Economische uitvoerbaarheid Exploitatie Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van de initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Het voorliggende bestemmingsplan bevat de kaders waarbinnen de gewenste planologische ontwikkeling kan plaatsvinden. De initiatiefnemer kan binnen de stedenbouwkundige en planologische randvoorwaarden de plannen en een bijbehorende exploitatieopzetten verder uitwerken, waarbij het exploitatierisico geheel bij de initiatiefnemer ligt. De realisatie- en beheerskosten van de uit te werken inrichtingsplannen zijn voor rekening van de initiatiefnemer Planschade Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen, dient inzicht te worden verkregen of in onderhavige situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit het bestemmingsplan voortvloeien, komen voor rekening van initiatiefnemers.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures tot en met de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wet geregeld. Aangegeven is dat in eerste instantie tussen gemeente en verschillende instanties, waar nodig, overleg over het plan moet worden gevoerd, alvorens het ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Verder is er een landelijke voorziening waar in elektronische vorm de ruimtelijke visies, plannen, besluiten, verordeningen of algemene maatregelen van bestuur van gemeenten, provincies en Rijk, voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Omgevingsdialoog In aanloop naar dit bestemmingsplan is er intensief overleg met de omgeving geweest. Allereerst zijn de plannen gepresenteerd, waarna er zorgen naar voren kwamen, voornamelijk ten aanzien van gemotoriseerd verkeer en parkeren. Vanuit een groot deel van de omwonenden is vervolgens een ‘stuurgroep’ gevormd Tussen deze stuurgroep, Brabants Landschap als initiatiefnemer en de gemeente is vervolgens een intensief proces doorlopen. Dit heeft geresulteerd in het convenant tussen de drie partijen op het gebied van verkeer en parkeren. Het convenant is als bijlage 10 bij onderhavig bestemmingsplan opgenomen.

76

7. Slotconclusie In dit bestemmingsplan is gemotiveerd is dat de plannen zich verhouden, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies, waarden en kwaliteiten binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk-planologische beleid, de land(schapp)elijke en stedenbouwkundige toets zijn alle ruimtelijke en milieuhygiënische deelaspecten onderzocht. Aan de volgende voorwaarden is voldaan: • het motiveren van de afwijkingen van de geldende bestemmingen middels het opstellen van onderliggend bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid. Met dit bestemmingsplan is thans een planologische en juridische basis gelegd om de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) te kunnen verlenen en daarmee de onderliggende plannen te kunnen realiseren.

77

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=73788810-9f1c-4fa0-819b-9a3379770e31