Bijlage 3 - Toelichting bp Gebiedsontwikkeling Venstraat
Tekst van het document
Door het verwijderen van bebouwing aan de Venstraat wordt, ondanks de realisatie van nieuwe woningen de zichtlijnen versterkt (zichtrelatie achterland). Onderhavig initiatief past derhalve binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. 2.3.2 Aanvullingen structuurvisie Buitengebied Per 9 juli 2015 en 29 juni 2023 zijn aanvullingen op de structuurvisie zoals beschreven in paragraaf 2.3.1 vastgesteld door de gemeenteraad. Aanvulling d.d. 9 juli 2025: Deze aanvulling heeft betrekking op de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied en meer specifiek op het toepassingsbereik en omvang van investeren in kwaliteit. Om een gedegen afweging te kunnen maken zijn 3 categorieën onderscheiden van ontwikkelingen te weten: 1. Categorie 1: geen impact, geen tegenprestatie verplicht (waaronder Ruimte-voor-Ruimte woningen/woningsplitsing) 2. Categorie 2: beperkte impact, landschappelijke inpassing, passen bij een goede ruimtelijke ordening 3. Categorie 3: grote impact, landschappelijke inpassing ‘plus’, passend bij een goede ruimtelijke ordening en in verhouding staand tot de waardeontwikkeling.
30
In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 6 ‘nieuwe’ woningen waarvoor een tegenprestatie aan de orde is aangezien deze ontwikkeling is opgenomen in categorie 3. De belangrijkste kwaliteitsimpuls bestaat hier uit het saneren van een geitenhouderij. Deze sanering levert een grote winst op voor het gehele omliggende gebied op het gebied van natuur, landschap, planologische mogelijkheden/ontwikkeling elders, wellicht gezondheid. Voor de realisatie van het totale project is ook de tegenprestatie in de vorm van restauratie Rijksmonumentale bebouwing aan de Venstraat 2 een belangrijke kwaliteitsimpuls. Voor het gehele gebied is een gebiedsvisie inclusief landschappelijke inpassing opgesteld op basis waarvan de ‘plus’ waaraan in categorie 3 gerefereerd wordt in ruimte mate wordt voldaan. Dit in combinatie met de nieuw te realiseren natuur aan de Wolfsdreef. Er kan dan ook gesteld worden dat voldaan wordt aan de gewenste tegenprestatie. Aanvulling 29 juni 2023: Deze aanvulling heeft betrekking op het aanwijzen van mogelijk geschikte locaties voor de bouw van ruimte-voor-ruimte woningen. Hiertoe zijn 17 bebouwingsconcentraties aangewezen, zie ook paragraaf 2.3.1 voor een beschrijving van de relevante bebouwingsconcentratie Wolfsdreef.
Het initiatief voldoet aan de voorwaarden om ruimte-voor-ruimte woningen mogelijke te maken binnen het deelgebied Wolfsdreef aangaande de locatie van de woningen ter hoogte van sloop stallen en/of via de koop van bouwtitels bij de ontwikkelingsmaatschappij ruimte-voor-ruimte (zie bijlage 2a). 2.3.3 Ontwerp omgevingsvisie De ontwerp omgevingsvisie wordt vermoedelijk in het najaar van 2024 vastgesteld waardoor ook dit gemeentelijk beleid relevant is voor onderhavige planvorming. De ambities zoals opgenomen in de ontwerp omgevingsvisie zijn verdeeld over een drietal hoofdthema’s ‘Aangenaam leven’, ‘Verbindend netwerk’, ‘Krachtige economie’ en ‘Inclusieve duurzaamheid’. Onderhavig initiatief heeft vooral betrekking op het hoofdthema ‘Aangenaam leven’. De voor de gebiedsontwikkeling relevante ambities zijn: - In 2040 past het woningaanbod bij de behoefte - In 2040 is de leefomgeving gezond en veilig - In 2040 is de structuur voor groen / water robuust, zijn de cultuurhistorische waarden geborgd en versterkt en is de biodiversiteit toegenomen De gebiedsontwikkeling zoals in onderhavig bestemmingsplan beschreven heeft betrekking op de bouw van woningen in combinatie met het saneren van een geitenhouderij.
Het saneren van de geitenhouderij zorgt ervoor dat gezondheidsrisico’s als gevolg van fijnstofuitstoot en ziekten verkleind worden wat een positief effect heeft op een gezonde leefomgeving, tevens wordt voldaan aan gedeelte van de opgave voor woningbouw waar behoefte aan is. Door het reduceren van ammoniakuitstoot én realisatie van natuur wordt ook een positieve bijdrage aan natuurwaarden geleverd. Dankzij de gebiedsontwikkeling wordt het tenslotte mogelijk de Rijksmonumentale bebouwing aan de Venstraat te restaureren en daarmee te behouden voor de toekomst. Ten aanzien van ‘Krachtige economie’ en ‘Inclusieve duurzaamheid’ levert de gebiedsontwikkeling een bijdrage aan de ambitie om doelen op het gebied van klimaat, water en natuur te realiseren. Natuurontwikkeling binnen het Natuurnetwerk Brabant en daarmee het reduceren van uitspoeling nutriënten zorgt tevens voor een verbetering van de waterkwaliteit. Er wordt gewerkt aan een goede kwaliteit van bodem en water, met mogelijkheden om meer water te bufferen wat een positieve invloed heeft op het tegengaan van wateroverlast. Door het vasthouden van water zal ook droogte tegengegaan worden. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig initiatief een bijdrage levert aan de gestelde ambities in de ontwerp omgevingsvisie.
31
2.3.4 Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023 - 2027 Het programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023 – 2027 beschrijft de toekomstvisie voor de dorpen in de gemeente Sint Michielsgestel. Het programma wordt aangevuld met een toetsingskader woningbouwprogrammering en een uitvoeringsagenda met als doel concrete resultaten te boeken. Sint Michielsgestel wil een inclusieve gemeente zijn waar jong en oud een huis kan vinden in de gemeente. De gemeente wil inspelen op de lokale woningbehoefte: extra bijbouwen en het slimmer gebruiken van de bestaande voorraad door bijvoorbeeld woningsplitsing, om de druk van buiten de gemeente ook op te vangen. Transformatie van vastgoed of door splitsen van bestaande voorraad, draagt bij aan het realiseren van de doelen zoals opgenomen in het programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023 – 2027. Daarom werkt de gemeente in principe mee aan woningsplitsing en stelt daarvoor beleidsregels op. Het programma geldt ook voor woningbouwplannen in het buitengebied. Initiatieven dienen altijd passend te zijn bij de ruimtelijke kaders Landelijk gebied.
Er zijn opties om woningen toe te voegen in het buitengebied of binnen bestaande voorraad waarbij mogelijkheden geboden worden om: - Woningen toe te voegen op basis van maatwerk met als doel omgevingskwaliteit - Woning toe te voegen ten behoeve van de transformatie van Vrijkomende Agrarische bebouwing - Landgoedontwikkeling op grond van de Landgoederenregeling - Realiseren van vrijstaande Ruimte-voor-Ruimte woningen zonder directe fysieke kwaliteitsverbetering in het landschap (artikel 3.79 Iov) Onderhavige gebiedsontwikkeling is blijkens onderhavige onderbouwing in overeenstemming met de gestelde mogelijkheden. Een deel van de woningen worden toegevoegd op basis van maatwerk met als doel omgevingskwaliteit en een ander deel ten behoeve van de sanering van vrijkomende agrarische bebouwing. De vrijstaande Ruimte voor Ruimte woningen worden toegevoegd om de gehele gebiedsontwikkeling, inclusief herstel Rijksmonumenten, te kunnen financieren.
32
3 MILIEU- EN RUIMTELIJKE WAARDENTOETS 3.1 Bodem Op 3 juli 1986 is de Wet bodembescherming in werking getreden welke het wettelijk kader bevat voor bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering) als gevolg van de grote hoeveelheid verontreinigde locaties. De nieuwe regels moeten ervoor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. Volgens de Woningwet, artikel 8 lid 3, is Een verkennend bodemonderzoek is noodzakelijk indien sprake is van de oprichting van een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend meer dan 2 uur per (werk)dag mensen verblijven. In onderhavige situatie is sprake van de oprichting van nieuwe functies (woningen). Hieronder zijn de bevindingen uit het verkennend bodemonderzoek opgenomen. Samenvatting, conclusies en advies deel 1 (bijlage 3a): Econsultancy heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Venstraat 1 te Sint-Michielsgestel. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig grof zand.
De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus. Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecies” blijkt, dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” gebied wordt gekenmerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten van dit PFAS voorkomen. PFAS komt diffuus in Nederland voor. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Uit het vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht:
Figuur 23: Deellocaties A (west) en B (oost) behorend bij bodemonderzoek deel 1
33
Deellocatie A: Westelijk terreindeel Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, heterogeen verontreinigd" (VED-HE). Bij het veldwerk zijn géén bijmengingen aangetroffen. Zodoende is voor deze deellocatie de strategie bijgesteld naar “onverdacht” (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Zintuiglijk zijn in de bovengrond geen verontreinigingen aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met minerale olie en PAK. De ondergrond is licht verontreinigd met PAK en in het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetoond. De bijgestelde hypothese, dat de deellocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Deellocatie B: Oostelijk terreindeel Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, heterogeen verontreinigd" (VED-HE).
De bovengrond is over vrijwel de gehele deellocaties zwak tot matig puinhoudend en lokaal zwak baksteen-, kolengruis en/of matig dakpanhoudend. Bij twee boringen, B03 (traject 0,07-0,20 m -mv) en B15 (0,00-0,50 m -mv) is asbest verdacht materiaal aangetroffen. De bovengrond is lokaal licht verontreinigd met kwik. In de ondergrond is tot maximaal 1,0 m -mv, zeer lokaal de grond zwak tot matig puinhoudend. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. De vooraf gestelde hypothese, dat de deellocatie als "heterogeen/ plaatselijk verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm ter plaatse van 2 boringen (B03, traject 0,07-0,20 m - mv en B15, traject 0,00-0,50 m -mv) asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm ter plaatse van deze twee boringen eveneens asbest aangetoond. Echter, de concentratie asbest blijft ruim onder de helft van de interventie waarde.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Tussenconclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek kan gesteld worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het vaststellen van onderhavig bestemmingsplan. Vanwege de gebiedsontwikkeling aan de Venstraat 1 en een nader onderzoek naar asbest heeft een tweede onderzoek plaatsgevonden. De deellocaties van dit onderzoek zijn hieronder weergegeven waarna de conclusies volgen.
34
Figuur 24: Deellocaties behorend bij bodemonderzoek deel 2
Samenvatting, conclusies en advies deel 2 (bijlage 3b): Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging op de onderzoekslocatie. In dit rapport zijn ook de opmerkingen van de gemeente Sint Michielsgestel verwerkt naar aanleiding van het voorgaand verkennend bodemonderzoek inclusief verkennend onderzoek asbest in bodem (Econsultancy, projectnummer: 16921.001, d.d. 7 oktober 2021, bijlage 3a bij deze toelichting). De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is plaatselijk bovendien zwak humeus. Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht: Deellocatie A: druppelzone veldschuur Venstraat 1 De onderzoekslocatie (< 50 m²) is onverhard en bevindt zich ten westen, aan de achterzijde van de veldschuur. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "Verdacht, plaatselijke bodembelasting” (VEP). Vanwege het ontbreken van een goot en verharding onder de dakrand aan de achterzijde van de schuur kunnen door verwering asbestvezels in de toplaag van de bodem terecht gekomen zijn. Daarnaast zijn asbestcementgolfplaten verdacht op het gebruik van PCB bij productie en zijn druppelzones derhalve ook verdacht op het voorkomen van PCB.
Hierdoor is de toplaag (0,0 - 0,1 m) verdacht is op het voorkomen van asbest en PCB. Er zijn op het maaiveld ter plaatse van de druppelzone van deellocatie A geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Zintuiglijk zijn in het opgegraven materiaal van de bovengrond geen verontreinigingen aangetroffen. In de bovengrond is analytisch geen verontreiniging met PCB aangetoond. Het materiaal is, omdat het verdacht is op het voorkomen van asbestvezels, niet gezeefd. Analytisch is in de fractie < 20 mm geen asbest aangetoond. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als plaatselijk verdacht dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen. Er zijn op de deellocatie A geen milieuhygiënische belemmeringen voor de geplande ontwikkeling aangetroffen.
35
Deellocatie B: druppelzone carport Venstraat 1A De onderzoekslocatie (< 50 m²) is onverhard en bevindt zich ter plaatse van Venstraat 1A, aan de noordwest zijde van de carport waarvan in 2015 het asbesthoudende dak verwijderd is. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "Verdacht, plaatselijke bodembelasting" (VEP). Vanwege het ontbreken van een goot en verharding onder de voormalige dakrand aan noordwest zijde van de carport kunnen door verwering asbestvezels in de toplaag van de bodem terecht gekomen zijn. Daarnaast zijn asbestcementgolfplaten verdacht op het gebruik van PCB bij productie en zijn druppelzones derhalve ook verdacht op het voorkomen van PCB. Hierdoor is de toplaag (0,0 - 0,1 m) verdacht is op het voorkomen van asbest en PCB. Er zijn op het maaiveld ter plaatse van de druppelzone van deellocatie B geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Zintuiglijk zijn in het opgegraven materiaal van de bovengrond geen verontreinigingen aangetroffen. In de bovengrond is analytisch geen verontreiniging met PCB aangetoond. Het materiaal is, omdat het verdacht is op het voorkomen van asbestvezels, niet gezeefd. Analytisch is in de fractie < 20 mm geen asbest aangetoond.
De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als plaatselijk verdacht dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen. Er zijn op de deellocatie B geen milieuhygiënische belemmeringen voor de geplande ontwikkeling aangetroffen. Deellocatie C: Venstraat 2 De onderzoekslocatie ter plaatse van Venstraat 2 (± 4.970 m²) is vanwege de intensieve bewoning over een lange periode verdacht op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Verwacht werd, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Tijdens de inspectie is er op het maaiveld, afgezien van de vaste plantenbak in de tuin ten noorden van de oude boerderij, geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het materiaal van de vaste plantenbak is niet geanalyseerd omdat het intact en ingegraven was. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. De bovengrond is plaatselijk zwak tot matig betonhoudend, zwak tot sterk baksteenhoudend en zwak aardewerkhoudend. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met lood, zink en PAK.
De ondergrond is plaatselijk matig baksteenhoudend en matig betonhoudend. In de ondergrond zijn analytisch geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met zink. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de lichte verontreiniging voor deze deellocatie bevestigd. Gelet op de aard en mate van de lichte verontreinigingen in de bovengrond bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
36
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de deellocatie C behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Econsultancy adviseert wel het asbestverdachte materiaal van de plantenbak ter plaatse door een erkende asbestverwijderaar af te laten voeren. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Conclusie Op basis van beide bodemrapporten kan gesteld worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het vaststellen van onderhavig bestemmingsplan.
3.2 Luchtkwaliteit 3.2.1 Fijn stof Op 9 oktober 2007 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel voor de wijziging van de “Wet milieubeheer” goedgekeurd waarin het onderdeel luchtkwaliteit voor deze ontwikkeling relevant is. De wet is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet voorziet in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). De programmatische aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen (op gebied van luchtkwaliteit). Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze mogen zonder verdere toetsing aan de grenzen voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een ontwikkeling draagt ‘in niet betekenende mate bij’ aan de concentratie van een stof indien aannemelijk is gemaakt dat de toename van de concentraties in de buitenlucht niet meer is dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg /m3 voor zowel PM10 als NO2. Door onderhavige ontwikkeling veranderen het aantal aan- en afvoerbewegingen als gevolg van verkeer waarbij minder vrachtbewegingen zullen plaatsvinden en meer personenvervoer.
De effecten van de bestaande situatie op de luchtkwaliteit zijn berekend met de rekentool niet in betekenende mate (versie 6 april 2021) zoals deze is opgesteld door het ministerie van I en M in samenwerking met info Mil. In de berekening is een uitgegaan van een toename van het aantal voertuigbewegingen van 50 (waarvan 5% vrachtverkeer). Dit is een overschatting van de totale toename, desondanks blijkt dat het aspect luchtkwaliteit daadwerkelijk geen belemmering zal zijn. Hierbij is het effect van het saneren van de geitenhouderij, en de daarbij behorende uitstoot, nog niet eens meegenomen. De maximale bijdrage als gevolg van de extra verkeersbewegingen bedraagt 0,05 µg/m3 NO2 en 0,01 µg/m3 PM10 (fijnstof). Zoals uit onderstaande figuur blijkt is dat verwaarloosbaar ten opzichte van de grens van 1,2 µg/m3.
37
Figuur 25: NIBM-rekentool d.d. 6 april 2021 Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief. 3.2.2 Geur Zoals beschreven in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), 5 oktober 2006, worden nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst aan de normen voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Tevens moet bekeken worden of de ontwikkeling geen belemmering vormt voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden van omliggende veehouderij. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen IV-bedrijven (meer) gelegen. Op basis van het Bestand Veehouderij Bedrijven wordt enkel een melkveehouderijbedrijf aan de Hemelrijkstraat 16 gevonden welke niet binnen de invloedsfeer ligt van onderhavige ontwikkeling. Bovendien zijn de agrarische activiteiten recent beëindigd en zal op deze locatie woningbouw plaatsvinden. De afgelopen jaren zijn de agrarische veebedrijven aan de Wolfsdreef 1, Venstraat 6 reeds herbestemd tot wonen en/of wijnboerderij. Aan de Venstraat 4b ligt een kleinschalige veehouderij met zoogkoeien, stieren en paarden. Omdat ten opzichte van zeer ver weg gelegen IV-bedrijven in de omgeving andere geurgevoelige dichterbij gelegen bestemmingen zijn gelegen zal onderhavige ontwikkeling geen belemmering vormen voor de ontwikkelmogelijkheden van deze bedrijven.
Ad 1 Ten behoeve van het realiseren van woningen moet een goed en leefklimaat gegarandeerd worden. Op de locatie is momenteel een geitenbedrijf gelegen, wat duidelijk zichtbaar is op figuur 19. Vanwege de aanwezigheid is in de directe omgeving sprake van een matig/tamelijk slecht woon- en leefklimaat. Door het saneren van het geitenbedrijf wordt een beter en in ieder geval een goed, zelfs zeer goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. Op de locatie kan met zekerheid gesteld worden dat voldaan wordt aan de waarden behorend bij de Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel en Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente Sint-Michielsgestel.
38
Figuur 26: Achtergrondbelasting geur, Omgevingsdienst Zuidoost – Brabant
In het gemeentelijk beleid is vastgelegd wanneer sprake is van een goed woon en leefklimaat voor de verschillende type gebieden binnen de gemeente Sint Michielsgestel. Uit onderstaande kaart blijkt dat de locatie is gelegen in het buitengebied voor het aspect geur. In de tabel is hiervoor de achter- en voorgrondbelasting geur weergegeven voor respectievelijk een goed en slecht woon- en leefklimaat.
39
Figuur 27: Geurnormenkaart gemeente Sint-Michielsgestel (2017), behorend bij verordening geurhinder en veehouderij 2017 en beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017
Figuur 28: Woon- en leefklimaat behorend bij 'Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 van de gemeente SintMichielsgestel
40
Op basis van de voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 10 ouE/m3 plaatsvinden ten gevolge van de relevante veehouderij. De maximale geurbelasting bedraagt 1,7 ouE/m3 voor het plangebied. Het percentage geurgehinderden binnen een concentratiegebied II blijft hiermee beperkt tot 5,5%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de afzonderlijke veehouderijen goed zal zijn. De achtergrondbelasting varieert ter plaatse van het plan van 0,6 tot 1,7 ou E/m3. Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 3,2%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen zeer goed zal zijn. Ad 2. In de directe omgeving van de projectlocatie zijn 3 (voormalige) veehouderijen gelegen. Het gaat om een vleesveehouderij (zoogkoeien) aan de Venstraat 4b (afstand circa 20 meter), een melkveehouderij aan de Hemelrijkstraat 16 (afstand circa 190 meter) en een intensieve veehouderij aan de Hemelrijkstraat 45 (afstand circa 58 meter).
Voor de Hemelrijkstraat 45 is het van belang te melden dat er geen sprake meer is van een milieuvergunning (omgevingsvergunning activiteit milieu) en de veehouderij activiteiten zijn beëindigd, hiermee stoot het bedrijf dus feitelijk geen emissies meer uit zoals geur, fijn stof of ammoniak. Hemelrijkstraat 16 is inmiddels niet meer in functie, onlangs is een bestemmingsplan vastgesteld waarbij de agrarische bestemming is gewijzigd naar een woonbestemming. Op basis van de voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 10 ouE/m3 plaatsvinden ten gevolge van de relevante veehouderij. De maximale geurbelasting bedraagt 1,7 ouE/m3 voor het plangebied. Het percentage geurgehinderden binnen een concentratiegebied II blijft hiermee beperkt tot 5,5%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de afzonderlijke veehouderijen goed zal zijn. De achtergrondbelasting varieert ter plaatse van het plan van 0,6 tot 1,7 ou E/m3. Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 3,2%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen zeer goed zal zijn. Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden.
Ter plaatse van de nieuwe geurgevoelige bestemmingen wordt voldaan aan de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderijen en de gemeentelijke verordening. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt en ter plaatse van het plangebied wordt een acceptabel woon- en leefklimaat gerealiseerd. Het geuronderzoek is als bijlage 4 toegevoegd. Gezien voorgaande vormt het aspect geur geen belemmering voor het realiseren van onderhavig initiatief.
3.3 Geluid De Wet geluidhinder dateert van 16 februari 1979. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De normstelling op woningen is geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wetten richtten zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis. Bij onderhavige ontwikkeling worden aantal nieuwe woningen gerealiseerd relatief dicht gelegen aan de weg Venstraat en Wolfsdreef. Bij deze ontwikkelingen moet gemotiveerd worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is door Econsultancy een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai gemaakt die als bijlage 5a is toegevoegd. Samenvatting: De initiatiefnemer is voornemens om zes nieuwe woningen te realiseren. Venstraat 2 is reeds een bestaande woning en hoeft derhalve niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Het bijgebouw ten noorden van Venstraat 2 wordt verbouwd tot één woning. Derhalve is hiervoor wel een toets aan de Wet geluidhinder
41
noodzakelijk. Ten noorden van de Wolfsdreef wordt de bestaande stalling gesloopt en wordt één nieuwe schuurwoning gebouwd. Aan de oostkant van de Venstraat worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. Venstraat 1 is een bedrijfswoning en is reeds geluidgevoelig. Het noordelijk deel van het pand wordt afgesplitst. Alleen het af te splitsen deel wordt getoetst aan de Wet geluidhinder. Het achterhuis wordt uitgebreid met een éénlaagse aanbouw, het gehele pand wordt één nieuwe woning. Econsultancy heeft voor de bestemmingsplanwijziging een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Hemelrijkstraat, Pettelaarseweg, Venstraat en de Wolfsdreef. In de nabijheid van het plan zijn geen relevante 30 km/uur wegen gelegen. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woningen. Voor elke zijde van de woning zijn toetspunten ten behoeve van maximaal twee bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2022.31.
De geluidsbelasting op de woningen bedraagt ten hoogste 51 dB. Als gevolg van de Venstraat treedt een overschrijding op van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor het te verbouwen bijgebouw aan de Venstraat 2 en de af te splitsen woning aan de Venstraat 1. De maximaal te ontheffen waarde van 53 dB wordt niet overschreden. Voor de Venstraat is een afweging van geluidreducerende maatregelen noodzakelijk. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de Venstraat dient voor het te verbouwen bijgebouw en het af te splitsen deel van de woning aan de Venstraat 1 een hogere waarde te worden vastgesteld. Het plan betreft een transformatie of verbouwing van bestaande panden. Voor een transformatie of verbouwing geldt conform het Bouwbesluit 2012 het van rechtens verkregen niveau. Een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is voor het plan niet aan de orde. Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat het aspect geluid (wegverkeerslawaai) geen belemmering vormt. Voor het vaststellen van onderhavig bestemmingsplan is een besluit hogere grenswaarde genomen (bijlage 5b). Het besluit hogere grenswaarden volgt dezelfde procedure als het bestemmingsplan.
3.4 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. In relevante gevallen kan hierbij de handreiking Bedrijven en milieuzonering van toepassing zijn. Deze wordt gebruikt voor: • Locatiekeuze studies voor bedrijven(terreinen) en woningen nabij bedrijven(terreinen) • Ruimtelijke inpassing van woningen nabij bedrijven(terreinen) • Toetsing van concrete activiteiten in het kader van vrijstellingen van het bestemmingsplan Onderhavig initiatief heeft betrekking op de realisatie van een aantal ‘gevoelige’ functies in de vorm van wonen. In de omgeving van de projectlocatie zijn een aantal bedrijven gelegen: -
Op een afstand van circa 175 meter is een groente- en fruithandel (categorie 2) gelegen aan de Wolfsdreef 5. Op een afstand van ruim 500 meter is een grondverzet- en loonbedrijf (categorie 2) gelegen aan de Hemelrijkstraat 29. Op een afstand van ruim 1600 meter is een detailhandel (bouwmarkt, categorie 3.2) gelegen aan de Hoogstraat
42
Voor een toetsing of bedrijven binnen een bepaalde afstand een negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat wordt onderstaande tabel gehanteerd waarbij de projectlocatie is gelegen in een gebied wat behoort tot een omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’.
De genoemde bedrijvigheid ligt op een grotere afstand dan de in de tabel opgenomen richtafstanden. Op een afstand van circa 20meter van het meest nabijgelegen nieuwe geurgevoelige object is een veehouderij gelegen aan de Venstraat 4B en een voormalige intensieve veehouderij op een afstand van 58 meter aan de Hemelrijkstraat 45. In paragraaf 3.2.2 is de relatie met deze bedrijven reeds beschreven en gemotiveerd dat voor de realisatie van dit plan geen beperkingen gelden. Milieuzonering gewasbeschermingsmiddelen De locatie Wolfsdreef is gelegen tegen een perceel waar druiven geteeld worden. In de reguliere teelt worden daarbij gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Bij het bepalen van de afstand tussen agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden en gevoelige functies wordt meestal uitgegaan van een richtafstand van 50 meter, een wettelijke afstand voor wonen en verblijven ontbreekt. De richtafstand wordt gehanteerd omdat deze middelen, specifiek die met een hoge toxiciteit, voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen risico’s voor de gezondheid kunnen veroorzaken. De genoemde richtafstand hangt daarbij af van de soort teelt, gebruikte gewasbeschermingsmiddelen, driftbeperkende maatregelen, omgeving, windrichting etcetera. Het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen is gereguleerd in het Activiteitenbesluit artikelen 3.78 tot en met 3.83.
Door nieuwe wetgeving worden steeds meer drift reducerende methoden toegepast waardoor de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen die buiten het agrarische perceel terecht kan komen fors wordt verlaagd. Doordat wetgeving op dit punt is gewijzigd en spuiten enkel is toegestaan met een driftreductie van 75% mag de richtafstand worden verkleind tot 30 meter. Uit onderzoek is gebleken dat houtwallen een sterk beschermende werking hebben welke de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen tegengaan waarbij op een afstand van 5 meter van de perceelgrens geen overschrijdingen meer gemeten worden. Op de afscheiding tussen de nieuw te realiseren woning aan de Wolfsdreef en de druivenplantage is reeds een houtwal aanwezig. Op basis van deze 5 meter worden dan ook geen risico’s verwacht ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen en zijn er geen gezondheidsrisico’s. In onderhavige situatie is sprake van wijnteelt aangrenzend aan het perceel. Echter, hierbij is sprake van biologische wijnteelt waarbij geen chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn toegestaan. De gronden worden door initiatiefnemer verpacht (via erfpacht) aan de teler. In deze pachtovereenkomst is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gereguleerd waardoor het onderdeel gewasbeschermingsmiddelen voor deze specifieke casus überhaupt geen discussiepunt is.
Met deze ondernemer is overeengekomen dat: - tussen de bouwlocatie aan de Wolfsdreef en omliggende wijngaard een heg gerealiseerd wordt met een hoogte van 3,5 meter;
43
- een bebouwingsvrije zone opgenomen waar geen bijgebouwen of woning gerealiseerd kan worden - toekomstige bewoners van de woning aan de Wolfsdreef instemmen met de bekende agrarische bedrijfsactiviteiten op naastgelegen perceel Op basis van de toezeggingen die zijn gedaan aan de naastgelegen ondernemer en de doorgevoerde wijzigingen in dit plan vormt het aspect milieuzonering gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering voor het project.
3.5 Externe veiligheid In het Besluit Externe Veiligheid (Bevi, 27 oktober 2014) zijn de risiconormen voor bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Het besluit heeft tot doel om zowel individuele burgers, als groepen een minimum beschermingsniveau te bieden tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Gemeenten en provincies moeten de normen uit het besluit naleven bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen en bij het verlenen van milieuvergunningen. Het besluit is van toepassing op Wm-vergunningplichtige risicovolle inrichtingen en/of de nabijgelegen beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. De verdeling tussen beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten is gemaakt om bepaalde groepen mensen in het bijzonder te beschermen. Hierbij spelen het aantal, de verblijftijd, de fysieke of psychische gesteldheid van mensen en de aanwezigheid van adequate vluchtmogelijkheden een rol. Een voorziening zoals een zorginstelling of verpleeghuis wordt aangemerkt als een kwetsbaar object. Op basis van de risicokaart Nederland zijn geen risico’s (externe veiligheid, buisleidingen, inrichtingen met risicocontouren etc) gelokaliseerd welke onderhavig initiatief negatief beïnvloeden. De dichtstbij gelegen risicobronnen liggen op ruim 1500 meter (zie figuur 18). Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief.
44
Figuur 29: Risicokaart Nederland
Op basis van de risicokaart Nederland zijn geen risico’s (externe veiligheid, buisleidingen, inrichtingen met risicocontouren etc) gelokaliseerd welke onderhavig initiatief negatief beïnvloeden. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief.
3.6 Waterparagraaf Water is een belangrijk aspect bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Belangrijk hierbij is hoe omgegaan wordt met het vasthouden van hemelwater, hergebruik, zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van grondwateronttrekking. Er is geen sprake van een verruiming van bebouwing en/of verharding, er is namelijk sprake van verminderen van bebouwing en verharding. Bovendien is op eigen terrein meer dan voldoende ruimte aanwezig om hemelwater afkomstig van verhardingen en bebouwing op eigen terrein te laten infiltreren (zie gebiedsvisie voor locaties t.b.v. infiltratie). Water gerelateerd beleid Waterschap de Dommel: De locatie valt onder het beheer van Waterschap de Dommel. Het Waterschap heeft het waterbeheerprogramma 2022-2027 “Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’ vastgesteld. Het programma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). In 2050 wil Waterschap De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Een watersysteem wat robuust, flexibel en in balans met de natuur en de omgeving is én zorgt voor een goede waterkwaliteit. Hierbij rekening houdend met een veranderend klimaat en andere
45
grote beleidsopgaven op het terrein van natuurherstel, energie- en landbouwtransitie en woningbouwopgaven. Uit de legger van Waterschap De Dommel blijkt dat aan de oostzijde van het plangebied een A-waterloop is gelegen en enkele andere waterlopen. De watergangen hebben een beschermingszone (max 5 meter) waarbinnen geen werkzaamheden zullen plaatsvinden. Bij de voorgenomen ontwikkelingen zal ook geen sprake zijn van negatieve consequenties voor deze watergangen. Als gevolg van de gebiedsontwikkeling zal sprake zijn van een afname van het verhard oppervlak, waardoor afvoer van hemelwater naar de watergangen niet toeneemt, eerder afneemt, door infiltratie in de bodem. Bij de nieuwe te realiseren woningen worden hemelwaterberging- en/of infiltratievoorzieningen gerealiseerd.
Figuur 30: Legger Waterschap De Dommel
Provincie Noord-Brabant: De locatie is gelegen in een gebied met ‘Reservering waterberging’ Zie figuur 13, uitsnede uit kaart ‘grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging’ behorend bij de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze gebieden zullen bij zeer extreme neerslagsituaties in combinatie met hoge waterstanden in de Maas overstromen. Uit het oppervlaktewatermodel van Waterschap de Dommel blijkt dat het plangebied kan overstromen waarbij een waterstand van 5.84 +NAP bereikt wordt ter hoogte van de nieuwbouwplannen. Mocht er voor gekozen worden om de woningen op hoogte te bouwen dan zal de ophoging ten koste gaan van waterberging, en derhalve gecompenseerd moeten worden. Ter compensatie zal de m 3 ophoging tussen het huidige maaiveld en de verwachte waterstand á 5.84 +NAP gecompenseerd moeten worden. Deze compensatie bestaat uit een terreinverlaging binnen de percelen waar de ophoging plaatsvind waarbij de maximale compensatiediepte gelijk is aan de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Venstraat: Volgens de AHN ligt het huidige maaiveld ter hoogte van de twee nieuwe woningen aan de Venstraat op circa 4.84m +NAP, ter hoogte van de bestaande bebouwing is het maaiveld hoger, waardoor maximaal 100 cm gecompenseerd moet worden, indien op een hoogte van 5.84m +NAP gebouwd wordt.
Bij het realiseren van een woning met bijgebouwen op een ‘terp’ met een verhoging á 100 cm zal maximaal 1.000 m2 verhoogd worden met gemiddeld 50 cm (talud), wat zeer ruim is aangehouden. Dat staat gelijk aan 500 m3. Deze hoeveelheid is aan de Venstraat 1 eenvoudig te compenseren in de zuidoostelijke gedeelte
46
van beide kavels ondanks dat de hoogste grondwaterstand in centimeters beneden maaiveld relatief hoog is. Wolfsdreef: De gronden aan de Wolfsdreef zijn hoger gelegen en in omvang 1.315 m2, hiervan mag maximaal 300 m2 bebouwd worden als woning met bijbehorende bijgebouwen. Volgens de AHN ligt het huidig maaiveld ter hoogte van de woning aan de Wolfsdreef op circa 5.65m +NAP, de bestaande bebouwing is reeds op een verhoging gelegen waardoor relatief weinig ophoging nodig is om de nieuwe bebouwing boven het hoogwaterpeil te bouwen. Wanneer de woning en eventuele bijgebouwen gerealiseerd wordt zal rekening gehouden moeten worden met een verhoging van 19 cm: 5.84m +NAP (hoogwaterpeil) - 5.65m +NAP (huidig maaiveld t.p.v. bebouwing). De totale compensatie hiervoor bedraagt 300 m2 x 0,19 m = 57 m3. Deze compensatie van 57 m3 bij ophoging van de gronden zoals hiervoor omschreven, zal worden gerealiseerd in aansluiting op de geplande verlaagde kom ten westen van de Venstraat 2 voor compensatie van verhard oppervlak (regenwaterberging) in dit deel van het plangebied. Bij de verdere detaillering van de terreininrichting moet hierbij nog wel rekening gehouden worden met afwerking van de ophoging met taluds, wat de compensatieopgave nog iets kan verhogen.
De toets hiervan vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouw, op basis van de dubbelbestemming waterstaat – Reservering waterberging.
Figuur 31: GHG uit Kaartbank Noord-Brabant
Indien niet volledig op hoogte gebouwd zal worden zal minder gecompenseerd hoeven te worden, eventuele risico’s op hoog water zijn daarbij voor de toekomstige eigenaren van de woningen. Gemeente Sint-Michielsgestel Gemeente Sint – Michielsgestel heeft het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 – 2024 vastgesteld. Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel- en grondwater. IN het VGRP wordt ten aanzien van de strategie voor hoe om te gaan met hemelwater aangesloten bij het beleid van waterschap De Dommel. Er wordt expliciet benoemd dat het uitgangspunt bij ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkelen is. In de kern betekent dat dat hemelwater dat op daken en verhardingen valt niet versneld mag worden afgevoerd naar
47
oppervlaktewater. Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater niet mogen wijzigen. In de Omgevingsverordening (zie paragraaf 3.2.2) is het plangebied opgenomen in deelgebied ‘Reservering waterberging’. Volgens artikel 3.36 zijn de regels gericht op het beperken van functies en activiteiten die ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van het gebied. Onderhavige ontwikkeling leidt tot een kleiner areaal bebouwde en verharde gronden en aanvullende infiltratievoorzieningen. Het past daarmee bij de doelstelling om het waterbergend vermogen van het betreffende gebied te behouden, en zelfs te vergroten. Locatie De gronden worden volgens de grondwatertrappenkaart van de provincie Noord-Brabant (kaartenatlas) gekwalificeerd als grondwatertrap VI, waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand 40-80 centimeter beneden maaiveld ligt en de gemiddeld laagste grondwaterstand op meer dan 120 cm beneden maaiveld is. Deze gronden lenen zich prima voor het infiltreren van hemelwater. De gronden worden volgens de bodematlas provincie Noord-Brabant geclassificeerd als ‘Hoge zwarte enkeerdgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). Vanwege de droge gronden en type bodem zijn deze gronden prima geschikt voor het infiltreren van hemelwater.
Figuur 32: Grondwatertrappenkaart, Kaartbank Noord-Brabant
Toets Op onderstaande afbeelding zijn de gronden die bebouwd en/of verhard zijn weergegeven voor de locatie Venstraat 1. De totale oppervlakte hiervan bedraagt ca 6.000 m2. Als gevolg van onderhavige ontwikkeling wordt circa 4.400 m2 bebouwing/verharding verwijderd. Het gaat hierbij om de nu aanwezige bedrijfsgebouwen, voerplaten, mestplaten en overige verharding welke in de nieuwe situatie gesloopt en/of verwijderd worden. De toename aan bebouwing bestaat uit de realisatie van 2 nieuwe woningen (incl. verhardingen) en uitbouw van een woning (achterhuis). De situatie bij Venstraat 2 en Wolfsdreef zal voor wat betreft het oppervlak aan verharding niet wezenlijk veranderen als gevolg van onderhavig plan, enkele bijgebouwtjes worden (deels) gesloopt, bebouwing aan de Wolfsdreef wordt uitgebreid (zie fig.25)
48
Figuur 33: Rood gearceerd --> verharding en bebouwing, totale oppervlakte ca 6.000 m2
Voor de Venstraat 1 geldt dat de totale te realiseren nieuwe bebouwing/verharding inclusief bestaande bebouwing/verharding 1.600 m2 bedraagt, wat betekent dat netto 4.400 m2 bebouwing/verharding zal verdwijnen. Situatie Venstraat:
Figuur 34: bestaande situatie (links) versus nieuwe situatie (rechts), uit gebiedsvisie Venstraat
Aan de Venstraat 2 wordt enkel een bouwvallig tussengebouwtje gesloopt, waar parkeergelegenheid gerealiseerd gaat worden.
49
De nieuwe situatie is op onderstaande figuur 28 weergegeven waarbij de verharding en bebouwing tezamen circa 1.600 m2 bedraagt. Dit is inclusief parkeerplaatsen die met waterdoorlatend materiaal worden aangelegd. Op de percelen zijn een aantal infiltratievoorzieningen gepland om het hemelwater op te vangen en te infiltreren.
Figuur 35: Overzicht infiltratievoorzieningen Venstraat gebiedsontwikkeling
Infiltratievoorzieningen: •
Venstraat 1: Dit is het laaggelegen gebied. Hier is het logisch om op de erfgrens tussen woningen en achtergelegen veld een sloot aan te leggen, los van de bestaande sloten, maar wel met een overstort voor calamiteiten. Het water kan de tuinen in getrokken worden waardoor voldoende berging gerealiseerd wordt incl. ecologisch interessante oever. Op basis van een totaal verhard oppervlak á 1.600 m2 moet de infiltratievoorziening een inhoud hebben van minimaal 96 m3 (1.600 m3 x 60 mm) om het hemelwater te kunnen bergen en infiltreren. De ecologische sloot heeft een totale oppervlakte á 280 m2 en een gemiddelde diepte van minimaal 35 cm, wat ruim voldoende is voor de infiltratie van het hemelwater. Mocht in extreme situaties dit te weinig blijken zal het water overlopen op eigen aanpalende agrarische gronden en niet afgevoerd worden via watergangen van bijvoorbeeld het Waterschap de Dommel.
•
Venstraat 2: Dit is hooggelegen gebied. Hier is het onlogisch om sloten te graven. Wat kan is het graven van een verlaging. Door de vele bestaande bomen is graven lang niet overal mogelijk. Het idee is om een verlaging of zelfs poel op het veld te graven die als retentiegebied fungeert. Op basis van een totaal verhard oppervlak á 1.000 m2 moet de infiltratievoorziening een inhoud hebben van minimaal 60 m3 (1.000 m2 x 60 mm) om het hemelwater te kunnen bergen en infiltreren. In de verlaagde kom op het naastgelegen veldje á 120 m2 kan deze hoeveelheid ruimschoots worden opgevangen. Daarbij komt dat deze kom in geval van extreme situatie ruimer benut kan worden door extra ruimte te creëren. Deze gronden behoren tot het plan dus derden zullen hier geen last van ondervinden.
•
Wolfsdreef: Door de bestaande bosbeplanting is hier geen ruimte om ‘grootschalig’ specifieke infiltratievoorzieningen aan te leggen. Het oppervlak waar geen bomen staan zal als tuin dienen. Daarom hier het voorstel om infiltratiekoffers onder de parkeerverharding te plaatsen.
50
Op basis van een totaal verhard oppervlak á 300 m2 moet de infiltratievoorziening een inhoud hebben van minimaal 18 m3 (300 m2 x 60 mm). De infiltratiekoffer, onder parkeerverharding zal een bergingscapaciteit van 45m2 x 40 cm = 18 m3 bevatten. Ook voor deze situatie geldt dat wanneer in extreme situaties deze capaciteit onvoldoende blijkt het hemelwater op eigen gronden zal infiltreren, hier is voldoende ruimte voor. Overig: In de nieuwe situatie zal géén lozing op oppervlaktewater/watergangen plaatsvinden. Vuil water wordt gescheiden van schoon hemelwater waarbij het schone hemelwater op eigen grond zal infiltreren in de bodem en het vuil water via het bestaande rioolstelsel in het openbare gebied worden afgevoerd. Hiertoe zal worden aangesloten op reeds bestaande infrastructuur. Rondom het gebied zijn watergangen gelegen welke door het Waterschap de Dommel zijn gekarakteriseerd als A- en B-watergangen. Ten noorden van het plangebied is een waterbergingsgebied (reserveringsgebied) opgenomen. Een negatieve invloed op het waterbergend vermogen wordt voorkomen door eventuele ophogingen te compenseren door maaiveldverlagingen (boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand)..
Bij de bouwwerkzaamheden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen (koper, onbehandeld zink) bij bouwwerkzaamheden Conclusie Het aspect water vormt gezien voorgaande toelichting geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
3.7 Cultuurhistorie en archeologie 3.7.1 Cultuurhistorie Het plangebied is een gebied met een rijke historie. Om daar meer inzicht in te verkrijgen heeft een bouwhistorische verkenning plaatsgevonden voor de locatie Venstraat 2. Bouwhistorische verkenning Op grond van kadastrale gegevens en de jaartalankers in de voorgevel van de boerderij, wordt aangenomen dat de oorsprong van het complex gezocht moet worden in de late zestiende eeuw, namelijk in 1596. Het boerderijcomplex is gelegen in een gebied dat op de kadastrale kaart van 1832 De Haanwijksche Akkers wordt genoemd. De naam gaat terug op het nabijgelegen landgoed Haanwijk, dat naar het buurtschap Hanewijck (in een oorkonde uit 1308 reeds vermeld) is vernoemd. Dat landgoed ontstond in 1651 met de aankoop van de hoeve Haanwijk door Jacob Zweets of Suerius. De oudste verbeelding van de bebouwing in de wig van de Venstraat en de Wolfsdreef, dateert uit 1769. In dat jaar maakte J.F. van de Weijer een kaart van de grondheerlijkheid Sint-Michielsgestel, Oud Herlaar, Nieuw Herlaar en Gemonde. Bijzonder aan die kaart is, dat de tekenaar op de plek van Venstraat 2 geen boerderij weergeeft, maar een gebouw met een toren. Er wordt geen kerk verbeeld, maar een buitenhuis of landhuis. Die toestand is niet goed te rijmen met de aanname dat Bouwhistorische verkenning uit 1596 dateert.
Echter, wanneer we de kadastrale kaart van 1832 raadplegen, dan is de kaart uit 1769 opeens wat minder vreemd aandoend.
51
Figuur 36: Uit Bouwhistorische verkenning Venstraat 2 (Baac, 2020)
Door de huidige kadastrale toestand te projecteren op de kadastrale kaart uit 1832, kan worden vastgesteld dat de tegenwoordige contour van de boerderij overlapt met een gebouw dat een samenstel is van twee volumes, één met een rechthoekige (huidige boerderij) grondvorm en één met een vierkante (nu niet meer bestaand). Het is niet ondenkbaar, dat het vierkant in 1832 de verbeelding is van (een restant van) het huis dat op de kaart van 1769 is weergegeven (het torenvormige deel?). Dit beeld past bij de landgoedontwikkeling die met name in de zeventiende eeuw plaatsvond en waarbij door vermogende lieden grote hoeven en landerijen werden aangekocht waarna een buitenhuis werd gebouwd of een boerderij tot buitenhuis werd omgevormd. Wellicht is dit Johan Christoffel Marggraff geweest. Deze vrederechter was woonachtig in Den Bosch en eigenaar van de opstallen die in 1832 op de kadastrale kaart zijn ingetekend.
Figuur 37: Uit Bouwhistorische verkenning Venstraat 2 (Baac, 2020)
Uitermate interessant aan de kaart uit 1832 is ook dat de schop met het bakhuisje, in de redengevende omschrijving door de Rijksdienst aangemerkt als stammend uit 1596, in 1832 nog niet bestaat. Tijdens de
52
bouwhistorische verkenning is in dat gebouwtje ook geen (oorspronkelijke) substantie aangetroffen van vóór 1832. Op de kaart uit 1832 zien we op wigvormig perceel 365 vijf opstallen getekend. Daarvan bestaan er nu nog twee: de boerderij en de stal daarachter. Het kleinste van de vijf gebouwtjes die in 1832 zijn getekend, is vermoedelijk een bakhuisje. De functie van de overige opstallen is niet meer te achterhalen. Mogelijk is één van de opstallen een karschop/koetshuis. Johan Christoffel Marggraff bezat niet alleen het perceel met de gebouwen, maar ook twee aangrenzende tuinen (367, 364) en kavels bouwland (360, 362, 363, 366, 388 en 389). Afgaande van het kaartmateriaal, ontstaat het vermoeden dat er zo rond het midden van de negentiende eeuw een verbouwing moet hebben plaatsgevonden waarbij het veronderstelde buitenhuis (grotendeels) zal zijn gesloopt. Bouwhistorische waarnemingen wijzen ook op een ingrijpende (ver)bouwcampagne. Zo kon bijvoorbeeld worden vastgesteld dat de huidige voorgevel van de boerderij in ieder geval op de zolder is opgetrokken met hergebruikte ijsselsteentjes én kon worden bepaald dat de kapspanten in het woongedeelte uit de negentiende eeuw dateren. De gebinten zijn beduidend ouder, een herkomst in 1596 is zeker niet uit te sluiten. Typologisch is er sprake van een boerderij van het type hallenhuis.
Ervan uit gaande dat de gebinten en de gebintplaten van de boerderij uit de late zestiende eeuw dateren, moet ervan oudsher sprake zijn geweest van een driebeukige opzet waarbij op de gebintplaten sporenparen rustten en oplangers over de zijbeuken gingen tot aan zijwanden die aanmerkelijk lager zullen zijn geweest dan de huidige zijgevels. Of er in de late zestiende eeuw ook al sprake is van een muur tussen het woongedeelte en het bedrijfsgedeelte, is niet erg waarschijnlijk. De huidige brandmuur zal in ieder geval niet tot de eerste fase van de boerderij behoren. De muur staat namelijk in de voorstal op zeer korte afstand van één van de vijf thans nog resterende gebinten. Een combinatie van brandmuur en strijkgebint is constructief-economisch niet denkbaar. Waarschijnlijk is er in de zestiende eeuw ook nog een zesde gebint geweest, op de plek van de huidige voorgevel. Normaliter kan dit wel worden gecontroleerd door inventarisatie van de telmerken op de gebinten. Echter door verschillende afwerkingen konden die merken tijdens het veldwerk niet worden bestudeerd. Tijdens de verkenning zijn geen gegevens aan het licht gekomen die inzicht geven in de ontwikkeling van de boerderij in de loop van de zeventiende en de achttiende eeuw.
Het zou kunnen dat in die periode de basis werd gelegd voor de huidige brandmuur (ook hierin is baksteen hergebruikt) en wellicht werd er ook al het nodige van de wanden van de boerderij versteend. De kelder onder de opkamer maakt vanwege de gewelfvorm een achttiende-eeuwse indruk, wat zou betekenen dat de kelder geen oorspronkelijk element is. Werd de kelder wellicht gemaakt als onderdeel van het buitenhuis dat er vermoedelijk een tijd lang is geweest? Het is niet ondenkbaar dat een niveauverschil tussen middenbeuk en linkerzijbeuk op de begane grond daar ook aan te relateren.
53
Figuur 38: Uit Bouwhistorische verkenning Venstraat 2 (Baac, 2020)
Van de gevels van de boerderij is de voorgevel de gevel die overkomt als het oudst. We moeten daarbij echter bedenken dat de linker zijgevel van het gebouw zo omstreeks 1980 werd opgeklampt en dat er in het stalgedeelte een mogelijk nog achttiende-eeuwse gevel inpandig is geraakt door het dichtbouwen van een overstek. Een reden om aan te nemen dat de huidige voorgevel negentiende-eeuws is, is het feit dat in deze gevel geen enkele sporen te zien zijn van de bouwmassa die op de kadastrale kaart uit 1832 is te zien. Opvallend is het ontbreken van vlechtingen. Provinciaal cultuurhistorisch belang Via de kaartenbank Brabant is de kaart ‘Provinciaal cultuurhistorisch belang’ bekeken waarbij opvalt dat de locatie niet is aangeduid als Complex van cultuurhistorisch belang. Vreemd omdat eerder al geconstateerd is dat sprake is van een Rijksmonument en vreemd gezien voorgaande in zake de bouwhistorische verkenning.
54
Figuur 39: Kaartbank Noord Brabant - Provinciaal cultuurhistorisch belang
De locatie is aangeduid als Archeologisch landschap (dekzandrug Tilburg- Den Bosch) en Cultuurhistorisch landschap (Groene Woud). Cultuurhistorische waardenkaart Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is de locatie opgenomen als cultuurhistorisch waardevol gebied en archeologisch (Rijks)monument.
Figuur 40: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (CHW provincie Noord-Brabant)
Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling is de restauratie van het Rijksmonument passend binnen de waardenkaart. Voor het realiseren van de woning aan de Wolfsdreef zal speciale aandacht zijn ten aanzien van de duiding ‘archeologische monumenten’. Het gebied waarbinnen de woning gepland is wordt omschreven als een terrein met sporen van bewoning uit de IJzertijd tot de Late Middeleeuwen. Voor de relatie met archeologische waarden wordt doorverwezen naar paragraaf 4.7.2 Archeologie. Op de locatie zijn geen monumentale bomen aanwezig.
55
Gezien voorgaande kan geconstateerd worden dat sprake is van een behoudenswaardige cultuurhistorische locatie waarbij het van belang is om dit ook voor de toekomst te bewaren en onderhouden. Om dit mogelijk te maken is het wezenlijk dat er economische dragers gerealiseerd worden. In deze betreft de economische drager het realiseren van woningbouw. Hierdoor kan enerzijds de omgevingskwaliteit verbeterd worden door de sanering van het tegenovergelegen geitenbedrijf en anderzijds de bestaande cultuurhistorisch waardevolle bebouwing (tevens Rijksmonumentale bebouwing). De gebiedsontwikkeling is, na de ontwerpfase van de bestemmingsplanprocedure, voorgelegd aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit, voorheen Monumentencommissie. De reactie van de commissie heeft ertoe geleid dat de bouwvlakken voor de Rijksmonumentale bebouwing om de woning aan de Venstraat 2 en het bijgebouw (om te bouwen naar woning) zijn komen te liggen. In geval van toekomstige bouwplannen zal de commissie om advies gevraagd dienen te worden, wat is vastgelegd in de planregels. De commissie geeft aan akkoord te zijn met de opgestelde gebiedsvisie en gebiedsontwikkeling rondom het Rijksmonumentale boerderijencomplex. Het advies is als bijlage 2c toegevoegd. Onderhavig initiatief levert hiertoe een bijdrage waardoor het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderhavige initiatief.
3.7.2 Archeologie Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg, een wijziging van de Monumentenwet 1988, op 1 september 2007 is het Verdrag van Malta geïmplementeerd in het cultuurhistorische beleid van Nederland. Met deze wetswijziging heeft de zorg voor het archeologisch erfgoed een prominentere plaats gekregen in het ruimtelijke ordeningsproces en ruimtelijke planvorming. Gemeenten zijn verplicht bij vaststelling van een ruimtelijk plan rekening te houden met de bekende als te verwachten archeologische waarden. Het plangebied is volgens de provinciale kaartenbank met indicatieve Archeologische Waarden opgenomen binnen de categorie “Hoog of middelhoog”. In de directe omgeving is een archeologisch monument gelegen, gedeeltelijk ook over het plangebied. Op onderhavige figuur is de locatie Venstraat 2 (woonboerderij en bakhuis) niet aangeduid als Rijksmonument in tegenstelling tot een vermelding in het register bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.