CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Omgevingsplan Laar-Nieuw Laar - bijlagen bij toelichting (plan MER)

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 21 december 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: 13 Raadsvoorstel Bestemmingsplan Laar - Nieuw Laar30.416 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

47

P183326.014/ECO

Figuur 12: Uitsnede kaart voor gemeenten- cultuur, stedelijk- en landelijk gebied; Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De volgende thema’s zijn voor het plangebied met name van belang: a. Gemengd landelijk gebied; b. Ontwikkelingsmogelijkheden en beperkingen veehouderij; c. Niet-agrarische ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied: wonen, Ruimte voor Ruimte en niet-agrarische bedrijvigheid. Ad a) Gemengd landelijk gebied In het gemengd landelijk gebied is verstedelijking afweegbaar en stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Functies die niet passen bij het gewenste ontwikkelingsperspectief moeten in het bestemmingsplan worden uitgesloten. Een stedelijke ontwikkeling is mogelijk mits sprake is van aansluiting bij bestaand stedelijk gebied en rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren.

Ad b) Ontwikkelingsmogelijkheden en beperkingen veehouderij In de IOV zijn afzonderlijke regels opgenomen voor de ontwikkeling van veehouderijbedrijven. Deze regels zijn tevens opgenomen als rechtstreeks werkende regels, zodat deze bij iedere nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning betrokken dienen te worden, ook als het geldende bestemmingsplan nog niet op de provinciale regels is aangepast. Voor veehouderijen is in de verordening het volgende systeem uitgewerkt:

48

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

Hoofdregel: de bebouwing wordt op de muur begrensd, er wordt geen uitbreiding toegelaten van bestaande bouwblokken en er is geen omschakeling of VAB-vestiging van veehouderijen mogelijk. Dit betekent dat iedere ontwikkeling van veehouderijen - ook binnen toegekende bouwblokken wordt stil gelegd. Uitzondering: aan alle veehouderijen buiten het gebied Beperking veehouderij kan ontwikkelingsruimte geboden worden (uitbreiding bebouwing binnen het vigerende bouwblok, uitbreiding bouwblokken tot maximaal 1,5 hectare en omschakeling naar een veehouderij tot ten hoogste 1,5 hectare), mits dit bijdraagt aan de ontwikkeling van een zorgvuldige veehouderij. Hieraan zijn diverse voorwaarden verbonden, zoals een zorgvuldige dialoog en normen voor geur op gebiedsniveau. Grondgebonden veehouderijen die gelegen zijn in de zone “Beperkingen veehouderij” kunnen wel uitbreiden tot een bouwblok van maximaal 1,5 hectare. De beleidsregels voor de veehouderij komen voort uit de vastgestelde denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’ (maart 2013). Er is daarbij besloten dat alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen, als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. GS hebben nadere regels opgesteld over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij.

Deze nadere regels staan inmiddels bekend als de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) (versie 2.0; vastgesteld door GS op 25 september 2017, geconsolideerde versie 9 februari 2018). Een verdere verruiming van het bouwperceel tot een maximale omvang van 2 hectare kan worden toegestaan voor bedrijven die afhankelijk zijn van de opslag van ruwvoer. Harde voorwaarde hierbij is dat het bestemmingsplan er voor zorgt dat deze verruiming alleen benut wordt voor het oprichten van voorzieningen ten behoeve van ruwvoeropslag. Daarnaast kan een verruiming boven 1,5 ha worden toegestaan, indien sprake is van één van navolgende uitzonderingssituaties: 1. Het bedrijf heeft een veebezetting van ten hoogste 2 GVE per hectare en kan blijvend beschikken over voldoende grond. 2. De uitbreiding boven de 1,5 hectare draagt bij aan het oplossen van een zogenaamd knelpunt. Hieraan zijn strenge voorwaarden verbonden, waaronder dat er elders een bedrijf feitelijk en juridisch wordt opgeheven, waardoor ook een overbelaste situatie wordt opgeheven. De vergroting van het bouwperceel mag niet groter zijn dan het bouwperceel dat wordt opgeheven met een maximum van 2,5 hectare. 3. De derde uitzondering betreft een situatie waarin een bedrijf vanwege een innovatief bedrijfsconcept meer ruimte nodig heeft. Hierbij wordt advies voorgeschreven van een deskundigen commissie. 4.

Een vierde uitzondering betreft zogenaamde voorloper bedrijven. Als een bedrijf dusdanige maatregelen treft dat hij een blijvende score behaalt op de BZV van 8,5, kan het daarmee eenmalig ontwikkelingsruimte verdienen van 0,5 hectare. De maximaal toelaatbare omvang van een bouwperceel bedraagt daarmee 2 hectare. Het gaat dan vooral om maatregelen die de ondernemer treft om de inpasbaarheid van het bedrijf in diens omgeving te verbeteren, zoals het terugdringen van emissies en volksgezondheid.

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

49

P183326.014/ECO

In de IOV wordt het gebruik van etagestallen verboden, behalve in geval van legkippen. Daarnaast worden randvoorwaarden gesteld aan de toename van de bestaande bebouwingsoppervlakte van dierenverblijven (ook binnen het agrarisch bouwperceel) of het in gebruik nemen van bebouwing die eerder niet voor de veehouderij in gebruik was. Een dierenverblijf betreft een gebouw van het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daarbij behorende voorzieningen. Bij ontwikkelingen die voorzien in een uitbreiding van (vestiging of omschakeling naar) een veehouderij gelden de volgende randvoorwaarden: 1) Er dient te worden geborgd dat ter plaatse alleen een veehouderij is toegestaan, waar maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij 1. Hiertoe dient een veehouderij ten minste 7,25 punten te behalen overeenkomstig de bij de nadere regels horende BZV versie 2.0, waarbij geldt dat ten minste 0,2 punten behaald moet worden via de pijler Certificaten en minimaal 0,6 punten via de pijler Inrichting & Omgeving. 1 Een zorgvuldige veehouderij is in de Verordening gedefinieerd als ‘een veehouderij, die door het treffen van

maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving’.

2) De ontwikkeling dient vanuit een goede leefomgeving en gelet op de algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit inpasbaar te zijn in de omgeving. 3) De kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in het buitengebied dient niet meer dan 20% te bedragen, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voorgenomen percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage compenseert. De geurgebiedsnorm is opgenomen om ervoor te zorgen dat er op gebiedsniveau, geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Door voor het aspect geurhinder onder voorwaarde van een proportionele bijdrage aan de afname van geurhinder ontwikkelingen toe te staan neemt de overbelasting af. 4) De toelichting op een bestemmingsplan dient een verantwoording te bevatten over dat er een zorgvuldige dialoog is. Deze dialoog is er specifiek op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat die bij de uitwerking kunnen worden betrokken. Het gaat er om dat inzicht bestaat in de wensen van de omgeving in relatie tot de mogelijkheden die de ondernemer heeft.

De gemeente beslist of de dialoog op een (voldoende) zorgvuldige wijze is gevoerd.

50

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

Aanduiding Beperking veehouderij Er zijn in de IOV uitzonderingsbepalingen op de maximale bouwblok omvang van 1,5 ha verwerkt opgenomen: voor knelgevallen en grondgebondenheid. De voormalige functie van extensiveringsgebied is behouden. Hiervoor is de aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’ opgenomen. Alleen grondgebonden veehouderijen kunnen in de zone “Beperkingen veehouderij” uitbreiden (tot een bouwblok van maximaal 1,5 hectare). In voorgaand Figuur 12 is te zien dat een deel van het plangebied aangeduid is als Beperking veehouderij.

Staldering De provincie Noord-Brabant wil een betere spreiding van de veestapel en tegelijkertijd leegstand van stallen voorkomen. Om dit te realiseren is de zogenaamde ‘staldering’ in het leven geroepen. De stalderingsregels werken rechtstreeks door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Door deelname aan de stalderingsregeling kunnen stallen ten behoeve van de hokdierhouderij worden uitgebreid. Aan de andere kant ontvangen stoppende hokdierhouderijen een vergoeding voor het slopen van (oude) stallen. Staldering betekent dat voor de bouw van een nieuw dierenverblijf 120% van de toename aan oppervlakte dierenverblijf elders gesaneerd moet worden door sloop of herbestemming. In geval van herbestemming is dit percentage 200%. Dit geldt voor al het vee dat in gebouwen wordt gehouden, met uitzondering van de melkveehouderij. Er zijn zes deelregio’s in Midden en Oost-Brabant benoemd. De gemeente Sint-Michielsgestel is in één regio ingedeeld met de gemeenten ’s-Hertogenbosch, Boxtel, Vught, Haaren, Bernheze, Schijndel, Sint Oedenrode en Veghel. Zie volgend Figuur 13.

Figuur 13: De zes deelregio’s waar staldering van toepassing is (Bron: provincie Noord-Brabant, 2017)

Regels voor mestverwerking Op een bouwperceel voor een veehouderij is alleen mestbewerking mogelijk van ter plaatse geproduceerde mest. Om hierover geen misverstand te laten bestaan, is dit expliciet in de IOV opgenomen. Op het perceel van veehouderijen is de mestbewerking van elders geproduceerde mest in beginsel niet mogelijk. Hierop zijn twee uitzonderingen:

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

51

P183326.014/ECO

1. voor de mestvergisting van samenwerkende melkrundveehouders tot een maximale capaciteit van 25.000 ton/jaar; 2. als nevenfunctie op een veehouderij in gemengd landelijk gebied onder de voorwaarde dat mest uit pijpleidingen wordt aangevoerd dat ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water en dat de ontwikkeling inpasbaar moet zijn in de omgeving. Deze uitzondering geldt niet voor veehouderijen gevestigd binnen de groenblauwe mantel. Onder dezelfde voorwaarden als onder voorgaand punt 2 is op basis van de IOV ook vestiging van een niet-agrarisch bedrijf voor mestbewerking in gemengd landelijk gebied mogelijk.

Ad c) Niet agrarische ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied Het voorliggende plan voorziet met name in de ontwikkeling van woonfuncties, Ruimte voor Ruimte woningen en niet-agrarische bedrijfsfuncties. In de IOV zijn specifieke regels opgenomen met betrekking tot niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied. De regels zijn erop gericht om een kader te geven voor de aard en omvang van de ontwikkelingen, waarbinnen de gemeente haar eigen ruimtelijke afweging kan maken. Algemeen uitgangspunt is dat gebruik dient te worden gemaakt van bestaande bebouwing en de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan. De provincie handhaaft het beleid dat is gericht op het bundelen van verstedelijking. Het grootste deel van de woningbouw, bedrijventerreinen, voorzieningen en infrastructuur moeten plaatsvinden in het bestaand stedelijk gebied. Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden (in zoekgebieden voor verstedelijking) kan alleen plaatsvinden als inbreiding of herstructurering niet mogelijk is.

Woonfuncties (art. 3.69 IOV) Een bestemmingsplan kan voorzien in de vestiging of splitsing van een of meer woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing (waaronder karakteristieke boerderijen). Voorwaarde is dat met deze vestiging of splitsing het belang van het behoud of herstel van deze waardevolle bebouwing gediend is. Splitsing van een gebouw of perceel in twee of meer (woon)bestemmingen betekent feitelijk nieuwvestiging. De Interim Omgevingsverordening bepaalt dat dit expliciet mogelijk is. Het bestemmingsplan verschaft inzicht in de cultuurhistorische waarde van de bebouwing. Onder voorwaarden is bestemmingswijziging mogelijk van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning. In het algemeen is er geen sprake van een voormalige bedrijfswoning indien op het perceel nog een agrarische of niet-agrarische functie wordt uitgeoefend. In zo'n geval is publiekrechtelijke afsplitsing van de bedrijfswoning in beginsel niet wenselijk. Indien de bedrijfswoning feitelijk door derden wordt bewoond, biedt de Wet Plattelandswoning de mogelijkheid om burgerbewoning van de bedrijfswoning toe te staan. De bestemming blijft dan echter bedrijfswoning. Soms is maatwerk gewenst, bijvoorbeeld in geval van een tweede bedrijfswoning die niet langer nodig is.

Ook kan het vanwege een historisch gegroeide situatie wenselijk zijn om een eerste bedrijfswoning om te zetten naar burgerwoning. In alle gevallen waarbij er sprake is van publiekrechtelijke afsplitsing van een bedrijfswoning is het noodzakelijk dat het bestemmingsplan uitsluit dat ter plaatse een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt.

52

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

Een dergelijke vestiging komt in strijd met de uitgangspunten van zorgvuldig ruimtegebruik en het verbod op nieuwvestiging. Een bestemmingsplan moet de vestiging van een andere functie dan wonen daarom uitsluiten. Uiteraard zijn aan huis gebonden beroepen en bedrijven, passend binnen de woonbestemming wel mogelijk. Er mag verder geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvinden en overtollige bebouwing moet worden gesloopt. De gemeente bepaalt in het bestemmingsplan welke bebouwing overtollig is. In het algemeen geldt dat als er geen concrete gebruiksfunctie voor bebouwing aanwezig is gerelateerd aan de woonfunctie, dat er dan sprake is van overtollige bebouwing. In het geval er tevens sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is het beleid gericht op behoud van de bebouwing.

Ruimte voor Ruimte woningen (art 3.80 IOV) Het doel van deze regeling is om aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst te behalen door in ruil voor de beëindiging van een veehouderij, het inleveren van fosfaatrechten en de sloop van bedrijfsgebouwen de bouw van woningen op een passende locaties toe te staan. De regeling is een afwijking van de regel dat geen nieuwe (burger-)woningen mogen komen in het buitengebied. Binnen gemengd landelijk gebied kan worden voorzien in één of meerdere ruimte-voorruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, onder de voorwaarde dat:  er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst;  de Ruimte voor Ruimte-kavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;  een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;  er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.

Een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst betekent dat per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:  één of meer varkens- en/of pluimveehouderijen zijn in het geheel beëindigd, waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van de veehouderij, behalve de bedrijfswoning, zijn gesloopt (tenminste 1.000 m2, met een minimum van 200 m2 op iedere beëindigingslocatie);  de veehouderijen zijn voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest;  de veehouderijen zijn gevestigd binnen de aanduiding Gebied beperkingen veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij;  op de beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan geregistreerde fosfaatrechten aanwezig is;  de fosfaatrechten moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die wordt beëindigd;  de omgevingsvergunning milieu op iedere beëindigingslocatie is ingetrokken;  een passende herbestemming is gelegd op iedere beëindigingslocatie waarbij in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen is uitgesloten;  in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de veehouderij.

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

53

P183326.014/ECO

Niet-agrarische bedrijvigheid (art. 3.73 IOV) Vestiging van een niet- agrarische functie op een bestaand bouwperceel is toegestaan als dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, ook op langere termijn (een gebiedsgerichte benadering t.a.v. de activiteiten en functies die passen in de omgeving, de effecten op o.a. mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders en de bijdrage aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Het gaat om kleinschalige bedrijvigheid die passend is in een gemengde omgeving, waarvan het niet doelmatig is deze te vestigen op een bedrijventerrein (dit betreft bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2). Het bouwperceel mag niet gesplitst worden en overtollige bebouwing moet worden gesloopt. Het niet-agrarisch bedrijf mag niet toezien op een kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking. In het bestemmingsplan moet gewaarborgd worden dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en moet regels bevatten over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking en welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan. Opslag en stalling moet plaatsvinden in gebouwen en de ontwikkeling moet verplaatst worden naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Ten aanzien van het plan: Het plangebied ligt in gemengd landelijk gebied en een deel is aangewezen als Beperkingen veehouderij. Binnen het plangebied ligt geen Natuurnetwerk Brabant, geen stiltegebied en geen grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied is ook niet aangewezen als cultuurhistorisch of aardkundig waardevol gebied. De omgevingsverordening bevat instructieregels en rechtstreeks werkende regels. Deze provinciale belangen zijn door vertaald in het bestemmingsplan. Bij de ruimtelijke ontwikkelingen die zijn opgenomen in het bestemmingsplan is toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en wordt voldaan aan de regels in de IOV. Regels voor veehouderijen en niet-agrarische ontwikkelingen zijn overeenkomstig de IOV opgenomen. Het bestemmingsplan staat alleen mestbewerking van ter plaatse geproduceerde mest toe. De uitzonderingen in de IOV zijn niet overgenomen in het bestemmingsplan. Alle in de planregeling opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden (gebruik en bouwen) dienen gepaard te gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Een aantal (voormalige) bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen. Dit zijn stoppende en reeds gestopte veehouderijen. Het bestemmingsplan sluit de vestiging van een andere functie dan wonen uit. Aan huis gebonden beroepen en bedrijven, passend binnen de woonbestemming, zijn zoals gebruikelijk wel toegestaan.

In het bestemmingsplan zijn ook woningsplitsingen opgenomen, waaronder de woningsplitsing van een Rijksmonument (Plein 15) en een splitsing i.c.m. omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het bestemmingsplan voorziet in 18 Ruimte voor Ruimte woningen in ruil voor het beëindigen van intensieve veehouderijen, waarbij sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst conform de voorwaarden van de Interim Omgevingsverordening. De ruimte-voorruimte kavels liggen op planologisch aanvaardbare locaties, worden goed landschappelijk ingepast en zijn geen aanzet voor stedelijke ontwikkeling.

54

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

2.8

Natuurbeleid

Wet natuurbescherming (Wnb) In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Gebiedsbescherming Alleen de Natura2000 gebieden worden in de Wet natuurbescherming worden beschermd. De bescherming van ‘Beschermde Natuurmonumenten’, zoals deze in de Natuurbeschermingswet 1998 was opgenomen, is komen te vervallen. Een aparte beschermde status van beschermde natuurmonumenten is niet nodig vanwege de bescherming die andere instrumenten bieden, bijna alle beschermde natuurmonumenten liggen in Natuur Netwerk Nederland. Bij de besluitvorming rond plannen en projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden is het beschermingskader van toepassing dat de Wet natuurbescherming aan deze gebieden geeft. Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming bevat de procedures die moeten worden gevolgd bij besluitvorming over deze plannen en projecten.

De vaststelling van het bestemmingsplan door de Gemeenteraad van Sint-Michielsgestel vindt plaats volgens de plantoetsing aan artikel 2.7 Wnb: “Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. Daartoe maakt het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een Voortoets/Passende Beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Een besluit wordt alleen genomen indien het bestuursorgaan zich op grond van de Voortoets/Passende Beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast”. Met name stikstofdepositie ten gevolge van ammoniakemissie door veehouderijen heeft grote negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Om grip te krijgen op de kritische depositieruimte kan een depositiegrens per veehouderijbedrijf worden vastgelegd. Dit kan gedaan worden door het vastleggen van een aanwezige onherroepelijke Wnb-vergunning (alleen Wnb-vergunningen die niet met toepassing van het PAS zijn verleend).

Zonder toereikende Wnb-vergunning dient de feitelijke situatie die vergund is met een milieuvergunning vastgelegd te worden. Ten aanzien van het plan: Voor de plantoetsing een Voortoets/Passende Beoordeling uitgevoerd. Hierin is in kaart gebracht wat de effecten (kunnen) zijn van het bestemmingsplan op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden en welke verzachtende (mitigerende) maatregelen eventueel genomen kunnen worden om deze natuurlijke kenmerken niet aan te tasten (significant negatieve gevolgen). In het bestemmingsplan is een stikstofregeling opgenomen, op basis waarvan een toename van de stikstof-/ammoniakemissie en stikstofdepositie niet is toegestaan. Deze regeling zorgt ervoor dat voor ontwikkelingen die binnen de gebruiksregel passen (geen toename van de emissie van stikstof) passen, geen aparte procedures nodig zijn. Bijvoorbeeld als er wordt ontwikkeld in combinatie met het toepassen van technieken om de emissies extra te beperken.

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

55

P183326.014/ECO

Voor ontwikkelingen die dit zogenaamde stikstofplafond overschrijden, is een aparte procedure noodzakelijk, zodat de mogelijk negatieve effecten op de omliggende natuurgebieden nader beoordeeld kunnen worden. Op deze manier zijn negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (Habitatrichtlijngebied) ligt op ca. 7 km afstand ten westen van het plangebied. Op circa 14 km liggen ten westen en zuidwesten de Natura 2000-gebieden Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (habitatrichtlijngebied) en Kampina & Oisterwijkse Vennen (Vogel- en Habitatrichtlijngebied). Gezien de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden zijn alleen (mogelijke) effecten door stikstofdepositie relevant. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming bevat ook de regels ter bescherming van inheemse dier- en plantensoorten. Op het gebied van soortenbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’.

De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn.

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: 1. Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. 2. Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid. 3. Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.

56

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing. Ten aanzien van het plan: Op de locaties binnen het plangebied waar ruimtelijke ingrepen zijn beoogd is een flora en fauna onderzoek en aanvullend steenuilen- en vleermuizenonderzoek uitgevoerd.

Interim Omgevingsverordening (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) De Wet natuurbescherming geeft invulling aan de afspraken tussen Rijk en provincies uit het Bestuursakkoord Natuur. De provincie heeft hierbij bevoegdheden gekregen. De invulling van deze bevoegdheden is voor onder ander de onderdelen gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming in de IOV opgenomen (voormalige Verordening natuurbescherming NoordBrabant). De verordening stelt (extra) technische eisen aan stallen, die qua emissiereductie verder gaan dan de vereisten uit Besluit Huisvesting. Nieuwe stallen worden getoetst aan de streefwaarden die in de bijlagen bij de verordening zijn genoemd en de toepassing van stallen/technieken met een ammoniakemissie per dier die ligt onder die streefwaarden. Veehouderijen met verouderde stalsystemen moeten vanaf 1 januari 2024 gemiddeld voldoen aan de vereisten uit de provinciale verordening. Vanaf 1 januari 2028 moeten alle verouderde stallen aangepast zijn. Een verouderd stalsysteem is een systeem dat niet voldoet aan de gestelde emissie-eisen en ouder is dan 15 of 20 jaar. De emissie-eisen zijn opgenomen in bijlage 2 bij de Interim omgevingsverordening. Deze bijlage bevat een lijst met emissiefactoren en reductiepercentages voor de emissie vanuit stallen, inclusief de mest die in de stal is opgeslagen.

Voor varkensbedrijven zijn er technieken (emissiearme stallen, luchtwassers) beschikbaar en toepasbaar die leiden tot extra emissiereductie. Varkensbedrijven kunnen zo uitbreiden met het aantal dierplaatsen zonder dat er sprake hoeft te zijn van een toename van de ammoniakemissie. Voor met name melkveebedrijven zijn dergelijke technieken nu nog niet of slechts beperkt beschikbaar, waardoor er minder mogelijkheden zijn om via de inzet van techniek het aantal dierplaatsen uit te breiden zonder een toename van de ammoniakemissie. Voor pluimveebedrijven zijn er nog knelpunten met betrekking tot de toepasbaarheid/werking van luchtwassers. De belangrijkste uitgangspunten op dit moment zijn:  Veehouderijen moeten vanaf 1 januari 2024 voldoen aan de IOV-eisen. Ze hebben zelf de keuze of ze gemiddeld op bedrijfsniveau willen voldoen of op dierplaatsniveau. Stallen die op dat moment nog niet verouderd zijn hoeven nog niet aangepast te worden, maar wel op

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

57

P183326.014/ECO

 

het moment dat ze 20/15 jaar oud zijn. Indien gekozen wordt om op bedrijfsniveau te voldoen moet bij de volgende aanscherping (2028) weer op bedrijfsniveau voldaan worden. Verouderde stallen (20/15 jaar oud) en nieuwe stallen moeten direct voldoen aan de dan geldende IOV-eisen. Bedrijven die op 1 januari 2020 al moesten voldoen aan de eisen uit de IOV (bedrijven die op 1 juli 2017 niet voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting en/of bedrijven die deelnamen aan de Stoppersregeling in het kader van het Actieplan ammoniak en veehouderij en nu een doorstart maken) krijgen geen uitstel, maar moeten direct voldoen aan de IOV-eisen. Deze bedrijven mogen wel op bedrijfsniveau gaan voldoen in plaats van op dierplaatsniveau. Indien gekozen wordt om op bedrijfsniveau te voldoen moet bij de volgende aanscherping (2024 en 2028) weer op bedrijfsniveau voldaan worden.

In Tabel 2 staan de streefreducties en eisen (voor de meest relevante veehouderijtypen). Tabel 2: Reductiepercentages ammoniakemissie per diercategorie (bron: IOV bijlage 2)

Diercategorie Melkrundvee - Beweiden - Opstallen Zoogkoeien Vleesrundvee 8 tot 24 mnd - <100 dieren - >100 dieren Varkens Vleeskalveren Legkippen

Vleeskuikens

Streefreductie ammoniakemissie

Eisen t/m 2023

Eisen vanaf 2024 -2028

Eisen vanaf 2028

40-55% 70% 0%

43% 46% 0%

51% 62% 0%

51% 70% 0%

0% 70% 85% 85% 85%

0% 0% 85% 50% K 90% S 78% V 85% 70%

0% 50% 85% 70% K 90% S 85% V 85% 82%

0% 70% 85% 85% K 90% S 85% V 85% 85%

85%

Ten aanzien van het plan: Een groot deel van de veehouderijen binnen het plangebied zullen voor 2024 één of meerdere stallen moeten aanpassen om te voldoen aan de IOV-eisen. De verwachting is dat een deel van deze bedrijven de veehouderij-activiteiten zal beëindigen. De bedrijven die investeren in emissiearme stalsystemen zullen deze veelal gepaard laten gaan met een uitbreiding. Uitbreiden van dierenverblijven is binnen het bestemmingsplan onder voorwaarden mogelijk. Wet ammoniak en veehouderij Op 1 mei 2007 is de gewijzigde Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav is bedoeld ter bescherming van de zeer kwetsbare gebieden tegen de effecten van ammoniakdepositie. Provinciale Staten wijzen deze zeer kwetsbare gebieden aan op basis van criteria die in de wet staan vermeld. De Wav bevat regels met betrekking tot de ammoniakemissie uit dierenverblijven. Het bevoegd gezag moet die regels toepassen bij beslissingen over de verlening van milieuvergunningen voor veehouderijen.

58

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

De wet geeft regels voor veehouderijen die in een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom zo’n kwetsbaar gebied liggen. Hoofdlijn hierbij is dat vestiging in deze zones niet mogelijk is en dat uitbreiding slechts mogelijk is binnen een bedrijfsemissieplafond. Alleen voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) kunnen als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen (art. 2, lid 2 Wav). Alle voor verzuring gevoelige gebieden, die in Beschermde Natuurmonumenten of Natura 2000-gebieden liggen, moeten worden aangewezen als zeer kwetsbaar gebied, op voorwaarde dat ze binnen het NNN liggen. Provinciale Staten zijn hiertoe verplicht (art. 2, lid 3 Wav). Ten aanzien van het plan: Het plangebied ligt op circa 1 km afstand van het dichtstbij gelegen Wav-gebied. Dit betekent dat de Wet ammoniak en veehouderij geen beperkende werking heeft voor de veehouderijen binnen het plangebied. Natuur Netwerk Nederland (NNN) en Natuur Netwerk Brabant (NNB) Om de natuur in Nederland tot een goed functionerend ecologisch netwerk te maken, is het NNN (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS) begrensd en aangelegd als netwerk van bestaande en nieuwe natuur.

Het wettelijke kader voor het aanwijzen (begrenzen) en beschermen van het NNN zijn de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR) en Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro). Op basis van dit rijksbeleid geldt de verplichting om de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB in stand te houden en te beschermen. Het NNN wordt op provinciaal niveau uitgewerkt in provinciale structuurvisies ende provinciale omgevingsverordening en natuurbeheerplannen. Op het NNN / NNB is ook de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) van toepassing. Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is het Brabantse deel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het NNB bestaat uit:  bestaande natuur- en bosgebieden;  gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere nietnatuurbestemming is verdwenen;  nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig;  ecologische verbindingszones. Het provinciale beleid is erop gericht om het netwerk in 2027 gereed te hebben.

Dit wordt in het algemeen bereikt door:  het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen);  voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname);  inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden (inrichting);  realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid (uitvoering).

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

59

P183326.014/ECO

De instructieregels in de IOV bevatten de kern voor de bescherming van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Bij het opstellen van een bestemmingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om een activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander (ruimtelijk) beleid of regelgeving. Naast behoud en ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken streeft de provincie binnen het NNB ook behoud na van cultuurhistorische waarden en andere wezenlijke kenmerken zoals rust en stilte. Op provinciaal niveau zijn de cultuurhistorische waarden en kenmerken vastgelegd op de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant en waar nodig vertaald in de IOV. Zolang de natuurdoelen in een gebied nog niet zijn gerealiseerd, kunnen bestaande functies en gebruiksactiviteiten worden voortgezet. Bestaand planologisch gebruik wordt gerespecteerd. Ten aanzien van het plan: Het plangebied maakt geen deel uit van het NNB. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNB ligt circa 1 kilometer ten noordoosten en zuidoosten.

Gezien de relatief grote afstand tussen het plangebied en het NNB beperken de mogelijke effecten ten gevolge van de activiteiten in het gebied Laar-Nieuw Laar zich tot stikstofdepositie.

2.9

Geurbeleid

Wet geurhinder een veehouderij Bij het verlenen van vergunningen voor veehouderijen en in de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met geuroverlast van veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt hiervoor het beoordelingskader. Deze wet geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit veehouderijstallen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden meegenomen. Daarnaast heeft deze wet consequenties voor de wijze waarop in ruimtelijke plannen het aspect geurbelasting door veehouderijen een rol speelt. Voor veehouderijbedrijven met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (geen intensieve veehouderij, zoals melkrundveebedrijven) geldt een vaste minimum afstand die in acht genomen dient te worden. Deze afstand bedraagt ten aanzien van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom 100 meter en voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom 50 meter. Voor veehouderijen met dieren waarvoor wel geuremissiefactoren zijn vastgesteld (intensieve veehouderij) wordt de norm niet uitgedrukt in een afstandsnorm, maar in een geurcontour, die een grillige vorm kan hebben. De geuremissiefactoren zijn vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij.

Op 20 juli 2018 is de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: Rgv) gewijzigd in verband met een onderzoek naar de effectiviteit van gecombineerde luchtwassystemen. Bepaalde typen luchtwassers verwijderen minder geur dan gedacht. De emissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers en één biologische luchtwasser zijn hierop verhoogd (o.b.v. 30% en 45% reductie i.p.v. 85% reductie).

60

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

De Wgv stelt eisen aan de maximale geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op een gevoelig object zoals een woning. De geuremissie en -belasting worden uitgedrukt in zogenaamde Odour Units (OU’s). De in de wet opgenomen “standaard waarden” voor de maximale geurbelasting zijn maximaal 14 OU/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en maximaal 3 OU/m³ voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (dit bij 98% percentiel, oftewel 98% van de tijd). Als veehouderijen een geurbelasting hebben die hoger is dan de geurnorm, hoeven ze niet aan de norm te voldoen. Via de zogenaamde 50% regeling moet een uitbreiding van het aantal dieren wel gepaard gaan met een gedeeltelijke afname van de geurbelasting. Eerder opgebouwde rechten t.a.v. de maximale geurbelasting zijn in die regelgeving op deze wijze beschermd. Gemeenten kunnen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten door af te wijken van de wettelijke waarden. Omgekeerd vraagt een omgeving ook om bescherming tegen geurhinder. Sinds 2014 is dit provinciaal vastgelegd in de (voormalige) Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant (nu: IOV). Hiermee kan beoordeeld worden of er sprake is van een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor alle normen en afstanden geldt dat deze alleen bij ontwikkelingen van veehouderijen of nieuwe ruimtelijke functies aan de orde zijn als toetsingscriterium. Er is in de huidige wet- en regelgeving geen verplichting opgenomen voor bedrijven om aan de geurnormen te gaan voldoen. Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Sint-Michielsgestel Op 19 februari 2017 heeft de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel een gemeentelijke geurverordening voor het hele grondgebied vastgesteld, waarin wordt afgeweken van de wettelijke geurnormen en minimum afstanden. De verordening is in werking getreden op 17 maart 2017. De onderbouwing van de (aangescherpte) geurnormen is uitgewerkt in een geurgebiedsvisie. De geurnormen zien toe op voorgrondbelasting van geur (individuele geurbelasting ten gevolge van één veehouderij). De verordening is bedoeld als toetsingskader voor vergunningen, zoals voor de twee blijvende iv-bedrijven Laar 31 en Nieuw Laar 5a.

Figuur 14: Uitsneden kaart bij Verordening geurhinder en veehouderij

In de geurverordening zijn de volgende afwijkende geurnormen en afstanden opgenomen: A. Woonkernen 2,0 Ou. B. Bedrijventerreinen 5,0 Ou. C. Bebouwingsconcentraties 7,0 Ou. D. Buitengebied 10,0 Ou.

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

61

P183326.014/ECO

A: Woonkern en B: Bedrijventerrein - (voormalige) bedrijfswoning bij veehouderij: > 50 m - overige geurgevoelige objecten: > 100 m C: Bebouwingsconcentraties en D: Buitengebied: - (voormalige) bedrijfswoning bij veehouderij: > 25 m - overige geurgevoelige objecten: > 50 m

Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen Voor ruimtelijke plannen zijn door de gemeente Sint-Michielsgestel, als vertaling van het criterium ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’, geurnormen vastgelegd in de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017’. Op 19 februari 2017 heeft de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel de beleidsregel vastgesteld en deze is in werking getreden op 17 maart 2017. Het bestemmingsplan moet aan deze beleidsregel getoetst worden. De beleidsregel bevat geurnormen voor bedrijven met dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld (o.a. varkens, pluimvee) en afstanden voor bedrijven met dieren waarvoor geen emissiefactoren (o.a. paarden, melkrundvee). De geurnormen in de beleidsregel zien toe op zowel de voorgrondbelasting (gelijk aan de normering in de geurverordening) als de achtergrondbelasting van geur (cumulatieve geurbelasting ten gevolge van meerdere veehouderijen). Bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen worden, als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ uit stallen van veehouderijen, onderstaande waarden gehanteerd als toetswaarden die gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten. Bij deze beoordeling worden alleen de dieren mee berekend waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij een emissiefactor vastgesteld is:

Bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen worden in geval van bedrijven met dieren waarvoor geen emissiefactoren in de Regeling geurhinder en veehouderij zijn vastgesteld gelden de hieronder genoemde afstanden als ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen bedrijfswoningen behorend bij een veehouderij (of waarvan de veehouderij is beëindigd op of na 19 maart 2000) en overige geurgevoelige objecten:

62

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

Binnen het plangebied ligt de zone bebouwingsconcentraties en de zone buitengebied. De veehouderijen binnen het plangebied kunnen ook een externe werking hebben en geurbelasting veroorzaken op de zone woonkern en de zone bedrijventerrein. Het plan maakt nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Volgens de beleidsregel kan overwogen kan worden om gemotiveerd van de toetswaarde af te wijken. Een nadere motivering is dan wel noodzakelijk. Het plan voorziet ook in uitbreiding van dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Hierbij kan ook worden afgeweken van de toetswaarde voor de achtergrondbelasting, bijv. in het geval als:  de bijdrage van de veehouderij aan de overschrijding van de achtergrondbelasting niet significant is;  de aanvraag leidt tot een proportionele afname van de achtergrondbelasting welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding compenseert. Ten aanzien van het plan: Met onderhavig bestemmingsplan worden iv-bedrijven beëindigd en burgerwoningen toegevoegd. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in een bouwblokvergroting voor varkenshouderij Laar 31 en Nieuw Laar 5a. In ruil voor deze uitbreidingsmogelijkheid moet dit bedrijf bedrijfsspecifieke maatregelen nemen om de geurbelasting te verlagen en het huidige woon- en leefklimaat te verbeteren.

Het bestemmingsplan moet voldoen aan de Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017, zodat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien enkele nieuwe Ruimte voor Ruimte woningen zijn geprojecteerd op locaties waar momenteel geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat omdat de cumulatieve geurbelasting niet voldoet aan de toetswaarden in de beleidsregel, kunnen deze woningen uitsluitend worden gerealiseerd als bij de voortzettende veehouderijen de noodzakelijke reducerende maatregelen daadwerkelijk worden genomen. In dit bestemmingsplan verbrede reikwijdte is daarom in de juridische regeling een voorwaardelijke bepaling opgenomen. Voor andere functies dan veehouderij stellen de Wgv, de geurverordening en beleidsregel geurhinder en de IOV geen directe eisen ten aanzien van geur.

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

63

P183326.014/ECO

2.10 Beleidsregel Wet geluidhinder gemeente Sint-Michielsgestel Deze beleidsregel uit 2007 ziet toe op de voorkeursgrenswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel het voorkomen en beperken van geluidhinder. Met name bij het maken van bestemmingsplannen moet de aandacht worden gericht op geluidsgevoelige bestemmingen en dienen daarvoor geldende grenswaarden in acht te worden genomen. Voor verschillende typen geluidsbelastingen worden in de Wgh grenswaarden aangegeven waarbij een ondergrens (voorkeurs)grenswaarde en een bovengrens (de wettelijk maximaal toelaatbare geluidbelasting) gelden. In principe moet er altijd naar worden gestreefd de (voorkeurs)grenswaarde aan te houden. Er zijn uitzonderingen mogelijk, zolang de wettelijke maximale grenswaarden niet overschreden worden. Bij een bestemmingsplanprocedure wordt akoestisch onderzoek uitgevoerd gericht op het treffen van maatregelen t.b.v. het realiseren van de (voorkeurs)grenswaarden voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.

Daar waar toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen tot de daarvoor geldende (voorkeurs)grenswaarde, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeers- of vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, zal gebruik worden gemaakt van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. B&W zullen van deze ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting slechts onder voorwaarden gebruik maken. De voorwaarden zijn afhankelijk van de vraag welke geluidsbron het betreft, of het woningen dan wel om andere geluidsgevoelige bestemmingen gaat, welk van de twee het eerste aanwezig was en onder welke omstandigheden de woningen of geluidsgevoelige bestemmingen dan wel de geluidsbron wordt gerealiseerd. Deze voorwaarden zijn in de beleidsregel nader gespecificeerd.

Op grond van de wijziging van de Wet geluidhinder, kan voor de gemeente Sint Michielsgestel worden gesteld dat bij het vaststellen van een bestemmingsplan voor het aspect wegverkeerslawaai akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd waarbij voor woningen een voorkeursgrenswaarde van 48 dB in acht moet worden genomen en waarbij buitenstedelijk de hoogst toelaatbare gevelbelasting op nieuwe woningen 53 dB bedraagt en op vervangende nieuwbouw buiten de bebouwde kom en nieuwe bedrijfswoningen 58 dB. Ten aanzien van het plan: Uit akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai ter plaatse van de kavels voor de nieuwe woningen blijkt dat ten aanzien van 2 RvR woningen aan Laar (RVR11 en RVR15) en 4 RvR woningen aan de Nieuweweg (RVR01, RVR02, RVR03 en RVR04) een hogere waarde verleend moet worden conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder en de beleidsregel.

64

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

3 Beleidskeuzen voor het bestemmingsplan 3.1.1 Bestemmingswijze veehouderijen Alle voorzieningen dienen in het bestemmingsvlak te zijn gesitueerd, met uitzondering van de verharde ontsluiting naar de openbare weg. De bewerking van ter plaatse geproduceerde mest maakt deel uit van de agrarische bedrijfsvoering. Binnen het agrarische bestemmingsvlak is bewerking van mest die is geproduceerd op dezelfde bedrijfslocatie van de veehouderij dan ook rechtstreeks toegestaan. De bewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest (of mestbewerking voor derden) wordt in dit bestemmingsplan niet toegestaan. De varkenshouderijen Laar 31 en Nieuw Laar 5a worden op dierniveau vastgelegd in het bestemmingsplan (diercategorie, dieraantallen, stalsystemen / Rav-codes). Vanwege het verschil in de ontwikkelingsmogelijkheden en mogelijke omgevingseffecten (milieuimpact) van de diverse type agrarische bedrijven wordt omschakelen naar geiten en pluimvee niet toegestaan. Omschakeling van bestaande veehouderijen naar grondgebonden veehouderij is onder voorwaarden in dit bestemmingsplan mogelijk. Hiertoe is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Daarbij wordt steeds naar de meest recente inzichten op het gebied van volksgezondheid gekeken. De voorwaarden waaronder uitbreiding voor agrarische bedrijven mogelijk is staan in Tabel 3.

Tabel 3: Voorwaarden voor uitbreiding bebouwing binnen het bestemmingsvlak Agrarisch bedrijf

Uitbreiding bebouwing (binnen bestemmingsvlak) Niet-veehouderij

Voorwaarden agrarische bedrijven Bebouwingsuitbreiding binnen het agrarisch bestemmingsvlak is hier rechtstreeks toegestaan. Voor uitbreiding van het oppervlak van dierenverblijven binnen het agrarisch bestemmingsvlak geldt dat in het kader van een zorgvuldige veehouderij voldaan dient te worden aan de randvoorwaarden zoals opgenomen in de IOV, waaronder de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) en specifiek voor hokdierbedrijven de ‘stalderingsregeling’.

Veehouderij Om te voldoen aan de Wet natuurbescherming wordt in het bestemmingsplan een gebruiksregeling opgenomen waarmee een toename van de ammoniakemissie en stikstofdepositie niet is toegestaan. Voor ontwikkelingen die het zogenaamde stikstofplafond overschrijden, is een aparte procedure nodig waarin de mogelijk negatieve effecten op de omliggende natuurgebieden worden getoetst.

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

65

P183326.014/ECO

Uitbreiding bebouwing (binnen bestemmingsvlak)

Voorwaarden agrarische bedrijven Omdat gezondheid nog niet naar concrete normen te vertalen is, zijn in het bestemmingsplan geen mogelijkheden voor omschakelingen naar diersoorten waarbij gezondheid ter discussie staat opgenomen, te weten: pluimvee en geiten. Omschakeling naar grondgebonden veehouderij is wel binnen voorwaarden mogelijk binnen dit bestemmingsplan en worden onder andere getoetst op het algemene aspect “goed woon- en leefklimaat”.

3.1.2

Bestemmingswijze woningen

De diverse bestaande burgerwoningen in het gebied zijn overeenkomstig de generieke regeling voor burgerwoningen in het buitengebied van de gemeente overgenomen.

3.1.3 Bestemmingswijze niet-agrarische bedrijven Bedrijven zonder functionele binding met het buitengebied horen in principe thuis binnen de bebouwde kom of op een bedrijventerrein. De bestaande niet-agrarische bedrijven zijn daarom positief bestemd, maar met de uitbreiding van de bedrijven wordt terughoudend omgegaan. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat voorkomen wordt dat de ruimtelijke impact van de bestaande niet-agrarische bedrijven op het landschap en de leefbaarheid groeit. De bestaande nietagrarische bedrijven zijn daarom positief bestemd en conform de huidige functie vastgelegd. Eventuele verdere uitbreiding van bebouwing wordt binnen dit bestemmingsplan niet toegestaan. Nieuwe niet-agrarische bedrijven zijn alleen zeer kleinschalig en onder strikte voorwaarden mogelijk. Om ongewenste toename van verkeer te voorkomen, is in de bestemmingsplanregeling een voorwaarde opgenomen dat een ontwikkeling niet tot onevenredige toename van verkeer mag leiden. De mogelijkheden voor omschakeling naar andere typen bedrijvigheid zijn beperkt. Omschakeling naar een ander type niet-agrarisch bedrijf kan via een afwijking onder voorwaarden worden toegestaan onder de voorwaarde dat het bestemmingsvlak en de oppervlakte bedrijfsbebouwing niet wordt vergroot en het nieuw te vestigen type bedrijf niet leidt tot meer milieuhinder voor de omgeving.

Het nieuwe bedrijf mag uitsluitend tot milieucategorie 1 of 2 behoren. Als het bestaande bedrijfsbestemmingsvlak groter is dan 5.000 m2 is de niet-agrarische functieverandering alleen via wijziging mogelijk en geldt hierbij als aanvullende voorwaarde dat het nieuwe bestemmingsvlak dient te worden verkleind tot 5.000 m2. (Uitzondering: Voor agrarisch verwante bedrijven geldt een maximale omvang van het bestemmingsvlak 1,5 ha).

66

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

3.1.4

Bestemmingswijze recreatie

Voor recreatie geldt dat de toegestane bebouwing van bestaande locaties in de bestaande regels is vastgelegd. Verdere uitbreiding van deze bebouwing is conform de bestaande regeling niet toegestaan. Verder geldt dat de ontwikkelingsruimte voor kleinschalig kamperen en overnachten minimaal is. De mini-camping op Schellekensveld 7 breidt uit van 10 naar 35 standplaatsen en gaat moderniseren met 220 m2 bijgebouwen voor sanitair en gemeenschappelijke ruimte (bestaand: 20 m2 bijgebouw). Hiervoor is door initiatiefnemer een afzonderlijke ruimtelijke onderbouwing aangeleverd en deze is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

67

P183326.014/ECO

4 Referentiesituatie 4.1

Inleiding

In een milieueffectrapport worden de milieueffecten van de alternatieven vergeleken met een referentiesituatie. Dit is in een MER de situatie die in de toekomst ontstaat als het plan niet doorgaat. De referentiesituatie wordt gevormd door de feitelijke situatie rekening houdend met autonome ontwikkelingen. Niet-gerealiseerd gebruik en illegale situaties horen vanzelfsprekend niet bij de referentiesituatie, maar bij het voornemen. De effecten op de Natura 2000-gebieden worden beoordeeld ten opzichte van de feitelijk, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan en indien aanwezig een onherroepelijke, rechtsgeldige Wnb-vergunning die één op één in het bestemmingsplan ingepast kan worden (= referentie Wnb). Referentie MER = huidige situatie + autonome ontwikkelingen Referentiesituatie: situatie in het plangebied tijdens de planperiode (10 jaar) zonder de ontwikkelingen in het bestemmingsplan Huidige situatie: bestaande / feitelijke situatie in het plangebied Autonome ontwikkelingen: ontwikkelingen in het plangebied anders dan de ontwikkelingen die deel uitmaken van het bestemmingsplan

Vergunde situatie als potentiële (her)ontwikkelingsruimte Omdat de feitelijke situatie niet meer hetzelfde is als de situatie ten tijde van de vaststelling van de gebiedsvisie voor het urgentiegebied Laar-Nieuw Laar, zal in dit MER de vergunde situatie in 20182019 inzichtelijk worden gemaakt. De vergunde situatie (gecorrigeerd o.b.v. het Besluit emissiearme huisvesting / Actieplan ammoniak en veehouderij) maakt de potentiële (her)ontwikkelingsruimte binnen het plangebied inzichtelijk. Als het bestemmingsplan geen doorgang vindt kan op de locaties van de stoppende veehouderijen op basis van een iv-aanduiding en vigerende vergunningen een doorstart worden gemaakt met de intensieve veehouderij, mits voldaan wordt aan het Besluit emissiearme huisvesting. Door de vergunde situatie te vergelijken met de alternatieven wordt het (theoretisch) effect van het ‘herbestemmen’ van de stoppende veehouderijen in het kader van de Gebiedsvisie Laar-Nieuw Laar inzichtelijk gemaakt.

Feitelijke situatie De feitelijke situatie is gewijzigd ten opzichte van 2018-2019. De besluitvorming omtrent het ontwerp bestemmingsplan was aanvankelijk gepland voor eind 2019, aangezien de stoppende varkenshouderijen in het gebied per 1 januari 2020 hun niet-emissiearme varkensstallen leeg moesten hebben staan, vanwege het aflopen van de gedoogregeling in het kader van het Actieplan

68

Plan-MER Bestemmingsplan Laar – Nieuw Laar (bij ontwerp bestemmingsplan)

P183326.014

ammoniak en veehouderij. Deze planning is verschoven, met als gevolg dat inmiddels alle (beoogde) stoppende intensieve veehouderijen leeg staan. De varkenshouderij op Schellekensveld 2 heeft een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend ter aanpassing van de varkensstallen aan het Besluit emissiearme huisvesting, als vangnet voor het geval dat de gewenste Ruimte voor Ruimte woningen geen doorgang vinden.

Autonome ontwikkelingen Ten aanzien van de autonome ontwikkelingen wordt gekeken naar de situatie in 2030. Autonome ontwikkelingen zijn voorziene ontwikkelingen, waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden. Voor de veehouderijen in het plangebied zijn het voldoen aan Besluit emissiearme huisvesting (stoppen voor 2020 of voldoen aan eisen per 2020) en aan de provinciale Verordening natuurbescherming Noord-Brabant (eisen 2022-2028) de relevante autonome ontwikkelingen. De milieubelasting en milieuruimte voor de veehouderijen in het plangebied wordt daarbij mede bepaald door de ontwikkeling van veehouderijen buiten het plangebied. Voor de veehouderijen binnen het plangebied zijn de volgende referentiesituaties uitgewerkt: Tabel 4: Totale emissies referentiesituaties

Totalen referentiesituaties

Ammoniak (kg NH3/jr)

Geur (OUE/sec)

Fijn stof (kg PM10 /jr)

Vergund uitgangssituatie 2018/2019 Feitelijk, planologisch legaal Feitelijk met correctie IOV - Referentie MER

10.615 5.730 4.580

121.616 88.202 111.815

745 365 396

Par. 4.2 Vergunde situatie in 2018/2019 Deze situatie wordt uitgewerkt om de potentiële (her)ontwikkelingsruimte in het plangebied inzichtelijk te maken. De (milieu)vergunde situatie wordt bepaald aan de hand van de gegevens uit vergunningen en meldingen van veehouderijbedrijven, rekening houdend met planologisch legaal gebruik volgens het vigerende bestemmingsplan. De vergunde situatie wordt gecorrigeerd op basis van goedgekeurde bedrijfsontwikkelingsplannen (BOP) in het kader van het Actieplan ammoniak en veehouderij (gedoogregeling). Par. 4.3 Feitelijke, planologisch legale situatie (referentie Wnb voor het bestemmingsplan): De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat de feitelijke, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan de referentie vormt bij toetsing van een bestemmingsplan aan de Wet natuurbescherming. Par. 4.4 Feitelijke, legale situatie met correctie IOV (referentie MER): De huidige vergunde situatie wordt gecorrigeerd voor niet gerealiseerde en reeds beëindigde dierplaatsen en andere veehouderijactiviteiten, rekening houdend met planologisch legaal gebruik volgens het vigerende bestemmingsplan. Vervolgens wordt gecorrigeerd voor de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant (IOV).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=1109b62f-541b-4210-bcf2-33b3b767aabb