Bijlage 3 - Bijlagen bij de ETFAL onderbouwing (BOPA motivering) Werststeeg
Tekst van het document
4.1 Profiel A • • • • • • • •
3 rijen op 1 m uit elkaar, in de rij op 2 m 50% Crataegus monogyna 20% Rhamnus frangula 10% Prunus padus (alleen in middelste rij) 10% Corylus avellana (alleen in middelste rij) 5 % Viburnem opulus (alleen in buitenste rijen) 5 % Rosa canina (alleen in buitenste rijen) Alnus glutinosa, veren met bamboestok, in middelste rij op onregelmatige afstanden van 3 per 100 m, op termijn zo nodig te knotten.
4.2 Profiel S en N • • • • • •
2 rijen op 1 m uit elkaar, in de rij 1,50 m 60% Crataegus monogyna 20% Rhamnus frangula 10% Viburnum opulus 10% Rosa canina Alnus glutinosa, veren met bamboestok, tussen de rijen op onregelmatige afstanden van 3 per 100 m, op termijn zo nodig te knotten.
4.3 Profiel O • 1 Wilgenstek (voetstoof Salix) per gemiddeld 10 á 20 m
4.4 Hekwerk 180 cm • • • •
1 plant per gemiddeld 20m hekwerk 80% Lonicera caprifolium 20% Humulus lupus spontane opslag klimop
4.5 Knotessen langs oprit woning • 10 á 20 stuks Fraxinus excelsior, bacterievrije selectie, aantal in uitvoeringsfasa vast te stellen.
FF ADVIES • Goudeseune • OPG Landscape bv • PaulvanKan Natuur & Landschap • Taken bv • Thus Landschapsarchitectuur & Stedenbouw
10 januari 2025 Projectnummer 202501 Zonnepark Werststeeg Berlicum 10
Bijlagen 1. Inrichtingsplan Kronos zonnepark Werststeeg Berlicum
FF ADVIES • Goudeseune • OPG Landscape bv • PaulvanKan Natuur & Landschap • Taken bv • Thus Landschapsarchitectuur & Stedenbouw
10 januari 2025 Projectnummer 202501 Zonnepark Werststeeg Berlicum 11
2. Profielen zonnepark Werststeeg Berlicum
FF ADVIES • Goudeseune • OPG Landscape bv • PaulvanKan Natuur & Landschap • Taken bv • Thus Landschapsarchitectuur & Stedenbouw
BIJLAGE E
RAPPORTAGE Quickscan natuurwaarden Zonnepark Werstkant 34 Berlicum
Rapport quickscan natuurwaarden Zonnepark Werstkant 34, Berlicum Opdrachtgever
Kronos Solar Projects NL BV Rijswijkseplein 786 2516 LX Den Haag
Rapportnummer
26151.002
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
21 augustus 2024
Opsteller1
Mevrouw K.A.W. Hendrix, BSc
Kwaliteitscontrole
De heer W.E.H.P. Kleuskens, MSc
1
Vrijgave In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 3
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 4
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 5 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 12 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
6
Vogels ............................................................................................................................................. 5 Vleermuizen ................................................................................................................................... 6 Overige zoogdieren ........................................................................................................................ 7 Reptielen ........................................................................................................................................ 8 Amfibieën ....................................................................................................................................... 8 Vissen ............................................................................................................................................. 9 Ongewervelden .............................................................................................................................. 9 Planten ......................................................................................................................................... 10 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 10
Broedvogels .................................................................................................................................. 12 Vleermuizen ................................................................................................................................. 13 Algemene grondgebonden zoogdieren ........................................................................................ 13 Amfibieën ..................................................................................................................................... 13 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 14
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 15 6.1 6.2
Natura 2000 ................................................................................................................................. 15 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 16
7
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 17
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 18
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet
26151.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Kronos Solar Projects NL BV opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden aan de Zonnepark Werstkant 34 te Berlicum. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
26151.002 versie D1
1 / 20
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 10,4 ha) ligt aan de Werstkant 34 te Berlicum en betreft geheel of gedeeltelijk de percelen kadastraal bekend als gemeente Berlicum, sectie L met de nummers 1069 (1.455 m2), 1070 (ca. 20.400 m2) en 4224 (ca. 82.145 m2) In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood omlijnd, aangegeven met de gele pijl).
De onderzoekslocatie ligt ten oosten van het centrum van Berlicum en betreft verscheidene grasland percelen. Langs de randen van de onderzoekslocatie zijn sloten gelegen. In de directe omgeving zijn percelen en enkele woningen gelegen. Ten westen van de onderzoekslocatie zijn woonwijken gelegen. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.5 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
26151.002 versie D1
2 / 20
Figuur 2.2 Luchtfoto van de onderzoekslocatie (wit omlijnd).
Figuur 2.3 Onderzoekslocatie: zuiden.
Figuur 2.4 Onderzoekslocatie: oosten.
Figuur 2.5 Onderzoekslocatie: noordwesten.
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren. Zover bekend zal hierbij het groen behouden blijven.
26151.002 versie D1
3 / 20
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 25 juli 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
26151.002 versie D1
4 / 20
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. De volgende soorten zijn volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF waargenomen rondom de onderzoekslocatie: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, slechtvalk en steenuil. Van deze soorten kunnen gierzwaluw, huismus en slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten broeden in bebouwing, welke niet op de onderzoekslocatie aanwezig is. Boomvalk, buizerd en havik De boomvalk, buizerd en havik zijn voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstanden waarbij sommigen van deze soorten vaak gebruik maken van grotere nesten van andere vogels. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op de onderzoekslocatie. De (hoge) bomen rondom de onderzoekslocatie konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, welke niet zijn aangetroffen. Daarnaast zijn er geen sporen waargenomen in de vorm van uitwerpselen, braakballen, prooiresten of veren op en rondom de onderzoekslocatie. Hierdoor kan de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van bovengenoemde soorten worden uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van bovengenoemde soorten als gevolg van de voorgenomen plannen, zijn dan ook niet aan de orde.
Steenuil De steenuil heeft een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Meestal broeden ze is speciale nestkasten, schuren en soms in boomholten. Geschikte nestgelegenheden ontbreken op de onderzoekslocatie, maar zijn echter wel aangetroffen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie kan potentieel wel dienen als (essentieel) foerageergebied. Negatieve effecten ten aanzien van de steenuil zijn hierdoor op voorhand niet uit te sluiten.
26151.002 versie D1
5 / 20
Overige broedvogels De beplanting in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif, merel en spreeuw. Tevens is de beplanting op de onderzoekslocatie geschikt als nestgelegenheid voor weidevogels als veldleeuwerik en kievit. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, watervleermuis, franjestaart en baardvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats, paar/baltsverblijfplaats (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijfplaats. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de geschikte woningen en bomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden, mits rekening wordt gehouden met de verlichting. De bomen in de omgeving blijven tevens behouden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft graslanden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord, vooropgesteld dat de bomen in de omgeving die als po-
26151.002 versie D1
6 / 20
tentiële vliegroute kunnen fungeren, gehandhaafd blijven bij de herbestemming van de onderzoekslocatie (zie hoofdstuk 5).
4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, das, eekhoorn, steenmarter en wezel. Bever Bevers komen voor in gebieden waar land overgaat in water, zoals in moerassen, langs beken, rivieren en meren, waarbij de aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever een vereiste is. Dergelijke elementen zijn niet aanwezig op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen sporen, zoals vraatsporen of glijbanen, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie door de bever. Negatieve effecten ten aanzien van de bever zijn niet aan de orde. Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat er geen waarnemingen van hermelijn beken zijn, zou het wel mogelijk zijn dat deze soort in de omgeving voorkomt.
Aangezien het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan landschapselementen die met elkaar in verbinding staan, is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties op de onderzoekslocatie zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen, als gevolg van de voorgenomen ingreep, uit te sluiten. Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabijgelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde.
26151.002 versie D1
7 / 20
Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie blijven behouden. Tevens zijn er zijn geen nesten aangetroffen in de hoge bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, waardoor de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Steenmarter De steenmarter maakt gebruik van oude holen van onder andere konijnen, vossen en dassen, maar ook van hooizolders, loze ruimtes onder het dak en schuurtjes. Tevens maakt de steenmarter gebruik van stenenstapels of takkenhopen als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte verblijfplaatsen, sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken van geschikt habitat en het ontbreken van sporen kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter zijn op voorhand uit te sluiten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren.
Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat verblijfplaatsen worden vergraven (zie hoofdstuk 5).
4.4 Reptielen Volgens gegevens van de NDFF is in de directe omgeving van de onderzoekslocatie het volgende streng beschermde reptiel waargenomen: levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis komt veelal voor nabij vochtig habitat in hoogveen- en heidegebieden, maar komt ook voor in bossen, ruige graslanden en bermen van wegen. Gelet op dat de onderzoekslocatie en de directe omgeving ervan intensief beheerde agrarische terreinen betreft, is het habitat als ongeschikt bevonden. Negatieve effecten ten aanzien van deze soort zijn uitgesloten.
4.5 Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker.
26151.002 versie D1
8 / 20
Streng beschermde soorten Kamsalamander en poelkikker De kamsalamander is een streng beschermde soort die aangetroffen wordt in een verscheidenheid van meestal visvrije en matig voedselrijke wateren. De soort prefereert kleinschalige landschappen met bosschages, struweel of houtwallen in de directe omgeving van hun voortplantingswater. De poelkikker komt vooral voor in gebieden met schone, stilstaande wateren in de landschapstypen bos, heide en hoogveen. Tevens kan de soort voorkomen in half natuurlijke graslanden, agrarisch kleipolders met kwel, laagveen en ruderaal terrein. Het voorkeur habitat van de poelkikker bestaat uit onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oever. De sloten op de onderzoekslocatie vormen potentiële geschikte voortplantingswateren voor de poelkikker en kamsalamander. Aanwezigheid van deze soorten in de sloten op de onderzoekslocatie kan dan ook niet op voorhand worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5). Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten. Algemene soorten als bastaartkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen mogelijke beschutting vinden tussen de begroeiing grenzend aan de onderzoekslocatie. Daarnaast kunnen de sloten kunnen voortplantingsmogelijkheden bieden aan deze soorten.
Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen mogelijk negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 5).
4.6 Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
4.7 Ongewervelden Libellen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er geen beschermde libellen in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Omgevingswet een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie op grond van verspreidingsgegevens uit te sluiten. Een negatief effect is dan ook uitgesloten. Vlinders Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de teunisbloempijlstaart in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Geschikte waardplanten voor de teunisbloempijlstaart (teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart) zijn op de onder-
26151.002 versie D1
9 / 20
zoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel) populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
4.8 Planten Aangezien de locatie geheel bestaat uit een intensief beheerd akkerland is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn daarnaast geen beschermde plantensoorten aangetroffen.
4.9 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. Een Rode lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, sprinkhanen, krekels, korstmossen, landen zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren. Volgens de actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn in de afgelopen 3 jaar de haas en konijn waargenomen. Door te voldoen aan de algemene zorgplicht kan worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst.
De onderzoekslocatie bevat geschikt habitat en/of nestgelegenheden voor soorten als haas, konijn, kievit en veldleeuwerik. Door te voldoen aan de algemene zorgplicht en rekening te houden met het broedseizoen kan
26151.002 versie D1
10 / 20
worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst (zie hoofdstuk 5).
26151.002 versie D1
11 / 20
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
5.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels Steenuil De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn potentiële nestverblijfplaatsen van de steenuil aangetroffen. Hierdoor is op voorhand niet uit te sluiten dat de onderzoekslocatie als essentieel foerageergebied dient voor de steenuil. Door tijdens de inrichtingsplannen ruimte open te houden voor de steenuil om te foerageren, is het mogelijk om overtredingen te voorkomen. Deze inrichtingsplannen dienen door een ecoloog goedgekeurd te worden om te kunnen garanderen dat er voldoende potentieel foerageergebied voor de steenuil blijft Wanneer dit niet mogelijk is, dient een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden naar de steenuil. Dit aanvullend onderzoek zal bestaan uit twee veldbezoeken in de periode 15 februari t/m 15 april om de aan- of afwezigheid van de steenuil te bepalen.
Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de werkzaamheden toch binnen de broedperiode gestart dienen te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om de werkzaamheden uit te voeren zonder daarbij broedvogels te verstoren.
26151.002 versie D1
12 / 20
Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
5.2 Vleermuizen In bomen en gebouwen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Tevens kunnen lijnvormige elementen rondom de onderzoekslocatie gebruikt worden als vliegroute. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van deze potentiële verblijfplaatsen en vliegroute is te vermijden indien deze functioneel en duurzaam behouden blijven. Hiervoor wordt geadviseerd om een tijdens de werkzaamheden en in de toekomstige situatie geen additionele nachtelijke (bouw)verlichting toe te passen richting omliggende bomen. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de verlichtingstoename tot een minimum te beperken. Maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol zodat het voorkomen van overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen geborgd wordt.
5.3 Algemene grondgebonden zoogdieren Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
5.4 Amfibieën Poelkikker en kamsalamander De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Mogelijk zitten de poelkikker en de kamsalamander in de aanwezige sloten aansluitend op de onderzoekslocatie. De werkzaamheden zullen alleen op het land plaatsvinden. Om overtredingen te voorkomen, wordt hierdoor aanbevolen om de werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periode van beide soorten. Voor de poelkikker is de kwetsbare periode half oktober t/m half april en voor de kamsalamander augustus t/m maart. Na de werkzaamheden kan de onderzoekslocatie blijven dienen als landhabitat voor de amfibieën. Deze maatregelen dienen opgenomen te
26151.002 versie D1
13 / 20
worden in een ecologisch werkprotocol. Wanneer dit niet mogelijk is, dient een aanvullend onderzoek plaats te vinden om vast te stellen of de soorten voorkomen in de directe omgeving. Licht beschermde soorten De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Omgevingswet, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
5.5 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
26151.002 versie D1
14 / 20
6
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, bevindt zich op circa 6,8 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).
Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie (rood omlijnd met gele pijl aangegeven) ten opzichte van Natura 2000 (gele vlakken).
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de werkzaamheden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt waarschijnlijk noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden
26151.002 versie D1
15 / 20
onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Mogelijk kan bevoegd gezag aangeven dat stikstofonderzoek niet noodzakelijk wordt verwacht.
6.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 600 meter afstand ten noorden van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 6.2 Ligging van de onderzoekslocatie (wit omlijnd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groene vlakken).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en/of gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
26151.002 versie D1
16 / 20
7
HOUTOPSTANDEN
In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in artikel 11.111 (Bal) buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
26151.002 versie D1
17 / 20
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Kronos Solar Projects NL BV een quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan de Zonnepark Werstkant 34 te Berlicum. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Omgevingsvergunning
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van gebiedsinrichting mogelijk aanvullend onderzoek naar steenuil noodzakelijk
verblijfplaatsen
in omge- nee, mits ving
nee, mits
nee, mits
geen additionele verlichting richting de bomenrijen en woningen in de omgeving
foerageergebied
ja
nee
nee
voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar
vliegroutes
in omge- nee, mits ving
nee, mits
nee, mits
geen additionele verlichting richting de bomenrijen en woningen in de omgeving
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van egels en diverse muizensoorten
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee, mits*
nee, mits*
werken buiten kwetsbare periode van de poelkikker en kamsalamander, vastleggen in een ecologisch werkprotocol aandacht voor zorgplicht ten aanzien van bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
26151.002 versie D1
nee
18 / 20
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Omgevingsvergunning
Bijzonderheden / opmerkingen*
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Bijzonderheden / opmerkingen*
Natura 2000
6,8 km
mogelijk
mogelijk
mogelijk
mogelijk stikstofonderzoek benodigd
Natuurnetwerk Nederland
600 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Overtredingen ten aanzien van de steenuil kunnen worden voorkomen door in de inrichtingsplannen ruimte vrij te houden voor potentieel foerageergebied van de steenuil. Deze inrichtingsplannen dienen door een ecoloog goedgekeurd te worden om te kunnen garanderen dat er voldoende potentieel foerageergebied voor de steenuil blijft. Wanneer dit niet mogelijk is, dient een aanvullend ecologisch onderzoek naar de aan- of afwezigheid van de steenuil in de omgeving plaats te vinden. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (globaal lopend van maart tot half augustus). Doordat de kwetsbare periodes van de algemene broedvogels en amfibieën op elkaar aansluit, is het niet mogelijk om met beide rekening te houden voor de werkzaamheden. Hierdoor dient voorafgaand een broedvogelinspectie plaats te vinden door een ter zake kundig ecoloog. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om de werkzaamheden uit te voeren zonder daarbij broedvogels te verstoren. Overtredingen ten aanzien van de poelkikker en kamsalamander kunnen voorkomen worden door buiten de kwetsbare periode van beide soorten de werkzaamheden uit te voeren. Voor de poelkikker is dit half oktober t/m april en voor de kamsalamander augustus t/m maart.
Deze maatregelen dienen in een ecologisch werkprotocol vastgelegd te worden. Wanneer dit niet mogelijk is, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van beide soorten op de onderzoekslocatie. Overtredingen ten aanzien van potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen kunnen worden voorkomen door geen additionele (bouw) verlichting toe te passen richting de woningen en bomenrijen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Indien wel (tijdelijk) verlichting noodzakelijk blijkt te zijn dienen maatregelen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol om effecten te voorkomen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
26151.002 versie D1
19 / 20
Ten aanzien van Natura 2000-gebieden is aanvullend stikstofonderzoek benodigd. Ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland en van beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.
Econsultancy Boxmeer, 21 augustus 2024
26151.002 versie D1
20 / 20
GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2017a). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/
Opgehaald
BIJ12 (2017b). Kennisdocument steenuil. van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/
Opgehaald
Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 20 augustus 2024 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Berlicum, periode 2019-2024. NDFF. Geraadpleegd op 20 augustus 2024 van https://ndff-ecogrid.nl. Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 20 augustus 2024 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 20 augustus 2024 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 20 augustus 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 20 augustus 2024 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 20 augustus 2024 van https://www.vogelbescherming.nl/ Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten.
van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten
Geraadpleegd
op
20
augustus
2024
Provinciale bronnen www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)
BIJLAGE 1 NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar
geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.
Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •
• •
De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
BIJLAGE 2 NATUURWETGEVING Natuurnetwerk Nederland Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie is getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1 januari 2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. In de Omgevingswet staan de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 en 5 Ow en artikel 7.6, lid 1 Bkl).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden. Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen).
BIJLAGE 3 OMGEVINGSWET Omgevingswet AFDELING 2.6 BIJZONDERE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN § 2.6.3 Bijzondere bevoegdheden natuur en landschap Artikel 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan nationale parken aanwijzen. 4. Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. 5. Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000- gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. AFDELING 5.1 DE OMGEVINGSVERGUNNING § 5.1.1 Verbodsbepalingen Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een afwijkomgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d. een stortingsactiviteit op zee, e. een Natura 2000-activiteit, f.
een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk,
h.
3°. een luchthaven, 4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, een flora- en fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
§ 5.1.2 Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag Artikel 5.7 (aanvraag los of gelijktijdig) 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. 2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4. 3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.
Besluit kwaliteit leefomgeving AFDELING 7.3 INSTRUCTIEREGELS MET HET OOG OP NATUURBESCHERMING § 7.3.1 Natuurnetwerk Nederland Artikel 7.6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1. Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de wet, vormen, aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2. De militaire terreinen OT De Haar, OT De Vlasakkers, OT Havelte West, OT Leusderheide, OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide, genoemd in bijlage XIV, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd, maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland. Artikel 7.8 (beschermingsregime) 1. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet; en b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet.
2. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 3. Over militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, binnen het natuurnetwerk Nederland worden bij omgevingsverordening alleen regels gesteld die verzekeren dat tijdige compensatie plaatsvindt van de nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk door terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen.
Besluit activiteiten leefomgeving AFDELING 11.1 ACTIVITEITEN MET MOGELIJKE GEVOLGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN OF BIJZONDERE NATIONALE NATUURGEBIEDEN § 11.1.1 Algemeen Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; b.