Bijlage 3 - Bijlagen bij de ETFAL onderbouwing (BOPA motivering) Werststeeg
Tekst van het document
wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatrege-
len, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. AFDELING 11.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT DIEREN OF PLANTEN IN HET WILD § 11.2.1 Algemeen Artikel 11.27 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1˚.
van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2˚. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3˚. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4˚. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f.
het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. 3. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
Artikel 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren) Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt. § 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn Artikel 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a.
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. § 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten Artikel 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c.
het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als:
a.
b. c.
het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of de activiteit deel uitmaakt van: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Verslag veldbezoek en uitkomsten Steenuilen Datum: 13 december 2024 Aanwezigen: Marco Renes, Veldmedewerker Soortenbescherming namens Brabants Landschap Bertie Kastelijn, Lid namens Uilenwerkgroep Berlicum Dirk-Jan Klein, Projectmanager namens Kronos Solar
Tijdens het veldbezoek zijn de plannen van Kronos toegelicht. Het plangebied dient als foerageergebied voor de steenuil. Er is ook een kerkuil in het gebied, maar deze foerageert niet in het plangebied. Voor de steenuil zijn onderstaande compenserende maatregelen uiteindelijk met alle aanwezige afgestemd. Deze zijn vervolgens verwerkt in het planontwerp. Belangen Steenuil
Note
Waar toepassen
Uitwerking
Onbegraasde strook van 2 meter (keverbank)
Overgang wordt van struweel naar onbegraasde en weer begraasd.
Zoveel als mogelijk om het zonnepark.
4 meter struweel, hekwerk, 2 meter onbegraasd, 3/4 meter onbegraasd ivm voldoende onderhoudsbreedte
Wanneer onbegraasd deel binnen het zonneparkhek tijdens begrazing schapen afzetten. Onbegraasde strook op gasleiding en om het panelenveld.
Strook zelf is van 10 meter breed. Wens is combinatie van onbegraasd en begraasd en deel pad van mengranuliet.
Gasstrook aan westelijke zijde zonnepark.
gasstrook 10 meter breed, 3 meter onbegraasde aan de zijde van de panelen. Dus 4 meter begraasd in het midden
Jachtpaaltjes
Gespreid over het zonnepark als uitkijkpost voor de steenuil.
Gasleidingsstrook en buitenzijde oostelijke deel
1.5-2 meter hoog
Extra nestkasten geen nut
Er zijn er voldoende steenuilen in het territorium
n.v.t.
Knotters
Voorkeur van knotessen, als rustplaats steenuil
Oprit Werstkantzijde
10 knotessen in groepjes van 2 en 3.
Struweel
Het liefst struikvormers en geen boomvormers.
Zoveel als mogelijk om het zonnepark.
Struweel in combinatie met vruchtdragers (tbv kevers)
Inzake de rijafstanden van 25% tussen de rijen zal dit geen negatieve invloed hebben op de steenuil. Aannemelijk is dat de steenuil hierin zijn weg zal vinden. Al met al wordt het landschap kleinschaliger en met bovenstaande maatregelen juist de verwachting dat het aantrekkelijker wordt voor de steenuil om de foerageren.
BIJLAGE F
Laagland Archeologie Rapport 1449
Archeologisch bureauonderzoek
Werststeeg (ong.), Berlicum, gemeente SintMichielsgestel (NB).
december 2024 Versie 4 (definitief)
In opdracht van: KS NL43 B.V.
7 Colofon Laagland Archeologie Rapport 1449
Archeologisch bureauonderzoek Werststeeg (ong.) te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel (NB) Auteur: Jeroen Wijnen & Ronny Kost
In opdracht van: KS NL43 B.V.
Foto’s en tekeningen: Laagland Archeologie
Status rapport: definitief
Controle: Erwin Brouwer Redactie: Erwin Brouwer
ISSN 2468-4759 Laagland Archeologie BV Virulyweg 21F-G 7602 RG Almelo
E-mail: info@laaglandarcheologie.nl KvK-Nummer: 75251876
© Laagland Archeologie BV, Almelo, december 2024 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Laagland Archeologie BV aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
v3.3
Samenvatting Laagland Archeologie heeft in oktober 2024 een Archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd aan de Werststeeg (ong.) te Berlicum. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de geplande aanleg van een zonnepark. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol SIKB KNA 4002. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd. Het plangebied ligt in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss met een dekzandrug aan de zuidelijke rand van het plangebied. In de zuidwestelijke helft van het plangebied worden hoge zwarte enkeerdgronden verwacht, in de noordoostelijke helft van het plangebied worden beekeerdgronden verwacht. Onder de enkeerdgronden wordt eveneens een beekeerd-achtige ondergrond verwacht. In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de Bronstijd en Nieuwe Tijd bekend. In historische tijden (vanaf ca. 1832) werd het terrein omschreven als bouwland met enkele weilanden. Het plangebied is aldoor onbebouwd gebleven met uitzondering van een enkel gebouw, uit ca. 1970, in het zuidelijke deel van het plangebied.
De archeologische verwachting voor jager-verzamelaars (Laat-Paleolithicum tot VroegNeolithicum) is middelhoog op basis van de ligging in de nabijheid van water en dekzandruggen. De archeologische verwachting voor landbouwers (Midden-Neolithicum tot Nieuwe Tijd) is in de noordoostelijke helft van het plangebied laag in verband met de beekeerdgronden en de natte omstandigheden. In de zuidwestelijke helft van het plangebied is archeologische verwachting voor landbouwers tot in Nieuwe Tijd laag ondanks de hoge zwarte enkeerdgronden in verband met beekeerd-achtige ondergrond. Voor zuidelijke rand is de archeologisch verwachting nog wel hoog in verband met de ligging op een dekzandrug. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek worden archeologische resten verwacht, waarbij de verwachting hoog is voor de zuidelijke rand van het plangebied en laag voor de rest van het plangebied. Mogelijke bodemingrepen zullen deze resten zeer waarschijnlijk aantasten. We adviseren daarom vervolgonderzoek aan in de vorm van een verkennend booronderzoek voor de zuidelijke zone met een hoge archeologische verwachting (ongeveer 3000 m2). Hierbij worden verspreid over de toegankelijke delen van deze zone in totaal 5 grondboringen gezet. Er kan van een vervolgonderzoek worden afgezien als rekening wordt gehouden met de archeologische waarden in de planvorming en deze daarbij worden ontzien.
Gezien de aard van de minimale grondroering (veel minder dan 100m2 en 0,5 m diep ) in dit zuidelijke gebied is vervolgonderzoek alhier ook niet nodig (Zie ontwerp).
Samenvatting ___________________________________________________ 3 1 Inleiding ____________________________________________________ 5 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
Aanleiding onderzoek______________________________________________ 5 Afbakening plan- en onderzoeksgebied ________________________________ 5 Administratieve gegevens __________________________________________ 6 Huidige situatie en toekomstig gebruik ________________________________ 8 Geplande verstoring ______________________________________________ 8 Gemeentelijk beleid _______________________________________________ 9 Onderzoeksdoel __________________________________________________ 9
2 Inventarisatie ________________________________________________ 10 2.1 2.2 2.3
Inleiding_______________________________________________________ 10 Landschappelijke ontwikkeling _____________________________________ 10 Archeologie ____________________________________________________ 15
2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.4
Bekende archeologische waarden _________________________________ 15 Waarnemingen _______________________________________________ 15 AMK-terreinen ________________________________________________ 15 Gemeentelijke verwachtingskaart _________________________________ 15 Eerder archeologisch onderzoek __________________________________ 15
Historie _______________________________________________________ 16
3 Conclusie en verwachtingsmodel _________________________________ 21 3.1 3.2 3.3
Conclusie ______________________________________________________ 21 Verwachtingsmodel ______________________________________________ 21 Advies ________________________________________________________ 23
literatuur _____________________________________________________ 24 BIJLAGE 1 AMZ-cyclus __________________________________________ 26 BIJLAGE 2 Archeologische perioden________________________________ 27 BIJLAGE 3 Geomorfologische kaart ________________________________ 28 BIJLAGE 4 Actueel Hoogtebestand Nederland ________________________ 29 BIJLAGE 5 Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart ____________ 30 BIJLAGE 6 Bodemkaart _________________________________________ 31 BIJLAGE 7 Bodemdata bodemkaart ________________________________ 32 BIJLAGE 8 Waarnemingen, AMK-terreinen en onderzoeksmeldingen ______ 33 BIJLAGE 9 Verklarende woordenlijst _______________________________ 34
HOOFDSTUK
Archeologisch bureauonderzoek Werststeeg (ong.) te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, Noord-Brabant
1I
NLEIDING
1.1 AANLEIDING ONDERZOEK
De aanleiding voor het onderzoek vormt de geplande aanleg van een zonnepark aan de Werststeeg (ong.) te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel (NB). De gemeente Sint-Michielsgestel heeft een eigen archeologiebeleid. Op basis van het gemeentelijk beleid dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om aan te tonen dat eventueel aanwezige archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad door de geplande bouwactiviteiten. De opdrachtgever beoogt met het onderzoek de gemeentelijke paraaf te krijgen voor het onderdeel archeologie. Aanvullende wensen zijn niet kenbaar gemaakt.
1.2 AFBAKENING PLAN- EN ONDERZOEKSGEBIED Het plangebied betreft de Werststeeg (ong.) in Berlicum, gemeente SintMichielsgestel (NB), zie onderstaande afbeelding.
5
Archeologisch bureauonderzoek Werststeeg (ong.) te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, Noord-Brabant
Afbeelding 1. Ligging van het plan- en onderzoeksgebied. Bron: pdok.nl Het plangebied heeft een omvang van circa 9,8 ha. Voor een beter begrip van de bodemkundige omstandigheden en de archeologie van de planlocatie is een groter gebied bestudeerd. Een zone van 500 m rondom het plangebied wordt voldoende geacht om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Deze zone wordt aangeduid als ‘onderzoeksgebied’.
1.3 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ADMINISTRATIEVE GEGEVENS
1
Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Sint-Michielsgestel
Plaats
Berlicum
Beheerder/eigenaar grond
-
Toponiem
Werststeeg (ong.)
Kadastrale perceelnummer(s)1
BLC00-L-1070, -4224
Laagland Archeologie projectnummer
BEWE241
Datum conceptrapportage
1-11-2024
kadastralekaart.com 6
Archeologisch bureauonderzoek Werststeeg (ong.) te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, Noord-Brabant
Datum definitief rapport
19-11-2024
XY-coördinaten
N: 156731/410956 O: 157007/410696 Z: 156748/410447 W: 156537/410814
Kaartblad
45D
Oppervlakte/lengte Plangebied Datering
circa 9,8 ha
Complextype
Bewoning (inclusief verdediging)
Onderzoeksmeldingsnr
5657740100
AMK-terrein
n.v.t.
Vondstmeldingsnr.
n.v.t.
Type onderzoek
Archeologisch bureauonderzoek
Datum begin veldonderzoek
n.v.t.
Datum eind veldonderzoek
n.v.t.
Opdrachtgever
KS NL43 B.V.
Goedkeuring bevoegde overheid
15-11-2024
Bevoegde overheid
gemeente Sint-Michielsgestel
Adviseur namens bevoegde overheid Beheer documentatie
dhr. S. Molenaar, gemeentelijk archeoloog
2
Uitvoerder
Projectleider/opsteller onderzoek
Laat-Paleolithicum tot Nieuwe Tijd
Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant E-depot voor de Nederlandse archeologie Archief Laagland archeologie BV Laagland Archeologie BV Virulyweg 21F-G 7602 RG Almelo 06 40 61 85 50 Jeroen Wijnen jeroen.wijnen@laaglandarcheologie.nl
Tabel 1. Objectgegevens.
2
www.imergis.nl/htm/opentopo800.htm 7
Archeologisch bureauonderzoek Werststeeg (ong.) te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, Noord-Brabant
1.4 HUIDIGE SITUATIE EN TOEKOMSTIG GEBRUIK Het plangebied is momenteel in gebruik als landbouwgrond. Het terrein bevat voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse kunstwerken en er zijn geen historisch waardevolle bouwwerken in het plangebied aanwezig.3 In dit stadium is de exacte invulling van de plannen nog niet bekend. De milieutechnische condities, huidige en eventuele nieuwe waterpeil zijn eveneens niet bekend. De toekomstige gebruikers is Kronos Solar. Onderstaande afbeelding toont de huidige situatie en de gewenste nieuwe situatie.
Afbeelding 2. Huidige situatie (links) en de nieuwe situatie (rechts). Bron: pdok.nl
1.5 GEPLANDE VERSTORING De ingrepen vinden plaats binnen het plangebied. De zonnepanelen worden met stalen frames gemonteerd, die met lichte, half gesloten heipalen (U-profiel) zullen
3
bron: gemeentelijke monumentenlijst 8
Archeologisch bureauonderzoek Werststeeg (ong.) te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, Noord-Brabant
worden opgesteld. Door de lichte funderingspalen zal weinig tot geen grondroering plaatsvinden, tijdens de bouw. Graafwerkzaamheden zullen worden beperkt tot de aanleg van kabelsleuven. Er zijn kabelgeulen voor volgende verbindingen voorzien: tussen panelentafels en omvormers, tussen omvormers en trafostations, tussen trafostations en inkoopstation en voor de kabel van de netbeheerder tot aan het inkoopstation. Daarnaast komt nog een kabelgeul langs de binnenkant van het hek voor het CCTV-systeem. Verder zijn er nog enige communicatiekabels, naar het centrale punt (meestal in een container) voorzien, waarvandaan de gegevens via mobiel internet of satelliet naar buiten worden gecommuniceerd. De kabelsleuven liggen dieper dan 30 cm, maar wanneer de archeologische grens voor bodemverstoring bereikt wordt, worden voor de overige m2 de kabels in 30 cm diepe betonsleuven gelegd. De diepte van de geplande verstoring reikt vermoedelijk overwegend niet dieper dan ongeveer 100 cm –mv.
1.6 GEMEENTELIJK BELEID Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. In het omgevingsplan is aangegeven dat archeologisch onderzoek is vereist bij ingrepen groter dan 100 m 2, indien geen andere regeling is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de zogenaamde ‘bruidsschat’, waarin de oude bestemmingsplannen zijn opgenomen). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om die bestemmingsplannen om te zetten naar nieuwe onderdelen van het omgevingsplan. In de praktijk geldt dus nog het oude bestemmingsplan. Hierin is geregeld dat archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen 100 m2 en dieper dan 50 cm -mv. De omvang van de geplande verstoringen overschrijdt de vrijstellingsgrenzen zoals die in het vigerende Omgevingsplan zijn aangegeven.
1.7 ONDERZOEKSDOEL Het uitgevoerde onderzoek behoort tot de eerste fasen in het huidige archeologische onderzoeksproces (zie bijlage 1). De initiatiefnemer beoogt met het hier uitgevoerde onderzoek te voldoen aan de gemeentelijke regelgeving omtrent archeologisch onderzoek. Het bureauonderzoek heeft tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen aan de hand van bestaande bronnen, en te bepalen of en zo ja welke delen van het plangebied in aanmerking komen voor vervolgonderzoek. Het verwachtingsmodel wordt getoetst en zo nodig aangevuld door middel van een verkennend booronderzoek. Op grond van de resultaten van dit onderzoek kan worden beoordeeld of en zo ja, welke vorm van vervolgonderzoek nodig is om de archeologische waarde van het gebied te kunnen vaststellen.
9
HOOFDSTUK
Archeologisch bureauonderzoek Werststeeg (ong.) te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, Noord-Brabant
2I
NVENTARISATIE
2.1 INLEIDING In dit hoofdstuk worden de relevante landschappelijke ontwikkeling en huidige bodemkundige situatie beschreven. Tevens wordt ingegaan op de bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied en de historische situatie. Voor wat betreft de in de tekst genoemde archeologische perioden wordt verwezen naar bijlage 2.
2.2 LANDSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING Het plangebied ligt in het Brabants zandgebied. Het Brabants zandgebied is een relatief vlak gebied waar gedurende de laatste ijstijd door de wind dikke pakketten dekzand werden afgezet. Een fijn vertakt stelsel van beken loopt door het gebied heen.4 Het onderzoeksgebied maakt deel uit van het zuidelijke dekzandlandschap en bevindt zich in de Roerdalslenk. Deze Roerdalslenk is een structureel laag gebied dat daalt ten opzichte van de hoger gelegen Peelhorst in het noordoosten en het Kempisch Hoog in het zuidwesten. In de bodem van de Roerdalslenk heeft zich, door zijn langdurige dalingsgeschiedenis in de laatste twee miljoen jaar, een dik pakket sedimenten afgezet door rivieren, sneeuwsmeltwater en wind afgezet. Het dekzandreliëf dat zich nu aan de oppervlakte toont, heeft zich in eerste instantie gevormd aan het einde van de laatste IJstijd (Weichselien). In Nederland heerste toen een periglaciaal klimaat. Tijdens deze fase en daarvoor zijn er dikke pakketten zand en leem afgezet in de Roerdalslenk. De afzettingen die van belang zijn bestaan uit fluvioperiglaciale afzettingen, de Brabantse Leem en de dekzanden. De fluvioperiglaciale afzettingen komen vaak voor in brede dalvormen die de loop van de voormalige smeltwaterafvoer markeren.
Dit smeltwater was afkomstig van de sneeuw en de bovenlaag in de permafrost die in de zomerperiode ontdooiden. De fluvioperiglaciale afzettingen die zich deels in de ondergrond van het onderzoeksgebied moeten bevinden dateren uit het Weichselien. Wellicht bevinden zich soortgelijke oudere afzettingen vanaf het Elsterien op grotere diepte binnen de omgeving van het plangebied.5 Ingeschakeld in de fluvioperiglaciale afzettingen bevinden zich leemlagen, waarvan aaneengesloten leemhoudende sedimentlagen van tenminste 50 cm dikte bekend staan als de Brabantse Leem.6 De Brabantse Leem is een compacte laag, die meestal bedekt is met dekzanden of beekafzettingen. De als Brabantse Leem bekendstaande afzetting wordt gerekend tot
cultureelerfgoed.nl Bisschops e.a. 1985, 92-97. 6 Ibid, 143. 4 5
10