Bijlage 2 Motivering TAM-omgevingsplan Bramerslandstraat Den Dungen d.d. 1 juli 2026
Tekst van het document
3.4.7.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief in overeenstemming is met het beleid.
26 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Hoofdstuk 4 4.1
Archeologie
4.1.1
Wettelijk kader
Omgevingsaspecten
De essentie van het Europees beleid, conform het verdrag van Malta 1992, is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden zodat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de Omgevingswet, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Middels deze kaarten kan worden afgeleid wat de archeologische en/of cultuurhistorische verwachting en het bijbehorende beleidsadvies is voor een specifieke locatie.
Dit beleidsadvies schrijft per verwachting zowel drempelwaarden voor waarboven onderzoek benodigd wordt geacht, als welke onderzoeken dit betreft. De archeologische waarden en verwachtingen, alsook de cultuurhistorische waarden, zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, welke zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. De dubbelbestemming is vaak gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart in combinatie met aanvullende informatie uit onderzoeken. Normaliter is de geldende dubbelbestemming bepalend ten opzichte van de beleidskaart. Voor de exacte ligging van de archeologische en verwachtingen en cultuurhistorische waarden met betrekking tot de zoekgebieden, wordt verwezen naar beleidskaarten welke onderdeel uitmaken van de kaartenboeken in de bijlagen.
4.1.2
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling is een gecombineerd archeologische bureau- booronderzoek uitgevoerd door Lycens B.V. De bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 3 Archeologisch verkennend onderzoek. Op de gemeentelijke beleidskaart is aan het perceel een middelhoge tot hoge verwachting gegeven. Deze verwachting is op basis van het bureauonderzoek gehandhaafd vanwege de ligging op de overgang van de hoger gelegen zandgronden naar het beekdal. Uit onderzoeken uit omgeving is gebleken dat de bodem in het omliggende gebied in hoge mate verstoord is. Het verkennende onderzoek heeft aangetoond dat het overgrote deel van het plangebied is gelegen op de flank van de hoger gelegen dekzandgronden richting een beekdal ten noordwesten. Onder het in de meeste boringen aangetroffen plaggendek, is over het algemeen direct de C-horizont aangetroffen. De top van het dekzand is duidelijk vergraven, alleen in boring 1 is een restant van een als B-horizont geïnterpreteerde laag waargenomen op een diepte van 1,25 m -mv. (3,85 m NAP). In boring 2 zijn lagen aangetroffen die geïnterpreteerd kunnen worden als het resultaat van diepe subrecente bodemverstoring gerelateerd aan de kassen die hier hebben gestaan. Op basis van het uitgevoerde onderzoek heeft de gemeente Sint-Michelsgestel een selectiebesluit genomen.
Hierin is geadviseerd nader archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuven. Hiermee kan de eventuele aanwezigheid van archeologische complexen worden vastgesteld en relevante waarnemingen worden verricht aan de landschappelijke ontwikkeling van het gebied. Hieraan dient een goedgekeurd Programma van Eisen ten grondslag te liggen. Door Lycens B.V. is een Programma van Eisen opgesteld, deze is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 4 Programma van Eisen. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd en opgenomen in Bijlage 5 Archeologisch proefsleuvenonderzoek. Het veldonderzoek heeft een archeologische vindplaats opgeleverd bestaande uit greppels en enkele kleine sporen die op basis van vastgestelde criteria als niet behoudenswaardig is gewaardeerd. Er is geadviseerd de locatie vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit advies is overgenomen in Bijlage 6 Selectieadvies archeologisch proefsleuvenonderzoek waarin wordt gesteld dat het onderzoek naar tevredenheid is uitgevoerd en goedgekeurd. Met dit onderzoek is de archeologische waarde van het terrein voldoende vastgesteld. De gemeente sluit zich aan bij het advies van Lycens om het terrein, voor wat betreft archeologie, vrij te geven voor verdere ontwikkeling.
27 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
4.1.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Op basis van deze onderzoeken is de archeologische waarde op de verbeelding komen te vervallen en zijn geen planregels opgenomen voor archeologie. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
4.1.4
Conclusie
Met betrekking tot archeologie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.2
Activiteiten en Milieuzonering
4.2.1
Wettelijk kader
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gaf al in 2017 aan dat de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering 2009' (ook bekend als het 'paarse boekje' en in de jaren voor 2009 het 'groene boekje') niet meer geschikt was voor toepassing onder de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat immers meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. Hiervoor publiceerde de VNG in 2019 een regel-systematiek onder de naam 'Milieuzonering nieuwe stijl', voor toepassing onder de Crisis- en herstelwet. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBI-code en de daarbij behorende richtafstanden. De nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019. Onderzocht moet worden of de woningbouw ter plaatse van de locatie mogelijk is met het oog op de garantie van een goed woon- en leefklimaat. Hiertoe wordt mogelijke hinder van in de omgeving gesitueerde activiteiten beoordeeld. Tevens moet beoordeeld worden of de nieuwe gevoelige functie leidt tot een belemmering van bestaande activiteiten.
Er dienen kortgezegd twee vragen beantwoord te worden: Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? (belang toekomstige bewoners woningen / gevoelige objecten) Wordt niemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang omliggende activiteiten / bedrijven) Deze vragen worden op basis van de planologische situatie geanalyseerd. In een grotere straal rondom de planlocatie liggen ook andere bedrijven. Deze worden niet beoordeeld. Dit is passend met het feit dat al veel andere, reeds belemmerende functies, voornamelijk andere woningen, dichterbij die bedrijven liggen, waardoor deze niet belemmerd worden door de onderhavige ontwikkeling. Daarnaast zijn de afstanden tot die bedrijven dermate groot dat deze geen invloed hebben op het woon- en leefklimaat. De regels voor milieuzonering onder de Omgevingswet zijn veranderd, er is geen sprake van een beleidsneutrale overgang. Het beleid ten aanzien van 'geur' en 'geluid' is onder het regime van de Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.6 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van de 'staalkaart' kan er aan individuele bedrijven een milieucontour worden toegekend in het omgevingsplan en wordt er alsdan niet meer gewerkt met vaste richtafstanden.
In de huidige transitiefase is dit nog niet uitwerkt in het omgevingsplan van de gemeente Sint-Michielsgestel. De VNG heeft voor milieuzonering onder het regime van de Omgevingswet een brochure opgesteld, te weten het servicedocument 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet', welke bruikbaar is in de vertaling van het voorheen geldende bestemmingsplanregime. Daarbij hoort tevens een tabel met een nieuwe indeling van afstanden, deze is onderstaand opgenomen als Tabel 1. Tabel 1: Richtafstanden en categorieën Afstand in meters 10 30 50 100 200 300 28 at Den Dungen
Geur FM 1 2 3 3 IT
Geluid FM 1 2 3 4 IT bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
De letters 'FM' staan voor functiemenging. De letters 'IT' staan voor industrieterrein. Uit de tabel volgt dat niet simpelweg gesteld kan worden dat de huidige milieucategorieën cijfermatig hetzelfde blijven als de toekomstige afstandscategorieën. Ook onder het Omgevingswet-regime kunnen afstanden naar beneden worden bijgesteld, mits onderzoek is gedaan naar de aspecten geur en geluid.
4.2.2
Onderzoek
Voorliggend plan maakt nieuwe milieugevoelige objecten mogelijk in het plangebied in de vorm van woningen. De woningen betreffen geen milieuhinderlijke activiteiten. Van externe invloed (milieuhinder op bestaande gevoelige functies) is geen sprake. De nieuwe woningen worden gerealiseerd in een woonomgeving in de bebouwde kom van Den Dungen. Zoals beschreven in 2.1 Huidige situatie is sprake van een woonomgeving zonder functiemenging. Binnen een straal van 150 meter van het plangebied bevindt zich één mogelijke milieuhinderlijk functie/activiteit. Dit betreft een functie bij het naastgelegen perceel Bramerslandstraat 17a. Op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn de gronden aangewezen voor het wonen met een bouwvlak met de aanduiding 'bedrijf'. Artikel 15.1 van het bestemmingsplan 'Den Dungen/Maaskantje' beschrijft dat ter plaatse een bedrijf zoals aangeduid in categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bijlage is toegestaan. Hiermee zijn, op basis van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bedrijven met een maximale milieuhindercontour van 30 meter toegestaan. Op basis van Google Maps is ter plaatse een bedrijf van het type Camperwerkplaats gevestigd.
Geconstateerd wordt dat hiermee sprake is van een bedrijf van het type 'Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven' gezien in de hal montage en reparatiewerkzaamheden aan motorvoertuigen plaatsvinden. Voor de categorie geldt, in een rustige woonwijk zoals daar sprake van is, een richtafstand van 30 meter vanwege geluid. Ten behoeve van de beoordeling van mogelijke milieuhinder is het ontwerp in een Geografisch Informatie Systeem (GIS) programma geladen. Rondom het bouwvlak met de functieaanduiding is een contour van 30 meter gegenereerd. Figuur 11 toont het resultaat van deze analyse. Hieruit blijkt dat de nieuwe woningen buiten de hindercontour van het bedrijf liggen. Daarmee zal bij de woningen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Tevens wordt het bedrijf niet nader gehinderd in de planologische gebruiksmogelijkheden.
Figuur 11: Milieucontour 30 m In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen gesitueerd, figuur 12 toont de dichtstbijzijnde bedrijven. Het meest nabijgelegen bedrijf betreft Bosscheweg 41a, dit betreft een bedrijf met vleesvee. De afstand van een nieuwe woning tot het 29 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
agrarische bouwvlak van het betreffende bedrijf is circa 230 meter. Overige bedrijven in de omgeving van het plangebied betreffen melkveehouderijen. Afstanden tot het plangebied variëren tussen de 300 en 700 meter. Op deze afstand wordt geen milieuhinder (geur) verwacht. Binnen 2 kilometer van de locatie zijn geen geitenhouderijen aanwezig. In die zin is geen sprake van een milieubelemmering vanwege fijnstof (luchtkwaliteit).
Figuur 12: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied Overige bestaande bedrijven en functies vormen geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.2.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Ten behoeve van het woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen is een afstand van 30 meter tot het naastgelegen bedrijf aangehouden. Deze afstand is vastgelegd met de bouwvlakken waarbinnen de woningen dienen te worden gerealiseerd. Op die wijze is geborgd dat ter plaatse van de functie wonen sprake is van een goed (gezond) woon- en leefklimaat. Het plaatselijke woon- en leefklimaat zal goed zijn. Bedrijven worden niet in de bedrijfsvoering beperkt.
4.2.4
Conclusie
Met betrekking tot activiteiten en milieuzonering is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3
Bodem
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).
30 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
4.3.1
Wettelijk kader
Om het omgevingsplan te wijzigingen waarmee een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan, dient op grond van artikel 5.89ka en 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
4.3.2
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft Milon B.V. een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 7 Verkennend bodemonderzoek. Voor de volledige bevindingen en conclusies van het onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Op basis van het vooronderzoek was de hypothese dat op de locatie geen bodemverontreiniging aanwezig is. Daarom is gekozen voor de onderzoeksstrategie onverdachte locatie en wordt de bodem onderzocht op de parameters van het standaardpakket. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen bodemvreemde bijmengingen of bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat in de grond geen verhoogde gehalten aanwezig zijn. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium aangetoond welke vermoedelijk een verhoogde achtergrondconcentratie betreft. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Vervolgonderzoek werd niet noodzakelijk geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het beoogde gebruik van de locatie voor het wonen.
4.3.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Op basis van de onderzoeksresultaten zijn geen maatregelen noodzakelijk.
4.3.4
Conclusie
Met betrekking tot bodem is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.4
Cultuurhistorie
4.4.1
Wettelijk kader
De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten verplaatsing van beschermde monumenten gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand aantasting van de omgeving van een beschermd monument aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen conserveren en in stand houden van archeologische monumenten De gemeente Sint-Michielsgestel beschikt niet over een cultuurhistorische waardenkaart. Voor de bescherming van het gemeentelijke erfgoed heeft de gemeente een erfgoedverordening. Daarnaast beschikt de gemeente over een Erfgoedregister in de vorm van een monumentenlijst. 31 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
4.4.2
Onderzoek
Het plangebied kent twee archeologische dubbelbestemmingen, derhalve is archeologisch onderzoek uitgevoerd (4.1 Archeologie). Hierin zijn enkele bevindingen beschreven welke relevant zijn met betrekking tot cultuurhistorie. In het plangebied en de directe omgeving ervan zijn geen AMK-terreinen aangewezen. Er bevonden zich wel zes rijksmonumenten binnen het onderzoeksgebied van het archeologische onderzoek. Het gaat hier om cultureel erfgoed in de vorm van monumentale gebouwen. Monument 329582, Flaas 2, 5275 HH te Den Dungen, betreft een in rode baksteen opgetrokken, waarschijnlijk laat 17e eeuwse boerderij. Monument 14187, Bosscheweg 30, 5275 HB te Den Dungen, betreft een boerderij onder rieten wolfdak en met inspringend gedeelte aan de kopgevel. Monument 14186, Bosscheweg 24, 5275 HB te Den Dungen, betreft een boerderij van het Kempische langgeveltype. Monument 42152, Bosscheweg 20, 5275 HB te Den Dungen, betreft een boerderij van het Kempische langgeveltype met jaarankers 1823. Monument 14191, H.Hartplein 1, 5275 BM te Den Dungen, betreft de R.K. Kerk van St. Jacobus de Meerdere. Dit is een bakstenen gebouw uit het begin van de 16e eeuw. Monument 14189, Grinsel 1, 5275 JL te Den Dungen, betreft meerdere vroeg negentiende-eeuwse dorpswoningen.
Figuur 13: Uitsnede archeologisch onderzoek Lycens B.V. archeologische- en cultuurhistorische waarden In het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van cultuurhistorische waarden. In de omgeving gesitueerde cultuurhistorische waarden ondervinden geen afbreuk als gevolg van de realisatie van negen woningen in het plangebied. Voor wat betreft cultuurhistorie is geen sprake van een belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling gaan geen cultuurhistorische waarden verloren. Er is geen sprake van een belemmering.
4.4.4
Conclusie
Met betrekking tot cultuurhistorie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
32 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
4.5
Duurzaamheid
Duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkeling betekent onder andere dat voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen, op het gebied van bijvoorbeeld bodem, lucht en geluid. Daarnaast betekent duurzaamheid aandacht voor water (o.a. waterberging, met het oog op de voortgaande klimaatverandering) en voor inrichting van de openbare ruimte (materiaalgebruik, verharding, groen, verlichting). Tot slot zijn circulariteit en energie speerpunten als het gaat om duurzaamheid.
4.5.1
Wettelijk kader
De gemeente Sint-Michielsgestel beschikt niet over duurzaamheidsbeleid dat relevant is voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling.
4.5.2
Onderzoek
In casu wordt in het onderhavige initiatief voldaan aan de wettelijke milieueisen op het gebied van bodem, lucht en geluid. Dit volgt uit dit hoofdstuk en de behandelde omgevingsaspecten. Tevens wordt op een duurzame wijze omgegaan met water en klimaatadaptatie. De woningen worden voor zover mogelijk energieneutraal en geschikt voor EPV tenzij de nieuwe EPV 2.0 regeling andere inzichten met zich meebrengt. Bij de aanvraag van de technische bouwactiviteit wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de duurzaamheidsvereisten van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Met het onderhavige initiatief worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt binnen bestaande stedelijk gebied. In de bestaande situatie is reeds sprake van een stedelijk gebruik aangezien de gronden in het omgevingsplan zijn aangewezen voor wonen en tuin. Daarmee is met het onderhavige initiatief sprake van stedelijke inbreiding. Met het oog op duurzaam ruimtegebruik (Ladder voor duurzame verstedelijking) gaat inbreiding voor uitbreiding. Met onderhavig initiatief is daarmee tevens sprake van duurzaam ruimtegebruik.
4.5.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Onderhavig plan maakt toekomstbestendige woningen mogelijk voor een doelgroep waarin grote behoefte bestaat aan woningen. Er wordt voorzien in een groene parkachtige inrichting met ruimte voor waterberging. De woningen zijn duurzaam in het energieverbruik.
4.5.4
Conclusie
Met betrekking tot duurzaamheid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.6
Geluid
Op grond van de Omgevingswet is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
4.6.1
Wettelijk kader
Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de instructieregels in paragraaf 5.1.4.2 Bkl waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Per geluidbronsoort moet de geluidbelasting worden bepaald en worden getoetst aan onderstaande standaardwaarden en grenswaarden uit het Bkl (art. 3.34). Allereerst moet worden vastgesteld of een plan in een aandachtsgebied is gelegen. Indien dit het geval is, dan gelden er standaardwaarden waar het geluid op geluidgevoelige objecten niet boven uit mag komen. Tabel 2: Standaardwaarde geluid en grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Grenswaarde Provinciale wegen 50 L den 65 L den Rijkswegen Gemeentewegen 53 L den 70 L den Waterschapswegen 33 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen
55 L den
70 L den
50 Lden 40 Lnight
60 Lden 50 Lnight
Indien de geluidbelasting op een plan voor een bepaalde geluidbronsoort hoger is dan de standaardwaarde, dan moet een afweging worden gemaakt waarbij maatregelen en beleid wordt betrokken. Na dit aanvullend onderzoek is het mogelijk dat een gemeente afwijkt van de standaardwaarden en bij de besluitvorming een hogere grenswaarde vaststelt. Indien er voor meerdere bronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden zal ook de cumulatieve geluidbelasting moeten worden bepaald en worden afgewogen. Uiteindelijk is de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet vooral een decentrale afweging, hierdoor is maatwerk mogelijk. Geluidaandachtsgebieden Onder de Omgevingswet wordt, conform artikel 3.20 Bkl, gewerkt met geluidaandachtsgebieden. Dit zijn gebieden/zones langs een (spoorweg) of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Binnen de geluidaandachtsgebieden moet de geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouwen worden getoetst aan de in de wet opgenomen geluidnormen. Deze geluidaandachtsgebieden worden door gemeente vastgelegd in het Omgevingsplan. De breedte van het geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de geluidemissie van de bron en staat in directe verbinding met de volgende twee begrippen: ‘geluidproductieplafond’ en ‘basisgeluidemissie’.
Het geluidproductieplafond (Gpp) betreft referentiepunten waarop de toegestane geluidproductie voor de bron is aangegeven. De hoogte van de Gpp bepaald de omvang van het aandachtsgebied. Het aandachtsgebied wordt in een Omgevingsplan vastgelegd voor rijkswegen en provinciale wegen. Voor gemeentelijke wegen met een verkeersintensiteit vanaf 1.000 motorvoertuigen per etmaal is de Basisgeluidemissie (Bge) ingevoerd. De gemeente legt de bge vast in het geluidregister en monitort vijfjaarlijks de ontwikkelingen van het geluid. Het aandachtsgebied wordt vastgelegd in dit geluidregister. Zolang er geen Gpp of Bge is vastgesteld gelden, voor het bepalen van de omvang van het geluidaandachtsgebied, de regels uit bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Ook bevat het Bkl geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Daarnaast zijn regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Voor de periode waarin nog geen aandachtsgebieden zijn opgenomen in het Omgevingsplan, is er een overgangssituatie.
In deze gevallen worden in de basis de onderzoekszones onder de voormalige Wet geluidhinder aangehouden als zijnde aandachtsgebied. Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m. Geluidgevoelige gebouwen & ruimten De geldende geluidsnormen onder de Omgevingswet hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze geluidsnormen hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond gebouwen waar mensen langdurig verblijven en slapen. De geluidgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c.
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Aansluitend hierop betreft een geluidgevoelige ruimte, conform artikel 3.22 Bkl, een verblijfsruimte of verblijfsgebied van bovenstaande geluidgevoelige gebouwen. Het gewenste binnenniveau voor geluid betreft 33dB (onder voorwaarden is een maximaal binnenniveau van 38dB mogelijk). Indien een hogere grenswaarde wordt toegestaan, moet door middel van een gevelisolatieberekening worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de woning de maximaal toelaatbare waarde van 33 dB niet overschrijdt. Bij een nieuwe woning maakt de gevelisolatieberekening onderdeel uit van de bouwaanvraag. Onder de Omgevingswet is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel het uitgangspunt. Om het gezamenlijk geluid te bepalen van wegverkeerslawaai worden de wegen met Gpp’s en zonder Gpp’s bij elkaar opgeteld.
34 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
4.6.2
Onderzoek
Het plangebied is gesitueerd in de bebouwde kom van Den Dungen. Op basis van figuur 14 ligt het plangebied niet in een geluidaandachtsgebied van een rijks- of provinciale weg.
Figuur 14: Uitsnede CVGG (plangebied bij blauwe pijl) De gemeente Sint-Michielsgestel heeft in het omgevingsplan nog geen geluidaandachtsgebieden vastgesteld. In dat geval dienen standaard zones van 100, 200 en 350 meter te worden gehanteerd afhankelijk van het aantal rijkstroken. Het plangebied ligt daarmee in het aandachtsgebied van verschillende gemeentelijke wegen. Derhalve zijn bij de provincie Noord-Brabant verkeersgegevens van deze wegen opgevraagd. Figuren 15 en 16 maken de modelmatige verkeersintensiteiten in 2030 en 2040 inzichtelijk. Voor de Bramerslandstraat is sprake van een intensiteit tussen de 522 en 611 in 2030 en 525 en 624 in 2040. Met deze verkeersintensiteiten is het optreden van geluidbelasting onwaarschijnlijk.
35 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 15: Verkeersintensiteiten Den Dungen 2030
36 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 16: Verkeersintensiteiten Den Dungen 2040 Tot slot toont figuur 17 de een globale berekening van de geluidbelasting op basis van modelmatige berekeningen van het RIVM. Op basis hiervan is in het plangebied sprake van een geluidbelasting van maximaal 50 dB. Hiermee is het zeer onwaarschijnlijk dat in het plangebied in de toekomstige situatie niet wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB.
Figuur 17: Modelmatige geluidbelasting RIVM (atlasvoordeleefomgeving)
4.6.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Op basis van de onderzoeksresultaten zijn geen maatregelen noodzakelijk.
4.6.4
Conclusie
Met betrekking tot geluid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.7
Geur
Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.
4.7.1
Wettelijk kader
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
37 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft in het omgevingsplan nog geen omgevingswaarden voor geur opgenomen. De gemeente beschikt over een geurverordening, de 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel'. Voor- en achtergrondbelasting De geurhinder wordt bepaald door de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting in het gebied. Onder achtergrondbelasting verstaan we de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van een veehouderij welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen.
De voorgrondbelasting is van belang voor het bepalen van de verwachte hinder omdat uit onderzoek is gebleken dat de geurhinder als gevolg van de voorgrondbelasting hoger is dan als gevolg van de achtergrondbelasting, bij gelijke belastingen. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder als de voorgrondbelasting meer dan de helft van de achtergrondbelasting bedraagt. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen worden gegarandeerd alsmede moet geen sprake zijn van negatieve omgekeerde werking voor omliggende veehouderijen.
4.7.2
Onderzoek
In de bij de geurverordening behorende geurnormenkaart is het plangebied aangewezen als Woonkern. Op grond van artikel 3 van de geurverordening geldt voor het plangebied daarmee een maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object van 2,0 odour units / m3. Daarnaast geldt een minimale afstand van 50 meter tussen veehouderijen en gevoelige objecten in de bebouwde kom. Met voorliggend plan worden negen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen gesitueerd, figuur 18 toont de dichtstbijzijnde bedrijven. Het meest nabijgelegen bedrijf betreft Bosscheweg 41A, dit betreft een bedrijf met vleesvee. De afstand van een nieuwe woning tot het agrarische bouwvlak van het betreffende bedrijf is circa 230 meter. De afstand van de dichtstbijzijnde nieuwe woning tot de veestallen bedraagt circa 265 meter (zie 4.9.2 Onderzoek). Overige bedrijven in de omgeving van het plangebied betreffen melkveehouderijen. Afstanden tot het plangebied variëren tussen de 300 en 700 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstanden van 50 meter en 100 meter van plangrens tot agrarisch bedrijf (figuur 19).
Figuur 18: Veehouderijen omgeving plangebied
38 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 19: Aan te houden richtafstanden geur Voorgrondbelasting Gelet op de geuremissie in relatie tot de afstand tot de planlocatie vormt de voorgrondbelasting van veehouderijen geen belemmering voor het plan. Dit is ook af te leiden uit figuur 20 (achtergrondbelasting). Aangezien de cumulatieve geurbelasting niet hoger is dan 3 ouE/m3 zal de individuele geurbelasting deze waarde ook niet overstijgen.
Achtergrondbelasting Voor de beoordeling van de achtergrondbelasting is gebruik gemaakt van de geurkaart van de ODZOB. Op basis van figuur 19 is voor het plangebied sprake van een achtergrondbelasting van minder dan 3 ouE/m3. Deze kaart kan een indicatief beeld geven van de achtergrondbelasting voor geur op een locatie. Omdat binnen enkele honderden meters wel een veehouderij met geuremissie is gelegen, is de kaart van de ODZOB niet gedetailleerd genoeg.
39 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 20: Achtergrondbelasting geur Den Dungen (plangebied bij blauwe pijl) Omdat de kaart van de ODZOB uitsluitend een indicatief beeld van de achtergrondbelasting tonen zijn de bedrijven in de omgeving van het plangebied nader beschouwd. Hiertoe zijn de gegevens van de I-GO geolaag van vergunningen en vergunninghouders beoordeeld. Figuur 21 toont een kaart van het plangebied met daaromheen een zone van 2 kilometer. In deze zone liggen agrarische bedrijven die mogelijk van invloed zijn op de achtergrondbelasting. Naast het type dieren dat in de laag zijn opgenomen bevat de data tevens de (vergunde) NH3, geur en fijnstofemissies van de betreffende bedrijven. De figuur toont de voor de bedrijven opgenomen geuremissies. De legenda geeft inzicht in hoe hoog deze emissies kunnen zijn. Voor de bedrijven in de 2 km zone variëren de emissies van 0 tot 9256 (figuur 22). Circa de helft van de bedrijven heeft geen geuremissie. Alle geuremissies vallen in de eerste categorie van de legenda met relatief lage geuremissies. Daarbij komen de in de ODZOB kaart weergeven clusters overeen met de in onderstaande kaart weergeven locaties van bedrijven met een geuremissie hoger dan 0. Op basis van deze informatie wordt geconstateerd dat het beeld van de indicatieve kaart een voldoende betrouwbaar beeld schetst van de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied. Deze is zeer goed.
Tot slot kan worden aangedragen dat het voor geur maatgevende agrarische bedrijf de Bosscheweg 41A betreft. Deze veehouderij houdt vlees(rund)vee. Zoals eerder geconstateerd wordt voldaan aan de richtafstanden van 50 en 100 meter. In aanvulling daarop wordt eveneens voldaan aan de richtafstanden van de VNG vanuit milieuzonering. Op basis van de "oude" werkwijze met vaste richtafstanden geldt voor een bedrijf in de categorie "fokken en houden van rundvee" een richtafstand van 100 meter vanwege geur. Volgens de nieuwe handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' geldt voor deze categorie vanwege het aspect geur positie 3. Met een afstand van de dichtstbijzijnde nieuwe woning tot de stallen van de veehouderij van 265 meter wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Het optreden van geurhinder in het plangebied is daarmee onwaarschijnlijk. Hiermee is voor wat betreft geur sprake van een goed leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
40 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 21: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied met geuremissie
Figuur 22: Tabeluitsnede betreffende veehouderijen met hun geuremissie
41 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
4.7.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Er wordt voldaan aan de regels met betrekking tot geur het treffen van maatregelen is niet noodzakelijk.
4.7.4
Conclusie
Met betrekking tot geur is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.8
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel van het Rijk ten behoeve van een zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling ook binnen het stedelijk gebied mogelijk is.
4.8.1
Wettelijk kader
In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
4.8.2
Onderzoek
In casu is sprake van de netto toevoeging van negen wooneenheden. Hiermee is sprake van minder dan 11 woningen zoals bedoeld in de uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 waardoor geen sprake is van stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft derhalve niet te worden doorlopen.
4.8.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Met het onderhavige initiatief worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt binnen bestaande stedelijk gebied. In de bestaande situatie is reeds sprake van een stedelijk gebruik aangezien de gronden in het omgevingsplan zijn aangewezen voor wonen en tuin. Daarmee is met het onderhavige initiatief sprake van stedelijke inbreiding. Met het oog op duurzaam ruimtegebruik (Ladder voor duurzame verstedelijking) gaat inbreiding voor uitbreiding. Met onderhavig initiatief is daarmee sprake van duurzaam ruimtegebruik.
4.8.4
Conclusie
Met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.9
Luchtkwaliteit
Als een gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dan moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
4.9.1
Wettelijk kader
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden.
42 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstof- dioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Tabel 4 toont de relevante omgevingswaarden. Tabel 4: Omgevingswaarden luchtkwaliteit Stof Stikstofoxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Omgevingswaarde (µg/m 3) 40 40 25
Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; bij de aanleg van een auto(snel)weg.
Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde (vanaf ingangsdatum) danwel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.
De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
4.9.2
Onderzoek
Toets omgevingswaarden In paragraaf 4.11 Verkeer en Parkeren is de toekomstige verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Figuur 20 toont het resultaat van de NIBM-tool, hieruit volgt dat het plan in 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van figuren 21, 22 en 23 is ter plaatse van het plangebied sprake van de in tabel 5 weergeven waarden voor wat betreft luchtkwaliteit. Geconstateerd wordt dat het plan voldoet aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit.
43 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 20: NIBM-tool Tabel 5: Omgevingswaarden luchtkwaliteit Stof
Omgevingswaarde (µg/m 3)
Stikstofoxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
40 40 25
Toetswaarde (Atlas voor de leefomgeving) 14 18 10
Figuur 21: Uitsnede luchtkwaliteitskaart stikstofdioxide (NO2)
44 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 22: Uitsnede luchtkwaliteitskaart fijnstof (PM10)
Figuur 23: Uitsnede luchtkwaliteitskaart fijnstof (PM2,5) Aanvaardbaar leefklimaat Gezien de omgeving van de planlocatie en de ligging van veehouderijen rondom de planlocatie is het belangrijk om te toetsen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties binnen de planlocatie voor het aspect volksgezondheid. In oktober 2011 heeft GGD(Gemeentelijke Gezondheidsdienst) Nederland het standpunt ingenomen dat bij planontwikkeling (nieuwe huizen of andere gevoelige bestemmingen of nieuwe (melk- of vlees)veehouderijen) bij voorkeur een afstand van minimaal 250 meter aangehouden wordt tussen veehouderijen en een bebouwde kom of gevoelige bestemmingen (inclusief burgerwoningen). Dit advies is niet wetenschappelijk onderbouwd op basis van dosis- respons relaties, maar gebaseerd op hogere concentraties fijn stof, endotoxinen en markers voor de v-MRSA(Methicilline-resistente Staphylococcus aureus ) bacterie binnen deze afstand (De Wolf, 2015; Hagenaars et al., 2017). De concentraties nemen af naarmate de afstand tot veehouderijen groter wordt. Door een specifieke afstand te noemen, stimuleert de GGD dat in situaties met een mogelijk risico voor de publieke gezondheid, gezondheid wordt meegewogen in de besluitvorming. In onderstaande figuur 24 zijn de 250 meter contouren van omliggende veehouderijen in kaart gebracht.
Het plangebied ligt binnen de 250 m contour van twee veehouderen: Bosscheweg 41A (vleesvee) Donksestraat 19 (melkrundvee) 45 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 24: Veehouderijen waarvan het plangebied binnen de 250 meter contour ligt De contour van de Donksestraat 19 raakt enkel de zuidelijke punt van het plangebied. Hier worden geen woningen mogelijk gemaakt (figuur 25). Mogelijke effecten van deze veehouderij voor de luchtkwaliteit behoeven daarom geen nadere beschouwing.
46 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 25: Contouren ten opzichte van plankaart De 250 meter contour is in beeld gebracht vanaf het punt dat is opgenomen in een openbare kaartlaag van de omgevingsdient (I-GO). De punt is geplaatst ter plaatse van de bij het agrarische bedrijfs behorende bedrijfswoning. De daadwerkelijke locatie waar het vee is gestald ligt hier verder vandaan. Gelet op de inrichting van het agrarische perceel en de aldaar aanwezige bebouwing is het vee gestald in de in rood omkaderde stallen (figuur 26). Deze liggen op grotere afstand van de te realiseren woningen, namelijk 265 meter tot de dichtstbijzijnde nieuwe woning (figuur 27).
Figuur 26: Veestallen Bosscheweg 41A
47 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 27: Werkelijke afstand veestallen en dichtstbijzijnde nieuwe woning Gelet op het voorgaande wordt, op basis van de werkelijke afstanden van de nieuw te realiseren woningen, geconstateerd dat het GGD advies met betrekking tot het realiseren van gevoelige objecten binnen de 250 meter contour van veehouderijen geen belemmering vormt voor het plan. Delen van het plangebied bevinden zich binnen de 250 meter contour, echter worden hier geen gevoelige objecten mogelijk gemaakt. Daarmee is geen sprake van een gevaar voor gezondheid. De tuinen van de woningen liggen (gedeeltelijk) wel binnen de 250 meter zone, zij het op de uiterlijke rand daarvan. Hoewel personen in tuinen verblijven is dit niet dusdanig lange momenten per dag, gedurende het gehele jaar, dat dit leidt tot een gezondheidsrisico. Geconcludeerd wordt dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar leefklimaat.
4.9.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is geschikt voor het beoogde gebruik. Met het voorliggende plan is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Maatregelen zijn niet noodzakelijk.
4.9.4
Conclusie
Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.10
Milieueffectrapportage
Het doel van milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma's en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben.
4.10.1
Wettelijk kader
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient op grond van verschillende kaders nagegaan te worden of voor de activiteiten die met het betreffende besluit worden mogelijk gemaakt, een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld of niet. Milieueffectrapportage (mer) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld voordat het bevoegd gezag daar een besluit over neemt. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. De wetgeving over de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende procedures: plan-m.e.r.-beoordelingsplicht plan-m.e.r. project-m.e.r.-beoordelingsplicht project-m.e.r.
48 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Of het besluit over een ontwikkeling mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Kolom 1 van Bijlage V beschrijft categorieën waarvoor mogelijk een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt. Getoetst moet worden of het initiatief in kolom 1 voorkomt. Indien voor het mogelijk maken van het initiatief een besluit zoals beschreven in kolom 4 noodzakelijk is, dan dient aan kolommen 2 en 3 te worden getoetst. Als het initiatief voldoet aan de beschrijving in kolom 2 geldt een mer-plicht, er moet dan milieueffectrapportage worden gedaan en een milieueffectrapport worden opgesteld. Als het initiatief niet voldoet aan kolom 2 wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de beschrijving in kolom 3. In bijna alle gevallen is dit het geval, er is dan sprake van een mer-beoordelingsplicht. Aan de hand van de mer-beoordeling wordt bepaald of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieueffecten (zowel positief als negatief) en of dit aanleiding geeft tot een mer-plicht.
4.10.2
Onderzoek
Onderhavig plan maakt negen nieuwe woningen mogelijk. Daarmee is mogelijk sprake van de categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Omdat dit TAM-omgevingsplan mogelijk de aanleg van een dergelijk stedelijk ontwikkelingsproject mogelijk maakt is een mer-beoordeling noodzakelijk. In het kader van het voorliggende plan is een mer-beoordeling uitgevoerd door Lycens B.V., de bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 8 Mededeling mer-beoordelingsplicht. Op basis van het onderzoek worden in het voorliggende plan geen activiteiten mogelijk gemaakt die zullen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Milieueffectrapportage is niet noodzakelijk.
4.10.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Niet van toepassing.
4.10.4
Conclusie
Met betrekking tot milieueffectrapportage is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.11
Verkeer en Parkeren
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow).
4.11.1
Wettelijk kader
Om in het omgevingsplan tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) te komen is van belang dat verkeer- en parkeerhinder worden voorkomen vanwege de impact op de fysieke leefomgeving. De verwerking van verkeersstromen heeft daarbij invloed op verkeersveiligheid, zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Daarnaast moet een ontwikkeling, afhankelijk van de parkeerbehoefte die ontstaat, voorzien in voldoende parkeerplaatsen om te voorkomen dat de parkeerdruk toeneemt en parkeeroverlast ontstaat.
4.11.2
Onderzoek
Verkeer Ter beoordeling van de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie is gebruikgemaakt van de kencijfers van het CROW (CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering'). Onder verkeersgeneratie wordt hierbij de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) verstaan die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de planlocatie rijdt en hiervan wegrijdt. Als kengetal is het gemiddelde van de minimale en maximale bandbreedte aangehouden. In de toekomstige situatie is in het plangebied sprake van een gebruik door negen woningen in het sociale segment. De woningen hebben een oppervlakte < 75 m2. De gemeente Sint-Michielsgestel valt in de categorie 'niet stedelijk', omdat de omgevingsadressendichtheid in de gemeente ruim kleiner is dan 500 adressen per km2. De planlocatie kan worden aangeduid als 'rest bebouwde kom'. Tabel 6: Verkeersgeneratie toekomstige situatie
49 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Eenheid Appartement sociale huur <75m2 Totaal
Verkeersgeneratie per eenheid 3,3
Aantal eenheden
Verkeersgeneratie
9
29,7 30
100% van het verkeer wordt in oostelijke richting via de Bramerslandstraat richting de Litserstraat ontsloten. Gesteld wordt dat het verkeer afkomstig van het projectgebied op de Litserstraat, gezien de inrichting van deze weg als ontsluitingsweg, verdund is tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Het aan- en afvoeende verkeer onderscheidt zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen leidt niet tot verkeershinder of onveilige verkeerssituaties. Geconstateerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Parkeren Op basis van paragraaf 3.4.7 Parkeerbeleidsplan geldt voor het onderhavige initiatief een parkeernorm van 12 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in de realisatie van 12 parkeerplaatsen. Deze worden aan de rand van het plangebied in het groen gerealiseerd.
4.11.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Het plan voorziet in de realisatie van 12 parkeerplaatsen welke aan de noordoostzijde van het perceel worden aangelegd.
Figuur 24: Parkeergelegenheid in de toekomstige situatie
50 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
4.11.4
Conclusie
Met betrekking tot verkeer en parkeren is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.12
Natuur
De wetgever heeft besloten dat een deel van de natuurbeschermingsregels, die eerder grotendeels te vinden waren in de Wet natuurbescherming, over te laten gaan in het stelsel van de Omgevingswet. Het grootste gedeelte van de inhoudelijke regels voor de bescherming van de natuur hebben via het Aanvullingsbesluit natuur een plek gekregen in de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) behorende bij de Omgevingswet.
4.12.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden, regels voor soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Bescherming van Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden kennen een interne alsook een externe werking. Zowel ingrepen die binnen, als ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Conform Ow bijlage A is een Natura 2000-activiteit een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Stikstofdepositie Stikstofdepositie is geregeld in de Ow en Amvb’s. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. In de Omgevingswet zal uiteindelijk een omgevingswaarde ten aanzien van stikstof worden ingevoerd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn alle inheemse flora en fauna beschermt. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub g van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover beleid voeren.