Bijlage 2 Motivering TAM-omgevingsplan Bramerslandstraat Den Dungen d.d. 1 juli 2026
Tekst van het document
Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma van soortenbescherming. Soortenbescherming in de Omgevingswet is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten, dit zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Er kan dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd zijn. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden onderzocht: of er soorten aanwezig zijn; welke soorten dat zijn; of deze negatief worden aangetast door de geplande werkzaamheden. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
4.12.2
Onderzoek
Verkennend natuuronderzoek In het kader van de beoogde ontwikkeling is een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd door Lycens B.V. Het bijbehorende rapport is bijgevoegd bij als Bijlage 9 Quickscan flora en fauna. Het onderzoeksgebied is op 11 juni 2024 onderzocht op de 51 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
(potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Natuur Netwerk Brabant en Groenblauwe mantel. Gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Natuur Netwerk Brabant, Groenblauwe Mantel of Natura 2000-gebied. De bescherming van de Groenblauwe Mantel kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het GBM ten aanzien van het provinciaal beleid. De bescherming van het Natuur Netwerk Brabant kent wel een externe werking. Door de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten en de dusdanig grote afstand met het onderzoeksgebied, leiden voorgenomen activiteiten niet tot een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan worden uitgesloten. Stikstofdepositie In het kader van de beoogde ontwikkeling is een Stikstofdepositieberekening uitgevoerd door Lycens B.V.
Het bijbehorende rapport is bijgevoegd als Bijlage 10 Stikstofdepositieberekening. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat als gevolg van onderhavig plan zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol N/ha/jr. Stikstofemissie afkomstig van het initiatief heeft geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. In het onderzoek is daarmee aangetoond dat de beoogde ontwikkeling, voor wat betreft stikstofdepositie, geen Natura 2000-activiteit betreft. Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit zoals bedoeld in artikel 5.1 lid 1 van de Omgevingswet is niet noodzakelijk. Het project is niet vergunningplichtig. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Soortenbescherming Voor de bevindingen van het verkennende natuuronderzoek wordt verwezen naar Bijlage 9 Quickscan flora en fauna. Op basis van het onderzoek kon de mogelijke aanwezigheid van verschillende soorten niet worden uitgesloten. Derhalve is nader onderzoek uitgevoerd naar deze soorten. De bevindingen van dit onderzoek worden navolgend beschreven. Nader natuuronderzoek Naar aanleiding van de Quickscan flora en fauna is nader soortenonderzoek uitgevoerd door Lycens B.V..
de bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 13 Nader soortenonderzoek. Voor de volledige bevindingen van het onderzoek wordt verwezen naar de rapportage, hier wordt de belangrijkste conclusie toegelicht. Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat de steenmarter een vaste rust- en voortplantingsplaats binnen het onderzoeksgebied bezet. De initiatiefnemer was voornemens een inrit te realiseren, hiervoor dient een deel van de haag opengebroken te worden. De aanleg van deze inrit is uitgevoerd onder ecologische werkbegeleiding, hiervoor is ter plekke van de nieuwe inrit en rondom is ecologisch onderzoek uitgevoerd. Er is met behulp van een warmtebeeldcamera en zaklamp gekeken naar de te rooien flora en fauna, hierbij zijn geen beschermde diersoorten of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten aangetroffen. Deze werkzaamheden zijn vastgelegd in een ecologisch logboek waaruit blijkt dat er geen flora en fauna waarden zijn aangetast. Het plangebied is vrijgegeven voor de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de inrit. Wanneer andere vegetatie in het plangebied gerooid en/of de takkenhoop verwijderd wordt, is sprake van een flora- en fauna-activiteit. Dit is een vergunningplichtige activiteit waarvoor de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag is.
Een vergunningaanvraag moet worden voorzien van een activiteitenplan waarin mitigerende maatregelen zijn opgenomen. De eis van 'onlosmakelijke samenhang' is onder de Omgevingswet niet teruggekeerd. Dat betekent dat de aanvraag separaat aangevraagd kan worden.
4.12.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Voor de uitvoering van vergunningplichtige activiteiten wordt een vergunning aangevraagd bij het bevoegd gezag. Dit staat de evenwichtige toedeling van functies staat dit niet in de weg.
4.12.4
Conclusie
Met betrekking tot natuur is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
52 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
4.13
Externe veiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4.13.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Onder de Omgevingswet is het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s een manier van omgaan met het groepsrisico (GR) (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar. De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas leefomgeving. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.
Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn, bijvoorbeeld gebouwen met een kantoorfunctie. Daarnaast bestaan er ook zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is ‘zeer kwetsbaar’ als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals een kinderopvang, basisschool, school/verblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, een woonfunctie voor 24-uurszorg en gevangenissen. Onder de Omgevingswet werken gemeenten in het kader van externe veiligheid met aandachtsgebieden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen omtrent externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe (kwetsbare) gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. In het omgevingsplan van de gemeente Sint-Michielsgestel zijn (nog) geen aandachtsgebieden opgenomen in het kader van externe veiligheid, derhalve is vastgehouden aan het omgevingsplan van rechtswege.
4.13.2
Onderzoek
In het plangebied worden met de negen nieuwe woningen, nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Figuur 25 toont een uitsnede van de kaart met bronnen risicobronnen van Atlas voor de Leefomgeving. Het plangebied wordt weergeven met de blauwe punt.
53 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 25: Uitsnede externe veiligheidskaart Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op circa 3,3 km ten zuidoosten van het plangebied. Het plangebied ligt buiten de aandachtsgebieden en plaatsgebonden risicocontour. Deze afstand is dusdanig groot dat deze risicobron geen belemmering vormt voor het plan. Transportassen (weg, spoor, water) Ten noordwesten van het plangebied is de dichtstbijzijnde transportas met externe veiligheidsrisico's gesitueerd. De afstand tot het plangebied is circa 1,9 km. De afstand tot het plangebied is dusdanig groot dat geen sprake is van belemmeringen voor het plan. Risicovolle inrichtingen Ten oosten en westen, op ruim 1 km afstand, zijn risicovolle inrichtingen gesitueerd. De afstand tot het plangebied is dusdanig groot dat geen sprake is van een belemmering.
4.13.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
In het plangebied is geen sprake van een veiligheidsrisico, maatregelen zijn daarom niet noodzakelijk.
4.13.4
Conclusie
Met betrekking tot omgevingsveiligheid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.14
Water
Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) volgt, dat de gemeenteraad bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening dient te houden met waterbelangen.
4.14.1
Wettelijk kader
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over delen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de
54 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
weging van het waterbelang. Onder de Omgevingswet is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Gemeenten kunnen zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is, dient in een ruimtelijke procedure ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende.
4.14.2
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft een weging van het waterbelang plaatsgevonden door Lycens B.V. Aan de hand van de weging van het waterbelang is navolgend de waterparagraaf beschreven. Beleid Voor het van toepassing zijnde beleid omtrent water wordt verwezen naar Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving. Bestaande waterhuishoudkundige situatie Bodem(opbouw) Het plangebied heeft een globale hoogteligging van 4,7 m-NAP. Op basis van onderstaande figuur is sprake van hoogteverschillen ten opzichte van de directe omgeving. Het hoogteverschil ten opzichte van de Bramerslandstraat en het perceel ten noordwesten van het plangebied is circa 50 cm. Richting het zuiden loopt het perceel af richting de hier gesitueerde watergang.
Figuur 26: Uitsnede AHN In het kader van het archeologische- en bodemonderzoek is de bodemopbouw onderzocht. Figuur 27 uit het archeologische onderzoek laat zien welke bodemopbouw in het plangebied kan worden verwacht, het gaat om zandgrond. Dit is bevestigd in het verkennende bodemonderzoek waarin voornamelijk, tot circa 3 meter zandgrond is aangetroffen.
55 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 27: Bodemopbouw omgeving plangebied
56 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 28: Uitsnede boorstaten verkennend booronderzoek Geohydrologie Naar opgave van de provincie Noord-Brabant ligt het onderzoeksgebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of boringvrije zone. In het kader van de beoogde ontwikkeling vindt geen permanente grondwateronttrekking plaats. Indien tijdelijk grondwater wordt onttrokken in het kader van de bouw dan wordt daar conform de regels van het Bal en de waterschapsverordening een melding van gemaakt. Oppervlaktewater Figuur 29 toont een uitsnede van de legger van waterschap De Dommel. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een A-watergang. De watergang kent geen beschermingszone. Het ligt in de lijn der verwachting dat de omgeving afwatert naar deze watergang.
57 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 29: Uitsnede Legger Hemelwater(accumulatie) In de bestaande situatie is het plangebied ingericht als tuin met een grote vijver. Er is vrijwel geen verharding aanwezig. Hemelwater dat in het plangebied valt stroomt af naar de vijver of infiltreert in de bodem. Vanwege de lage ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving is het mogelijk dat hemelwater afstroomt via het plangebied naar de A-watergang. Er is in de bestaande situatie geen sprake van wateroverlast. Grondwater Op basis van het BROloket is in de omgeving van het plangebied sprake van een GHG van circa 60 cm-mv en een GLG van circa 130 cm-mv. Tijdens het uitgevoerde bodemonderzoek van 23 oktober 2023 is grondwater aangetroffen op 87 en 64 cm-mv. Op basis van de neerslaghoeveelheid (figuur 30) in de weken voorafgaand aan het bodemonderzoek is het waarschijnlijk dat de GHG van 60 cm-mv realistisch is.
58 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Figuur 30: Neerslag oktober 2023 De Bilt (KNMI) Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Hydrologisch neutraal ontwikkelen Het waterschap De Dommel hanteert voor nieuwe ontwikkelingen de doelstelling van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Wanneer een plan resulteert in nieuwe of meer bebouwing of verharding dan vormt "hydrologisch neutraal ontwikkelen" een belangrijk onderdeel van de weging. Een plan mag niet zorgen voor wateroverlast door niet-doelmatige opvang of afvoer. Voor het verwerken van hemelwater geldt de volgende voorkeursvolgorde: 1. Hergebruiken 2. Vasthouden: in de bodem laten trekken 3. Vasthouden: bergen, of opslaan van water, in een voorziening en langzaam afvoeren naar het oppervlaktewater 4. Weg laten stromen naar het oppervlaktewater 5. Weg laten stromen naar het riool Gelet op de toekomstige situatie is het hergebruiken van hemelwater niet uitvoerbaar en doelmatig. Ten behoeve van het hydrologisch neutraal ontwikkelen wordt in het plan een wadi gerealiseerd. Op basis van het beleid voor klimaatadaptatie (3.4.6) geldt voor nieuwe ontwikkeling die verharding toevoegen een waterbergingseis van 70 mm per vierkante meter verharding. Door Grasveld Civiele Techniek is een bergingsberekening opgesteld op basis van het huidige civieltechnische ontwerp voor de toekomstige inrichting. De bergingsberekening is bijgevoegd als Bijlage 14 Bergingsberekening.
Op basis hiervan geldt een waterbergingseis van 117,18 m3 hemelwater. De beoogde wadi heeft een bergingscapaciteit van 117,30 m3. Het plan voldoet daarmee aan de bergingseis. Door Verhoeven Milieutechniek is een onderzoek uitgevoerd naar de infiltratiecapaciteit van de bodem ter plaatse van de wadi, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 15 Onderzoek infiltratiecapaciteit bodem. Op basis hiervan is sprake van een goede infiltratiecapaciteit, water kan ter plaatse goed in de bodem infiltreren.
59 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
4.14.3
Hoe is dit verwerkt in het plan
Ten behoeve van de toekomstige waterhuishoudkundige situatie wordt de bestaande vijver getransformeerd tot een wadi. Op basis van het definitieve bouwontwerp wordt de toekomstige totale verharding vastgesteld. Aan de hand hiervan wordt de benodigde waterbergingscapaciteit bepaalt. Afhankelijk hiervan wordt de dimensionering van de wadi bepaalt. Hierbij wordt rekening gehouden met de GHG van circa 60 cm-mv. Hiermee volgt het plan de voorkeursvolgorde van het hydrologisch neutraal ontwikkelen; water wordt zo lang mogelijk vastgehouden waarbij het infiltreert in de bodem. Wanneer dit niet mogelijk is wordt afgevoerd op oppervlaktewater. Om de realisatie van de waterberging planologische te verankeren is in de planregels van dit TAM-omgevingsplan een regel opgenomen die verplicht tot het realiseren van waterbergingscapaciteit.
4.14.4
Conclusie
Met betrekking tot water is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
60 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Hoofdstuk 5 Voorbereiding en participatie (maatschappelijke uitvoerbaarheid) 5.1
Vooroverleg
Woningcorporatie Woonmeij heeft op 1 september 2023 een principeverzoek ingediend voor de bouw van 9 grondgebonden woningen aan de Bramerslandstraat 11 in Den Dungen. Dit principeverzoek is op 11 oktober 2023 behandeld op de intaketafel en als wenselijk beoordeeld. Het initiatief is als principeverzoek behandeld op 29 oktober van 2024. Hierbij is een positief principebesluit afgegeven onder voorwaarde dat de uitgangspunten voor het woningbouwprogramma en de stedenbouwkundige opzet worden gehanteerd. Deze voorwaarde is verankerd in het voorliggende TAM-Omgevingsplan. In het kader van het vooroverleg heeft de gemeente Sint-Michielsgestel het initiatief op 5 november 2024 tijdens het casuïstiek vooroverleg met waterschap en provincie voorbesproken. Het plangebied is gesitueerd in het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Het waterschap heeft per mail advies afgegeven dat de planlocatie gevoelig is voor wateroverlast en bekend staat om waterproblemen. Daarnaast grenst het perceel aan een A-watergang waarvan wordt verwacht dat deze slecht bereikbaar is voor onderhoud. Vanwege de lage ligging van het perceel wordt een grondwaterstroming richting het plangebied verwacht. Geadviseerd is hier rekening mee te houden bij de uitwerking van de aanleghoogte van de woningen, de afwatering van het perceel en het onderhoud.
Voor de wijze waarop in het plan rekening is, en wordt, rekening gehouden met water wordt verwezen naar 4.14 Water. De provincie heeft aangegeven zich aan te sluiten bij het waterschap met het verzoek om toekomstbestendige woningen te ontwikkelen. Uit voorliggende motivering volgt dat sprake is van een toekomstbestendige ontwikkeling. Op 14 augustus en 13 november 2025 is het initiatief behandeld aan de omgevingstafel. Het plan is na aanleiding van dit overleg op onderdelen aangepast/aangevuld. Adviezen ketenpartners Op 7 augustus 2025 heeft de veiligheidsregio haar reactie op het concept omgevingsplan gedeeld. De veiligheidsregio heeft geadviseerd de route 25 cm breder te maken en te voorzien van een keermogelijkheid. Als dit gerealiseerd is, is er voldoende bereikbaarheid voor de hulpdiensten. Naar aanleiding hiervan is de inrichtingstekening aangepast.
5.2
Participatie
De gemeente Sint-Michelsgestel beschikt over participatiebeleid (01-02-2023). De ambitie is om inwoners eerder en beter bij veranderingen in hun woon- en leefomgeving te betrekken. Of het initiatief nu vanuit de gemeenschap, een ontwikkelende partij of de overheid komt. Iedereen die dat wil kan participeren. Een integraal participatiebeleid maakt duidelijk wat inwoners op al deze gebieden kunnen en mogen verwachten. Voor het onderhavige initiatief is een planologische procedure en een omgevingsvergunning noodzakelijk. Conform het beleid is de initiatiefnemer verantwoordelijk het organiseren van de omgevingsdialoog. Op 6 juni 2024 heeft woningcorporatie Woonmeij een inloopavond georganiseerd om de omgevingsdialoog te starten. Een deel van de omwonenden is enthousiast over de plannen. Een groot deel van de omwonenden heeft echter niet deelgenomen aan de omgevingsdialoog. Zij geven aan tegen bebouwing op deze locatie te zijn. Naar aanleiding hiervan heeft Woonmeij verscheidene pogingen gedaan de buurt in het proces te betrekken en voorgesteld het plan te presenteren aan omwonenden die niet bij de inloopavond waren. Woonmeij blijft gedurende het proces de omgeving informeren over de voortgang van de plannen. De verslaglegging van de omgevingsdialoog is opgenomen in Bijlage 17 Verslag omgevingsdialoog.
5.3
Procedure
De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. In dit geval wordt een TAM-IMRO Omgevingsplan vastgesteld, dit betreft een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. Het ontwerp wijzigingsbesluit heeft op grond van artikel 3.11 van de Awb gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand is hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode zijn zienswijzen in gediend. De beantwoording is opgenomen in Bijlage 61 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
18 Nota procedure en zienswijzen ontwerp TAMomgevingsplan Bramerslandstraat Den Dungen (geanonimiseerd definitief 1-6-2026).
62 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de financiële uitvoerbaarheid toegelicht. Uitgangspunt hierbij is dat de kosten die gemaakt worden ten behoeve van het planvoornemen voor rekening komen van de initiatiefnemer.
6.1
Financiële economische uitvoerbaarheid
In voorliggende ruimtelijke motivering is onderbouwd dat met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat het initiatief uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is.
6.2
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal bij gebruiksactiviteiten die mogelijk worden op grond van een nieuw toegedeelde functie of bij één of meerdere aangewezen bouwactiviteit(en). Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob). Kostenverhaal is mogelijk middels het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag of via de publiekrechtelijke weg. Voor kostenverhaal via de publiekrechtelijke weg dient de gemeenteraad kostenverhaalregels vast te stellen in het omgevingsplan. Bovenstaande geldt niet indien de kosten die het initiatief vanwege artikel 8.15 Ob maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in gevallen genoemd in artikel 8.14 Ob. De gemeente Sint-Michielsgestel sluit een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer. Het kostenverhaal is hiermee gedekt.
6.3
Nadeelcompensatie
De basisregeling voor nadeelcompensatie staat in titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In titel 4.5 Awb staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie. De regels over nadeelcompensatie in afdeling 15.1 van de Omgevingswet zijn een aanvulling op deze algemene regeling uit de Awb. De regels over nadeelcompensatie in de Omgevingswet hebben voorrang op de regels in de Awb. Het eventueel vergoeden van nadeelcompensatie die ontstaat als gevolg van de activiteit is geborgd in de afgesloten anterieure overeenkomst.
63 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Hoofdstuk 7 7.1
Juridisch kader TAM-omgevingsplan
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de beoogde ontwikkeling, het relevante beleid en de omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord, dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Met het plan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstraat Den Dungen" worden planologisch negen nieuwe woningen mogelijk gemaakt op een perceel aan de Bramerslandstraat te Den Dungen. Hiertoe wordt de functie gewijzigd van tuin naar wonen. Deze wijziging van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Sint-Michielsgestel is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet. Het is niet mogelijk om bij een TAM-omgevingsplan de pons-functie mee te geven om het onderliggende Wro-bestemmingsplannen in het tijdelijk deel omgevingsplan onzichtbar te maken. Een TAM-omgevingsplan komt technische gezien zelf ook in dat tijdelijk deel van het omgevingsplan te staan.
7.2
Opzet regels
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025.
Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Bramerslandstraat 11 te Den Dungen waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0845.TAM2025BramerlDDN-VA01 , zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/zoeken/locatie?regelsandere=regels. In hoofdstuk 1 van voorliggende ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
7.2.1
Preambule
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
7.2.2
Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 1 Bepalingen van de regels bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: Artikel 1 Inleidende bepalingen: in dit artikel worden de begripsbepalingen van het omgevingsplan van rechtswege van toepassing verklaard. Artikel 2 Begripsbepaling: in dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, dit ten behoeve van een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen: dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe 64 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
voorkomende eisen betreffende de maatvoering geïnterpreteerd moeten worden.
7.2.3
Functies en activiteiten
In Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies van de regels is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In paragraaf 7.3 worden de verschillende functies en gebiedsaanduidingen toegelicht en wordt ook per functie aangegeven waarom voor deze toedeling is gekozen.
7.2.4
Algemene bepalingen
Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies van de regels bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied.
7.2.5
Overgangs- en slotbepalingen
In Hoofdstuk 4 Overgangsregels staan de overgangs- en slotbepalingen. In Artikel 10 Overgangsrecht is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan. Hoofdstuk 23 van het omgevingsplan van rechtswege bevat slotbepalingen met een artikel genaamd citeertitel: 'Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: 'Omgevingsplan gemeente Sint-Michielsgestel'. Aangezien het TAM-IMRO omgevingsplan een onderdeel is van dit ene omgevingsplan wordt geen slotbepaling opgenomen.
7.3
Nadere toelichting op de regels
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een 'ja, mits'-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).
7.3.1
Functies en gebiedsaanwijzingen
Wonen Ten behoeve van de beoogde woningen is de functie 'Wonen' opgenomen. Binnen het perceel zijn twee bouwvlakken opgenomen. Middels de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden' is het maximale aantal wooneenheden vastgelegd op 4 en 5 woningen. Waarde - Archeologie - 1 Dit betreft een dubbelbestemming waarmee de bescherming van archeologische waarden is geborgd. Waarde - Archeologie - 4 Dit betreft een dubbelbestemming waarmee de bescherming van archeologische waarden is geborgd.
65 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra
Hoofdstuk 8
Belangenafweging en conclusie
Op basis van voorliggende motivering wordt geconcludeerd dat, alles overwegende, de ontwikkeling wel aanvaardbaar is omdat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
66 at Den Dungen
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Bramerslandstra