Bijlage 2. BOPA motivering (onderbouwing) zonnepark Poeldonk 1 augustus 2025
Tekst van het document
https://www.kennisplatform.nl/verschil-tussen-limiet-100-microtesla-grens-0-4-microtesla/ https://www.infomil.nl/publish/pages/86406/beleidsadvies_vrom_2005_1.pdf RIVM-rapport 609300011/2009. Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen
Zonneweide Poeldonk
31
5.8
Geur
5.8.1 Toetsingskader Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden: indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten; indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd.
digt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen. 5.9.2
Onderzoek
Geurveroorzakende activiteiten
5.8.2
Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geur-
Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl wordt voor onderhavig project geen geur
De gemeente Sint-Michielsgestel heeft een ontwerp Omgevingsvisie waarin verschillende thema’s aan bod komen. Eén van de vier hoofd-
belasting of afstand acceptabel wordt geacht: 1. Zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);
veroorzakende activiteit noch een geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Er is immers geen sprake een van de bovengenoemde functies. Nader on-
thema’s is het ‘aangenaam leven’ in Sint-Michielsgestel. Dit hoofdthema heeft betrekking op wonen en alles wat samenhangt met en aangename
2. Houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);
derzoek naar het aspect geur is niet noodzakelijk.
woonomgeving. Hieronder vallen onderwerpen zoals het landschap, natuur, voorzieningen, gezondheid en veiligheid. De thema’s zijn verder
3. Enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).
5.8.3
uitgewerkt in dromen en ambities en komen daarna samen in verschillende scenario’s. Het hoofdthema ‘aangenaam leven’ omvat verschillende dromen en ambities: We dromen van meer woningen, andere woningen en duurzame
Onderzoek
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig project. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
Zonneweide Poeldonk
5.9
Gezondheid
5.9.1
Toetsingskader
In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, no-
woningen. Woningen zijn goed geïsoleerd en wekken met zonnepanelen hun eigen energie op.
In 2040 is de structuur voor groen/water robuust, zijn de cultuurhistorische waarden geborgd en versterkt en is de biodiversiteit toegenomen. De natuurgebieden, landgoederen, zandpaden en beekdalen worden beschermd, ze zijn beter verbonden met elkaar en met het groen binnen de bebouwde kom, tussen de dorpen en met de stad ’s-Hertogenbosch. Bijvoorbeeld door het toevoegen van nieuwe
32
natuur, zoals bossen en ecologische verbindingen. Er is meer aandacht voor het behouden, uitbreiden en verbeteren van de kwaliteit van het groen, zowel voor de natuur (biodiversiteit) als voor de toegankelijkheid en beleving van inwoners. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een zonneweide, waarmee een duurzame energievoorziening wordt gerealiseerd. De realisatie van duurzame energievoorzieningen draagt bij aan een reductie van vervuiling en daarmee gepaard gaande schadelijke gezondheidseffecten, die door niet-duurzame energievoorzieningen (kunnen) worden veroorzaakt. Een zonnepark heeft zelf ook geen gezondheid beperkende werking. De transitie naar duurzame energievoorzieningen draagt dus ook bij aan het creëren van een gezonde leefomgeving. Ook het omzetten van landbouwgrond naar een zonnepark met bijbehorende groenvoorzieningen past in dit beeld en betekent onder meer een reductie van geurhinder. De realisatie van voldoende groen en waterberging in en
beïnvloeden, met mogelijke gevolgen zoals desoriëntatie, afstoting of aantrekking, wat kan leiden tot uitputting en sterfte. Kunstmatige verlichting kan ook fungeren als barrière voor dierlijke verplaatsingen. Deze negatieve effecten hebben niet alleen individuele gevolgen maar kunnen ook de instandhoudingsdoelstellingen van bepaalde soorten aantasten. Daarnaast kan kunstmatige verlichting leiden tot horizonvervuiling of het verminderen van de donkerte op grotere afstanden, zoals het zichtbaar zijn van verlichte objecten in een open landschap tot wel 5 à 10 kilometer. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Bkl bevat daarom geen Rijksinstructieregels voor lichthinder, met
zien. Er zal dus ook geen hinder ondervonden worden van eventuele reflectie. Voor omwonenden is wel enige reflectie te zien. Wanneer het zonnepark niet landschappelijk zou worden ingepast met bijvoorbeeld een struweelhaag, betreft dit de woningen aan de Poeldonksedijk 10 t/m 24. Afhankelijk van de exacte locatie is de reflectie van begin april tot begin september hinderlijk is tussen grofweg 20.00 en 21.00 uur (zomertijd) voor maximaal 25 minuten per dag. De reflectie kan alleen daadwerkelijk tot hinder leiden als de zonnepanelen te zien zijn. Als de zonnepanelen niet te zien zijn, door bijvoorbeeld beplanting of bebouwing, dan zal de reflectie ook niet te zien zijn. Binnenshuis kan alleen reflectie waargenomen worden als omwonenden door een raam naar buiten rich-
uitzondering van rijksregels voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen, opgenomen in artikel 4.790 van het Bal.
ting het zonnepark kijken ten tijde dat de reflectie optreedt. Buitenshuis alleen als er geen beplanting en bebouwing tussen het zonnepark en de
5.10.2
omwonenden zijn. De struweelrand uit het inpassingsplan zal alle hinderlijke reflectie blokkeren, mits deze minimaal 2 meter hoog is. De mini-
Onderzoek
rondom de zonneweide past eveneens bij het bereiken van een gezondere fysieke leefomgeving.
In het projectgebied zelf zijn geen functies en voorzieningen aanwezig,
5.9.3 Conclusie Het initiatief levert een bijdrage aan het bereiken van een gezonde fy-
functies mogelijk gemaakt, die tot lichthinder voor de omgeving leiden.
sieke leefomgeving.
Wanneer een zonnepark in de buurt van een weg of woningen ligt, is lichthinder vanwege reflecties op voorhand niet uit te sluiten. Het plangebied ligt in dit geval nabij een N-weg, namelijk de N279 welke ten noorden van het plangebied van oost naar west loopt. Ook zijn er enkele
5.10
Lichthinder en reflectie
5.10.1
Toetsingskader
Er zijn diverse locaties met kunstmatige verlichting, waaronder (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Deze verlichting kan verschillende negatieve effecten veroorzaken. Zo kunnen mensen hinder ondervinden wanneer ze zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben, bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Licht van objecten langs (rijks)wegen, zoals een reclamezuil, kan ook hinder veroorzaken en daarmee onveilige situaties creëren. Verder kan kunstmatige verlichting in de nacht het gedrag van dieren
Zonneweide Poeldonk
Uit het onderzoek blijkt dat er voor het wegverkeer geen reflectie is te
die lichthinder veroorzaken. Onderhavig initiatief maakt geen nieuwe functies mogelijk die gevoelig zijn voor lichthinder. Ook worden er geen
woningen gesitueerd ten oosten en zuiden van het plangebied welke mogelijk lichthinder kunnen ervaren. Derhalve is er door ROM3D een reflectieonderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in de bijlage. Hierin is de reflectie berekend voor het wegverkeer over de N279 in beide richtingen voor automobilisten en vrachtwagenchauffeurs. Ook is gekeken naar eventuele reflectiehinder voor omwonenden aan de zuid en oostkant van het zonnepark.
male hoeveelheid reflectie die in dat geval nog te zien is, zal niet tot hinder leiden. In de plannen is dat ook het geval. Zodoende kan onevenredige hinder voor de woningen Poeldonksedijk 10 t/m 24 worden uitgesloten. Voor de woningen aan de Poeldonk 25, 26 en 28 is er geen hinderlijke reflectie (vergelijkbaar met maskerende verblinding) te zien, maar alleen niet-hinderlijke reflectie (vergelijkbaar met oncomfortabele verblinding). Bij de woningen aan de Meersestraat 1 en de Poeldonksedijk 5, 7 en 7a is er geen reflectie te zien afkomstig van het zonnepark. Samenvattend zal het zonnepark Poeldonk, in combinatie met de struweelhaag zoals beschreven in het inpassingsplan (welke voorwaardelijk verplichtend zal worden opgelegd), niet voor hinderlijke reflectie zorgen op het wegverkeer van de N279 en de onderzochte woningen in de omgeving. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling.
33
5.10.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect lichthinder is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11
Luchtkwaliteit
5.11.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtsgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Zonneweide Poeldonk
1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
5.12
Natuur en landschap
5.12.1 Toetsingskader Wettelijke gebiedsbescherming De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden.
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
5.11.2 Onderzoek In onderhavig geval is er sprake van het oprichten van een zonneweide.
houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebie-
Een zonneweide kent een zeer lage verkeersaantrekkende werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer. Op voorhand kan redelijkerwijs worden gesteld dat het initiatief niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwali-
den aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen
teit. Omdat er geen sprake is van een gevoelige functie, is een onderzoek naar de achtergrondwaarden in het kader van het woon- en leefklimaat niet aan de orde. Het projectgebied ligt bovendien niet binnen een aandachtsgebied luchtkwaliteit.
lijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd (par. 4.2.2). Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden
5.11.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige
Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-
natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimte-
toedeling van functies aan locaties.
34
zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom (bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal).
en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 11.37 Bal); Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal); Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal).
van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen.
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogel-
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan
Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de
richtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergunningplichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese
plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelin-
houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstan-
soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gel-
gen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde
den die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten.
den regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 5.3 zijn de vergunningplichtige activiteiten per regime weergegeven.
soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan onder voorwaarden worden verleend.
Soortenbescherming Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een vergunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zoals beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal. In tabel 5.3 staan de
De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schadelijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen.
belangrijkste schadelijke handelingen uitgewerkt.
Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat na-
De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen
delige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten
Zonneweide Poeldonk
5.12.2 Onderzoek Voor onderhavige ontwikkeling is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Deze is als bijlage opgenomen bij onderhavige ruimtelijke motivering. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Voor de volledige rapportage met bevindingen wordt verwezen naar de bijlagen. Vogels Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, wespendief en sperwer In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn bomenrijen en bosschages gelegen, welke geschikt geacht worden als nestlocatie voor voornoemde soorten. Ten tijde van het veldbezoek stonden deze bomen vol in blad. Het was daardoor niet mogelijk om de bomen op (grote) nesten te controleren. In één van de bomen in de ten westen van de onderzoekslocatie gelegen bosschage, welke nog niet vol in blad stond, is reeds een nest aangetroffen. Het betreft vermoedelijk een eksternest.
35
De omgeving van de onderzoekslocatie biedt geschikt leefgebied aan boomvalk, buizerd, ransuil, havik, sperwer en wespendief, vanwege de aanwezigheid van akker- en graslanden, bosschages en een klein bosgebied, watergangen en een waterplas. Op de onderzoekslocatie is daarnaast (in beperkte mate) sprake van geschikt foerageergebied voor deze soorten. Roofvogels hebben over het algemeen een groot jachtterritorium, waardoor bij de voorgenomen plannen geen sprake zal zijn van een wezenlijke afname van foerageergebied.
voor grote gele kwikstaart. De waarnemingen uit de NDFF van grote gele kwikstaart hebben met name betrekking op het ten noorden gelegen kanaal de Zuid-Willemsvaart. Mogelijk maakt de grote gele kwikstaart wel gebruik van de onderzoekslocatie als foerageergebied. In de omgeving zijn echter veel alternatieven aanwezig, in de vorm van de Meerse Plas, verschillende watergangen, greppels en sloten, en het kanaal. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van grote gele kwikstaart is bij de voorgenomen werkzaamheden dan ook niet aan de orde.
vaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Overige broedvogels
Bij de voorgenomen werkzaamheden zullen geen potentiële nestlocaties vernietigd worden, aangezien geen bomen gekapt zullen worden. Wel is mogelijk sprake van verstoring van broedgevallen. Het wordt dan ook
Ooievaar Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan zijn geen
De beplanting op de onderzoekslocatie en de directe omgeving hiervan kan nestgelegenheid bieden aan broed-vogelsoorten zoals houtduif, kleine karekiet, merel, winterkoning, zwartkop, tjiftjaf en wilde eend. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze
aanbevolen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen van boomvalk, buizerd, ransuil, havik, sperwer en wespendief uit te voeren. Indien
geschikte nestlocaties voor ooievaar aangetroffen. Wel is sprake van geschikt foerageergebied op de onderzoekslocatie, in de vorm van ak-
als zodanig in gebruik zijn. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtig geval zijn te voorkomen.
dit onverlet niet mogelijk is, zullen de benodigde onderzoek uitgevoerd worden
ker- en grasland. In de omgeving zijn echter veel alternatieve wei- en akkerlanden aanwezig waar de ooievaar gebruik van kan maken. Bij de
Vleermuizen
Grote gele kwikstaart
Categorie 5 broedvogels De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens
De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen met holten aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. Ten noorden en westen van de onderzoekslocatie bevinden zich bomenrijen en bosschages. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie. Hierbij is het van belang dat geen nachtelijke verlichting uitstraalt op de bomenrijen en bosschages gedurende de werkzaamheden en in de toekomstige situatie. De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van
Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan zijn enkel stilstaande wateren aanwezig en ontbreekt het aan geschikte nestmoge-
jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Er
foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het
lijkheden in de vorm van boomwortels in natuurlijke oevers of onder bruggen, waardoor deze niet geschikt geacht worden als nestlocatie
zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die recht-
betreft wegbermen, bosranden, (sier)tuinen, plassen en overige watergangen.
Kerkuil en steenuil De onderzoekslocatie wordt vanwege de grootschalige aard en het grotendeels ontbreken van elementen als heggen en rust-/uitkijkpunten niet geschikt geacht als leefgebied voor steenuil. Verder zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving hiervan geen geschikte nestmogelijkheden voor kerkuil en steenuil aangetroffen. Gezien de afstand tot nestlocaties van steenuil in de omgeving, is het niet te verwachten dat steenuil gebruik maakt van de onderzoekslocatie. Mogelijk maakt kerkuil wel gebruik van de onderzoekslocatie om te foerageren. Kerkuil heeft echter een groot jachtterritorium, waardoor bij de voorgenomen werkzaamheden geen wezenlijke afname in het foerageergebied plaatsvindt.
Zonneweide Poeldonk
voorgenomen werkzaamheden zal dan ook geen overtreding van de Omgevingswet optreden ten aanzien van ooievaar. De onderzoeks-locatie zal wegens de ecologische inrichting naar alle waarschijnlijkheid geschikter worden als foerageergebied voor ooievaar. Roek Op de onderzoekslocatie zijn geen indicaties aangetroffen voor de aanwezigheid van een roekenkolonie, in de vorm van een groot aantal nesten, zichtwaarnemingen van roek en grote hoeveelheden uitwerpselen. Op basis van de quickscan kan dan ook uitgesloten worden dat sprake zal zijn van overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van roek.
36
Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord, vooropgesteld dat de bomen in de omgeving die als potentiële vliegroute kunnen fungeren, gehandhaafd blijven bij de herbestemming van de onderzoekslocatie en geen toename van nachtelijke verlichting plaatsvindt.
foerageergebieden voor bever voorhanden, in de vorm van akkerlanden, bosschages en oevers van watergangen.
inspectie is uitgevoerd en opgenomen in de bijlage. Navolgend worden de belangrijkste conclusies beschreven.
Eekhoorn
Resultaten aanvullende inspectie naar das en bever
De onderzoekslocatie wordt mogelijk wel gebruikt door steenmarter als foerageergebied. In de omgeving zijn echter veel alternatieve foerageer-
De eekhoorn komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. De onderzoekslocatie biedt geen geschikt foerageergebied aan de eekhoorn. De eekhoorn nestelt in bomen, en ook wel in boomholten. Bij de voorgenomen werkzaamheden zullen de bomen op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan onaangetast blijven, waardoor eventuele eekhoornnesten niet verwijderd zullen worden. Daarnaast zal de onderzoekslocatie naar alle waarschijnlijkheid enkel geschikter worden voor eekhoorn door de geplande ecologische inrichting. Overtreding
Ten behoeve van de aanleg van twee zonneweides ten westen van de Meerse Plas heeft reeds in 2023 in opdracht van Lightsource Renewable Energy een dassenonderzoek plaatsgevonden door Econsultancy (rapport 15497.004, versie D4, d.d. 4 december 2023). Uit deze aanvullende inspectie is bepaald dat deze gegevens nog actueel zijn. Gezien de onderzoekslocatie in de huidige staat slechts marginaal geschikt geacht wordt voor das als foerageergebied en in de omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn waar de das volop gebruik
gebieden aanwezig, bijvoorbeeld in de vorm van nabijgelegen akker- en weilanden en bosschages. Mogelijk doorkruist de steenmarter inciden-
van de Omgevingswet ten aanzien van eekhoorn kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
van maakt, wordt het voldoende geacht om specifieke inrichtings- en beheersmaatregelen voor das uit te werken in een ecologisch werkproto-
Das
col. Het betreft het werken tussen zonsopgang en zonsondergang, het faseren van de werkzaamheden en het voorkomen van materiaalopslag
Overige zoogdieren Steenmarter
teel wel de onderzoekslocatie maar zal het planvoornemen geen negatieve effecten hebben voor het foerageergebied van deze soort. Voor deze individuen geldt de algemene zorgplicht.
De onderzoekslocatie vormt geschikt foerageergebied voor dassen. Houtwallen, greppels of andere oneffen terreinen die op en rond de onderzoekslocatie aanwezig zijn, bieden daarnaast ruimte voor een burcht. Gedurende het veldbezoek is de onderzoekslocatie nauwkeurig onderzocht op dassensporen, zoals graafputjes of achtergebleven haren. Op de onderzoekslocatie zijn loopsporen en enkele graafputjes van das aangetroffen. Daarmee is aangetoond dat de das gebruik maakt van de onderzoekslocatie als foerageergebied. Op de onderzoekslocatie en direct aangrenzend hiervan zijn geen vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van das aangetroffen. In het kader van de ontwikkeling van twee zonneweides aan de Kloosterstraat en Bosscheweg heeft in 2023 reeds een onderzoek door Econsultancy plaatsgevonden naar de functie van het gebied voor das (Bijlage 9, aanvullend onderzoek das). Hieruit is gebleken dat in de omgeving van de onderzoekslocatie twee burchten ac-
op wissels. Deze maatregelen komen andere soorten die gebruik maken van de wissels en/of schemer- en nachtactief zijn, tevens ten goede.
Op de onderzoekslocatie is in delen van het jaar geschikt foerageergebied voor de bever voorhanden, namelijk wanneer de percelen voor de
tief in gebruik waren door das. In het kader van het huidige onderzoek wordt voorgesteld om een aanvullende inspectie uit te voeren, om te be-
waardoor het voedselaanbod van de das wordt verhoogd. Poeldonk bestaat uit watergangen die het kenmerkende patroon vormen voor de
maïsteelt in gebruik zijn. In de omgeving zijn echter veel alternatieve
palen of de afgelopen jaar verzamelde gegevens nog actueel zijn. Deze
projectlocatie. Door de aanleg van takkenrillen nabij oevers van watergangen wordt een lijnvormig element gecreëerd, dat ter oriëntatie en als
Bever De bosschage ten noorden van de onderzoekslocatie is geschikt als leefgebied voor de bever. Er zijn hier enkele vermoedelijke beverglijbanen aangetroffen. Gedurende het veldbezoek was de bosschage niet toegankelijk, aangezien deze aan alle zijden omzoomd wordt door watergangen. Een aanvullende inspectie wordt noodzakelijk geacht om te kunnen bepalen of sprake is van een vaste rust- en/of voort-plantingsplaats van bever in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, welke mogelijk verstoring ondervindt van de voorgenomen plannen. Deze inspectie is door Econsultancy uitgevoerd in combinatie met de das en zal verderop in deze paragraaf nader worden toegelicht.
Zonneweide Poeldonk
In de memo met inrichtingsmaatregelen van 31 mei (Bijlage 10, memo met inrichtingsmaatregelen, project 24424.007) wordt reeds een voorstel gedaan voor inrichtingsmaatregelen ten aanzien van das. Deze maatregelen dienen tevens verder uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol, om te borgen dat overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van das te allen tijde voorkomen wordt. De projectlocatie wordt bijvoorbeeld voorzien van struweelhagen. De struweelhagen bieden in een deel van het jaar voedselgelegenheid aan de das. Verder zorgen deze voor beschutting. Er zal gekozen worden voor besdragende struiken die over het jaar verspreid vruchten dragen,
37
schuilgelegenheid kan dienen voor das. De beoogde zonneweide zal met de inrichtingsmaatregelen toegankelijk blijven voor de das. Dit is van belang voor de migratieroute van de das. De maatregelen welke getroffen worden voldoen aan de eisen zoals gesteld in het kennisdocument van de das (BIJ12, 2017). De gemeente Sint-Michielsgestel heeft ten aanzien van de das een aanvullende onderbouwing gevraagd welke door BKK advies (rapport 240349a.BKK, d.d. 22 april 2025) is opgesteld. Het rapport is opgenomen in de bijlage. Zij concluderen dat als gevolg van de voorgenomen maatregelen de 10,4 ha, die wordt gereserveerd voor het plaatsen van de pv-installaties, de foerageerfunctie niet zal verliezen maar dat dit nog
quickscan natuurwaarden aangetroffen (bever)glijbaan behoort, gezien het ontbreken van andere sporen van bever, toe aan andere soorten. Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing, hermelijn en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze soorten kunnen gebruikmaken van de watergangen op de onderzoekslocatie en de directe omgeving hiervan als lijnvormig element om dekking te bieden gedurende het foerageren en migreren tussen vaste rustof voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Indien de watergangen en oevers bij de voorgenomen werkzaamheden aangetast worden, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een aanvullend onderzoek
bestaat de kans dat licht beschermde soorten verstoord worden. Gedurende het veldbezoek zijn enkele hazen waargenomen. Het wordt aanbevolen om de werkzaamheden conform een ecologisch werkprotocol uit te voeren, om verstoring van haas, konijn en overige zoogdieren zoveel mogelijk te voorkomen. Er zal derhalve een ecologisch werkprotocol worden opgesteld om verstoring zoveel mogelijk te voorkomen. Reptielen Levendbarende hagedis Op de onderzoekslocatie is sprake van akker- en grasland, dat benut wordt voor agrarische doeleinden. Er is slechts in zeer beperkte mate sprake van verschillende microklimaten, en er is sprake van abrupte
steeds als secundair leefgebied gezien kan worden. De overige 10,6 ha van het totaal wordt biodivers ingericht, waarbij maatregelen getroffen
naar kleine marterachtigen uitgevoerd te worden.
overgangen tussen greppels en akkerland, in plaats van de gewenste structuurrijke en geleidelijke overgangszones. Op basis van het ontbre-
worden welke in lijn zijn met de eisen zoals deze gesteld zijn in het kennisdocument das (BIJ12, 2017).
Waterspitsmuis De oevers van de greppels op de onderzoekslocatie zijn op veel plekken
ken van geschikt habitat kan de aanwezigheid van levendbarende hagedis op de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Overtreding ten aan-
redelijk begroeid. Verder zijn de greppels erg voedselrijk, wegens de ligging tussen intensief gebruikte akkerlanden. Op enkele plekken is sprake van struweelbegroeiing op de oevers, in de vorm van jong houtopschot met soorten als berk en wilg. Het betreft met name de directe omgeving van de watergangen die onder het beheer van het Waterschap vallen, op de grens van de onderzoekslocatie. Verder betreft het de greppels grenzend aan de ten noorden van de onderzoekslocatie gelegen bosschage. Een aanvullend onderzoek naar waterspitsmuis wordt niet noodzakelijk geacht, mits de watergangen en oevers onaangetast blijven en er gewerkt zal worden conform een ecologisch werkprotocol. Er is daarom besloten om zowel de watergangen als de oevers niet mee te nemen in de ontwikkeling waardoor deze onaangetast blijven. Ook zal eer gewerkt worden conform ecologisch werkprotocol.
zien van beschermde reptielen kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
inrichtings- en beheerplanen van de diverse zonneweides.
Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten
gelijk maakt de Alpenwatersalamander dan ook gebruik van de greppels en watergangen in de omgeving van struweelbegroeiing als voortplan-
Er zijn tijdens de aanvullende inspectie geen (potentiële) vaste rusten/of voortplantingsplaats van bever aangetroffen. De tijdens de
grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden
tingshabitat. Bij het aantasten van deze greppels en watergangen vindt daarmee mogelijk verstoring van de Alpenwatersalamander plaats. De
De maatregelen worden gerealiseerd in de vorm van: het versterken van bestaande groenstructuren welke kunnen dienen als corridor tussen leef- en foerageergebied; het realiseren van struweelrijke hagen welke zowel een functie als looproute als een foerageerfunctie voor de das kunnen bieden; het grasland onder/rond de panelen biedt naast ruimte voor (broed)vogels ook een jaarrond beschikbare voedselbron voor dassen. Wanneer de in de diverse stukken beschreven maatregelen genomen en onderhouden worden, is het aanvragen van een Omgevingsvergunning voor de das naar verwachting niet noodzakelijk. Wel dienen de maatregelen geborgd te worden in een ecologisch werkprotocol en in de
Zonneweide Poeldonk
Wel kunnen reptielen (en amfibieën, zie navolgend) van de struweelranden gebruik maken om door het gebied te foerageren. Er worden namelijk diervriendelijke openingen op strategische plekken in het hekwerk geplaatst. Amfibieën Alpenwatersalamander Op de onderzoekslocatie ontbreekt het vanwege het agrarische karakter grotendeels aan geschikt landhabitat voor de soort. Grenzend aan de onderzoekslocatie (zowel aan de noordzijde als aan de westzijde) is wel geschikt landhabitat voor de Alpen-watersalamander voorhanden. Mo-
38
Alpenwatersalamander is minder gevoelig voor predatie door vissen dan de kamsalamander. Een aanvullend onderzoek naar alpenwatersalamander wordt niet noodzakelijk geacht, mits de watergangen en oevers onaangetast te blijven en er gewerkt zal worden conform een ecologisch werkprotocol. Er is daarom besloten om zowel de watergangen als de oevers niet mee te nemen in de ontwikkeling waardoor deze onaangetast blijven. Ook zal eer gewerkt worden conform ecologisch werkprotocol.
aan de oevers. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten. Er zal derhalve een ecologisch werkprotocol worden opgesteld om verstoring zoveel mogelijk te voorkomen. Vissen Grote modderkruiper De greppels en watergangen op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan worden hiermee geschikt geacht als habitat voor de grote modderkruiper.
Tijdens het veldbezoek is de onderzoekslocatie gecontroleerd op voor deze en andere beschermde vlindersoorten geschikte waardplanten. De meeste waardplanten waren gedurende het veldbezoek reeds herkenbaar, vanwege de tijd in het jaar waarin het veldbezoek uitgevoerd is. Hierbij is geconcludeerd dat geen waardplanten van iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (wilde kamperfoelie) aanwezig waren. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van iepenpage en kleine ijsvogelvlinder kan dan ook op basis van de quickscan worden uitgesloten. Grote vos
Kamsalamander De watergangen op de onderzoekslocatie zijn met elkaar verbonden en
Indien ten behoeve van de voorgenomen plannen werkzaamheden aan
Op de onderzoekslocatie zijn enkele bos- en schietwilgen aanwezig. Het betreft echter jong houtopschot, waardoor niet voldaan wordt aan de cri-
in de grotere watergangen zijn vissen aanwezig. Daarmee kan uitgesloten worden dat de kamsalamander zich voortplant in de greppels op de
de watergangen uitgevoerd zullen worden, dient voorafgaand een aanvullend onderzoek naar grote modderkruiper plaats te vinden. Er is
teria waar de waardbomen voor grote vos aan dienen te voldoen (hoge, vrijstaande bomen). Verder is slechts in zeer beperkte mate geschikt
onderzoekslocatie. Wegens het ontbreken van dichte vegetaties op de onderzoekslocatie, kan tevens het voorkomen van landhabitat van de
daarom besloten om zowel de watergangen als de oevers niet mee te nemen in de ontwikkeling waardoor deze onaangetast blijven. Nader on-
foerageergebied aanwezig voor grote vos. Naar alle waarschijnlijkheid zal de onderzoekslocatie middels de ecologische inrichting enkel ge-
kamsalamander uitgesloten worden. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van kamsalamander kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
derzoek is dan ook niet aan de orde.
schikter worden voor grote vos. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van grote vos kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
Heikikker en poelkikker De onderzoekslocatie biedt vanwege de agrarische aard, het voedselrijke karakter van het water en het ontbreken van geschikte voortplantingswateren geen geschikt voortplantings- en landhabitat aan de heikikker en poelkikker. Overtreding van de Omgevingswet kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad.
Algemene vissen Ten aanzien van algemene vissen geldt dat bij eventuele dempingswerkzaamheden verstoring van individuen kan optreden. Voor algemene vissen geldt de zorgplicht. Ongewervelden Libellen De onderzoekslocatie wordt vanwege het open en agrarische karakter niet geschikt geacht als habitat voor deze en andere beschermde libellen. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde libellen is niet aan de orde.
Grote weerschijnvlinder De onderzoekslocatie biedt vanwege de open en agrarische aard geen geschikt habitat aan de grote weerschijnvlinder, ondanks dat enkele voor de soort geschikte waardplanten aanwezig zijn (boswilg). Het betreft daarnaast jong houtopschot, en de grote weerschijnvlinder zet zijn eitjes af op hoge, volgroeide bomen. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van grote weerschijnvlinder kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Teunisbloempijlstaart
De greppels op de onderzoekslocatie kunnen voortplantingshabitat bieden aan deze en andere algemene amfibieën. Op de onderzoekslocatie
Vlinders In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsge-
Op de onderzoekslocatie zijn geschikte waardplanten voor teunisbloempijlstaart aanwezig, in de vorm van basterdwederik en enkele katten-
kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigtes, bijvoorbeeld
gevens uit de NDFF waarnemingen bekend van grote vos, grote weerschijnvlinder, iepen-page, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart.
staarten. Echter wordt de onderzoekslocatie vanwege het intensieve
Zonneweide Poeldonk
39
agrarische karakter en het ontbreken van een strooisellaag voor de poppen om in te overwinteren niet geschikt geacht als habitat voor de teunisbloempijlstaart. Mogelijk maakt de teunisbloempijlstaart wel gebruik van de onderzoekslocatie om te foerageren. In de omgeving zijn echter veel geschikte alternatieven voorhanden, in de vorm van (weg)bermen, akkerlanden, oevers van watergangen en braakliggende terreinen. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van teunisbloempijlstaart kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Vermiljoenkever De vermiljoenkever heeft vochtige bossen, houtwallen en lanen met bomen en dikke takken die recent zijn doodgegaan als habitat. Ook meer
Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek' op circa 3,2 km afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een zonneweide en bijbehorende installaties betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is er een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, welke is opgenomen in als bijlage 8 van onderhavige ruimte-
solitaire of opgestapelde boomstammen kunnen gekoloniseerd worden. Dergelijke elementen zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig, waar-
lijke motivering.
mee de aanwezigheid van vermiljoenkever op basis van de quickscan kan worden uitgesloten.
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.
Groot spiegelklokje De onderzoekslocatie wordt vanwege de intensieve agrarische aard en het voedselrijke karakter niet geschikt geacht als groeiplaats voor het groot spiegelklokje. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van groot spiegelklokje kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Overige externe effecten kunnen vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden eveneens worden uitgesloten.
Specifieke zorgplicht Voor de specifieke zorgplicht soorten geldt dat negatieve gevolgen voor belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats van deze soorten dienen te worden voorkomen. Op de onderzoekslocatie zijn foerageergebied en/of rustlocaties van haas, konijn en diverse soorten vogels, zoals patrijs, veldleeuwerik en gele kwikstaart, aanwezig. Middels de geplande ecologische inrichting zal de onderzoekslocatie naar verwachting ge-
Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich grenzend aan de westzijde van de onderzoekslocatie. Gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht, mits geen toename van licht en geluid
schikter worden voor deze en andere Rode Lijst soorten. De werkzaamheden dienen conform een ecologisch werkprotocol uitgevoerd te wor-
optreedt ten aanzien van het onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.
den.
Zonneweide Poeldonk
Houtopstanden Op de onderzoekslocatie is één zomereik aanwezig. Deze blijft behouden bij de voorgenomen plannen, waardoor vervolgstappen niet noodzakelijk zijn. 5.12.3 Conclusie De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is onderzocht en opgenomen in de bijlage. Hierin is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van genoemde werkzaamheden in acht wordt genomen.
5.13
Omgevingsveiligheid
5.13.1 Toetsingskader Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
40
Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl. Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal;
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor; buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieu-
moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid. Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen
belastende activiteit in het Bal; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in
overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aan-
het Bal. In het van rechtswege ontstane omgevingsplan van de gemeente SintMichielsgestel worden beperkingen met betrekking tot externe veiligheid genoemd, waarbij milieubelastende activiteiten, transportroutes en buisleidingen aan bod komen (artikel 22.39b). Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen: opslaan, bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5); exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosie
ven (afdeling 5.1.2.5); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Zonneweide Poeldonk
dachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet advies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl). 5.13.2
Onderzoek
In de directe omgeving van het projectgebied ligt de provinciale weg N279 en zijn er ten noorden aan de overkant van de Zuid-Willemsvaart 3 risicobronnen vanwege de aanwezige bedrijven gesitueerd. Het projectgebied is hierdoor voor een klein gedeelte gelegen in het gifwolkaandachtsgebied van een van deze bedrijven. Zie ook navolgende uitsnede van de Atlas Leefomgeving.
Figuur 14 Uitsnede Atlas Leefomgeving ter plaatse van het projectgebied
Het in gebruik hebben van zonnepanelen is in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving niet aangewezen als een risicovolle milieubelastende activiteit of beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw. Omdat er slechts beperkt en kortdurend personen in het projectgebied verblijven, heeft de ontwikkeling geen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Het groepsrisico hoeft in dat geval niet verantwoord te worden. Een risico wat wel in acht moet worden genomen bij de realisatie van een zonneweide is depositie. Depositie is de neerslag of afzetting van luchtverontreinigende stoffen op bodem, water, planten dieren of gebouwen. Het gaat in milieu verband om depositie van verzurende en vermestende stoffen. Bij een zonneweide kan dit voorkomen wanneer de zonnepanelen betrokken zijn bij een brand waarbij als gevolg verbrandingsproducten en onverbrande resten neerslaan. Deze scherpe delen kunnen dan bijvoorbeeld leiden tot letsel bij personen of grazend vee. Ook kan de depositie toxisch zijn en leiden tot vervuiling van de bodem, water en gewassen.
41
Omdat brand kan ontstaan in een zonnepaneel, een bijbehorende installatie (omvormer of inkoopstation) of in grasland nabij de zonnepanelen is brand het voornaamste risico. Dergelijke branden kunnen leiden tot een snelle branduitbreiding wat mogelijk tot schade aan installaties, natuur en omgeving kan leiden. Om brand, en daarmee depositie, te voorkomen zullen de adviezen uit de ‘Handreiking Risicobeheersing advies veilige PV-Systemen’ van het NIPV worden gevolgd. Deze maatregelen hebben betrekking op brandveiligheid, bluswater en bereikbaarheid. Op deze manier worden de risico’s flink beperkt en is er wat betreft het aspect omgevingsveiligheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.13.3
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig project.
5.14
Trillingen
5.14.1 Toetsingskader Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet beschermt (delen van) trillinggevoelige gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten (art. 5.80 Bkl). Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties. Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen (zoals woningen) in de buurt van spoorwegen moet het aspect trilling worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan.
Zonneweide Poeldonk
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kunnen de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. 5.14.2
Onderzoek
De ontwikkeling maakt geen trillinggevoelige gebouwen of trillinghinder veroorzakende activiteiten mogelijk. Een nadere toetsing aan dit aspect kan daarom redelijkerwijs achterwege blijven. 5.14.3
5.15.2 Onderzoek Verkeer In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit agrarische gronden. De nieuwe functie heeft een verwaarloosbare verkeersaantrekkende werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van incidenteel verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer van de zonneweide en de groene inpassing. Hierbij is uitgegaan van maximaal 2 motorvoertuigbewegingen (lichte busjes) per maand. Er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur.
Conclusie
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.15
Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren
5.15.1
Toetsingskader
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond of sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 381). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de met de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft dit gedaan in de Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel. De activiteit dient in dit geval aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst.
In de aanlegfase van de zonneweide zal wel (tijdelijk) een toename plaatsvinden van verkeer. Het gaat hier onder meer in de vorm van vrachtwagens en busjes die de materialen komen leveren. Gelet op de tijdelijkheid van de verkeersbewegingen en het relatief beperkte aantal zal het initiatief geen negatieve effecten in verkeerskundig opzicht opleveren. Parkeren De zonneweide betreft een bedrijfsmatige functie, maar van vaste werknemers of verblijvende personen ter plaatse is geen sprake. Incidenteel zal er sprake zijn van een parkeerbehoefte bij onderhouds-, beheer-, controlewerkzaamheden e.d. In dat geval kan gebruik worden gemaakt van een toegang tot het terrein. De incidentele parkeerbehoefte kan daarmee in voldoende mate worden opgevangen op eigen terrein. Gelet op de beperkte aanwezigheid van personen voor onderhouds-, beheer-, controlewerkzaamheden is het aanleggen van permanente parkeerplaatsen niet noodzakelijk. 5.15.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het initiatief.
42
5.16
Water
5.16.1 Toetsingskader Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5.37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid, niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is.