CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. BOPA motivering (onderbouwing) zonnepark Poeldonk 1 augustus 2025

Beeldvormende informatieavond 11 september 2025, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies zonnepark Poeldonk29.873 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Zonneweide Poeldonk

de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; Een zorgvuldige landschappelijke inpassing, het gebruik van reflectiebeperkende materialen en het evenwichtig verwerken van hemelwater zorgen hiervoor. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen. Er wordt een significante bijdrage geleverd aan de maatschappelijke doelstellingen voor de energietransitie naar duurzame vormen van energievoorziening. De omgeving kan (financieel) mee participeren, waardoor ze kunnen meebeslissen over het project en in de vorm van bijvoorbeeld een omgevingfonds kunnen meeprofiteren van een financiële bijdrage. Bovendien is er vanuit de omgevingsdialoog het idee ontstaan om mogelijk laadpalen voor elektrische fietsen in de omgeving te plaatsen. Er wordt gestreefd naar 50% lokaal eigendom, waardoor de mogelijkheid om te participeren gestalte krijgt, zie nader par. 4.1.4.

17

d. is geborgd dat het zonnepark tijdelijk, voor ten hoogste 25 jaar, wordt toegelaten.

Enexis over gevoerd. Zie voor een bevestiging van plaatsing op de interesselijst de bijlagen.

Hiertoe wordt in de vergunning een voorschrift opgenomen.

Artikelen 5.7 t/m 5.10: basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In par. 5.1.2 van de Iov zijn de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies opgenomen. Hierbij wordt op basis van art. 5.7 rekening gehouden met:

e. juridisch en financieel is geborgd dat na het verstrijken van de termijn de opstelling voor zonne-energie en de daarbij behorende voorzieningen, worden verwijderd. Deze voorwaarde wordt vastgelegd in de vergunning.

ling 7.2 Regionaal samenwerken.

zorgvuldig ruimtegebruik (art. 5.8); Onderhavige ontwikkeling vindt plaats buiten ‘bestaand ruimtebeslag’ als bedoeld in de verordening. Hieraan is een zorgvuldig afwegingsproces voorafgegaan, waarbij onderhavige locatie in de gemeentelijke visie

De ontwikkeling is regionaal afgestemd via de Regionale Energiestrategie. Deze wordt in de navolgende paragraaf behandeld.

zonne- en windenergie als geschikte locatie voor zonne-energie naar voren gekomen is. Zoals voorgaand reeds gemotiveerd, wordt hierbij te-

f. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afde-

Figuur 8: Uitsnede 'PV Zon - Tredes (voorrangsprincipe) uit de visie ‘zonne- en windenergie’

vens voldaan aan de specifieke regels, zoals gesteld in art. 5.54. g. de ontwikkeling is afgestemd met de netwerkbeheerder. De initiatiefnemer heeft in vroegtijdig stadium (principeverzoek) contact gehad met netbeheerder Enexis. In 2021 is een aanvraag gedaan bij Enexis voor de projecten aan de andere kant van de Meerse Plas in gemeente 's-Hertogenbosch, waarmee we bovenaan de wachtlijst staan. Door middel van cable pooling kan Poeldonk hierop worden aangesloten. Daarnaast zijn er vanwege de batterij die op de Den Bosch locatie meegenomen wordt, mogelijkheden om gebruik te maken van de aanko-mende nieuwe vorm die de netbeheerders aan zullen bieden. Het zal dan gaan om tijdsgestuurde contracten, waarbij de netbeheerder de mo-gelijkheid heeft om daags van tevoren hier beroep op te doen. Om zo-doende netcongestie te voorkomen.

Figuur 9: Uitsnede 'PV Zon - Gebied algemene voorwaarden' uit de visie ‘zonne- en windenergie’

Zonneweide Poeldonk

Naast de hierboven beschreven ‘traditionele’ versie is initiatiefnemer ook al in vergaande processen met bedrijventerrein de Brand. Deze bedrij-venterrein heeft een beperking op uitbreiding vanwege de netcongestie en wil graag vergroenen. Ten tijde van de vergunningsaanvraag zijn al analyses uitgevoerd om zonne-energie en energieopslag te koppelen aan het bedrijventerrein, met positieve vooruitzichten. Inmiddels zijn ook hierover meerdere gesprekken met

de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering (art. 5.9);

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op:  de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;  de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer;  de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Bij de uitwerking van onderhavig plan is rekening gehouden met de effecten op deze verschillende niveaus. Naast de realisatie van de zonneweide, die bijdraagt aan de infrastructuur op het gebied van duurzame

18

Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting Een omgevingsplan dat (..) een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.

energievoorziening (netwerklaag), worden verschillende maatregelen getroffen om negatieve effecten op de ondergrond te voorkomen dan wel beperken. Daarbij kan worden opgemerkt dat er bij de realisatie van een zoneweide slechts zeer beperkt sprake is van bodemroerende werkzaamheden waardoor negatieve effecten voor de bodem minimaal zullen zijn. Desondanks wordt er zorgvuldig omgegaan met het waterbergend vermogen van het gebied door het realiseren van extra bergingscapaciteit en wordt de ecologische waarde van het gebied vergroot. Hierbij wordt ook gezorgd voor voldoende afstand van de waterwegen conform de eisen van het waterschap. Tevens worden op basis van de zorgvuldig bepaalde landschappelijke inpassing en inrichting in het in de bijlage opgenomen landschappelijke inpassingsplan land-

gebied, uitbreiding van oppervlaktewateren en verbetering van de landschappelijke en ecologische waarden en diversiteit. Daarnaast voorziet het plan in een maatschappelijke en daaruit voortvloeiend ook economische opgave, namelijk de totstandbrenging van een netwerk van voldoende en duurzame energievoorziening met het oog op de toekomst. Al met al houdt het plan op evenwichtige wijze rekening met het aspect meerwaardecreatie.

liteit van het gebied of de omgeving (art. 5.11). In het kader van artikel 5.11 van de Omgevingsverordening Noord-Bra-

De gemeente heeft in de visie ‘zonne- en windenergie’ onderzoek gedaan naar de verschillende mogelijkheden voor het toepassen van duurzame energievoorzieningen binnen het gemeentelijke grondgebied. Enkel het benutten van daken en potentieel te benutten andere locaties in bestaand stedelijk gebied voldoet hiervoor niet. Daarom is in deze visie onderzoek gedaan naar welke gebieden in het Landelijk gebied (onder voorwaarden) voor deze functie kunnen worden ingezet en waar deze functie dus passend zou kunnen zijn. Dit heeft geresulteerd in gebieden,

schapsversterkende maatregelen genomen. Op deze manier wordt er aangesloten op het bestaande natuurnetwerk maar wordt er ook reke-

bant is het doel van kwaliteitsverbetering het structureel versterken van de landschappelijke en ecologische kwaliteit van het gebied. Hiervoor

waar wind- en zonne-energie worden uitgesloten, in gebieden waar zonne- én windenergie een plaats kunnen krijgen en gebieden waar in-

ning gehouden met het behouden en beschermen van het cultuurhistorisch open karakteristieke landschap zoals beschreven in paragraaf 5.3.

wordt circa 1 hectare van het plangebied ingericht als blijvende natuur, zoals is toegelicht in hoofdstuk 3 en is weergegeven in figuur 5. Deze

passing van zonneweides is toegestaan. Een groot deel van het besluitgebied ligt in laatstgenoemd gebied. Het initiatief voorziet in een combi-

Zodoende is er sprake van een evenwichtige balans tussen de verschillende lagen.

strook, gelegen direct ten oosten van de Meerse Plas, vormt een logische uitbreiding van het omliggende natuurgebied. Door deze kwaliteitsimpuls ontstaat een robuustere ecologische verbinding richting de Meerse Plas, in lijn met artikel 5.11 van de Omgevingsverordening. Bovendien ontstaat hiermee een overgangszone van het hogere, meer gesloten groen rond de plas naar het open agrarisch landschap. Initiatiefnemer onderzoekt hoe dit ook op langere termijn geborgd kan worden. Het totaal oppervlakte van het initiatief is ca 75.048 m², waarbij 10.000 m 2 ingericht zal worden als blijvende natuur. Hiermee zal circa 14% van de ontwikkeling een blijvende natuur impuls realiseren.

natie van duurzame energievoorziening met landschappelijk-ecologische maatregelen, waarmee de omgevingskwaliteit wordt versterkt. Tevens heeft de ontwikkeling geen negatieve effecten op een veilige en gezonde leefomgeving.

De omgevingsvergunning wordt voor de duur van maximaal 25 jaar verleend. Door de getroffen maatregelen behoudt het projectgebied ook na ontmanteling van de zonneweide in de toekomst voldoende waarde om nog andere functies op uit te kunnen voeren. In hoofdstuk 5 wordt nader onderbouwd op welke manier het zonnepark effect heeft of bijdraagt op de volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Verder geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dat deze gepaard moeten gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwa-

meerwaardecreatie (art. 5.10). Meerwaardecreatie houdt een evenwichtige benadering in van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Zoals op meerdere plaatsen in deze ruimtelijke onderbouwing al is onderbouwd, hebben bij de totstandkoming van dit plan met name de ecologische, landschappelijke en waterhuishoud-

De afwaardering die hiermee gemoeid is zal Lightsource bp dragen, waarmee de gronden na exploitatie geborgd kunnen worden als natuurgronden.

Ook is het initiatief passend binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied op basis van de omgevingsvisie Sint-Michielsgestel (zie ook par 4.4.3 van onderhavige ruimtelijke motivering). Op basis van de visie wordt beoogd dat men in het gebied de natuur wil verbinden en het landschap wil versterken. Doordat er in het ontwerp veel aandacht is besteed aan een goede landschappelijke inpassing waar ook rekening wordt gehouden met de aanwezige flora en fauna draagt het plan bij aan de ontwikkelingsrichting. De ontwikkeling is al met al passend binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.

kundige waarden een voorname rol gespeeld. Het plan draagt bij aan het behoud en de versterking van het waterbergend vermogen van het

Zonneweide Poeldonk

19

Artikel 5.44 Cultuurhistorische waarden. Een omgevingsplan ter plaatse van cultuurhistorische waarden:  is mede gericht op het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische waardenkaart;  stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en bebouwing; en  houdt bij de toedeling van functies en activiteiten rekening met de aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken en betrekt daarbij de mogelijkheden om die waarden te versterken. De planlocatie is aan de hand van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant gelegen in een cultuurhistorische waarden gebied, namelijk Bossche Broek. Het Bossche Broek is een laaggelegen gebied ten zuiden van 's-Hertogenbosch. Het Bossche Broek bestaat uit twee delen. Het westelijke deel is een laaggelegen en drassig, open graslandgebied met verspreid staande bomen en kleine bosjes, voornamelijk wilgen. Ook heeft het een oorspronkelijk karakter als onbebouwd graslandgebied in het zicht van de zuidelijke vestingwerken van en ’s-Hertogenbosch. Het gebied wordt doorsneden door een aantal sloten en smalle wegen. Het oostelijke deel van het Bossche Broek heeft na de Tweede Wereldoorlog een andere ontwikkeling doorgemaakt, doordat het opnieuw is ingericht voor de landbouw.

Ten noorden van de A2 is het gebied volgebouwd met kantoren en woonwijken, ten zuiden van de snelweg is de oude onregelmatige blokpercelering vervangen door een rationele percelering, zijn nieuwe wegen aangelegd en nieuwe boerderijen gebouwd. De dijkjes die het gebied begrenzen, de openheid en de wielen bij Horzik herinneren aan het natte verleden van het gebied. Het westelijke deel van het gebied heeft een zichtrelatie met de zuidelijke vestingwerken van de stad en de Sint-Jan. Gelet op de situering van het projectgebied hoeft alleen te worden gekeken naar de (twee) waarden en kenmerken ‘het open landschap’ en de ‘zichtlijnen op de historische kern ’s-Hertogenbosch’.

Zonneweide Poeldonk

Het projectgebied en de omgeving hebben geen betrekking op de andere waarden en kenmerken die ter bescherming zijn aangewezen voor het Bossche Broek. De zichtlijnen over het projectgebied zijn echter op zichzelf niet beschermd. Deze zijn slechts van belang om de samenhang van de openheid van het projectgebied en de omgeving te kunnen beoordelen. Zoals benoemd, zijn de openheid en zichtlijnen reeeds aangetast door ontwikkelingen zoals de rijksweg A2, de Meerse Plas (en het daarbij behorend opgaand groen) en de Poeldonkse Dijk en zorgen deze ervoor dat het projectgebied geïsoleerd is van de omgeving.

Conclusie Voorliggend plan past binnen de regelgeving, ambities en doelstellingen van de provincie Noord-Brabant. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor de realisatie van zonneweides, zoals beschreven in artikel 5.54 en aan de algemene basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.

In de landschappelijke inpassing voor zonneweide Poeldonk is rekening gehouden met het behoud van het open karakteristieke landschap. De verdeling van de huidige agrarische percelen wordt begrensd middels slootjes welke kenmerkend zijn voor het gebied. In het ontwerp komt dit karakter eveneens naar voren en wordt het zonnepark op een groene wijze nader ingepast in de omgeving. Bovendien zullen de installaties ruim lager komen te liggen ten opzichte van de omgeving. Als gevolg daarvan worden de zichtlijnen vanuit de omgeving op de historische kern ‘s-Hertogenbosch, zoals de Poeldonkse Dijk, niet gewijzigd met de komst van de zonneweide. Voorgaand in hoofdstuk 3 maar ook nader in paragraaf 5.3 is nader onderbouwd dat de ontwikkeling in voldoende mate rekening houdt met deze cultuurhistorische waarden. Tevens wordt verwezen naar bijlage 16 van onderhavige ruimtelijke motivering waarin een aanvullend cultuurhistorisch rapport is opgenomen dat gericht is op maatregelen voor het versterken van de cultuurhistorische beleving rondom de zonneweide. Het planvoornemen is hiermee gericht op het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Het leidt niet tot onaanvaardbare aantasting van de aangewezen cultuurhistorische waarden.

20

4.3

Verhouding tot regionaal beleid

4.3.1 RES 1.0 Noord-Brabant In het Klimaatakkoord, gepubliceerd op 28 juni 2019, is afgesproken dat

Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met de RES 1.0.

30 energieregio's in Nederland onderzoeken hoe en waar duurzame energie het best opgewekt kan worden. Dit wordt het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie genoemd. Op basis van het onderzoek wordt per regio een Regionale Energiestrategie (RES) vastgelegd. De RES is een doorvertaling van het Parijs-akkoord en Klimaatakkoord naar een regionaal niveau. De gemeentes in de regio Noordoost Brabant hebben samen met de provincie Noord-Brabant, de netbeheerder en de Waterschappen Aa en Maas en De Dommel toegewerkt naar de Concept-RES Noordoost Brabant (RES NOB). Hierin beschrijft de regio de contouren van de strategie voor besparing, grootschalige opwek van duurzame energie en de warmtetransitie.

Poeldonk

De energieopgave voor de regio Noordoost Brabant is minimaal 1,6 TWh hernieuwbare elektriciteit. Hiermee draagt de regio bij aan 4,3% van de totale landelijke opgave (35 TWh). De regio beoogt zonne- en windenergie als de voornaamste methoden het doel voor de opwekking van energie te verwezenlijken. Voor beide hernieuwbare bronnen zijn zoekgebieden aangewezen, waarin zonne- en windenergie mogelijk is. Doorwerking projectgebied Voorliggend plan is op de zoekgebieden Zonne-energiekaart van de RES NOB gelegen in een gebied aangewezen als zowel gemeentelijk zoekgebied voor zon op land als voor technische potentie voor zon op land. Figuur 10 geeft deze kaart weer. De zonneweide draagt en met ca. 7,5 ha. aan zonnepanelen en een vermogen van ca. 10.000 MWh/jaar bij aan de regionale doelstellingen om te komen tot minimaal 1,5 TWh duurzaam opgewekte elektrische energie. De zonneweide wordt op een landschappelijke manier ingepast met oog voor ontwikkeling van flora en fauna.

Zonneweide Poeldonk

Figuur 10: Zoekgebieden Zonne-energie RES NOB

21

4.4

Verhouding tot gemeentelijk beleid

4.4.1 Visie zonne- en windenergie Op 17 december 2020 is de Visie zonne- en windenergie door de gemeenteraad vastgesteld en is in een motie bepaald dat een tender voor 10 hectare zonneparken wordt opengesteld. Deze tender is inmiddels gesloten. Sint-Michielsgestel nam in deze tender in eerste instantie alleen initiatieven uit trede 2 in behandeling. Als de beschikbare 10 hectare niet wordt benut of als de initiatieven uit trede 2 onvoldoende kwaliteit bezitten, komen de hoogst scorende initiatieven in trede 3 in aanmerking. Inmiddels is gebleken dat de initiatieven uit trede 2 onvoldoende kwaliteit beschikken. In de visie is door middel van 6 stappen de beoordeling van initiatieven beschreven. Bij die beoordeling wordt getoetst op: 1. de borging van de ruimtelijke kwaliteit van het zonnepark; 2. welke manier de omgeving participeert in het project; 3. toename van de biodiversiteit op en direct nabij de projectlocatie; 4. de maatschappelijke kosten voor inpassing op het elektriciteitsnetwerk; 5. invulling van de waterbergingsfunctie in een gebied met een waterbergingsopgave (indien relevant); 6. toename van de recreatieve en toeristische waarde.

Gekeken naar het afwegingskader zoals opgenomen in het visie stuk wordt er dus gekeken naar ruimtelijke afweegbaarheid, voorkeursgebieden, gebied specifieke randvoorwaarden vanuit de interim verordening van de provincie, voorrangsprincipes (tredes) en mogelijke uitsluitingsgebieden. Daarnaast wordt ook nog ingegaan op maatschappelijke meerwaarde, als; meervoudig ruimtegebruik, bijdrage aan maatschappelijke doelen, lokaal eigendom. Verderop is de visie wordt dieper ingegaan op communicatie en participatie en hoe de inwoners bij het initiatief te betrekken.

Zonneweide Poeldonk

Doorwerking plangebied De zonneweide past binnen de gestelde kaders van de visie ‘zonne- en windenergie’ voor het aanleggen van een zonnepark op de gestelde locatie. Voorwaarde is dat de zonneweide landschappelijk wordt ingepast en ruimtelijke kwaliteit toevoegt. Zoals voorgaand in deze ruimtelijke motivering reeds is onderbouwd, is dat in onderhavig geval zorgvuldig en doordacht gebeurd.

reeds ingerichte openbare ruimte (inclusief een bestaand bomenbestand) heeft te boom voorrang op zonnepanelen. Met andere woorden: bij de plaatsing van zonnepanelen zal de initiatiefnemer rekening moeten houden met de aanwezigheid van de bestaande bomen (en dat deze nog verder kunnen groeien). Als blijkt dat door de aanwezigheid van de bomen het rendement vermindert of niet voldoende is, zal de initiatiefnemer zelf de afweging moeten maken of het plaatsen zinvol is.

Centraal staat dat het initiatief:  is afgestemd met de omgeving (participatie), zie hoofdstuk 6;  passend is bij de maat en schaal van het landschap;  het laadvermogen (draagkracht) van het landschap niet overschrijdt,

Doorwerking plangebied Binnen het initiatief zullen er geen bomen worden gekapt voor het realiseren van het zonnepark. Het zonnepark zal landschappelijk worden ingepast in de huidige omgeving waarbij rekening wordt gehouden met de

doordat veel ruimte wordt behouden voor landschappelijke inpassing, waterberging en ecologische verbetering;

aanwezigheid van bestaande bomen. Het planvoornemen is daarom in lijn met het Bomenbeleidsplan van de gemeente Sint-Michielsgestel.

de kernkwaliteiten van de locatie niet aantast en de zichtbaarheid beperkt, onder meer door voldoende zichtlijnen te behouden, aan te

4.4.3

sluiten op de bestaande landschappelijke structuren en door de beperkte waarde die het huidige agrarische landschap kent; nieuwe kwaliteiten toevoegt, waaronder in ieder geval een versterking van de biodiversiteit, meer ruimte voor waterberging en landschappelijke meerwaarde.

Zie hierover nader hoofdstuk 3, bijlage 1 en par. 4.2.2 van deze ruimtelijke motivering. 4.4.2 Bomenbeleidsplan Sint-Michielsgestel 2020-2030 Het bomenbeleidsplan is vastgesteld op 10 september 2020 en geeft de visie van Sint-Michielsgestel op bomen. Hierin worden de randvoorwaarden aangegeven en wordt er samenhang aangebracht door afstemming van diverse beleidsonderdelen, zo ook voor bomen en zonnepanelen. De gemeente stimuleert duurzame initiatieven zoals het opwekken van duurzame energie, maar geeft aan dat dit geen zin heeft als andere duurzame elementen daarmee worden verwijderd. Op locaties met een

Omgevingsvisie Sint-Michielsgestel

De gemeente Sint-Michielgestel is in 2021 gestart met het opstellen van haar omgevingsvisie. In deze omgevingsvisie staat de vraag ‘Hoe ziet de gemeente Sint-Michielsgestel eruit in 2040’ centraal. De omgevingsvisie gaat over de kwaliteiten, de groene omgeving en de leefbaarheid van Sint-Michielsgestel. Maar ook over nieuwe ontwikkelingen zoals woningbouw, bereikbaarheid en duurzame energie. De omgevingsvisie is samen met de gemeente, inwoners, ondernemers, (maatschappelijke) organisaties, verenigingen, deskundigen en belanghebbenden tot stand gekomen. Aan de hand van een veelvuldig participatietraject zijn ideeën verzameld die in de ontwerp omgevingsvisie zijn meegenomen. Dit ontwerp heeft tot en met 4 maart 2024 ter inzage gelegen en is op 22 november 2024 vastgesteld. De Omgevingsvisie bestaat uit vier hoofdthema’s: 1. Aangenaam leven; 2. Verbindend netwerk; 3. Krachtige economie; 4. Inclusieve duurzaamheid.

22

Per thema wordt in de visie omschreven hoe de gemeente hier mee om wil gaan. Dit doen ze door elk thema onder te verdelen in dromen, ambities en scenario’s. Dit alles vertaald zich door in de omgevingsvisie waarin alles samen komt. De gemeente heeft de ambitie gesteld om in 2040 klimaatneutraal te zijn: ‘’Bestaande woningen en bedrijfspanden zijn door isolatie en aansluitingen op het elektriciteitsnet grotendeels van het aardgas af. Er is meer ruimte voor duurzame energieopwekking en er zijn alternatieve bronnen voor warmte. We stimuleren onze inwoners om duurzamer te wonen en te leven, we betrekken ze bij initiatieven en we communiceren waar ze terecht kunnen voor informatie hierover. Een aandachtspunt hierbij is dat de energietransitie voor onze inwoners haalbaar en betaalbaar is.’’

gaan op de waterhuishoudkundige opgave in het gebied. Op deze manier worden er verschillende opgaves vervuld en draagt het planvoornemen bij aan meervoudig ruimtegebruik van de locatie. Het planvoornemen zal daarnaast een significante bijdrage leveren aan de maatschappelijke doelstellingen die voor de energietransitie naar duurzame vormen van energie gelden. Ook wordt er gestreefd naar 50% lokaal eigendoom, waardoor er voor omwonenden mogelijkheid is om te participeren. 4.4.4

Conclusie

Voorliggend plan past binnen de regelgeving, ambities en doelstellingen van de gemeente Sint-Michielsgestel.

In een van de scenario’s wordt onder inclusieve duurzaamheid gesteld dat er naast zonnepanelen op daken ruimte in het buitengebied nabij de dorpskernen is voor zonne-energie op land. Dit passend bij de dorpse schaal en gecombineerd met andere functies, zoals versterking van de groenblauwe netwerken, landbouw en recreatie. Ook kan zonne-energie worden toegepast als onderdeel van en aansluitend bij grootschalige infrastructuur. De N279 en de zone ten zuiden van de Zuid-Willemsvaart en het Maximakanaal komen hiervoor in aanmerking. Deze zonnevelden worden gecombineerd met bijvoorbeeld waterberging, natuur, biodiversiteit (meervoudig ruimtegebruik). Doorwerking plangebied De beoogde planlocatie is gelegen op een aantal percelen welke met de noordzijde grenzen aan de Zuid-Willemsvaart. Zoals ook reeds in hoofdstuk 3 is beschreven zal het zonnepark landschappelijk worden ingepast waarbij rekening wordt gehouden met de diverse natuurwaarden die reeds in het gebied aanwezig zijn. Ook zal het zonnepark rekening houden met de opgave voor waterberging. In paragraaf 5.16 wordt inge-

Zonneweide Poeldonk

23

5

Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving

5.1

Milieueffectrapportage (m.e.r.)

5.1.1

Toetsingskader

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Daarnaast kan de m.e.r.-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de ver-

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen. Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. 5.1.2

Onderzoek

Op basis van het Omgevingsbesluit kan een zonnepark (mogelijk) worden beschouwd als een:  Stedelijk ontwikkelingsproject;  Landinrichtingsproject;

de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaar-den voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

en 2) van de Omgevingswet waarin wordt aangegeven dat als de gemeente beleid heeft waarin ze ontwikkelingen opnemen die m.e.r.-(be-

ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

oordelings)plichtig zijn. 5.2.2

Of een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd ge-

5.1.3

Zonneweide Poeldonk

5.2.1 Toetsingskader Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van

Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie

Op basis van de jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) is vastgesteld dat de realisatie van een zonnepark geen stedelijk ontwikkelingsproject noch een landinrichtingsproject betreft. Op basis hiervan is er geen sprake van

b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het

Bodem

In bijlage V van het Omgevingsbesluit is onder categorie C. ‘Energie-Industrie’ een zonnepark niet opgenomen als m.e.r. plichtig. Als aanvulling op bijlage V van het omgevingsbesluit geldt 16.36 (lid 1

gunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

zag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn;

5.2

een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Conclusie

Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.

Onderzoek

Een zonneweide betreft geen gebouw en valt derhalve niet onder het bereik van artikel 5.89 lid g van het Bkl. Het betreft ook geen bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89 sub h Bkl. Verder betreft een zonneweide ook geen bodembedreigende functie. Voor de realisatie van de zonnepanelen is er slechts zeer beperkt sprake van bodemroerende werkzaamheden. Dit geldt niet voor het landschappelijk inpassen van het gehele zonnepark omdat er sprake zal zijn van enkele graafwerkzaamheden voor bijvoorbeeld plas-dras gebieden. Derhalve is er een vooronderzoek bodem uitgevoerd om de huidige situatie van de bodem (nulsituatie) in beeld te brengen. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen.

24

Vooronderzoek Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie grotendeels als “onverdacht” beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Centraal is de locatie ter plaatse van perceelnummer 72 verdacht op OCB. Op deze deellocatie heeft van 1978 tot en met 1984 een boomgaard gestaan. Boomgaarden van voor eind jaren ‘80 zijn verdacht op het gebruik van OCB. De planlocatie is daarmee op te delen in twee gebieden, zoals weergegeven in figuur 11.

Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek wordt de deellocatie van de voormalige boomgaard als “verdacht” beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 op deze deellocatie noodzakelijk geacht.

5.3

Verkennend bodemonderzoek Gelet op de resultaten van het voornoemde vooronderzoek, is in het kader van de BOPA-procedure een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 ter plaatse van de voormalige boomgaard uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de

en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is. Voor de provincie Noord-Brabant zijn deze stukken door vertaald in de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024’.

conclusies beschreven.

Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen.

Het verkennend bodemonderzoek richt zich op de mogelijke aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen.

sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed

Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel

De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) en ten behoeve van de voorgenomen aanleg van een zonneweide.

vinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met

5.2.3

Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek kan het plangebied, met uitzondering van de voormalige boomgaard, als ‘’onver-

De bodemkwaliteit is in voldoende mate onderzoek en vormt geen belemmering voor de realisatie van een zonneweide in het projectgebied.

Zonneweide Poeldonk

5.3.1 Toetsingskader De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de onderzochte toplaag geen overschrijdingen van de interventiewaarde zijn aangetoond.

Figuur 11: Plangebied met de voormalige boomgaard (verdachte deellocatie) zwart gearceerd

dacht’’ worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging.

Cultuurhistorie

erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de pro-

de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed).

Conclusie Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels,

25

zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden.

Brabant en was het onderdeel van de gemene gronden rondom de stad en van militair belang.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenafweging.

In de 16e eeuw werd het Bossche Broek voor het eerst geïnundeerd om de stad te beschermen tegen de dreiging van Prins Maurits, die omliggende verdedigingswerken had ingenomen tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Vanaf circa 1600 maakte het Bossche Broek namelijk deel uit van een strategisch landschap rondom ’s-Hertogenbosch en lag het binnen het schootsveld van de stad. Dit maakte het gebied tot een open en onbebouwd terrein, dat bij dreiging onder water gezet kon worden ter verdediging. Gedurende de 18e eeuw en tijdens de Belgische Opstand (1830-1839) bleef het Bossche Ommeland regelmatig geïnundeerd, wat

Op onderstaande kaarten is de ontwikkeling van het onderzoeksgebied in de laatste 150 jaar te zien (figuur 12). De eerste grote verandering vond plaats tussen 1870 en 1899. De Beusingsedijk werd toen noordelijk van het onderzoeksgebied aangelegd, waardoor de ontsluiting verbeterde. Ook werd in 1898 de tramlijn Sint-Oedenrode – ’s-Hertogenbosch langs de Zuid-Willemsvaart aangelegd. In 1936 werd de lijn gesloten en de tramrails werden opgebroken waardoor er op de kaart van 1956 niks meer van te zien is. De grootste verandering gebeurde tussen 1956 en 1979, waartussen de hiervoor besproken ruilverkaveling is uitgevoerd. De Meerse plas is in de jaren 70 ontstaan ten behoeve van de A2 (figuur 9). De aanleg daarvan kostte veel grond en het benodigde zand kwam uit het Broek.4 Ook is hier te zien dat de Keerse Straat, zoals aangegeven in

de landbouw onmogelijk maakte en schade toebracht aan wegen, bruggen, dijken en boerderijen. Bovendien stond het Bossche Broek regelma-

1956, volledig verdwenen was. In het oosten waren er nieuwe wegen aangelegd ten behoeve van de ontsluiting. Verder kwam er meer bebouwing

tig onder water door de loop van de Beerse Maas, waardoor het niet geschikt was voor permanente bebouwing tot de Beerse Maas in 1942 werd

bij. Die breidde zich na 1979 nog meer uit in de vorm van industrieterreinen ten noorden van de Zuid-Willemsvaart. Ook werd bij de Meerse Plas

afgesloten.

een crossbaan aangelegd. Ten slotte is de Poeldonkse Dijk met zijn wielen een van de weinige overblijfselen van het oorspronkelijke cultuurlandschap rond het onderzoeksgebied.

5.3.2

Onderzoek

Het projectgebied is gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied waarin voornamelijk de openheid van belang is. Er is daarom een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd waarin is gekeken of de cultuurhistorische waarden in het plangebied worden aangetast. Hierbij is vooral gekeken naar de historisch-landschappelijke ontwikkeling en op de nu aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten van het onderzoeksgebied. Aanvullend daarop is een rapport opgesteld waarin praktische, uitvoerbare maatregelen worden gegeven, met als doel het zichtbaar maken, behouden en versterken van de cultuurhistorische waarden binnen het landschappelijke karakter van het gehele gebied Bossche Broek. De volledige rapporten zijn opgenomen in de bijlage. Navolgend worden de belangrijkste conclusies beschreven. Historisch-landschappelijke ontwikkeling Landschapshistorisch gezien ligt het onderzoeksgebied tussen de beekdalen van de Aa en de Dommel, waarbij de ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen uit het Weichselien, deels overspoeld vanuit het beekdal. Dit heeft geleid tot een specifieke geomorfologie in de vorm van een dekzandvlakte waarin zich beekeerdgronden gevormd hebben. Deze gronden liggen in een lagergelegen gebied binnen het omringende landschap. Na de ijstijd vormde zich hier onder steeds warmere omstandigheden moeras en veen, wat leidde tot het ontstaan van het Bossche Broek.

In de late middeleeuwen kwam dit gebied in handen van de hertogen van

Zonneweide Poeldonk

Toen de recreatieve functie van het Bossche Broek groeide, had dat ook effect op de uiterlijke verschijning ervan. Er werden nieuwe verharde wegen toegevoegd en de percelering werd sterk gewijzigd. In de late jaren vijftig en vroege jaren zestig werd de Bossche wijk Zuid gebouwd, waardoor het plangebied en omgeving fysiek en visueel van ’s-Hertogenbosch werden losgekoppeld. Een relatie tussen de binnenstad van ’s-Hertogenbosch en dit gebied was er toen niet meer. In de 20e eeuw volgde een belangrijke verandering van het landschap door een ruilverkaveling, die in de jaren ’70 resulteerde in een nieuwe, rationelere verkaveling en de aanleg van de A2, waarvoor zand werd gewonnen uit het gebied. De Meerse Plas, waarnaast het zonnepark gepland is, ontstond als gevolg van deze zandwinning. Door de ruilverkaveling en de aanleg van infrastructuur veranderde het landschap aanzienlijk, met nieuwe wegen en bebouwing, terwijl de agrarische functie afnam.

26

Cultuurhistorische kwaliteiten Op de cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Brabant is het hele gebied van het Bossche Broek aangewezen als cultuurhistorisch waardevol. De genoemde waarden zijn het open landschap, de zichtlijnen op de historische kern van ’s-Hertogenbosch, de dijken en dijkrestanten, de kleinschalige strookvormige percelering in het westelijke deel, en de wielen bij Horzik en de Pettelaar. De ruilverkaveling als zodanig wordt niet als waardevolle fase van de geschiedenis aangeduid, en de ruilverkaveling komt evenmin voor als waardevol gebied in de inventarisatie van waardevolle ruilverkavelingen uit de periode 1940-1965 door de RCE. Niet al deze waarden zijn echter van toepassing op het onderzoeksgebied. Zo werd in de late jaren vijftig en vroege jaren zestig de Bossche wijk Zuid gebouwd, waardoor het plangebied en omgeving fysiek en visu-

De zeldzaamheid is matig, omdat de oorspronkelijke structuur grotendeels verdwenen is. De kwetsbaarheid blijft actueel: verdere verstoring van de openheid door bebouwing of beplanting kan het resterende karakter aantasten, al is die impact vanwege reeds bestaande barrières (zoals de A2 of de groenopstand rond de Meerse Plas) zeer beperkt. In het rapport zijn de aanwezige cultuurhistorische elementen en gebieden in en rondom het onderzoeksgebied aangegeven. De meeste wegen zijn verdwenen door de ruilverkaveling, en is alleen de dijk met wielen ten oosten van het onderzoeksgebied aanwezig als infrastructureel relict. Fysieke relicten zijn in het onderzoeksgebied beperkt aanwezig. Daarom is gekozen om geen objecten te waarderen, maar het onderzoeksgebied als geheel in zijn context. Zie hiervoor navolgende tabel.

eel van ’s-Hertogenbosch werden losgekoppeld. Toen in de jaren 70 de Meerse Plas werd aangelegd met de bomenrand, werd het zicht nog meer beperkt. De kleinschalige strookvormige percelering komt meer voor in het westelijke deel van het Bossche Broek, en de dijken met de wielen maken wel deel uit van het omringende landschap, maar liggen buiten de grenzen van het onderzoeksgebied. Het open landschap is daarentegen nog wel van toepassing.

Figuur 12 Historische ontwikkeling projectgebied

Zonneweide Poeldonk

Ook in de specifieke beschrijving van de cultuurhistorische waardenkaart wordt dit vermeld. Het westelijke deel van het Bossche Broek is beter intact gebleven dan het oostelijke deel, waar alleen de dijken met wielen en de openheid van het gebied nog herinneren aan het natte verleden. Door de ruilverkaveling en de aanleg van de A2 (waarbij ook de Meerse plas (met opgaande groen) is ontstaan) zijn veel cultuurhistorische waarden in het oostelijke deel verloren gegaan.

Tabel 1 Waarderingstabel (de totaalscore komt uit op 3, aldus een middenscore)

27

Impact van de plannen De aanleg van de zonneweide heeft geen onevenredig veel impact op de aanwezige cultuurhistorische waarden. De bouw van de zonneweide heeft geen invloed op de dijken, wielen, en dus de oorspronkelijke infrastructuur van het gebied. De enige waarde die door de aanleg aangetast zou kunnen worden, is de openheid van het landschap van het Bossche Broek. Echter, omdat in de jaren 70 door de aanleg van de A2 de Meerse Plas is aangelegd met beplanting aan de kant van het plangebied, zal deze ingreep maar beperkte impact hebben op de zichtlijnen vanaf de Poeldonkse Dijk. Immers: het zicht wordt nu al geblokkeerd, en die blokkade verschuift dan alleen iets naar voren. De openheid is aanvaardbaar. Zichtrelaties tussen Den Dungen en ’s-Hertogenbosch zijn historisch van belang en landschappelijk nog beleefbaar, maar niet in het plangebied Poeldonk. Ter hoogte van het plangebied is de zichtlijn richting ’s-Herto-genbosch verstoord door de beplanting rond de Meerse Plas en de infra-structuur van de A2. Deze zichtrelatie kan alleen ervaren worden ver ten zuiden van het plangebied. Binnen de grotere omgeving zijn er dus nog voldoende open corridors waar zichtrelaties behouden of versterkt kunnen worden. Zo kan vanaf de dijk ten noorden van het plangebied Poeldonk nog de openheid beleefd worden wanneer men zicht richting het zuiden oriënteert.

Rondom de zonneweide wordt een struweelrand ge-plaatst zodat de zonnepanelen voor omwonenden en recreanten enigs-zins aan het zicht ontnomen worden. De struweelrand wordt volgens de plannen circa 2 meter hoog, 7.5 meter breed aan de oost- en zuidzijde en 2.5 meter breed aan de noord- en westzijde. Echter, omdat de dijk in het noorden nog steeds zodanig hoger is dan de geplande struweelrand wordt hier het zicht richting het zuidelijkere deel van het Bossche Broek niet beperkt. Dit is gebaseerd van de reconstructie zoals die door de initiatiefnemer is gemaakt.

Versterkende maatregelen De nadruk ligt op maatregelen die aansluiten bij het bestaande landschap en geen ingrijpende fysieke ingrepen vergen om de kenmerkende openheid te behouden, maar wél bijdragen aan de cultuurhistorische beleving van het gebied rondom zonneweide Poeldonk. Uit de inventarisatie is gebleken dat veel cultuurhistorische kwaliteiten door historisch-landschappelijke ontwikkelingen verloren zijn gegaan, zeker ter plaatse van het plangebied. Veel van de nog wel aanwezige waarden bevinden zich buiten het plangebied, en daarmee is het vanzelfsprekend om de versterkende maatregelen te zoeken en te treffen buiten de planlocatie. Belangrijk is om de openheid in het gebied en de zichten vanaf de

Het is wenselijk om lokale partijen, zoals scholen en buurtinitiatieven, te betrekken bij de uitvoering. Door bijvoorbeeld leerlingen of buurtbewoners te betrekken bij het verzamelen van verhalen over het gebied via interviews, fotoprojecten of kunstinitiatieven kan het immateriële erfgoed actief onderdeel worden van de ruimtelijke inrichting. Deze verhalen kunnen worden verwerkt in informatiepunten of tijdelijke en permanente objecten in het landschap, waardoor de geschiedenis van het Bossche Broek niet alleen verteld, maar ook beleefd wordt. Een dergelijke aanpak versterkt niet alleen de identiteit van de plek, maar draagt ook bij aan lokaal draagvlak, betrokkenheid en educatie. De initiatiefnemer is voornemens om samen te werken met de lokale basisschool en heemkundekringen de Groene Vesting en Op die Dunghen om dit verder vorm te

Poeldonkse Dijk richting Den Dungen en ’s-Hertogenbosch niet verder te verstoren. Dit kan door langs kavels of perceelsranden geen hoge be-

geven.

planting toe te voegen. Daarnaast is het aan te raden de openheid expliciet te verankeren in het landschapsbeheerplan van de zonneweide, zo-

Aanbevelingen Ten aanzien van het al aanwezige opgaande groen rond de Meerse Plas

dat deze ook bij toekomstige aanpassingen behouden blijft.

die aan het gebied grenst, wordt gesteld dat het cultuurhistorisch argument de aanleg van de zonneweide niet in de weg staat. De aantasting van de belangrijkste kwaliteiten van dit gebied, oftewel de openheid, zijn niet groot genoeg om van een onevenredige aantasting te spreken. De openheid is aanvaardbaar en zichtlijnen blijven behouden. Daarbij wordt in het beheerplan vastgelegd dat de beplanting zo wordt uitgevoerd als er in de plannen beschreven staat zodat de zichtlijnen over de zonneweide naar de rand met opgaand groen rond de Meerse Plas niet beperkt worden.

De Poeldonksedijk en de dijk Poeldonk functioneren als een soort tribune, waar het contrast tussen het hogere tracé en het lagergelegen broekland goed zichtbaar is. Deze plek is geschikt voor het benadrukken van het inundatieverhaal. Op strategische plekken in het gebied, zoals bij de kruising van de Poeldonkse Dijk met de Meerse Plas kunnen informatieve punten worden ingericht. Aansluiting op bestaande wandel- en fietsroutes, zoals het knooppuntennetwerk, versterkt hierbij de toegankelijkheid en beleefbaarheid.

5.3.3 Hoewel informatiepanelen op zichzelf vaak beperkt effect sorteren, kunnen ze in combinatie met een bredere aanpak, zoals digitale toepassingen, belevingsroutes of storytelling ter plaatse, alsnog een bijdrage leve-

Conclusie

De ontwikkeling levert geen onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden op.

ren aan de erfgoedbeleving van de omgeving. De initiatiefnemer zet zich in om bestaande routes en de app Linie 1629 uit te breiden met nieuwe informatie, in samenwerking met belanghebbenden.

Zonneweide Poeldonk

28

5.4

Archeologie

5.4.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 5.4.2 Onderzoek De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Sint-Michielsgestel (2009) in een zone met een lage archeologische verwachting. Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 ha en dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Volgens het Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Michielsgestel (2013) geldt de gebiedsaanduiding Archeologische Verwachtingswaarde 2. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 cm beneden maaiveld.

Uit het ontwerp blijkt dat er 2844 rampalen de grond in zullen gaan. Ruim genomen kan er uitgegaan worden van ca. 0.04 m² per paal. Hierdoor kom je op een verstoringsoppervlak van slechts 113,76 m². De grondroering is hiermee gering waardoor archeologisch onderzoek uitgesloten kan worden. Er heeft daarom dan ook met de gemeente overleg plaatsgevonden, waarvan de correspondentie is opgenomen in de

Zonneweide Poeldonk

bijlagen. Zij hebben aangegeven aan te sluiten bij de conclusie dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Dit is gebaseerd op het feit dat de lage archeologische verwachting in dit gebied pas een onderzoek vereist bij ingrepen groter dan10.000m2 en dieper dan 50cm -mv. Kijkend naar de aard en omvang van de ingrepen zal de effectieve verstoring door het plaatsen van de ‘palen’ op de ondergrond dermate beperkt zijn dat een onderzoek hier niet proportioneel is. Uiteraard heeft dit advies alleen betrekking op de archeologische component en niet op de landschappelijke effecten of andere omgevingsfactoren. 5.4.3

Conclusie

Gelet op het advies vanuit de gemeente kan er worden gesteld dat er vanuit het aspect ‘archeologie’ sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5

Activiteiten en milieuzonering

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is; 2. scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. 5.5.1

Toetsingskader

Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan én gewenst is.

2.

Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldoen aan de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd.

Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de

29

oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzone-ring’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. 5.5.2

Dit betekent dat het geluid op de gevel als gevolg van de zonneweide niet meer mag zijn dan 45 dB(A). Het projectgebied is gelegen ten zuiden van bedrijventerrein ‘De Brand’, met daartussen nog Zuid-Willemsvaart en de N279. In de directe omgeving van het gebied is weinig bebouwing aanwezig. De meest dichtbij gelegen woning ligt ten zuidoosten van het plangebied aan de Poeldonksedijk 7A, op een afstand van circa 117 meter. Ten oosten van het projectgebied zijn enkele woningen gesitueerd. Ook deze liggen op ruime afstand, namelijk ten minste 154 meter.

Onderzoek

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat bij het projectgebied.

Elektromagnetische straling

5.6.1 Toetsingskader Elektromagnetische velden Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektriciteit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektromagnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele telefoons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de planologie zijn

gende milieubelastende bedrijven vormen daarmee geen belemmering voor het oprichten van een zonnepark waardoor een toets aan de omliggende milieubelastende bestemmingen achterwegen worden gelaten.

met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit vaste objecten zijn. In het kader van gezondheid en milieu is het bij nieuwe ontwikkelingen, waar sprake is van gevoelige gebouwen zoals woningen, scholen en kinderopvang, van belang dat er rekening wordt gehouden met magneetvelden. Dergelijke projecten moeten buiten een magneetveldzone liggen. De sterkte van elektromagnetische velden is het grootst dichtbij de bron en neemt af als de afstand tot de bron groter wordt.

Ook dient te worden onderzocht, of het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen (milieugevoelige functies) niet onevenredig wordt aangetast als gevolg van het zonnepark. Daarom dient te worden getoetst of in de omgeving van het projectgebied functies voorkomen

Zonneweide Poeldonk

5.5.3 Conclusie De realisatie van de ontwikkeling levert geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving op. Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6

Het beoogde zonnepark betreft geen milieugevoelige functie. Omlig-

die een belemmering kunnen vormen voor de nieuwe ontwikkeling. Ten aanzien van de zonnepanelen zelf kan redelijkerwijs worden gesteld, dat geen milieuhinder (geluid, geur of stof) te verwachten is. Voor de bijbehorende transformators kan enige geluidproductie overdag worden verwacht. Een zonneweide met een verwachte opwekking van circa 10.000 MWh energie valt volgens de VNG- publicatie “Activiteiten en milieuzonering”, editie 2024 onder geluidruimte zone 1 (SBI 35). Ten opzichte van de woningen bevindt de zonneweide zich in de zone geluid beperkt.

De geluidbelasting op de woningen zal gelet op deze afstand dan ook lager zijn dan 45 dB(A). De transformatoren zijn verder alleen actief als er zon is. ’s-Nachts zal er daarom geen geluidproductie plaatsvinden. Van geluidsoverlast afkomstig van de transformatoren zal daarom geen sprake zijn. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Figuur 13 Afstanden van projectgebied (rood omlijnd) tot omliggende woningen

Voorzorgsbeleid magneetvelden Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstemming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

30

op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico’s van magneetvelden1. De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvelden is dat met de netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatregelen gaan treffen om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel mogelijk te beperken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastructuur en die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla2. De waarde van 0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde van 0,4 microtesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen van toepassing is bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Daarnaast wordt in het advies geadviseerd om bij een ligging nabij een bovengrondse hoogspanningslijnen een magneetveldzone te berekenen. Op basis van deze berekening kan worden bekeken hoeveel gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone liggen. 5.6.2

Onderzoek

Uit onderzoek van het RIVM over gezondheid en elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations3 is geconcludeerd dat de sterkte van de velden afneemt wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT (jaargemiddelde) wordt bereikt op een afstand van 7 meter van het transformatorstation. Dit wordt door de Rijksoverheid als grenswaarde aangenomen bij situaties van langdurige blootstelling. Aangezien er geen woningen zijn gelegen op een afstand van minder dan 7 meter, maar de afstand tot bestaande woningen in de omgeving vele malen groter is, is nader onderzoek op elektromagnetische straling niet noodzakelijk. Gelet op de relatief ruime afstand van woningen tot het plangebied zal er voor de

1 2 3

omliggende woningen geen verslechtering plaatsvinden van het woonen leefklimaat.

Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.6.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect elektromagnetische straling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7.2

5.7

Geluid

5.7.1 (Spoor)wegverkeer Toetsingskader Geluid door (spoor)wegen Het Bkl bevat geluidsregels voor onder meer (spoor)wegen. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Onderzoek In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. Ten noorden van het plangebied ligt de N279 en ook zijn er enkele andere wegen nabij het plangebied gelegen. Echter betreft een zonneweide geen geluidgevoelig gebouw of terrein. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Milieuzonering van zonnepark

Toetsingskader In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te beschouwen in hoeverre een gewenste ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving voor wat betreft het aspect geluid. Wanneer een milieubelastende functie mogelijk wordt gemaakt, dient te worden beschouwd in hoeverre sprake is van een acceptabele geluidssituatie ter plaatse van omliggende geluidsgevoelige objecten. Bij individuele milieubelastende functies, niet zijnde geluidsgezoneerde industrieterreinen, wordt het relevante toetsingskader gevormd door de Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ van de VNG. Onderzoek Een zonnepark is een milieubelastende functie die zorgt voor de productie van geluid. Dit heeft te maken met de aanwezige transformatoren. Daarom zal moeten worden verkend in hoeverre sprake is van een acceptabele geluidssituatie ten opzichte van omliggende geluidsgevoelige objecten ten aanzien van geluid afkomstig van de zonneweide met bijbehorende installatie. Aangezien wordt voldaan aan de richtafstanden (o.a. voor geluid) ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies, is het niet noodzakelijk een akoestisch onderzoek industrielawaai uit te voeren. Voor een verdere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (activiteiten en milieuzonering). Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geluid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=77b132ad-7e00-4ecb-ae63-f5ed5d8c8a58