CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - BOPA motivering (onderbouwing) zonnepark Heidebos 23 april 2025

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 19 juni 2025, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies zonnepark Heidebos19.554 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zo wordt onder andere ingezet op het ontwikkelen van een heidevegetatie, wat aansluit bij de karakteristieke vegetatie die historisch gezien in het gebied aanwezig is. Daarnaast is het voor recreanten mogelijk om rondom het zonnepark te wandelen, waardoor zij kunnen beleven hoe het zonnepark bijdraagt aan de landschappelijke en ecologische kwaliteiten van het gebied. Hiermee wordt de ontwikkeling van het zonnepark vanuit verschillende perspectieven benaderd. Er wordt niet alleen gekeken naar de opwek van duurzame energie, het plan ziet toe op een synergie tussen energie-opwek, het ontwikkelen van de natuurwaarden en biodiversiteit, en het bieden van een aantrekkelijk ommetje voor recreanten.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 26

4.5 TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant De TAM-Omgevingsverordening van Noord-Brabant is vastgesteld op 5 december 2023. In de omgevingsverordening is het beleid van de provincie Noord-Brabant juridisch vastgelegd. Vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. Aan het projectgebied zijn in de omgevingsverordening verschillende gebiedskenmerken toegekend, die relevant zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Artikel 5.16 Waterwingebied Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse Waterwingebied strekt uitsluitend tot instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening waarbij ook de toedeling van een functie voor natuur of bos is toegestaan. Lid 2 Het omgevingsplan stelt regels die: a. het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen; en b. het gebruik van uitloogbare materialen verbieden. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het zonnepark heeft geen negatieve gevolgen voor de bodem of de kwaliteit van het grondwater. Met de ontwikkeling van het zonnepark wordt geen schade toegebracht aan de bodem. De tafels waarop de zonnepanelen worden bevestigd worden met palen in de grond bevestigd. Dat betekent dat de grond in beperkte mate wordt geroerd.

Voor het zonnepark wordt enkel gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen. In vergelijking met de huidige situatie, waarin de percelen nog intensief agrarisch worden beheerd (inclusief bemesting en gebruik pesticiden), ontstaat met het zonnepark een stabiele situatie waarin de bodem de kans krijgt om zich te herstellen. De ontwikkeling heeft daarmee een positief effect op de bodem en het grondwater. Artikel 5.17 Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Grondwaterbeschermingsgebied strekt mede tot bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem. Lid 2 Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, stelt regels die: a. het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen; b. de ontwikkeling van functies en activiteiten die risico's geven voor de kwaliteit van het grondwater beperkt, zoals stedelijke ontwikkeling, het houden van evenementen en milieubelastende activiteiten waarbij schadelijke stoffen worden gebruikt; en c. het gebruik van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal verbieden. Lid 3 Als schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal wordt in ieder geval aangemerkt: a. zink, lood, koper; b. gewolmaniseerd hout; c. teerbitumen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 27

Voor het zonnepark wordt enkel gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen. De stoffen zoals benoemd in lid 3 worden dan ook niet gebruikt. In vergelijking met de huidige situatie, waarin de percelen nog intensief agrarisch worden beheerd (inclusief bemesting en gebruik pesticiden), ontstaat met het zonnepark juist een stabiele situatie waarin de bodem de kans krijgt om zich te herstellen. De ontwikkeling heeft daarmee een positief effect op de bodem en het grondwater. Daarnaast is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, het houden van evenementen, het gebruiken van schadelijke stoffen, en wordt een zonnepark niet aangemerkt als een milieubelastende activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 5.46 Groenblauwe waarden Een omgevingsplan ter plaatse van Groenblauwe waarden: a. strekt tot het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken , biodiversiteit en landschappelijke waarden en kenmerken; b. bevat een beschrijving van de ecologische-, landschappelijke- en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. stelt regels ter bescherming van de ecologische-, landschappelijke- en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; en d.

bepaalt dat de toedeling van een functie of activiteit gepaard gaat met een positieve bijdrage aan het versterken van biodiversiteit en de bescherming en ontwikkeling van ecologische-, landschappelijkeen hydrologische waarden en kenmerken van het gebied. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met de ontwikkeling van het zonnepark wordt ingezet op het creëren van een synergie tussen enerzijds het opwekken van duurzame energie, en anderzijds het ontwikkelen van natuur- en landschapswaarden en mogelijkheden voor recreatie. Doordat het agrarische gebruik wordt stopgezet, ontstaan er mogelijkheden voor de bodem en het bodemleven om zich te herstellen en verder te ontwikkelen. Het feit dat er geen intensieve bemesting meer plaatsvindt heeft daarnaast een positief effect op de kwaliteit van grondwater. Artikel 5.54 Zonneparken in Landelijk gebied Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan de ontwikkeling van een zonnepark mogelijk maken om te voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: a. uit onderzoek blijkt dat de aanleg van het zonnepark noodzakelijk is omdat in onvoldoende mate voorzien kan worden in de behoefte voor duurzame energie: 1. door de ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie; 2. binnen Stedelijk gebied; 3. door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen; en 4.

op gronden aansluitend op Stedelijk gebied. b. de ontwikkeling past in de gewenste ontwikkelingsrichting, bedoeld in Artikel 5.12, en inzicht is geboden in de maatregelen die worden getroffen om de impact op de omgeving te beperken; c. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft, waaronder de mogelijkheid voor de omgeving om te participeren in het project; d. is geborgd dat het zonnepark tijdelijk, voor ten hoogste 25 jaar, wordt toegelaten; e. juridisch en financieel is geborgd dat na het verstrijken van de termijn de opstelling voor zonneenergie en de daarbij behorende voorzieningen, worden verwijderd; f. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken; en g. de ontwikkeling is afgestemd met de netwerkbeheerder.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 28

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De locatiekeuze voor het zonnepark is zorgvuldig tot stand gekomen. Zonne-energie is benodigd om de energiedoelstelling van 100% duurzaam energiegebruik in 2050 te behalen. Binnen stedelijk gebied of bestaand ruimtebeslag of op gronden aangrenzend aan het stedelijk gebied, is niet voldoende ruimte beschikbaar om deze opwek van zonne-energie te realiseren. Dit is ook nader getoetst in paragraaf 4.2.1 (zonneladder). Hierin is aangetoond dat de doelstellingen vanuit de gemeente Sint-Michielsgestel niet kunnen worden behaald met enkel zon op dak, binnen stedelijk gebied of bestaand ruimtebeslag in/nabij stedelijk gebied. De impact op de omgeving wordt zoveel mogelijk beperkt. Dat gebeurt door een gedegen landschappelijke inpassing en waar nodig ook door het uitvoeren van onderzoeken om negatieve effecten op de omgeving uit te sluiten. Daarnaast wordt er gestreefd naar 50% lokaal eigenaarschap van het zonnepark, zodat het zonnepark ook een maatschappelijke bijdrage levert. Het zonnepark heeft een exploitatieduur van 25 jaar. In deze periode worden investeringen gedaan in natuur en bodemkwaliteit. Doordat de grond gedurende deze tijd niet bemest wordt, verbetert de bodemstructuur en kwaliteit aantoonbaar. Na 25 jaar wordt het plangebied weer zonder zonnepark opgeleverd.

De positieve effecten op de bodemkwaliteit, die zijn ontstaan door de jaren rust en natuurinclusief beheer, blijven als blijvend resultaat van het project aanwezig. De verwijdering van het zonnepark na 25 jaar wordt juridisch geborgd in de te verlenen vergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit. De ontwikkeling past daarnaast binnen de regionale afspraken en is in het kader van vooroverleg afgestemd met de netbeheerder. Het zonnepark past daarnaast binnen de ontwikkelingsrichting die wordt geschetst in artikel 5.12. De locatie ligt binnen een gebied waar zonneparken mogelijk zijn op basis van het gemeentelijk beleid. Het zonnepark houdt rekening met de bestaande waarden in het gebied, wordt landschappelijk ingepast én met de landschappelijke inpassing worden deze bestaande waarden daarnaast juist versterkt. Het zonnepark wordt voor een tijdelijke periode van 25 jaar aangelegd, waarna de panelen worden verwijderd en de landschappelijke investering overeind wordt gelaten met de gedachte om zo een blijvende bijdrage te leveren aan de kwaliteit van het gebied. In voorliggende onderbouwing wordt daarnaast onderbouwd dat het zonnepark geen negatieve effecten heeft ten aanzien van een veilige en gezonde leefomgeving, te beschermen waarden en verkeer/mobiliteit.

Het zonnepark heeft daarnaast geen (permanente) impact op de agrarische ontwikkeling of leefbaarheid van het gebied. De ontwikkeling houdt rekening met de bestaande waarden en het terrein wordt na 25 jaar weer beschikbaar voor agrarisch gebruik.

4.6 Regionaal beleid 4.6.1 RES regio Noordoost-Brabant De gemeente Sint-Michielsgestel maakt deelt uit van de energie regio Noordoost-Brabant. In de regio Noordoost-Brabant werken de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijck, Grave, ’sHertogenbosch, Landerd, Meierijstad, Mill en Sint Hubert, Oss, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Uden en Vught, de waterschappen Aa en Maas en De Dommel en de provincie Noord-Brabant samen aan de regionale uitwerking van het Klimaatakkoord. In de RES Noordoost-Brabant worden zoekgebieden voor wind- en zonneenergie aangewezen en worden handreikingen aan gemeenten gegeven om te helpen bij het maken van keuzes. De opgave voor de opwekking van duurzame energie in de regio Noordoost-Brabant t/m 2030 is het realiseren van 5,8 petajoule (PJ) (1,6 TWh) duurzaam opgewekte elektriciteit uit wind- en zonne-energie (grootschalige opwekking en zon-op-dak) en overige technieken zoals biomassa. Deze opgave is vervolgens opgesplitst in de bijdrage van de gemeenten die samen de regio Noordoost-Brabant vormen. Voor ’s-Hertogenbosch ligt de

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 29

opgave voor 2030 op het opwekken van 0,35 TWh. Hiervan is reeds 0,05 TWh gerealiseerd, zit er nog 0,06 TWh ‘in de pijplijn’ en ligt er een resterende opgave van 0,3 TWh. Voor de gemeente Sint-Michielsgestel ligt de opgave op 0,04TWh.

Figuur 10: Ligging van het projectgebied (rode omlijning) in een zoekgebied voor opwerk van zonne-energie In de RES is een overwegingskader gegeven als handreiking aan de gemeenten. Dit overwegingskader helpt de gemeenten bij het maken van beleidsmatige keuzes op het gebied van duurzame energie. Het overwegingskader bestaat uit vijf pijlers: • Potentie: theoretische potentie op basis van techniek en wet- en regelgeving voor warmte en elektriciteit. • Landschap: behoud en versterking van belangrijke landschappelijke waarden en beleving en betekenis van de leefomgeving voor mens en dier. • Maatschappelijke kosten en baten: de effecten van de energietransitie uitgedrukt in ‘harde data’ (geld of andere kwantiteiten) gecombineerd met ‘zachte data’ (maatschappelijke effecten, leefbaarheid en kwaliteit). • Koppelkansen: gebiedsgerichte aanpak van kansen en knelpunten met andere (regionale – en lokale) opgaven, zoals landbouwtransitie, natuurlijkontwikkeling, goed waterbeheer en klimaatadaptatie. Het gaat om ruimtebeslag en het effectief benutten hiervan. • Maatschappelijke acceptatie: het gaat om het betrekken van inwoners, bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties, waardoor de verandering in de leefomgeving door de energietransitie geaccepteerd wordt. De energietransitie heeft grote invloed heeft op de beleving van het landschap en de leefomgeving.

De RES gaat daarom ook in op de ruimtelijke aspecten die energietransitie met zich mee brengt. Bij het maken van keuzes zijn een fijne leefomgeving en zorgvuldig ruimtegebruik centrale uitgangspunten. Er moet gezocht worden naar mogelijkheden om de energietransitie te combineren met andere opgaven zoals klimaatadaptatie en het versterken van de biodiversiteit. Voor een efficiënt ruimtegebruik en behoud van de landschappelijke kwaliteit, ook na 2030, geeft de RES de volgende uitgangspunten:

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 30

•

• • • • • • • • • • •

Zorg voor regionale differentiatie door clustering: concentreren en leeghouden. Voor zon is de zonneladder NOB van toepassing. De clustering van wind voorkomt een spreiding door het gehele gebied. Sluit natuurgebieden (Natura 2000, Natuur Netwerk Brabant) en bestaande bossen uit voor zonneweiden en windturbines. Combineer en verbind opgaven: zie de energietransitie als onderdeel van een gebiedsopgave. Gebruik de beschikbare ruimte meervoudig en efficiënt. Zet energietransitie in als hefboom voor kwaliteitsverbetering van het gebied. Beschouw de RES als een ontwerpopgave. Sluit aan bij en/of ontwerp met gebiedsspecifieke kenmerken. Sluit aan bij de landbouwkundige structuren. Kies een passende plaatsingsstrategie (inpassing, aanpassing of transformatie). Wees zorgvuldig met cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren. Wees voorzichtig met de ondergrond en het watersysteem. Zorg voor draagvlak onder de bevolking.

Tot slot sluit de RES Noordoost-Brabant aan bij de afspraken uit het Klimaatakkoord dat bij grootschalige zonen wind projecten (> 15 kWp) er gestreefd moet worden naar minimaal 50% eigenaarschap. Hierdoor worden niet alleen de lasten gedeeld, maar ook de lusten. Dit komt draagvlak voor grootschalige initiatieven ten goede. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan is passend binnen de uitgangspunten van de RES Noordoost-Brabant. Het plan voorziet in de opwekking van duurzame energie en levert daarmee een bijdrage aan de ambities van de RES, daarnaast is er sprake van meervoudig ruimtegebruik door het realiseren van nieuwe natuur en het herstellen/realiseren van landschapselementen binnen het zonnepark. Daarnaast biedt het zonnepark ook nieuwe mogelijkheden voor recreatie door het aanleggen van een wandelpad door het zonnepark. Het plangebied is gelegen in een door de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel vastgesteld zoekgebied voor zon-op-land (zie figuur 10). Voor de realisatie van het zonnepark zal gebruik worden gemaakt van agrarische gronden. In de gemeente SintMichielsgestel is er naast zon op daken ook de noodzaak voor de realisatie van 3 windturbines of 40 hectare aan zonneparken, of een combinatie van beide.

Het plan voorziet daarnaast in meervoudig ruimtegebruik in de vorm van natuur- en landschapsontwikkeling en het bieden van mogelijkheden voor recreatie. Dit wordt onder andere gedaan door het aanleggen van een nieuwe houtwal, struwelen, het tot ontwikkeling brengen van heidevegetatie en het natuurvriendelijk beheren van oevers en bermen. Dit zorgt voor een impuls van de biodiversiteit en betere verbinding met natuurwaarden in de omgeving. Door bovenstaande maatregelen is het zonnepark voldoende ingepast. Zodoende sluit voorliggend plan aan op de uitgangspunten van de RES Noordoost-Brabant.

4.7 Beleid Waterschap 4.7.1 Waterschapsverordening Met inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook de eerste Waterschapsverordening van het Waterschap Aa en Maas in werking getreden. Dit betreft de Waterschapsverordening van rechtswege (op basis van artikel 22.14 van de Omgevingswet en artikel 4.7 van de Invoeringswet Omgevingswet). Deze verordening van rechtswegen bestaat uit: De regels in de waterschap verordening geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Aan de waterschapsverordening is ook de volgende regelgeving verbonden: • Onderhoudsverordening

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 31

• • • • •

Beleidsregels waterkering, waterkwantiteit en grondwater Hydrologische uitgangspunten bij de waterschapsverordening voor afvoeren hemelwater Beleidsregels agrarische beregening uit grondwater bij schaarste Beleidsregel omtrent instellen en intrekken onttrekkingsverbod uit oppervlaktewater Beleidsregel verondiepen diepe plassen

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op de legger is te zien dat de watergang aan de westzijde van het plangebied onder het beheer van waterschap Aa en Maas valt. Aan weerzijden van de watergang is een beschermingszone van 5 meter van toepassing. Met deze beschermingszone wordt rekening gehouden in het plan. Binnen de zone zijn geen (bouw)werken voorzien. De zone wordt vrij en bereikbaar gelaten ten behoeve van het uit te voeren beheer door waterschap Aa en Maas. Verder worden er geen ingrepen gedaan aan bestaande watergangen of nieuwe watergangen aangebracht. Dat betekent dat er geen vergunningsplicht bij waterschap Aa en Maas van toepassing is om het project uit te voeren.

Figuur 12: Ligging van het projectgebied op de legger van waterschap Aa en Maas

4.7.2 Waterbeheerplan 2022-2027 Het Waterbeheerplan 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Aa en Maas weergegeven. De missie van het waterschap wordt gekenmerkt door één hoofddoel: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.”

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 32

In het waterbeheerplan worden actuele ontwikkelingen gesignaleerd op het gebied van klimaatverandering, natuur(netwerk Brabant), stikstof, landbouw(transitie), gezondheid, energie(transitie), circulaire economie en digitalisering en robotisering. De hoofdtaak van het waterschap is het waterbeheer goed te regelen voor inwoners en bedrijven. Het waterschap zorgt voor goede bescherming tegen overstromingen, een hydrologisch en ecologisch goed functionerend watersysteem (ook in extreem droge en natte tijden) en goed transport van afvalwater. Dit wil het waterschap samen met haar omgeving, op een duurzame, slimme en effectieve manier vormgeven. In het waterprogramma worden op dit vlak concrete doelen gesteld zoals het versterken van de Maasdijken en regionale keringen. De doelen die voor de periode 2022-2027 zijn opgesteld, worden in verschillende (deel)programma’s verder uitgewerkt. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de doelen vanuit waterschap Aa en Maas. Het project kan juist bijdragen aan verschillende doelen en thema’s die door het waterschap worden gesignaleerd, zoals de energietransitie en het zorgen voor ecologisch waardevolle watersystemen.

Door het natuurlijk inrichten van de oevers als flauwe oevers met vochtige kruidenrijke en heideschrale vegetatie, wordt bijdragen aan het bieden van een aantrekkelijke leefomgeving voor verschillende diersoorten zoals amfibieën. Het plan is overeenstemming met het waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas.

4.8 Gemeentelijk beleid 4.8.1 Visie zonne- en windenergie Sint-Michielsgestel De visie zonne- en windenergie van de gemeente Sint-Michielsgestel dateert van oktober 2020. De visie is opgesteld om uitvoering te geven aan de nationale, provinciale en regionale RES doelen middels het opstellen van een integrale visie, met een verkenning van potentiële locaties voor de opwek van zonne- en windenergie. In de visie zonne- en windenergie worden de zoekgebieden vanuit de RES nader toegelicht. Zo wordt per landschapstype omschreven welke wel of niet geschikt zijn voor de realisatie van een zonnepark.

Figuur 13: Aanduiding geschiktheid landschapstypen voor opwek van zonne- en windenergie Jonge heideontginningen worden als meest geschikt beschouwd voor de realisatie van zonneparken. In natuurgebieden (zoals het NNB), in de beekdalen en in bijzondere cultuurlandschappen zoals het Groene Woud is de realisatie van zonneparken juist onwenselijk. Het projectgebied is niet gelegen in een dergelijke zone waar zonneparken worden uitgesloten, zoals zichtbaar in onderstaande figuur.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 33

Figuur 14: ligging van het plangebied (rood omlijnd) in mogelijke zoekgebieden voor de opwek van zonneenergie De gemeente Sint-Michielsgestel wil waar mogelijk de realisatie van zonneparken in het buitengebied zoveel mogelijk besparen, zolang er voldoende mogelijkheden zijn binnen de bebouwde kom, gebieden die zijn aangemerkt als ‘ruimte voor verstedelijking’ of bijvoorbeeld voormalige vuilstorten en ernstig vervuilde percelen. Bij afweging van locaties wordt specifiek aandacht gevraagd voor transformatie en meervoudig gebruik van locaties. • •

Trede 1: De bebouwde kom + gebieden waar al uitbreidingsplannen voor zijn. Trede 2: Gebieden die aangemerkt zijn als ‘Ruimte voor verstedelijking’, maar waar nog geen uitbreidingsplannen voor zijn. Ook vallen bijvoorbeeld voormalige vuilstorten en ernstig vervuilde percelen, die niet meer voor bestemming te gebruiken zijn hieronder, tenzij deze in uitgesloten gebieden als NNB vallen. Gebieden die niet landbouw of natuur als primair gebruik hebben vallen ook onder deze trede. • Trede 3: Het resterende landelijke gebied (groenblauwe mantel en gemengd landelijk gebied). Hoewel de realisatie van zon op dak/in de bebouwde kom de voorkeur heeft, geeft de gemeente ook aan dat zij dit niet kunnen afdwingen bij particuliere grondeigenaren. Daarnaast is er binnen de bebouwde kom onvoldoende ruimte om de energiedoelstellingen volledig te behalen. Daarom zijn er, naast zon op dak, ook drie windturbines, 40 hectare aan zonneparken, of een combinatie daarvan benodigd. In de visie worden zowel algemene voorwaarden als gebiedsspecifieke voorwaarden gegeven. De algemene voorwaarden luiden als volgt: 1. De omgeving moet de mogelijkheid hebben te participeren in het project;

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 34

2. 3. 4. 5.

De biodiversiteit op en direct nabij de projectlocatie moet toenemen; De ruimtelijke kwaliteit moet zijn geborgd met een landschappelijk Inpassingsplan; De maatschappelijke kosten voor inpassing op het elektriciteitsnetwerk moeten zo laag mogelijk zijn; De recreatieve / toeristische waarde moet toenemen.

Daarnaast gelden er nog gebiedsspecifieke voorwaarden (vanuit de provinciale omgevingsverordening) vanwege de ligging van het zonnepark in de groenblauwe mantel (zie paragraaf 4.5). Het uitgangspunt is dat zonneparken een maatschappelijke meerwaarde bieden ten aanzien van de volgende criteria: 1. de mate van meervoudig ruimtegebruik; 2. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; 3. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het projectgebied is gelegen in een gebied dat is aangewezen als mogelijk geschikte locatie voor zonneparken. Het zonnepark wordt gerealiseerd in het landelijk gebied, waardoor het valt onder de derde trede van de zonneladder. Echter, is binnen bestaand stedelijk gebied of aangewezen gebied voor verstedelijking onvoldoende ruimte voor zonneparken beschikbaar om de energiedoelstellingen te behalen. Uit de toetsing aan de zonneladder (paragraaf 4.2.1) volgt dat er onvoldoende ruimte is om de landelijke, regionale en gemeentelijke doelstellingen te behalen, als alleen wordt gekeken naar daken, bebouwde omgeving, terreinen grenzen aan de bebouwde omgeving en terreinen in het landelijk gebied niet zijnde landbouw of natuur.

In de gemeente Sint-Michielsgestel gaat het naast zon op daken/binnen de bebouwde kom ook om de realisatie van 3 windturbines, 40 hectare aan zonneparken of een combinatie van beide. Daarmee kan worden gesteld dat het noodzakelijk is om ook zonneparken te realiseren in het landelijk gebied. Vanuit het rijksbeleid geldt dat dit enkel mogelijk is, wanneer voldaan wordt aan een van de drie uitzonderingsgronden (zie paragraaf 4.2.1). Voorliggend initiatief is ingediend voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024), waarmee de bestuurlijke afspraken nog niet zijn verankerd in de provinciale omgevingsverordening. Wel wordt met de voorgenomen ontwikkeling bijgedragen aan de uitzonderingsgronden. Het plan voorziet namelijk in meervoudig ruimtegebruik in de vorm van (permanente) natuur- en landschapsontwikkeling en het bieden van mogelijkheden voor recreatie. Dit wordt onder andere gedaan door het aanleggen van een nieuwe houtwal, struwelen, het tot ontwikkeling brengen van heidevegetatie en het natuurvriendelijk beheren van oevers en bermen.

Dit zorgt voor een impuls van de biodiversiteit en betere verbinding met natuurwaarden in de omgeving Met zonnepark Heidebos wordt ingezet op het realiseren van een zonnepark op een locatie waar deze bijzonder goed kan worden ingepast, en waar bij kan worden gedragen aan de versterking van de natuurwaarden (biodiversiteit) en landschapswaarden. Daarnaast kan op deze locatie een maatschappelijke meerwaarde worden bereikt door te streven naar 50% lokaal eigendom en doordat er rondom het zonnepark een aantrekkelijk ommetje mogelijk is. Doordat het zonnepark op ruime afstand van omliggende woningen kan worden gerealiseerd en als het ware in een afgesloten ‘’kamer’’ wordt geplaatst, kunnen negatieve effecten op de omgeving worden beperkt.

4.9 Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal-, waterschaps- en gemeentelijk beleid.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 35

5 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt de impact van het zonnepark op de verschillende omgevingsaspecten beschreven. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hieruit een conclusie getrokken met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Geluid Geluid is voor veel activiteiten in de fysieke leefomgeving een relevant aspect. Sommige activiteiten zijn een bron van geluid, andere activiteiten worden eraan blootgesteld. De regels voor geluid gaan over het beheersen van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen zoals woningen. De regelgeving omtrent geluid waaraan moet worden voldaan is opgenomen in het Bkl, de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Daarnaast mogen bedrijven in de omgeving niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering door een nieuwe ontwikkeling en moet er binnen en rond het plangebied sprake blijven van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.1.1 Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. De instructieregels uit het Bkl wijzen geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten aan. Dit ter bescherming van mensen tegen geluid. Het gaat hierbij om aanwezige, in aanbouw zijnde en geprojecteerde gebouwen. Onder een geluidgevoelig gebouw vallen ook delen van een gebouw met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie (artikel 3.21 lid 1 onder a Bkl). Voorbeelden zijn: • een garage (overige gebruiksfunctie) • een kantoor aan huis (kantoorfunctie) • een recreatiezaal (bijeenkomstfunctie) Er is een aantal situaties waarbij een (gedeelte van een) gebouw met een woonfunctie geen bescherming heeft tegen geluid van activiteiten: • (eigen) bedrijfswoning. Het omgevingsplan bepaalt dat de waarden voor geluid vanwege een activiteit niet gelden voor een woongebouw met een functionele binding met die activiteit (artikel 5.61 Bkl). • voormalige bedrijfswoning.

Het omgevingsplan kan bepalen dat waarden voor geluid vanwege een activiteit niet gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. Dit kan alleen voor bedrijfswoningen in de agrarische sector en de horecasector en voor (voormalige) bedrijfswoningen bij activiteiten uitgevoerd op een bedrijventerrein (artikel 5.62 Bkl). • woningen op een industrieterrein met een geluidproductieplafond (artikel 5.55 lid 2 onder a Bkl). De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 36

5.1.2 Onderzoek In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden de richtafstanden uit de VNGuitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden. Voor transformatorstations met een vermogen minder dan 10 MVA geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid. Transformatorstations met een vermogen tot 100 MVA geldt een richtafstand van 50 meter. Binnen het zonnepark worden transformatorstations, een inkoopstation en de batterijinstallatie geplaatst. Binnen het batterijsysteem wordt een omvormer van minder dan 10 MVA, een transformator van minder dan 10 MVA en batterijrekken met batterijen geplaatst. Hier kan tevens een vergelijking worden gemaakt met ‘elektriciteitsdistributiebedrijven’. De dichtstbijzijnde gevoelige (woon)bestemmingen zijn gelegen op meer dan 100 meter (ca. 113 meter) van het plangebied en meer dan 250 meter van de batterijopstelling met transformatoren. Dit betreffen de woningen aan de Werststeeg (zie onderstaand). Hiermee wordt voldoende afstand tot de woningen gehouden, waardoor er geen sprake zal zijn van geluidshinder door de installaties in het zonnepark. Een batterijunit maakt daarnaast geluid in verband met de ventilatoren voor de koeling. Dit geluid betreft dus enkel ventilatorgeruis. Bij één container heeft dit een maximum piekgeluidsniveau van 80dB op één meter afstand van het batterijsysteem.

Dit betekent op 300 meter afstand (dichtstbijzijnde woning vanaf het batterijsysteem) een geluidsniveau van 40dB als wordt uitgegaan van een park met 8 batterij-units. Dit geluidsniveau geldt als het maximum en is niet constant aanwezig. Het gaat enkel om de momenten waarop er geladen en ontladen wordt. Met maximaal 40dB wordt voldaan aan het langtijdgemiddelde voor de dagperiode (streefwaarde 40dB-45dB). Omvormers produceren daarnaast alleen overdag geluid, waardoor ’s nachts aan het langtijdgemiddelde (streefwaarde 30dB-35dB) wordt voldaan. Daarmee wordt geconcludeerd dat er enkel sprake kan zijn van licht ventilatorgeruis gedurende enkele momenten op een dag, en dat er daarmee sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast kan op basis van het bovenstaande worden gesteld dat deze beperkte geluidsproductie (alleen op enkele momenten overdag) geen negatieve effecten heeft op omliggende natuur.

Figuur 15: overzichtskaart van het plangebied (links) met rood omkaderd de dichtstbijzijnde woningen aan de Werststeeg

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 37

Met de realisatie van het zonnepark met een energieopslagsysteem middels batterijen worden geen geluidgevoelige functies aangebracht, waardoor het zonnepark zelf geen bescherming tegen geluidsoverlast vereist.

5.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

5.2.1 Wettelijk kader De regelgeving voor luchtkwaliteit bestaat uit instructieregels in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Deze regels stellen dat er omgevingswaarden gelden voor onder andere in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar wanneer er geen sprake is van een feitelijke op dreigende overschrijding van een grenswaarde, het project per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en het project alleen ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor activiteiten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging is geen toetsing aan de omgevingswaarden van het Rijk voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Op basis van artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl is een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdragend aan de luchtkwaliteit als de toename van stikstofdioxide en fijnstof niet hoger is dan 1,2 ug/m3, oftewel 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Of een ontwikkeling onder NIBM-grens blijft kan bepaald worden aan de hand van: 1. Een motivering dat de ontwikkeling onder de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft van de ‘standaardgevallen NIBM’. Hieronder vallen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen onder een bepaalde omvang zoals gesteld in artikel 5.54 van het Bkl. 2.

Een kwalitatieve berekening die aantoont dat de ontwikkeling de 3%-grens niet overschrijdt, bijvoorbeeld aan de hand van de NIBM-tool. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.

5.2.2 Onderzoek Enkel tijdens de realisatiefase van het zonnepark zal er tijdelijk sprake zijn van meer verkeersbewegingen, ten behoeve van het opbouwen van de panelenstellages, technische installaties en dergelijke. Na de realisatiefase zal het aantal verkeersbewegingen juist afnemen ten opzichte van de huidige situatie, aangezien de percelen op dit moment nog in agrarisch gebruik zijn. Ten behoeve van het zonnepark hoeft enkel periodiek onderhoud te worden gepleegd. Om aan te tonen dat, zelfs bij een forse stijging van het aantal vervoersbewegingen per dag, het zonnepark nog steeds geen bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, is de NIBM-tool gebruikt. Hierbij is een toename van 50 verkeersbewegingen per dag berekend, met daarvan 50% vrachtverkeer. In onderstaande figuur is te zien dat deze stijging niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan heeft ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dan ook geen negatieve effecten op de fysieke leefomgeving.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 38

Figuur 16: NIBM-tool berekening met 50 extra vervoersbewegingen waarvan 50% vrachtverkeer Daarnaast betreft een zonnepark zelf geen geurgevoelige functie en hebben geuremissies van omliggende bedrijven dus geen invloed op de uitvoerbaarheid van het plan.

5.2.3 Conclusie In het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties vormt de luchtkwaliteit geen belemmering.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 39

5.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

5.3.1 Wettelijk kader In het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren, gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. Om te bepalen of een gebouw geurgevoelig is, is de functie van het gebouw bepalend. Geurgevoelige functies waarvoor de regels uit het Bkl gelden zijn onder andere wonen, zorg en onderwijs. Voor overige gebouwen of locaties stelt de gemeente middels omgevingswaarden eigen normen, hierbij rekening houdend met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.

5.3.2 Onderzoek Bij een zonnepark is geen sprake van geuremissie. Er is ten aanzien van het aspect geur geen sprake van negatieve effecten op de fysieke leefomgeving.

5.3.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4 Bodemkwaliteit Het is van belang om te weten of de bodemkwaliteit binnen het plangebied past bij de voorgenomen ontwikkeling. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt ingegaan op welke wijze er bij de voorgenomen ontwikkelingen rekening wordt gehouden met de bodemkwaliteit.

5.4.1 Wettelijk kader Het Bkl bevat regels ter bescherming van de gezondheid en het milieu voor het aspect bodem. Deze regels zijn via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl. In het aanvullingsbesluit is bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie basisvormen van bodemgebruik; landbouw/natuur, wonen en industrie. Het bodembeleid is erop gericht om de gebruikswaarde van de bodem te waarborgen en het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen te faciliteren door in onderlinge samenhang;  De bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;  Te streven naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem, en;  De resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. Een bodemgevoelig gebouw is in het Bkl omschreven als een gebouw, of een gedeelte daarvan dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat persoenen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 40

(incl. woonschepen en woonwagens). Een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als bodemgevoelig gebouw. Daarnaast wijst het Bkl ook bodemgevoelige locaties aan. Dit zijn de locaties waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, onmiddellijk aan een bodemgevoelige locatie grenzende aaneengesloten tuin of terrein (incl. tuinen en terrein grenzend aan locaties voor woonschepen of woonwagens). In het omgevingsplan stelt de gemeente de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage XIIA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De interventiewaarden voor bodemkwaliteit zijn in Bijlaga IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving gegeven.

5.4.2 Onderzoek Een onderzoek zoals bedoeld in artikel 5.7b van het Bal wordt niet noodzakelijk geacht daar er geen gevoelige functie wordt toegevoegd. Voorafgaand de bouw wordt een nulmeting uitgevoerd om te garanderen dat het zonnepark geen aantasting vormt op de bodemkwaliteit.

5.4.3 Conclusie Met betrekking tot het aspect bodem wordt de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar geacht.

5.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.

5.5.1 Wettelijk kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).

5.5.2 Onderzoek Het aantal verkeersbewegingen neemt, ten opzichte van de huidige situatie, niet toe. In de huidige situatie is het projectgebied in gebruik als agrarisch perceel en de daarbij komende verkeersbewegingen. Hoewel ten behoeve van de aanleg van het zonnepark een tijdelijke toename van het aantal verkeersbewegingen wordt verwacht, zal het aantal verkeersbewegingen gedurende de exploitatiefase slechts periodiek (ten behoeve van het onderhoud) plaatsvinden. Daarmee is er geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast is er binnen het zonnepark ruimte gereserveerd voor het parkeren van voertuigen ten behoeve van onderhoud. Met de hulpdiensten worden afspraken gemaakt om te garanderen dat zij ten allen tijden het zonnepark kunnen betreden in geval van calamiteiten.

5.6 Omgevingsveiligheid Deze paragraaf gaat in op de wijze waarop bij de voorgenomen ontwikkeling de omgevingsveiligheid wordt gewaarborgd. Hierbij gaat het om de risico’s die voortkomen uit de opslag, productie, gebruik en het vervoer

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 41

van gevaarlijke stoffen en windturbines. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

5.6.1 Wettelijk kader Afdeling 5.1.2 van het Bkl bevat de instructieregels voor omgevingsveiligheid. De activiteiten die zijn aangewezen als risicobronnen worden benoemd in bijlage VII van het Bkl. Deze risicobronnen zijn belang voor de regels met betrekking tot aandachtsgebieden en het plaatsgebonden risico. De in bijlage VII benoemde activiteiten zijn:  Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (milieubelastende activiteiten uit het Bal);  Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, het water en het spoor;  Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;  Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Artikelen 5.12 t/m 5.15 van het Bkl gaan in op de aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s. Deze aandachtsgebieden gelden van rechtswege en worden vastgelegd in de digitaal raadpleegbare Register Externe Veiligheid, wat online raadpleegbaar is. Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico door ter plaatse van het risicogebied geen kwetsbare gebouwen en/of (beperkt) kwetsbare locaties toe te laten. Middels voorschriftgebieden kunnen extra maatregelen worden opgelegd waardoor deze gebouwen en locaties wel toelaatbaar zijn.

Deze maatregelen zijn als extra bouweisen vastgelegd in paragraaf 4.2.14 van het Bbl. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan maatregelen die een initiatiefnemer van een risicovolle milieubelastende activiteit moet toepassen. Tevens zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor de hieronder genoemde milieubelastende activiteiten die een risicobron zijn:  Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);  Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);  Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);  Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

5.6.2 Onderzoek De ontwikkeling van een zonnepark heeft geen betrekking op het toevoegen van een risicovolle milieubelastende activiteit. Om te bepalen of er in de omgeving externe veiligheidsrisico’s aanwezig zijn, is de risicokaart van Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de dichtstbijzijnde veiligheidsrisico’s een vijftal propaanopslagtanks betreffen die gelegen zijn op een afstand tussen de 700 meter en 1,2 kilometer. Vanwege de ruime afstand vormen geen van deze propaantanks een veiligheidsrisico, waardoor het zonnepark niet gelegen is in het invloedsgebied voor het plaatsgebonden risico of aandachtsgebied (brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied) ten aanzien van het groepsrisico. Een zonnepark betreft ook geen verblijfsfunctie, waardoor het groepsrisico hierop niet van toepassing is. Daarnaast worden op het zonnepark zelf geen gevaarlijke stoffen opgeslagen, gebruikt of geproduceerd, waardoor voor het zonnepark zelf geen plaatsgebonden risico van toepassing is ten opzichte van andere functies.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 42

Figuur 17: Ligging van het zonnepark (rood omkaderd) ten opzichte van externe veiligheidsrisico’s in de omgeving In het kader van brandveiligheid worden afspraken gemaakt met hulpdiensten zoals brandweer, voor toegang tot het zonnepark in geval van nood. Om de panelen en installaties te beveiligen en in het kader van veiligheid voor de omgeving wordt het zonnepark door middel van een hekwerk afgesloten voor onbevoegden. Binnen de landschappelijke inpassing wordt een hek geplaatst van maximaal 2 meter hoog gedeeltelijk met 15 cm ruimte ter hoogte van het maaiveld om kleine dieren (zoals dassen) te laten passeren. Daarnaast wordt het zonnepark geaard en worden elektriciteitskabels ondergronds aangelegd. Daarmee wordt voldoende toegezien op de risico’s ten aanzien van externe veiligheid. Een zonnepark kent geen veiligheidscontour. Wel wordt met het zonnepark elektriciteit opgewekt. Verder zorgt het energieopslagsysteem (EOS) voor opslag van energie middels batterijen. De technische installaties bij een EOS zijn vergelijkbaar met omvormers en transformatoren van het zonnepark. Voor een EOS wordt gebruik gemaakt van lithium-ion accu’s. Voor deze accu’s is een Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 37-1) in ontwikkeling. Deze PGS-richtlijn heeft betrekking op o.a. energieopslagsystemen.

Op dit moment zijn geen veiligheidsafstanden bekend met betrekking tot energieopslagsystemen en de daarbij horende batterijen/accu’s. Verder worden de normen vanuit de PGS 37-1 gevolgd. Net als bij het zonnepark kan, afhankelijk van het type EOS, brand een mogelijk risico zijn. Hiervoor wordt overleg gevoerd met de Veiligheidsregio. Om de panelen en installaties te beveiligen en in het kader van veiligheid voor de omgeving wordt het zonnepark afgesloten voor onbevoegden. Toegang tot het terrein voor beheer, onderhoud en calamiteiten wordt gefaciliteerd met een afgesloten poort. Met hulpdiensten, zoals de brandweer, worden afspraken gemaakt voor toegang in geval van nood.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 43

5.6.3 Conclusie De realisatie van het voorgenomen zonnepark past gelet op bovenstaande binnen het aspect ‘omgevingsveiligheid’.

5.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur op basis van soortenbescherming, gebiedsbescherming, houtopstanden en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

5.7.1 Wettelijk kader Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd middels de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Wanneer een plan, project of activiteit mogelijke significante effecten heeft op een Natura 2000-gebied, dan dienen deze gevolgen in kaart worden gebracht en beoordeeld. Dit geldt ook voor activiteiten of projecten buiten het Natura 2000gebied, deze kunnen immers ook effect hebben op de aangewezen soorten en habitats van het betreffende gebied. Wanneer een ruimtelijk plan significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, dan kan dit plan worden vastgesteld wanneer een passende beoordeling heeft uitgewezen dat er met zekerheid geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied. Wanneer dit niet met zekerheid kan worden vastgesteld, dan kan het plan enkel worden vastgesteld als er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Er zijn geen alternatieve oplossingen voorhanden; 2. Er zijn dwingende redenen van groot openbaar belang, inclusief reden van sociale- of economische aard; en 3. Er worden de noodzakelijke compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De boordelingsregels voor Natura 2000-activiteiten zijn opgenomen in afdeling 6.8 van het Bkl.

Soortenbescherming De bescherming van plant- en diersoorten richt zich op soorten van Europees belang, die vallen onder de rekwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn, en bepaalde soorten van nationaal belang. Bescherming van soorten vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland en kan de vorm hebben van wet- en regelgeving en fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van de (soorten)populatie bevorderen. Artikel 2.17 lid 1 s f van de Omgevingswet stelt dat de provincie hiervoor het aangewezen bevoegd gezag is. Lagere overheden kunnen echter middels een programma voor soortenbescherming hier ook een rol in spelen met beleid. Vanwege de strikte formulering van de de ‘flora- en fauna-activiteit’ zal voor veel activiteiten in de fysieke leefomgeving moeten worden onderzocht of en welke soorten er aanwezig zijn waarvoor de activiteit mogelijke schadelijke gevolgen heeft. Hoofdstuk 11 van het Bal bevat de regels voor de vergunningsplicht bij flora- en fauna-activiteiten.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 44

5.7.2 Onderzoek Quickscan Flora en Fauna Soortenbescherming Dassen Op circa 130 meter van het plangebied is een dassenburcht aanwezig. Van directe verstoring als gevolg van de werkzaamheden is geen sprake. In de jaren dat er maïs geteeld wordt in het projectgebied, vormt het projectgebied periodiek geschikt foerageergebied voor das. Maisteelt is de afgelopen jaren afgewisseld met aardappelteelt, wat juist ongeschikt is als foerageergebied voor dassen. In de toekomstige situatie vormt het zonnepark een permanent geschikt foerageergebied voor das. Tijdens de aanlegfase is in ruime mate alternatief permanent foerageergebied voorhanden in de vorm van bemeste graslanden. Tijdens de exploitatiefase van het zonnepark blijft het plangebied passeerbaar voor de das, doordat het hekwerk op gedeelten 20 centimeter vanaf het maaiveld wordt opengelaten. Als gevolg van de plannen worden verbodsbepalingen ten aanzien van das niet overtreden. Zie ook de bijlage (Quickscan flora en fauna, en addendum Natuuringrepen) voor verdere toelichting omtrent impact en voorzieningen voor de das. Jaarrond beschermde nesten In het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig. Het projectgebied is in gebruik als akker en vormt beperkt geschikt broedbiotoop van vogels zonder jaarrond beschermde nesten.

In de omliggende bomenrijen en bosranden is broedbiotoop aanwezig voor algemeen voorkomende vogelsoorten. Verstoring van overige groei-, nest- en/of verblijfsplaatsen van flora of fauna Het plan leidt niet tot verlies of verstoring van groei-, nest- en/of verblijfplaatsen van flora, overige zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden, uitgezonderd soorten waarvoor een vrijstelling van een aantal van de verbodsartikelen uit de Omgevingswet geldt in de provincie Noord-Brabant. Gedurende de werkzaamheden en exploitatiefase moet worden voorkomen dat exemplaren van vrijgestelde soorten opzettelijk worden gedood, in dat geval zijn vervolgstappen niet aan de orde. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het projectgebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op een afstand van 8 kilometer. Vanwege deze afstand en de lokale aard van het project worden nadelige gevolgen (met uitzondering van stikstofdepositie) op voorhand uitgesloten. Voor wat betreft stikstofdepositie dient nog wel een stikstofberekening te worden uitgevoerd. Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (NNB), maar grenst daar wel aan. Aangezien het project niet past binnen het vigerende omgevingsplan én de provincie Noord-Brabant een externe werking kent voor NNB gebieden, is een toetsing aan het NNB uitgevoerd.

Hieruit is gebleken dat het plan geen negatieve effecten heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Ook de ruimtelijke samenhang tussen gebieden van het NNB wordt niet aangetast en zelfs versterkt door de recreatie- en wandelmogelijkheden langs zuidzijde en westzijde van het park. Foerageergebied voor ganzen en smienten Op circa 6 kilometer ten noorden van het plangebied ligt een door de provincie Noord-Brabant aangewezen beschermd rust- en foerageergebied ganzen en smienten. Het plan heeft echter geen effecten op dit foerageergebied, waardoor nadere toetsing niet benodigd is.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 45

Groenblauwe waarden Het plangebied ligt in een gebied dat door de provincie Noord-Brabant is aangewezen als een gebied met groenblauwe waarden. Het project heeft juist een positief effect op de groenblauwe waarden, aangezien het intensieve agrarische beheer plaatsmaakt voor een natuurinclusief zonnepark, wat bevorderlijk is voor de bodem, het water en de soorten die hier van afhankelijk zijn. Ook sluit het zonnepark aan bij de omliggende natuurwaarden, aangezien de natuurmaatregelen zoveel mogelijk worden afgestemd op het bestaande landschap. Het plan doet dus geen afbreuk aan de groenblauwe waarden, maar versterkt deze juist. Stikstof Een stikstofberekening is noodzakelijk om aan te tonen dat de tijdelijke stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door de bouwwerkzaamheden geen significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Daarnaast wordt de bouw van het zonnepark uitgevoerd met zo duurzaam mogelijke mobiele werktuigen. Door Hedgehog Company is een stikstofberekening uitgevoerd, welke separaat is bijgevoegd. Het resultaat van deze berekening is dat zowel de aanleg- als gebruiksfase geen resultaten kent voor de betreffende situatie. De ontwikkeling heeft hiermee geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura-2000 gebieden.

5.7.3 Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Ontwikkeling van het zonnepark op deze locatie is niet strijdig met de relevante wetgeving omtrent soortenbescherming en gebiedsbescherming. Tevens heeft het geen negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en groenblauwe waarden. Het park sluit aan en versterkt juist de omliggende natuurwaarden, en biedt o.a. jaarrond foerareergebied voor dassen.

5.8 Cultureel erfgoed Het omgevingsplan dient rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Deze paragraaf gaat in op de wijze waarop bij de voorgenomen ontwikkeling rekening is gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, archeologische waarden en cultuurhistorie binnen als buiten het projectgebied

5.8.1 Wettelijk kader Het Rijk stelt in artikel 5.130 lid 2 van het Bkl instructieregels voor het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan. Deze regels gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De gemeente Sint-Michielsgestel beschermt haar archeologische waarden met bestemmingen in het (tijdelijk) omgevingsplan, waar het vigerende bestemmingsplan onderdeel van is.

5.8.2 Onderzoek Archeologie

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 46

Aan het projectgebied is in het vigerende omgevingsplan geen archeologische waarde toegekend. Het plangebied kent op de verbeelding de aanduiding ‘Archeologische verwachting 2’. Ter plaatse van deze aanduiding is het bouwen van meer dan 1 hectare en dieper dan 0,5 meter niet toegestaan zonder een archeologisch onderzoek te hebben uitgevoerd. De totale verstoring van de bodem is bij het zonnepark echter kleiner dan 1 hectare, waardoor het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk op deze locatie. Cultuurhistorie In of rondom de deelgebieden zijn geen elementen of gebouwen aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. Daarnaast worden de kenmerkende landschapsstructuren, zoals verkavelingspatronen of watergangen, niet met de ontwikkeling aangetast. In tegendeel, het plan ziet juist toe op het herstellen/ontwikkelen van landschapselementen die karakteriserend zijn voor het gebied. Zodoende is er binnen de ontwikkeling geen sprake van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen of gebouwen.

5.8.3 Conclusie In het projectgebied zijn geen aangewezen archeologische of cultuurhistorische waarden aanwezig. Het project wordt uitgevoerd met respect voor de karakteristieke landschapsstructuren, en waar mogelijk worden deze versterkt. Op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is dus sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.9 Water Deze paragraaf gaat in op hoe er bij de voorgenomen ontwikkeling rekening wordt gehouden met de aspecten water en watersystemen.

5.9.1 Wettelijk kader Een project of activiteit kan mogelijk gevolgen hebben met de waterhuishouding in en rond het plangebied of locatie van de activiteit. De regelgeving hiervoor is vastgelegd in de Waterschapsverordening, het Waterbeheerprogramma van het waterschap en eventueel de waterkwaliteitsdoelstellingen van de Kaderrichtlijn water (KRW). Ook gemeentelijk beleid met betrekking tot waterhuishouding en klimaatadaptatie is van belang Het regels voor het beschermen van de waterbelangen zijn opgenomen in paragaaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 Bkl stelt dat er rekening dient te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersysteem en dat, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van het watersysteem (het waterschap) worden betrokken. Daarnaast kan het omgevingsplan ook specifieke regels over onderdelen van het watersysteem bevatten. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt.

5.9.2 Onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling is 10 juni 2024 de digitale watertoets uitgevoerd. Uit de watertoets volgt dat de normale procedure van toepassing is. Daarnaast volgt uit de watertoets dat er advies van toepassing is ten aanzien van materiaalgebruik, grondwaterbeschermingsgebied, inrichtingsmaatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit, beschermingszone Keur en vertraagde afvoer op een leggerwatergang.

Zonnepark Heidebos | Eelerwoude | 47

5.9.3 Conclusie Per mail heeft het waterschap reactie gegeven op de voorgenomen plannen, waarbij aangegeven is dat de Awatergang en bijbehorende beschermingszone onderdeel zijn van het plangebied. Hier vinden geen werkzaamheden plaats, waarbij en vergunning niet noodzakelijk is.

5.10

Ladder voor duurzame verstedelijking

Zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand wordt geregeld door de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze instructieregel stimuleert zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte en het streven naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door het bevorderen van vraaggerichte ontwikkelingen en het voorkomen van overprogrammering. De ladder dwing een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming af. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet altijd afgewogen worden en gemotiveerd aan de hand van een beschrijving van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Voor ontwikkelingen ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ moet worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaande stedelijk gebied is voorzien.

5.10.1

Wettelijk kader

In het Bkl wordt een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’. Artikel 5.129g bepaalt dat bij een wijziging van het omgevingsplan en/of BOPA voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=27ddb4b4-9c4b-4c1c-959a-99e7fe2ea248