Bijlage 2 - BOPA motivering (onderbouwing) 22 april 2025
Tekst van het document
Zonneweide Poeldonk
Conclusie
5.11
Luchtkwaliteit
5.11.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtsgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een
wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). 5.11.2
Onderzoek
In onderhavig geval is er sprake van het oprichten van een zonneweide. Een zonneweide kent een zeer lage verkeersaantrekkende werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer. Op voorhand kan redelijkerwijs worden gesteld dat het initiatief niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat er geen sprake is van een gevoelige functie, is een onderzoek naar de achtergrondwaarden in het kader van het woon- en leefklimaat niet aan de orde. Het projectgebied ligt bovendien niet binnen een aandachtsgebied luchtkwaliteit. 5.11.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
30
5.12
Natuur en landschap
zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de we-
en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere
5.12.1
Toetsingskader
zenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegenge-
en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal
gaan met mitigerende maatregelen.
vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Wettelijke gebiedsbescherming
Vogels (artikel 11.37 Bal);
Houtopstanden
Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal);
De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft be-
Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal).
De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van pro-
trekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of
jecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, die-
struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bij-
nen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een
die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom
lage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde
voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect
(bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld,
soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de
hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn ver-
niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij
Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bij-
gunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te ver-
Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal).
lage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogel-
wachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In
Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht ar-
richtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergun-
dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, be-
tikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de
ningplichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese
perkt, of ongedaan gemaakt worden.
houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten.
soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en
Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstan-
de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gel-
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
den die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
den regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige
Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedepu-
Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtop-
opzichten minder streng zijn. In tabel 5.3 zijn de vergunningplichtige ac-
teerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-
standen (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding
tiviteiten per regime weergegeven.
houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd
bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt,
‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebie-
geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken
De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te be-
den aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland
of ongedaan te maken, of achterwege te laten.
schermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De
(NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen
soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het alge-
natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes
Soortenbescherming
meen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schade-
van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimte-
Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit
lijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal be-
lijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Bra-
met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of
schermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de
bant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecolo-
planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en
vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het
gische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe
hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een ver-
verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde
mantel beleidsmatig beschermd (par. 4.2.2). Het netwerk wordt gevormd
gunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zo-
soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen.
door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbin-
als beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal. In tabel 5.3 staan de
dingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het
belangrijkste schadelijke handelingen uitgewerkt.
omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden
Zonneweide Poeldonk
Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat na-
De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in
delige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of onge-
Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen
daan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten
31
van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of na-
De omgeving van de onderzoekslocatie biedt geschikt leefgebied aan
bruggen, waardoor deze niet geschikt geacht worden als nestlocatie
tuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige ge-
boomvalk, buizerd, ransuil, havik, sperwer en wespendief, vanwege de
voor grote gele kwikstaart. De waarnemingen uit de NDFF van grote
volgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen pre-
aanwezigheid van akker- en graslanden, bosschages en een klein bos-
gele kwikstaart hebben met name betrekking op het ten noorden gele-
ventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te
gebied, watergangen en een waterplas. Op de onderzoekslocatie is
gen kanaal de Zuid-Willemsvaart. Mogelijk maakt de grote gele kwik-
voorkomen.
daarnaast (in beperkte mate) sprake van geschikt foerageergebied voor
staart wel gebruik van de onderzoekslocatie als foerageergebied. In de
deze soorten. Roofvogels hebben over het algemeen een groot jachtter-
omgeving zijn echter veel alternatieven aanwezig, in de vorm van de
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes
ritorium, waardoor bij de voorgenomen plannen geen sprake zal zijn van
Meerse Plas, verschillende watergangen, greppels en sloten, en het ka-
voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft
een wezenlijke afname van foerageergebied.
naal. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van grote gele
op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken
kwikstaart is bij de voorgenomen werkzaamheden dan ook niet aan de
te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet
Bij de voorgenomen werkzaamheden zullen geen potentiële nestlocaties
door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een
vernietigd worden, aangezien geen bomen gekapt zullen worden. Wel is
alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan
mogelijk sprake van verstoring van broedgevallen. Het wordt dan ook
Ooievaar
plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevings-
aanbevolen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen van boom-
Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan zijn geen
vergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelin-
valk, buizerd, ransuil, havik, sperwer en wespendief uit te voeren. Indien
geschikte nestlocaties voor ooievaar aangetroffen. Wel is sprake van
gen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk be-
dit onverlet niet mogelijk is, zullen de benodigde onderzoek uitgevoerd
geschikt foerageergebied op de onderzoekslocatie, in de vorm van ak-
lang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde
worden
ker- en grasland. In de omgeving zijn echter veel alternatieve wei- en
soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan on-
orde.
akkerlanden aanwezig waar de ooievaar gebruik van kan maken. Bij de Kerkuil en steenuil
voorgenomen werkzaamheden zal dan ook geen overtreding van de
De onderzoekslocatie wordt vanwege de grootschalige aard en het gro-
Omgevingswet optreden ten aanzien van ooievaar. De onderzoeks-loca-
tendeels ontbreken van elementen als heggen en rust-/uitkijkpunten niet
tie zal wegens de ecologische inrichting naar alle waarschijnlijkheid ge-
Voor onderhavige ontwikkeling is een quickscan natuurwaarden uitge-
geschikt geacht als leefgebied voor steenuil. Verder zijn op de onder-
schikter worden als foerageergebied voor ooievaar.
voerd. Deze is als bijlage opgenomen bij onderhavige ruimtelijke motive-
zoekslocatie en de directe omgeving hiervan geen geschikte nestmoge-
ring. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Voor de
lijkheden voor kerkuil en steenuil aangetroffen. Gezien de afstand tot
Roek
volledige rapportage met bevindingen wordt verwezen naar de bijlagen.
nestlocaties van steenuil in de omgeving, is het niet te verwachten dat
Op de onderzoekslocatie zijn geen indicaties aangetroffen voor de aan-
der voorwaarden worden verleend. 5.12.2
Onderzoek
steenuil gebruik maakt van de onderzoekslocatie. Mogelijk maakt kerkuil
wezigheid van een roekenkolonie, in de vorm van een groot aantal nes-
Vogels Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, wespendief en sperwer
wel gebruik van de onderzoekslocatie om te foerageren. Kerkuil heeft
ten, zichtwaarnemingen van roek en grote hoeveelheden uitwerpselen.
echter een groot jachtterritorium, waardoor bij de voorgenomen werk-
Op basis van de quickscan kan dan ook uitgesloten worden dat sprake
In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn bomenrijen en
zaamheden geen wezenlijke afname in het foerageergebied plaatsvindt.
zal zijn van overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van roek.
bosschages gelegen, welke geschikt geacht worden als nestlocatie voor voornoemde soorten. Ten tijde van het veldbezoek stonden deze bomen
Categorie 5 broedvogels
vol in blad. Het was daardoor niet mogelijk om de bomen op (grote) nes-
Grote gele kwikstaart
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens
ten te controleren. In één van de bomen in de ten westen van de onder-
Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan zijn enkel
jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten
zoekslocatie gelegen bosschage, welke nog niet vol in blad stond, is
stilstaande wateren aanwezig en ontbreekt het aan geschikte nestmoge-
en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Er
reeds een nest aangetroffen. Het betreft vermoedelijk een eksternest.
lijkheden in de vorm van boomwortels in natuurlijke oevers of onder
Zonneweide Poeldonk
32
zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die recht-
betreft wegbermen, bosranden, (sier)tuinen, plassen en overige water-
Op de onderzoekslocatie is in delen van het jaar geschikt foerageerge-
vaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoeksloca-
gangen.
bied voor de bever voorhanden, namelijk wanneer de percelen voor de
tie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Ten aan-
maïsteelt in gebruik zijn. In de omgeving zijn echter veel alternatieve
zien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand
Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) land-
foerageergebieden voor bever voorhanden, in de vorm van akkerlanden,
redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten
schapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaat-
bosschages en oevers van watergangen.
het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwe-
sen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting
zigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.
van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord, vooropge-
Eekhoorn
steld dat de bomen in de omgeving die als potentiële vliegroute kunnen
De eekhoorn komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. De
Overige broedvogels
fungeren, gehandhaafd blijven bij de herbestemming van de onder-
onderzoekslocatie biedt geen geschikt foerageergebied aan de eek-
De beplanting op de onderzoekslocatie en de directe omgeving hiervan
zoekslocatie en geen toename van nachtelijke verlichting plaatsvindt.
hoorn. De eekhoorn nestelt in bomen, en ook wel in boomholten. Bij de
kan nestgelegenheid bieden aan broed-vogelsoorten zoals houtduif, kleine karekiet, merel, winterkoning, zwartkop, tjiftjaf en wilde eend. De
voorgenomen werkzaamheden zullen de bomen op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan onaangetast blijven, waardoor
nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze
Overige zoogdieren Steenmarter
als zodanig in gebruik zijn. Schadelijke handelingen die leiden tot een
De onderzoekslocatie wordt mogelijk wel gebruikt door steenmarter als
de onderzoekslocatie naar alle waarschijnlijkheid enkel geschikter wor-
vergunningplichtig geval zijn te voorkomen.
foerageergebied. In de omgeving zijn echter veel alternatieve foerageer-
den voor eekhoorn door de geplande ecologische inrichting. Overtreding
gebieden aanwezig, bijvoorbeeld in de vorm van nabijgelegen akker- en
van de Omgevingswet ten aanzien van eekhoorn kan op basis van de
Vleermuizen
weilanden en bosschages. Mogelijk doorkruist de steenmarter inciden-
quickscan worden uitgesloten.
De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen met
teel wel de onderzoekslocatie maar zal het planvoornemen geen nega-
holten aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaat-
tieve effecten hebben voor het foerageergebied van deze soort. Voor
Das
sen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Omgevingswet
deze individuen geldt de algemene zorgplicht.
De onderzoekslocatie vormt geschikt foerageergebied voor dassen.
ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde.
eventuele eekhoornnesten niet verwijderd zullen worden. Daarnaast zal
Houtwallen, greppels of andere oneffen terreinen die op en rond de on-
Ten noorden en westen van de onderzoekslocatie bevinden zich bo-
Bever
derzoekslocatie aanwezig zijn, bieden daarnaast ruimte voor een burcht.
menrijen en bosschages. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden
De bosschage ten noorden van de onderzoekslocatie is geschikt als
Gedurende het veldbezoek is de onderzoekslocatie nauwkeurig onder-
door de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onder-
leefgebied voor de bever. Er zijn hier enkele vermoedelijke beverglijba-
zocht op dassensporen, zoals graafputjes of achtergebleven haren. Op
zoekslocatie. Hierbij is het van belang dat geen nachtelijke verlichting
nen aangetroffen. Gedurende het veldbezoek was de bosschage niet
de onderzoekslocatie zijn loopsporen en enkele graafputjes van das
uitstraalt op de bomenrijen en bosschages gedurende de werkzaamhe-
toegankelijk, aangezien deze aan alle zijden omzoomd wordt door wa-
aangetroffen. Daarmee is aangetoond dat de das gebruik maakt van de
den en in de toekomstige situatie.
tergangen. Een aanvullende inspectie wordt noodzakelijk geacht om te
onderzoekslocatie als foerageergebied. Op de onderzoekslocatie en di-
De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kun-
kunnen bepalen of sprake is van een vaste rust- en/of voort-plantings-
rect aangrenzend hiervan zijn geen vaste rust- en/of voortplantingsplaat-
nen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foera-
plaats van bever in de directe omgeving van de onderzoekslocatie,
sen van das aangetroffen. In het kader van de ontwikkeling van twee
geren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foera-
welke mogelijk verstoring ondervindt van de voorgenomen plannen.
zonneweides aan de Kloosterstraat en Bosscheweg heeft in 2023 reeds
geerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van
Deze inspectie is door Econsultancy uitgevoerd in combinatie met de
een onderzoek door Econsultancy plaatsgevonden naar de functie van
foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omge-
das en zal verderop in deze paragraaf nader worden toegelicht.
het gebied voor das (Bijlage 9, aanvullend onderzoek das). Hieruit is ge-
ving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het
bleken dat in de omgeving van de onderzoekslocatie twee burchten actief in gebruik waren door das. In het kader van het huidige onderzoek
Zonneweide Poeldonk
33
wordt voorgesteld om een aanvullende inspectie uit te voeren, om te be-
projectlocatie. Door de aanleg van takkenrillen nabij oevers van water-
Er zijn tijdens de aanvullende inspectie geen (potentiële) vaste rust-
palen of de afgelopen jaar verzamelde gegevens nog actueel zijn. Deze
gangen wordt een lijnvormig element gecreëerd, dat ter oriëntatie en als
en/of voortplantingsplaats van bever aangetroffen. De tijdens de
inspectie is uitgevoerd en opgenomen in de bijlage. Navolgend worden
schuilgelegenheid kan dienen voor das. De beoogde zonneweide zal
quickscan natuurwaarden aangetroffen (bever)glijbaan behoort, gezien
de belangrijkste conclusies beschreven.
met de inrichtingsmaatregelen toegankelijk blijven voor de das. Dit is
het ontbreken van andere sporen van bever, toe aan andere soorten.
van belang voor de migratieroute van de das. De maatregelen welke geResultaten aanvullende inspectie naar das en bever
troffen worden voldoen aan de eisen zoals gesteld in het kennisdocu-
Bunzing, wezel en hermelijn
Ten behoeve van de aanleg van twee zonneweides ten westen van de
ment van de das (BIJ12, 2017).
De bunzing, hermelijn en wezel komen volgens de verspreidingsgege-
Meerse Plas heeft reeds in 2023 in opdracht van Lightsource Renewa-
vens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze
ble Energy een dassenonderzoek plaatsgevonden door Econsultancy
De gemeente Sint-Michielsgestel heeft ten aanzien van de das een aan-
soorten kunnen gebruikmaken van de watergangen op de onderzoeks-
(rapport 15497.004, versie D4, d.d. 4 december 2023). Uit deze aanvul-
vullende onderbouwing gevraagd welke door BKK advies (rapport
locatie en de directe omgeving hiervan als lijnvormig element om dek-
lende inspectie is bepaald dat deze gegevens nog actueel zijn. Gezien
240349a.BKK, d.d. 22 april 2025) is opgesteld. Het rapport is opgeno-
king te bieden gedurende het foerageren en migreren tussen vaste rust-
de onderzoekslocatie in de huidige staat slechts marginaal geschikt ge-
men in de bijlage. Zij concluderen dat als gevolg van de voorgenomen
of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Indien de watergan-
acht wordt voor das als foerageergebied en in de omgeving voldoende
maatregelen de 10,4 ha, die wordt gereserveerd voor het plaatsen van
gen en oevers bij de voorgenomen werkzaamheden aangetast worden,
alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn waar de das volop gebruik
de pv-installaties, de foerageerfunctie niet zal verliezen maar dat dit nog
dient voorafgaand aan de werkzaamheden een aanvullend onderzoek
van maakt, wordt het voldoende geacht om specifieke inrichtings- en be-
steeds als secundair leefgebied gezien kan worden. De overige 10,6 ha
naar kleine marterachtigen uitgevoerd te worden.
heersmaatregelen voor das uit te werken in een ecologisch werkproto-
van het totaal wordt biodivers ingericht, waarbij maatregelen getroffen
col. Het betreft het werken tussen zonsopgang en zonsondergang, het
worden welke in lijn zijn met de eisen zoals deze gesteld zijn in het ken-
Waterspitsmuis
faseren van de werkzaamheden en het voorkomen van materiaalopslag
nisdocument das (BIJ12, 2017).
De oevers van de greppels op de onderzoekslocatie zijn op veel plekken
op wissels. Deze maatregelen komen andere soorten die gebruik maken van de wissels en/of schemer- en nachtactief zijn, tevens ten goede.
redelijk begroeid. Verder zijn de greppels erg voedselrijk, wegens de ligDe maatregelen worden gerealiseerd in de vorm van:
ging tussen intensief gebruikte akkerlanden. Op enkele plekken is
het versterken van bestaande groenstructuren welke kunnen dienen
sprake van struweelbegroeiing op de oevers, in de vorm van jong hout-
als corridor tussen leef- en foerageergebied;
opschot met soorten als berk en wilg. Het betreft met name de directe
het realiseren van struweelrijke hagen welke zowel een functie als
omgeving van de watergangen die onder het beheer van het Water-
looproute als een foerageerfunctie voor de das kunnen bieden;
schap vallen, op de grens van de onderzoekslocatie. Verder betreft het
het grasland onder/rond de panelen biedt naast ruimte voor
de greppels grenzend aan de ten noorden van de onderzoekslocatie ge-
werkprotocol, om te borgen dat overtreding van de Omgevingswet ten
(broed)vogels ook een jaarrond beschikbare voedselbron voor das-
legen bosschage. Een aanvullend onderzoek naar waterspitsmuis wordt
aanzien van das te allen tijde voorkomen wordt.
sen.
niet noodzakelijk geacht, mits de watergangen en oevers onaangetast
In de memo met inrichtingsmaatregelen van 31 mei (Bijlage 10, memo met inrichtingsmaatregelen, project 24424.007) wordt reeds een voorstel
gedaan voor inrichtingsmaatregelen ten aanzien van das. Deze maatregelen dienen tevens verder uitgewerkt te worden in een ecologisch
blijven en er gewerkt zal worden conform een ecologisch werkprotocol. De projectlocatie wordt bijvoorbeeld voorzien van struweelhagen. De
Wanneer de in de diverse stukken beschreven maatregelen genomen
Er is daarom besloten om zowel de watergangen als de oevers niet mee
struweelhagen bieden in een deel van het jaar voedselgelegenheid aan
en onderhouden worden, is het aanvragen van een Omgevingsvergun-
te nemen in de ontwikkeling waardoor deze onaangetast blijven. Ook zal
de das. Verder zorgen deze voor beschutting. Er zal gekozen worden
ning voor de das naar verwachting niet noodzakelijk. Wel dienen de
eer gewerkt worden conform ecologisch werkprotocol.
voor besdragende struiken die over het jaar verspreid vruchten dragen,
maatregelen geborgd te worden in een ecologisch werkprotocol en in de
waardoor het voedselaanbod van de das wordt verhoogd. Poeldonk be-
inrichtings- en beheerplanen van de diverse zonneweides.
staat uit watergangen die het kenmerkende patroon vormen voor de
Zonneweide Poeldonk
34
Licht beschermde soorten
geschikt landhabitat voor de Alpen-watersalamander voorhanden. Mo-
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten
gelijk maakt de Alpenwatersalamander dan ook gebruik van de greppels
De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfi-
grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als
en watergangen in de omgeving van struweelbegroeiing als voortplan-
bieënsoorten als bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad.
konijn, egel en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden
tingshabitat. Bij het aantasten van deze greppels en watergangen vindt
De greppels op de onderzoekslocatie kunnen voortplantingshabitat bie-
bestaat de kans dat licht beschermde soorten verstoord worden. Gedu-
daarmee mogelijk verstoring van de Alpenwatersalamander plaats. De
den aan deze en andere algemene amfibieën. Op de onderzoekslocatie
rende het veldbezoek zijn enkele hazen waargenomen. Het wordt aan-
Alpenwatersalamander is minder gevoelig voor predatie door vissen dan
kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigtes, bijvoorbeeld
bevolen om de werkzaamheden conform een ecologisch werkprotocol
de kamsalamander.
aan de oevers. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen nega-
uit te voeren, om verstoring van haas, konijn en overige zoogdieren zo-
tieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten. Er zal derhalve een
veel mogelijk te voorkomen. Er zal derhalve een ecologisch werkproto-
Een aanvullend onderzoek naar alpenwatersalamander wordt niet nood-
ecologisch werkprotocol worden opgesteld om verstoring zoveel moge-
col worden opgesteld om verstoring zoveel mogelijk te voorkomen.
zakelijk geacht, mits de watergangen en oevers onaangetast te blijven
lijk te voorkomen.
en er gewerkt zal worden conform een ecologisch werkprotocol. Er is Reptielen Levendbarende hagedis
daarom besloten om zowel de watergangen als de oevers niet mee te nemen in de ontwikkeling waardoor deze onaangetast blijven. Ook zal
Vissen Grote modderkruiper
Op de onderzoekslocatie is sprake van akker- en grasland, dat benut
eer gewerkt worden conform ecologisch werkprotocol.
De greppels en watergangen op de onderzoekslocatie en in de directe
wordt voor agrarische doeleinden. Er is slechts in zeer beperkte mate
omgeving hiervan worden hiermee geschikt geacht als habitat voor de
sprake van verschillende microklimaten, en er is sprake van abrupte
Kamsalamander
overgangen tussen greppels en akkerland, in plaats van de gewenste
De watergangen op de onderzoekslocatie zijn met elkaar verbonden en
structuurrijke en geleidelijke overgangszones. Op basis van het ontbre-
in de grotere watergangen zijn vissen aanwezig. Daarmee kan uitgeslo-
Indien ten behoeve van de voorgenomen plannen werkzaamheden aan
ken van geschikt habitat kan de aanwezigheid van levendbarende hage-
ten worden dat de kamsalamander zich voortplant in de greppels op de
de watergangen uitgevoerd zullen worden, dient voorafgaand een aan-
dis op de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Overtreding ten aan-
onderzoekslocatie. Wegens het ontbreken van dichte vegetaties op de
vullend onderzoek naar grote modderkruiper plaats te vinden. Er is
zien van beschermde reptielen kan op basis van de quickscan worden
onderzoekslocatie, kan tevens het voorkomen van landhabitat van de
daarom besloten om zowel de watergangen als de oevers niet mee te
uitgesloten.
kamsalamander uitgesloten worden. Overtreding van de Omgevingswet
nemen in de ontwikkeling waardoor deze onaangetast blijven. Nader on-
ten aanzien van kamsalamander kan op basis van de quickscan worden
derzoek is dan ook niet aan de orde.
Wel kunnen reptielen (en amfibieën, zie navolgend) van de struweelran-
grote modderkruiper.
uitgesloten. Algemene vissen
den gebruik maken om door het gebied te foerageren. Er worden namelijk diervriendelijke openingen op strategische plekken in het hekwerk
Heikikker en poelkikker
Ten aanzien van algemene vissen geldt dat bij eventuele dempings-
geplaatst.
De onderzoekslocatie biedt vanwege de agrarische aard, het voedsel-
werkzaamheden verstoring van individuen kan optreden. Voor alge-
rijke karakter van het water en het ontbreken van geschikte voortplan-
mene vissen geldt de zorgplicht.
Amfibieën Alpenwatersalamander
tingswateren geen geschikt voortplantings- en landhabitat aan de heikik-
Op de onderzoekslocatie ontbreekt het vanwege het agrarische karakter
de quickscan worden uitgesloten.
ker en poelkikker. Overtreding van de Omgevingswet kan op basis van
grotendeels aan geschikt landhabitat voor de soort. Grenzend aan de onderzoekslocatie (zowel aan de noordzijde als aan de westzijde) is wel
Zonneweide Poeldonk
35
Ongewervelden Libellen
voor de soort geschikte waardplanten aanwezig zijn (boswilg). Het be-
Specifieke zorgplicht
treft daarnaast jong houtopschot, en de grote weerschijnvlinder zet zijn
Voor de specifieke zorgplicht soorten geldt dat negatieve gevolgen voor
De onderzoekslocatie wordt vanwege het open en agrarische karakter
eitjes af op hoge, volgroeide bomen. Overtreding van de Omgevingswet
belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats van deze soorten dienen
niet geschikt geacht als habitat voor deze en andere beschermde libel-
ten aanzien van grote weerschijnvlinder kan op basis van de quickscan
te worden voorkomen. Op de onderzoekslocatie zijn foerageergebied
len. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde li-
worden uitgesloten.
en/of rustlocaties van haas, konijn en diverse soorten vogels, zoals pa-
bellen is niet aan de orde.
trijs, veldleeuwerik en gele kwikstaart, aanwezig. Middels de geplande Teunisbloempijlstaart
ecologische inrichting zal de onderzoekslocatie naar verwachting ge-
Vlinders
Op de onderzoekslocatie zijn geschikte waardplanten voor teunisbloem-
schikter worden voor deze en andere Rode Lijst soorten. De werkzaam-
In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsge-
pijlstaart aanwezig, in de vorm van basterdwederik en enkele katten-
heden dienen conform een ecologisch werkprotocol uitgevoerd te wor-
gevens uit de NDFF waarnemingen bekend van grote vos, grote weer-
staarten. Echter wordt de onderzoekslocatie vanwege het intensieve
den.
schijnvlinder, iepen-page, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart.
agrarische karakter en het ontbreken van een strooisellaag voor de pop-
Tijdens het veldbezoek is de onderzoekslocatie gecontroleerd op voor
pen om in te overwinteren niet geschikt geacht als habitat voor de teu-
Gebiedsbescherming
deze en andere beschermde vlindersoorten geschikte waardplanten. De
nisbloempijlstaart. Mogelijk maakt de teunisbloempijlstaart wel gebruik
Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat
meeste waardplanten waren gedurende het veldbezoek reeds herken-
van de onderzoekslocatie om te foerageren. In de omgeving zijn echter
aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura
baar, vanwege de tijd in het jaar waarin het veldbezoek uitgevoerd is.
veel geschikte alternatieven voorhanden, in de vorm van (weg)bermen,
2000-gebied is 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek' op circa 3,2
Hierbij is geconcludeerd dat geen waardplanten van iepenpage (iep) en
akkerlanden, oevers van watergangen en braakliggende terreinen.
km afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een ex-
kleine ijsvogelvlinder (wilde kamperfoelie) aanwezig waren. Overtreding
Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van teunisbloempijlstaart
tern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Aan-
van de Omgevingswet ten aanzien van iepenpage en kleine ijsvogelvlin-
kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
gezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een zonneweide
der kan dan ook op basis van de quickscan worden uitgesloten.
en bijbehorende installaties betreft, kan een significante toename aan Vermiljoenkever
stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op de omlig-
Grote vos
De vermiljoenkever heeft vochtige bossen, houtwallen en lanen met bo-
gende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voor-
Op de onderzoekslocatie zijn enkele bos- en schietwilgen aanwezig. Het
men en dikke takken die recent zijn doodgegaan als habitat. Ook meer
hand worden uitgesloten. Derhalve is er een stikstofdepositieberekening
betreft echter jong houtopschot, waardoor niet voldaan wordt aan de cri-
solitaire of opgestapelde boomstammen kunnen gekoloniseerd worden.
uitgevoerd, welke is opgenomen in als bijlage 8 van onderhavige ruimte-
teria waar de waardbomen voor grote vos aan dienen te voldoen (hoge,
Dergelijke elementen zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig, waar-
lijke motivering.
vrijstaande bomen). Verder is slechts in zeer beperkte mate geschikt
mee de aanwezigheid van vermiljoenkever op basis van de quickscan
foerageergebied aanwezig voor grote vos. Naar alle waarschijnlijkheid
kan worden uitgesloten.
zal de onderzoekslocatie middels de ecologische inrichting enkel ge-
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.
schikter worden voor grote vos. Overtreding van de Omgevingswet ten
Groot spiegelklokje
Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-ge-
aanzien van grote vos kan op basis van de quickscan worden uitgeslo-
De onderzoekslocatie wordt vanwege de intensieve agrarische aard en
bieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Overige externe
ten.
het voedselrijke karakter niet geschikt geacht als groeiplaats voor het
effecten kunnen vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden
groot spiegelklokje. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van
eveneens worden uitgesloten.
Grote weerschijnvlinder
groot spiegelklokje kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
De onderzoekslocatie biedt vanwege de open en agrarische aard geen geschikt habitat aan de grote weerschijnvlinder, ondanks dat enkele
Zonneweide Poeldonk
36
Natuurnetwerk Nederland
en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op lo-
Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden be-
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De
caties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is
schouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobron-
onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, beho-
het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval
nen:
rend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied
van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van
bevindt zich grenzend aan de westzijde van de onderzoekslocatie. Ge-
het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal.
5.1.2.4);
zien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet verande-
Kwetsbare gebouwen en locaties
ren. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland
In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en loca-
wordt niet noodzakelijk geacht, mits geen toename van licht en geluid
ties’ waarvoor de regels bescherming bieden:
optreedt ten aanzien van het onderdeel van het Natuurnetwerk Neder-
1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);
land.
2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties);
opslaan, bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5);
exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5);
opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Houtopstanden
Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal
Plaatsgebonden risico
Op de onderzoekslocatie is één zomereik aanwezig. Deze blijft behou-
personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt
den bij de voorgenomen plannen, waardoor vervolgstappen niet nood-
in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De
door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het
zakelijk zijn.
aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat
plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden
in bijlage VI van het Bkl.
voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot
5.12.3
Conclusie
gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar
De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de
Risicobronnen
worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour
verschillende soorten en soortgroepen is onderzocht en opgenomen in
Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage
10-6-contour van een activiteit vallen.
de bijlage. Hierin is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk
VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen.
verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele ver-
Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden
volgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajec-
activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende
Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat
milieubelastende activiteiten uit het Bal;
het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor;
moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieu-
Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen
belastende activiteit in het Bal;
overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen
windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in
een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aan-
het Bal.
dachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl):
ten. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van genoemde werkzaamheden in acht wordt genomen.
5.13
Omgevingsveiligheid
5.13.1
Toetsingskader
Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken
Zonneweide Poeldonk
In het van rechtswege ontstane omgevingsplan van de gemeente Sint-
1. brandaandachtsgebied;
Michielsgestel worden beperkingen met betrekking tot externe veiligheid
2. explosieaandachtsgebied;
genoemd, waarbij milieubelastende activiteiten, transportroutes en buis-
3. gifwolkaandachtsgebied.
leidingen aan bod komen (artikel 22.39b).
37
Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en be-
heeft de ontwikkeling geen invloed op de hoogte van het groepsrisico.
gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activi-
perkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied
Het groepsrisico hoeft in dat geval niet verantwoord te worden.
teiten (art. 5.80 Bkl). Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie,
moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet advies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl).
onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinEen risico wat wel in acht moet worden genomen bij de realisatie van
deropvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties.
een zonneweide is depositie. Depositie is de neerslag of afzetting van 5.13.2
Onderzoek
luchtverontreinigende stoffen op bodem, water, planten dieren of gebou-
Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen (zoals woningen)
In de directe omgeving van het projectgebied ligt de provinciale weg
wen. Het gaat in milieu verband om depositie van verzurende en ver-
in de buurt van spoorwegen moet het aspect trilling worden beoordeeld
N279 en zijn er ten noorden aan de overkant van de Zuid-Willemsvaart
mestende stoffen. Bij een zonneweide kan dit voorkomen wanneer de
in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3 risicobronnen vanwege de aanwezige bedrijven gesitueerd. Het pro-
zonnepanelen betrokken zijn bij een brand waarbij als gevolg verbran-
Zo moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoor-
jectgebied is hierdoor voor een klein gedeelte gelegen in het gifwolkaan-
dingsproducten en onverbrande resten neerslaan. Deze scherpe delen
weg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen
dachtsgebied van een van deze bedrijven. Zie ook navolgende uitsnede
kunnen dan bijvoorbeeld leiden tot letsel bij personen of grazend vee.
is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan
van de Atlas Leefomgeving.
Ook kan de depositie toxisch zijn en leiden tot vervuiling van de bodem,
weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er
water en gewassen.
reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan.
Omdat brand kan ontstaan in een zonnepaneel, een bijbehorende installatie (omvormer of inkoopstation) of in grasland nabij de zonnepanelen
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kunnen de SBR-richt-
is brand het voornaamste risico. Dergelijke branden kunnen leiden tot
lijn, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw
een snelle branduitbreiding wat mogelijk tot schade aan installaties, na-
en Spoortrillingen worden gebruikt.
tuur en omgeving kan leiden. Om brand, en daarmee depositie, te voorkomen zullen de adviezen uit de ‘Handreiking Risicobeheersing advies
5.14.2
veilige PV-Systemen’ van het NIPV worden gevolgd. Deze maatregelen
De ontwikkeling maakt geen trillinggevoelige gebouwen of trillinghinder
hebben betrekking op brandveiligheid, bluswater en bereikbaarheid. Op
veroorzakende activiteiten mogelijk. Een nadere toetsing aan dit aspect
deze manier worden de risico’s flink beperkt en is er wat betreft het as-
kan daarom redelijkerwijs achterwege blijven.
Onderzoek
pect omgevingsveiligheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.14.3
Conclusie
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Figuur 13 Uitsnede Atlas Leefomgeving ter plaatse van het projectgebied
5.13.3
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhaHet in gebruik hebben van zonnepanelen is in het Besluit Kwaliteit Leef-
vig project.
5.15
Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren
5.15.1
Toetsingskader
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond of
omgeving niet aangewezen als een risicovolle milieubelastende activiteit
5.14
Trillingen
sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat
of beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw. Omdat er
5.14.1
Toetsingskader
het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag
slechts beperkt en kortdurend personen in het projectgebied verblijven,
Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke
geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden.
leefomgeving. De Omgevingswet beschermt (delen van) trillinggevoelige
Zonneweide Poeldonk
38
Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrek-
zal er sprake zijn van een parkeerbehoefte bij onderhouds-, beheer-,
Rijksbeleid
kende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt
controlewerkzaamheden e.d. In dat geval kan gebruik worden gemaakt
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van
van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in
van een toegang tot het terrein. De incidentele parkeerbehoefte kan
het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP geeft op hoofdlijnen aan
grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publi-
daarmee in voldoende mate worden opgevangen op eigen terrein. Gelet
welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot
catie 381). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indica-
op de beperkte aanwezigheid van personen voor onderhouds-, beheer-,
een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en
tie van de met de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie.
controlewerkzaamheden is het aanleggen van permanente parkeer-
voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook wor-
Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen.
plaatsen niet noodzakelijk.
den de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder
De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden.
het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor
Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeer-
5.15.3
normen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten vol-
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het
doen. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft dit gedaan in de Beleidsre-
initiatief.
gels parkeernormen Sint-Michielsgestel. De activiteit dient in dit geval aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst. 5.15.2
Conclusie
Regionaal Water en bodem programma
5.16
Water
5.16.1
Toetsingskader
Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden
Onderzoek
in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater, grondwater en he-
Verkeer In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit agrarische gronden. De nieuwe functie heeft een verwaarloosbare verkeersaantrekkende werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van incidenteel verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer van de zonneweide en de groene inpassing. Hierbij is uitgegaan van maximaal 2 motorvoertuigbewegingen (lichte busjes) per maand. Er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. In de aanlegfase van de zonneweide zal wel (tijdelijk) een toename plaatsvinden van verkeer. Het gaat hier onder meer in de vorm van vrachtwagens en busjes die de materialen komen leveren. Gelet op de tijdelijkheid van de verkeersbewegingen en het relatief beperkte aantal zal het initiatief geen negatieve effecten in verkeerskundig opzicht ople-
melwater. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5.37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid, niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duur-
veren.
de rijkswateren.
zaam watersysteem.
Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vastgesteld voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. De concretere invulling om dit te verwezenlijken is opgenomen in o.a. de omgevingsverordening. Verder is een Regionaal Water en Bodem programma (RWP 2022-2027) door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Beleid waterschap De Dommel Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het be-
Parkeren
langrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering
De zonneweide betreft een bedrijfsmatige functie, maar van vaste werk-
om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaat-
nemers of verblijvende personen ter plaatse is geen sprake. Incidenteel
Zonneweide Poeldonk
39
verandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het wa-
Gemeentelijk rioleringsplan
wing en verharding wordt waterberging gecreëerd van 70mm per m² ver-
ter- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de
De gemeente Sint-Michielsgestel heeft een verbreed gemeentelijk riole-
harding in plaats van de huidige 60mm per m² uit het gemeentelijk riole-
ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond,
ringsplan (2020-2024), waarin het beleid ten aanzien van grond-, vuil-
ringsplan. Deze eis gaat gelden wel nog steeds vanaf de eerste vier-
het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van in-
en regenwater is vastgelegd overeenkomstig met het beleid van het wa-
kante meter aan toename in plaats van vanaf 250m²
frastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot
terschap. Hierbij heeft de gemeente als doelstelling om in 2050 klimaat-
de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en re-
bestendig en waterrobuust ingericht te zijn. Om dit te bereiken moet er
Daarnaast wordt er veel aandacht besteed aan het vergroten van de
creëren en de fysieke neerslag daarvan.
hydrologisch neutraal ontwikkeld worden.
groenvoorzieningen in de gemeente. Door meer bomen te planten en tuinen te vergroenen, wordt hittestress verminderd en de biodiversiteit
Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin con-
Gezien de geohydrologische omstandigheden binnen de gemeente han-
verbeterd. Inwoners worden actief betrokken bij deze initiatieven door
tinu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en
teert de gemeente het uitgangspunt dat perceeleigenaren in nieuw- en
middel van voorlichtingscampagnes en participatieprojecten, waarbij ze
afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plan-
herbouw situaties (uit- en inbreidingen) hun hemelwater altijd redelijker-
worden aangemoedigd om zelf ook maatregelen te nemen, zoals het
nen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering bete-
wijs zelf kunnen verwerken. Dit betekent het kunnen bergen/verwerken
vergroenen van hun eigen tuinen.
kent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere la-
van de neerslaggebeurtenissen uit de Keur (bergingseis van 60 mm).
gen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veer-
Als ondergrens hanteert de gemeente een toename van 250 m².
kracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Verder worden infrastructuurprojecten aangepast om beter bestand te zijn tegen extreme weersomstandigheden. Dit omvat onder andere het
Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden een aantal uitgangspunten gehan-
verbeteren van de riolering en het versterken van dijken en kades. Deze
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap
teerd ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang
gecombineerde aanpak moet ervoor zorgen dat Sint-Michielsgestel een
De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbesten-
zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheer-
gezondere, duurzamere en aangenamere plek wordt om te wonen en te
dige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het
ders. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor plannen worden door
werken.
hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishou-
het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. Eventuele compensatie dient
ding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding
plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie bin-
Aanvullend op deze strategie heeft de gemeente een uitvoerings-
die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het
nen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand wa-
agenda, vastgesteld op 8 januari 2024, die concrete maatregelen en
bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de
tersysteem.
projecten bevat die de komende jaren worden uitgevoerd om de strate-
hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de gro-
gie te realiseren. Deze aanpak moet ervoor zorgen dat Sint-Michielsge-
tere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de
Strategie Klimaatadaptatie 2023-2030
stel een gezondere, duurzamere en aangenamere plek wordt om te wo-
dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke
De gemeente heeft daarnaast in haar strategie Klimaatadaptatie 2023-
nen en te werken.
hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
2030 vastgesteld die zich richt op het aanpassen van de gemeente aan
Waterschap De Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing
de gevolgen van klimaatverandering, zoals toenemende hitte, droogte
5.16.2
geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven.
en wateroverlast. Het doel is om een klimaatbestendige en leefbare om-
Het planvoornemen betreft de realisatie van een zonneweide binnen de
geving te creëren voor de inwoners. Een van de kernpunten is het ver-
gemeente Sint-Michielsgestel. Momenteel is het plangebied in gebruik
beteren van waterbeheer. Dit omvat maatregelen zoals het afkoppelen
met agrarische doeleinden en is het plangebied geheel onverhard. Bin-
van regenwater van het riool en het aanleggen van wadi's en groene da-
nen en rondom het plangebied zijn enkele oppervlaktewateren aanwe-
ken, waardoor wateroverlast wordt verminderd. Bij toename van bebou-
zig. Het plan heeft daarmee mogelijk relevante gevolgen voor de water-
Onderzoek
huishouding. Voor het project is een waterparagraaf opgesteld. Deze is
Zonneweide Poeldonk
40
opgenomen als bijlage 3 van onderhavige ruimtelijke motivering. Hierna
zonder omgevingsvergunning plaats vinden in verband met o.a. het on-
Waterstaatswerk
worden de voornaamste uitgangspunten en randvoorwaarden bespro-
derhoud aan de watergang. Tevens dienen de beschermingszones van
Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk in het beperkingengebied wa-
ken.
de watergangen opgenomen te worden in de plantekeningen. Het water-
terkeringen in beheer bij het Rijk. Volgens het Besluit activiteit leefomge-
schap verleent geen watervergunning voor het aanplanten van struweel
ving is het plaatsen of in stand houden van “andere objecten” binnen be-
binnen de beschermingszone.
perkingengebied vergunning plichtig en dient er een omgevingsvergun-
Bodemopbouw en grondwater Bij de ontwikkeling van een zonneweide is geen verontreiniging van de
ning aangevraagd te worden. Tevens dient dit beperkingengebied opge-
lokale bodem of het (oppervlakte)water te verwachten waardoor dus
De aanplant van struweel binnen beschermingszone is alleen mogelijk
nomen te worden in de plantekeningen.
geen aanvullende beschermingsmaatregelen noodzakelijk worden ge-
als de betreffende beschermingszone kan komen te vervallen. Maar dat
acht.
mag het onderhoud dan niet onevenredig hinderen (denk aan: achteruit
Een klein gedeelte van de beoogde zonnepanelen ligt binnen deze aan-
terugrijden met onderhoudsmaterieel, extra duikers nodig voor overste-
duiding Hiervoor is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen die aan-
Oppervlaktewater
ken van de watergang etc.). Aanpassingen van de beschermingszone
geeft dat het is toestaan dat bouwwerken worden gebouwd, mits het
Binnen het plangebied zijn diverse watergangen aanwezig die onder het
naar een éénzijdige beschermingszone kan bovendien alleen als de
bouwwerk in overeenstemming is met de ter plaatse aangewezen be-
beheer van het waterschap De Dommel vallen zoals weergegeven in fi-
grondeigena(a)r(en) aan de andere kant van de watergang hiermee in-
stemming en door de bouw of situering van het bouwwerk het vaarbe-
guur 13.
stemmen (privaatrechtelijke toestemming). Onderhoud zal dan immers
lang niet onevenredig wordt aangetast. In onderhavige motivering wordt
altijd vanuit hun percelen plaatsvinden. Voor het dempen van (delen
aangetoond dat de aanleg van het zonnepark is passend is op de loca-
van) B-watergangen is een watervergunning verplicht. Het planvoorne-
tie en dat deze het vaarbelang niet onevenredig wordt aangetast waar-
men beoogd geen demping of afkoppeling van watergangen. Derhalve
door er kan worden afgeweken van de regels.
heeft het planvoornemen geen gevolgen voor de afwatering van andere percelen. Bijkomende compensatie van deze watergangen is dan ook
Hier zijn volgens de bestemmingsplanregels geen bouwwerken toege-
niet verplicht. Afhankelijk van eventuele werkzaamheden binnen (de be-
staan, behalve ten behoeve van de scheepvaart. Er is wel een afwij-
schermingszone van) een watergang dient hiervoor een melding of ver-
kingsmogelijkheid. Dat staat in de ruimtelijke motivering wel benoemd,
gunning aangevraagd te worden.
maar is niet verder onderbouwd. Graag de afwijkingsmogelijkheid opnemen en verder onderbouwen dat er hierdoor geen onevenredige aantas-
Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever geldt als vergraven van
ting van de scheepvaart is.
een watergang. Bij A- en B-watergangen is hiervoor een watervergunning nodig. Het planvoornemen ziet niet op een vergraving van een wa-
Afvalwater
tergang.
Binnen het plangebied zijn geen panden aanwezig. Bij een zonnepark
Figuur 14: Uitsnede leggerkaart met plangebied rood omlijnd (bron: waterschap De Dommel)
verblijven er geen personen op het perceel en zal ook geen afvalwater Voor alle aanpassingen aan watergangen geldt overigens vanuit het be-
Door het waterschap wordt onderscheid gemaakt tussen A- en B-watergangen op basis van de functie en omvang van de watergang. A-watergangen hebben een beschermingszone van 5 meter gemeten vanaf de insteek. Hierbinnen mogen geen obstakels of bepaalde werkzaamheden
Zonneweide Poeldonk
geproduceerd worden waardoor dit aspect geen belemmering vormt.