CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Plantoelichting bp Beekveld ong. Berlicum

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 26 oktober 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: 10 Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Beekveld ongenummerd naast 53, Berlicum17.672 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Omdat met de voorgestane ontwikkeling (realisatie woning) langer dan twee uur kan worden verbleven op deze plek, is in het kader van het aspect bodem, sprake van een gevoelige

28

bestemming. Een bodemonderzoek dient aan te tonen dat sprake is van een acceptabele kwaliteit van de bodem. In bijlage III van deze toelichting is het rapport opgenomen dat het bodemonderzoek beschrijft. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Bij de uitvoering van het veldwerk zijn in het opgeboorde bodemmateriaal zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten zijn. Het freatisch grondwater is matig verhoogd met zink en licht verhoogd met barium, cadmium, nikkel, xylenen en naftaleen. Op de locatie zijn tevens geen verontreinigingsbronnen aan te wijzen die in relatie zouden kunnen staan met de verhoogd aangetroffen gehalten. Mogelijk betreffen het fluctuerende gehalten als gevolg van natuurlijke processen in het grondwater. Onder andere barium wordt vaker van nature uit verhoogd aangetroffen. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (bestemmingsplanwijziging en bouw van een woning).

Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handlingskader PFAS van toepassing. Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. 5.1.3 Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of er op het gebied van de luchtkwaliteit kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM. Hierbij is gekeken naar de concentraties fijn stof en stikstofdioxide.

29

Norm Concentratie

Concentratie stikstofdioxide (NO2) 40 µg/m3 15,05 µg/m3

Concentratie fijn stof (PM10) 40 µg/m3 16,35 µg/m3

Concentratie fijn stof (PM2,5) 25 µg/m3 9,258 µg/m3

Tabel 1 Normen en concentraties stikstofdioxide en fijn stof ter plaatse van plangebied

Uit bovenstaande tabel blijkt dat ruimschoots kan worden voldaan aan de maximale normen voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Daarnaast kunnen ontwikkelingen invloed hebben op de luchtkwaliteit door onder andere een toename in het aantal verkeersbewegingen. In onderhavig geval is sprake van de realisatie van één woning. Op 20 juni 2022 is het Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) vastgesteld. Daarin is aangegeven wanneer een project is aan te merken als en project dat niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat dan bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Dan is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Het Besluit NIBM geeft de volgende voorwaarde: Wanneer het project of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) is sprake van een project dat als NIBM is aan te merken. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het project is IBM als de toename voor één of beide stoffen hoger is.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft: • Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. • Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn.

NIBM-grens woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2): 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg ≤ 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling In dit geval is sprake van de realisatie van één woning, waardoor de ontwikkeling ruim onder de 3%-criterium blijft. Geconcludeerd wordt dat sprake is van en project dat Niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat kan op verschillende manieren, waaronder een getalsmatige In de handreiking. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.

30

5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (in dit geval een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten.

Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de te realiseren woning als geurgevoelig aangemerkt kan worden. Analyse veehouderijbedrijven Vanuit de Wro dient derhalve aangetoond te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Vanuit de omgekeerde werking van de Wet geurhinder en veehouderij is het belangrijk om te weten of de woning een belemmering vormt voor bestaande aanwezige veehouderijen die in de omgeving zijn gelegen. In de directe omgeving is één bestaande veehouderij gelegen (zie figuur 15). De veehouderij is gevestigd aan Beekveld 50 en betreft een melkrundveebedrijf. Het melkrundveebedrijf bestaat uit 140 stuks vrouwelijk jongvee (tot 2 jaar) en 200 melk- en kalfkoeien (bron: KRD Noord-Brabant).

31

Figuur 15 uitsnede veehouderijenkaart Noord-Brabant

Het agrarisch bedrijf is positief bestemd in het bestemmingsplan Buitengebied en voorzien van een bouwvlak. Een veehouderijbedrijf dient 50 meter afstand aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten wanneer het geurgevoelige object in het buitengebied is gelegen. Wanner het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, dient een afstand van 100 meter aangehouden te worden. Dat zou betekenen dat als een geurgevoelig object op een afstand die kleiner is dan 50 respectievelijk 100 meter (afhankelijk van de ligging) een belemmering kan vormen voor de ontwikkeling van een veehouderij. Daarnaast geldt bij veehouderijbedrijven waar andere dieren dan melkrundvee wordt gehouden, een geurnorm van toepassing is. Wanneer die norm wordt overschreden kan eveneens sprake zijn van een belemmering. In dit geval is sprake van een melkrundveehouderij. De melkrundveehouderij is in landelijk gebied gelegen. De geplande woning is in de bebouwde kom gelegen. Daardoor is een afstand van 100 meter relevant. De afstand van het plangebied tot aan de rand van het bouwvlak betreft ongeveer 70 meter. Omdat de veehouderij het bouwvlak kan benutten voor de realisatie van dierenverblijven, zou de woning een belemmering kunnen vormen voor het betreffende veehouderijbedrijf. Het veehouderijbedrijf dient immers 100 meter afstand aan te houden.

Tussen het plangebied en het veehouderijbedrijf zijn echter bestaande gevoelige objecten gelegen. Het gaat om de woningen op de volgende adressen: Beekveld 53 (circa 63 meter) Beekveld 51 (circa 39 meter) Beekveld 49 (circa 31 meter) Tot slot is de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente SintMichielsgestel relevant. Daarin is opgenomen dat de minimale afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minimaal 50 meter dient te zijn.

32

Belemmering veehouderijbedrijf In de opsomming op de vorige pagina is per adres, tussen haakjes de afstand van de buitenzijde van de woning tot aan het agrarisch bouwvlak van de veehouderij aangegeven. Dit betekent dat de veehouderij in de bestaande situatie een deel van zijn bouwvlak, vanwege de bestaande geurgevoelige objecten niet kan gebruiken voor de realisatie van nieuwe dierenverblijven. De met dit plan beoogde woning ligt bovendien op een grotere afstand (circa 70 meter) dan de in de gemeentelijke verordening aangeven afstand van 50 meter. De met dit bestemmingsplan beoogde ontwikkeling zorgt derhalve niet voor een belemmering van het veehouderijbedrijf.

Figuur 16. Uitsnede geurkaart ODZOB. Plangebied rood omcirkeld.

Woon- en leefklimaat Naast toetsing op basis van de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij, dient ook aangetoond te worden dat ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. In figuur 16 is een uitsnede weergegeven van de geurkaart (achtergrondbelasting) van de omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Uit de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ blijkt dat de gemeente een achtergrondbelasting van 2,0 ou/m³ als algemeen acceptabel acht voor de gebieden die worden aangemerkt als woonkernen. Ter plaatse van de planlocatie bedraagt de geurbelasting tussen de 0 en 3 ou/m³ en wordt het woon- en leefklimaat op het gebied van de achtergrondbelasting als ‘zeer goed’ beoordeeld. Desondanks is er een marge aanwezig van 1 ou/m³ tussen de achtergrondbelasting en de geurnorm die de gemeente hanteert in haar verordening. Echter geldt de geurnorm voor veehouderijbedrijven. Dat houdt in dat veehouderijbedrijven een maximale geurbelasting mogen hebben op geurgevoelige objecten van 2,0 ou/m³. Door het

33

toepassen van die norm beoogd de gemeente om het woon- en leefklimaat te verbeteren. In dit geval ligt de achtergrondwaarde tussen de 0 en 3 ou/m³ en is het woon -en leefklimaat te classificeren als goed. Aangezien de enige veehouderij die een effect kan hebben op geur een melkveehouderij betreft, kan deze geen effect hebben op deze waarden, omdat melkkoeien en jongvee geen dieren betreffen waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Ook al zou het veehouderijbedrijf aan Beekveld 50 verdwijnen, dan nog blijft het woon- en leefklimaat ongewijzigd. Derhalve wordt geconcludeerd dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Beleidsregel Geur: Bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen worden, als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ uit stallen van veehouderijen, vastgestelde waarden gehanteerd als toetswaarden die gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten. Bij deze beoordeling worden alleen de dieren mee berekend waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij een emissiefactor vastgesteld is.

Bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen worden in geval van bedrijven met dieren waarvoor geen emissiefactoren in de Regeling geurhinder en veehouderij zijn vastgesteld (niet zijnde nertsen), de in onderstaande tabel genoemde afstanden gehanteerd als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. Gebied: Woonkernen Bedrijventerreinen Bebouwingsconcentraties Buitengebied

Overige geurgevoelige objecten Goed >100 m >100 m >50 m >50 m

Slecht <100m <100m <50m <50m

De verschillende gebieden, zoals in bovenstaande tabel zijn aangegeven, zijn weergegeven op de, bij deze beleidsregel gevoegde en gewaarmerkte kaart: Geurnormenkaart behorende bij de beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente Sint-Michielsgestel. In figuur 17 is een uitsnede van de betreffende kaart opgenomen. Daarop is te zien dat het plangebied is gelegen in het buitengebied, waardoor een minimale afstand van 50 meter relevant is. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf bevindt zich op een afstand van circa 70 meter. Daardoor wordt geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de beleidsregel Geur van de gemeente Sint-Michielsgestel.

34

Figuur 17 Uitsnede Geurnormenkaart behorende bij de beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente Sint-Michielsgestel

5.1.5 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −

Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In dit geval wordt binnen de invloedssfeer van de weg Beekveld, een weg waar op het zuidelijke gedeelte een maximumsnelheid van 60 km/uur geldt, een nieuw geluidsgevoelig object toegevoegd. Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Onderstaand is de conclusie van dit onderzoek weergegeven. Het volledige rapport van dit onderzoek is te vinden in bijlage IV. Ter plaatse van de gevels van het pand bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de zoneplichtige wegen inclusief correctie van artikel 110g ten hoogste 51 dB. Derhalve wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Verzocht wordt om een hogere waarde vast te stellen. De geluidbelasting bij de woning exclusief aftrek van artikel 110g bedraagt ten hoogste 56 dB. Met een gevelwering welke ten minste 20 dB bedraagt op basis van het Bouwbesluit, zal het binnenniveau ten hoogste 36 dB bedragen en wordt niet voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit.

35

Doormiddel van een gevelweringonderzoek dient aangetoond te worden dat een voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies (GA,K) gerealiseerd kan worden om aan een binnenniveau van 33 dB te voldoen. Ten aanzien van de buitenruimte en verblijf in de tuin dan wel terras kan verondersteld worden dat er een redelijke geluidskwaliteit heerst aan de achterzijde van de woning. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. 5.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van

36

de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen2. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing De realisatie van een woning betreft de realisatie van een kwetsbaar object. Met behulp van de risicokaart is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. In figuur 18 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

2 Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

37

Figuur 18. Uitsnede risicokaart. Planlocatie rood omcirkeld.

Uit de risicokaart blijkt dat er in de nabije omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen zijn. Het plangebied ligt op een afstand van circa 165 meter van de N279. Deze weg wordt als Basisnet beschouwd, wat betekent dat vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over deze weg. Conform HART (Handleiding risicoanalyse transport) valt de locatie binnen het invloedsgebied 1% letaliteitsafstand op basis van GF3 (propaan/ LPG, 355 meter). Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico kan volstaan worden met het besteden van aandacht aan de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en bestrijdbaarheid van de gevolgen van een ramp binnen het plangebied. de veiligheidsregio dient hierover om advies te worden gevraagd. Op 04-05-2022 is telefonisch contact geweest met VRBN (Veiligheidsregio Brabant Noord). Zij geven aan dat in dit geval een beperkte verantwoording op basis van artikel 8, lid 2, wat onderbouwd kan worden met behulp van de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART). De beperkte verantwoording heeft allen betrekking op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Beperkte verantwoording Beperken omvang van een ramp of zwaar ongeval In geval van een calamiteit met een tankwagen gevuld met een brandbare vloeistof waarbij de vloeistof ineens vrijkomt, een plas vormt en ontsteekt, zal de vloeistof direct opbranden en ontstaan er secundaire branden in de omgeving.

38

De inzet van de hulpdiensten is gericht op het redden van slachtoffers en het blussen van secundaire branden. In geval van een calamiteit met een tankwagen gevuld met tot vloeistof verdicht gas, is de inzet van de hulpdiensten gericht op het voorkomen van een BLEVE1 of het redden van slachtoffers en het blussen van secundaire branden nadat de BLEVE heeft plaatsgevonden. Voor het voorkomen van een BLEVE zijn grote hoeveelheden bluswater nodig en is het noodzakelijk een snelle inzet door de brandweer plaats vindt. Ter hoogte van het plangebied is er aan de N279 een beperkte bluswatercapaciteit beschikbaar. De mogelijkheden voor het effectief bestrijden van een dreigende BLEVE zijn zeer beperkt. De inzet zal dan ook gericht zijn op het blussen van secundaire branden en het redden van slachtoffers na het optreden van de BLEVE of een plasbrand. Hiervoor is bij het plangebied voldoende bluswater beschikbaar. Bestrijdbaarheid Het plangebied is bij een calamiteit via de Beekveld van meerdere zijden voldoende bereikbaar. Zelfredzaamheid Personen in een woonfunctie zijn naar verwachting overwegend zelfredzaam. De personen in het plangebied kunnen schuilen in hun eigen woning, indien dit gebouw voldoende bescherming biedt. Er zijn daarnaast voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig om bij een incident van de risicobron af te kunnen vluchten.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.1.7 Bedrijven- en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen.

Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval is door de nabije ligging van het bedrijventerrein, het agrarisch bedrijf ten noordwesten en een hoofdontsluiting naar de Zuid-Willemsvaart sprake van een

39

gemengd gebied. Hierdoor kunnen de indicatieve afstanden zoals die zijn opgenomen in de publicatie met 1 stap worden verlaagd. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal bedrijven op het bedrijventerrein ‘Beekveld’ gelegen. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De afstanden in onderstaande tabel zijn reeds met 1 stap verkleind. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde woning aan Beekveld ongenummerd en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf is gelegen. Locatie

Soort bedrijf

Bedrijventerrein ‘Beekveld’

Bedrijventerrein met bedrijven in de categorie 1, 2 en 3.1

Milieucat. 1, 2 & 3.1

Minimum - afstand 30 meter

Werkelijke afstand 65 meter

Voldaan? Ja

Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan de minimum richtafstand tot het bedrijventerrein kan worden voldaan. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling. 5.1.8 Kabels en leidingen Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een planologisch-juridische bescherming behoeven en als gevolg daarvan een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling. 5.1.9 Volksgezondheid Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden, veehouders, gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderijen werken. Mensen kunnen ziek worden van ziekteverwekkers die dieren bij zich dragen, zogenaamde zoönosen. Dieren in de veehouderij kunnen dit soort ziekteverwekkers bij zich dragen, bijvoorbeeld Q-koorts of Salmonella. Ook fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) kunnen gezondheidsproblemen veroorzaken. Daarnaast kunnen mensen hinder ondervinden van stank afkomstig van mest uit veehouderijen.

Verschillende partijen hebben onderzoek gedaan naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van zowel mensen die beroepsmatig contact hebben met vee (boeren, dierenartsen) als mensen die in de buurt van een veehouderij wonen. Veehouderij en gezondheid In juni 2017 heeft het RIVM een aanvulling op het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ uitgebracht waarin de uitkomsten en resultaten van verschillende aanvullende studies ten aanzien van potentiële gezondheidseffecten van veehouderijen zijn opgenomen. In dit onderzoek is vastgesteld dat er een verhoogd risico op longontstekingen rondom geitenhouderijen bestaat. De oorzaak is echter nog niet bekend. De Gezondheidsraad concludeert in haar vervolgadvies van 14 februari 2018, waarin zij de resultaten van de meest recente

40

onderzoeken heeft betrokken (waaronder ook de VGO-onderzoeken), dat bij alle gevonden verbanden in het VGO-onderzoek en in internationale onderzoeken over gezondheidsrisico’s rond veehouderijen het om meer of minder sterke aanwijzingen gaat. Aanwijzingen worden gedefinieerd als mogelijke oorzakelijke verbanden, waarvoor de bewijskracht tekortschiet. De gegevensbasis die er tot op heden ligt, is te beperkt om van algemeen aanvaarde inzichten (aangetoonde of waarschijnlijke oorzakelijke verbanden) te kunnen spreken. Op 22 oktober 2018 kwam het eerste deelrapport van VGO III uit: 'Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen'. Geitenhouderijen Ten aanzien van geitenhouderijen concludeert de Gezondheidsraad dat nader onderzoek zal worden gedaan naar het longontstekingsrisico in de buurt van geitenhouderijen. Aangezien de onderzoeksresultaten nog niet zijn uitgekristalliseerd, kunnen nog geen gerichte maatregelen worden getroffen om gezondheidsrisico’s tot een minimum te beperken. Totdat vervolgonderzoek is afgerond hanteert de gemeente de werkwijze dat voor nieuwe woningen die binnen een straal van 2 kilometer liggen van een geitenhouderij, een aanvullende afweging van het risico op longontstekingen moet plaatsvinden.

In dit geval zijn er binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied geen geitenhouderijen gelegen waardoor een aanvullende afweging niet aan de orde is. Fijnstof en endotoxinen Op 25 november 2016 is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid’ uitgebracht. Reden is dat de huidige toetsingskaders voor fijn stof en geur in veel gevallen onvoldoende beperkend zijn om een ongewenste toename van gezondheidsrisico’s te voorkomen. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve is een endotoxine toetsingskader ontwikkeld, dat de mogelijkheid biedt om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Het kader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. In dit geval zijn er in de directe omgeving (> 250 meter) van het plangebied geen intensieve veehouderijen gelegen waardoor er op het gebied van fijnstof en endotoxinen geen belemmeringen te verwachten zijn. Er is dus geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico ter plaatse van de planlocatie. Stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ bevat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is.

Het stappenplan is dan ook doorlopen om na te gaan of er knelpunten zijn met betrekking tot de herbestemming van het perceel. Uit de toetsing aan het stappenplan blijkt dat advisering door de GGD niet noodzakelijk wordt geacht. Voor de uitwerking van het stappenplan wordt verwezen naar bijlage V. Conclusie Het aspect volksgezondheid vormt dus geen belemmering voor onderhavig plan.

41

5.1.10 Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terechtkomt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren etc.) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van boomteelt en. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). De gronden aan de overzijde van de weg Beekveld (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland en akkerbouw.

Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom de woning, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast is tussen de percelen en de woning een (openbare) weg gelegen en zijn er in de omgeving meerdere (burger)woningen aanwezig, waardoor de gebruiker van de gronden reeds rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, wordt de kans zeer klein geacht dat er drift in de tuin of de woning terecht komt. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan.

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

42

5.2.1 Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal plan van NoordBrabant, het Waterbeheerplan 2016-2021 van waterschap De Dommel, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Tevens zijn de Keur en de beleidsregels Keur van Waterschap Dommel van belang. Keur Waterschap De Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd.

Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer

43

voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die ervoor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 5.2.2 Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Het initiatief heeft betrekking op de realisatie van een nieuwe woning met bijgebouw en de aanleg van verharding (ten behoeve van parkeren en ontsluiting) waardoor er sprake is van een toename in verhard oppervlak van circa 450 m2. Gezien de toename van het verhard oppervlak de 500 m2 niet overschrijdt, geldt er vanuit het Waterschap een vrijstelling voor de realisatie van de compensatie.

Vanuit het Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (2020-2024) wordt echter een (verharde) oppervlaktoename van 250 m2 als ondergrens gehanteerd. Hierbij stelt de gemeente de voorwaarde dat het regenwater niet op de riolering geloosd mag worden. De ontwikkeling leidt tot een toename aan verhard oppervlak van ongeveer 550 m2 als gevolg van de bouw van de woning (ca. 100 m 2), het bijgebouw (ca. 150 m2) en de aanleg van verharding (ca. 300 m2). Op eigen terrein worden voorzieningen gerealiseerd om het regenwater op te vangen en te laten infiltreren. Hierbij is een bergingseis van 60 millimeter gehanteerd. De toename aan verhard oppervlak is circa 550 m2 waardoor voorzien moet worden in een waterbergingsvoorziening van minimaal (550x0,06=) 33 m3. Om het regenwater op te vangen en te kunnen bergen wordt aan de zuidzijde van de beoogde woningbouwkavel een nieuwe greppel gerealiseerd. De situering en vormgeving van deze waterbergingsvoorzienig is weergegeven in figuur 10 en bijlage I. De nieuwe woning dient te worden aangesloten op het riool. Het afvalwater van de nieuwe woning zal worden afgevoerd via het huidige drukrioolsysteem die aanwezig is onder de weg Beekveld. Kosten voor aanvraag, onderzoek en aansluiting van de riolering zijn voor de initiatiefnemer. Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.3

Natuur 5.3.1 Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten

44

mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemskuilen’ welke op een afstand van respectievelijk ca. 5,15 en 12,15 kilometer van de planlocatie zijn gelegen.

Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen en sloop- en bouwwerkzaamheden. Met de uitspraak van Raad van State van 2 november 2022 is de bouwvrijstelling te komen vervallen. Hierdoor is het uitvoeren van stikstofdepositieberekening voor de aanlegfase en gebruiksfase van voorgenomen ontwikkeling noodzakelijk. Op basis van de Handreiking woningbouw en AERIUS van de rijksoverheid bedraagt de emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transportbewegingen) 3 kg NOx per woning per jaar. Voor de te realiseren woning wordt dan ook een NOx emissie van 3 kg per jaar aangehouden.

Voor de gebruiksfase dient, gezien de toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie in de beoogde situatie, een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. De stikstofdepositieberekening is bijgevoegd als bijlage VI. Conclusie Uit de resultaten van de AERIUS-berekening volgt dat er als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland is op 390 meter ten oosten van het plangebied gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling

45

en de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten. 5.3.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Op 9 november 2021 is er door BNL Advies een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Deze Quickscan bevat een inventarisatie van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied. Daarnaast zijn in dit onderzoek de te verwachten effecten van de ingreep op het plangebied beoordeeld. Onderstaand zijn de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage VII. Op basis van de informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om direct een aanvullend flora-of faunaonderzoek uit te voeren. Er kan op dit moment zonder voorziene problemen begonnen worden de geplande werkzaamheden, het bouwrijp maken van de kavel en het bouwen van de nieuwe woning en bijkomende werken.

Wordt er binnen het broedseizoen gestart met de werkzaamheden dan is een extra controle op aanwezige nesten noodzakelijk. Belangrijk is om binnen de ontwikkeling van de nieuwe woning de adviezen uit hoofdstuk 5.4 van bijlage VII mee te nemen. Dit zou de voor verschillende beschermde soorten zeer welkom zijn. Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Aangetoond dient dan ook te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In deze paragraaf gaan we daarom in op het aspect archeologie en in paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie. Op het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. In het algemeen geldt hier een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 0,5 meter. De ontwikkeling van een woning met

46

bijgebouw zal leiden tot de realisatie van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2. Er geldt dan ook een onderzoeksplicht voor het plangebied. Op 8 november 2021 is er door Aeres Milieu een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek weergegeven. Voor het volledige rapport wordt naar bijlage VIII verwezen. Conclusie Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden, zoals beschreven in het bureauonderzoek, gedeeltelijk aanwezig zijn. De natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het dekzand bestaat uit zwak siltig matig fijn, goed gesorteerd zand. De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte van circa 35 tot 100 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van circa 4,18 tot 5,19 meter +NAP. Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in sterke mate verstoord is. Als gevolg van de verstoring van het bodemprofiel zullen eventueel aanwezige resten uit de periode vanaf de jager-verzamelaars niet langer in situ aanwezig zijn. Het gaat om zeer kwetsbare vindplaatsen en deze zullen verloren zijn gegaan bij de activiteiten die de aftopping van de bodem tot gevolg hebben gehad.

De lage verwachting voor deze perioden kan voor het gehele plangebied worden gehandhaafd. Voor de daaropvolgende perioden van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem in het gehele plangebied verstoord is. De oorzaak en mate van verstoring zijn te achterhalen, maar reikt tot minstens 59 centimeter in de C-horizont. Dit heeft tot gevolg dat het archeologisch niveau en bijbehorende sporen zijn afgetopt als gevolg van moderne grondbewerking en verstoringen. Hierdoor zullen alleen diepere sporen zoals water- en beerputten, greppels en sloten bewaard zijn. Hoewel deze sporen mogelijk vondstrijk zijn ontbreekt een eventuele context. Hierdoor is de informatiewaarde van dergelijke sporen beperkt. Op basis hiervan wordt de verwachting voor deze periode late middeleeuwen tot en met nieuwe tijd bijgesteld van middelhoog naar laag. Voor de periode neolithicum tot vroege middeleeuwen blijft de lage verwachting gehandhaafd. Beantwoording onderzoeksvragen Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Ja, eventuele archeologische resten zouden aanwezig kunnen zijn op de overgang van het plaggendek naar de C-horizont.

Op basis van de bodemopbouw is de C-horizont afgetopt, tot minimaal 60 centimeter in de C-horizont. Om deze redenen wordt de kans op behoudenswaardige archeologische resten klein geacht. In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? De afwezigheid van een oorspronkelijk (podzol)bodem in alle boringen kan duiden op bewerking van de bodem in het verleden. Eventuele archeologische resten van jager-

47

verzamelaars zullen daarom vermoedelijk niet meer in situ aanwezig zijn. Archeologische resten van latere perioden kunnen nog wel worden aangetroffen. Echter is de bodem afgetopt en de overgang van het plaggendek naar de C-horizont niet meer intact. De kans op het aantreffen van archeologische resten is daarom laag. Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? De afwezigheid van een oorspronkelijk (podzol)bodem kan duiden op bewerking van de bodem in het verleden. Eventuele archeologische resten van jager-verzamelaars zullen daarom vermoedelijk niet meer in situ aanwezig zijn. Archeologische resten van latere perioden kunnen nog wel worden aangetroffen. Echter is de bodem afgetopt en de overgang van het plaggendek naar de C-horizont niet meer intact. De kans op het aantreffen van archeologische resten is daarom laag. Aanbevelingen Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de in het bureauonderzoek omschreven verwachte hoge zwarte enkeerdgronden gedeeltelijk in het plangebied niet zijn aangetroffen. De bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een AC-profiel.

De afwezigheid van een oorspronkelijk (podzol)bodem kan duiden op bewerking van de bodem in het verleden en daarmee aftopping van mogelijk eventueel aanwezige sporen. In het westelijk deel van het plangebied is de C-horizont voor tenminste 60 centimeter afgetopt. De oorzaak van de verstoring valt niet exact te achterhalen maar is mogelijk het gevolg van (sub)recente grondbewerking in de nieuwe tijd. De kans wordt klein geacht dat eventueel aanwezige sporen van bewoning uit ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen nog goed bewaard zijn. Op basis van deze gegevens is de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten voor alle perioden (laatpaleolithicum – nieuwe tijd) laag. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Sint-Michielsgestel), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief.

Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aanof afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.

48

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn geen cultuurhistorische elementen of bebouwing weergegeven op of nabij het plangebied. Bij de landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 3) is rekening gehouden met het behoud en terugbrengen van cultuurhistorische- en landschappelijke elementen.

5.6

Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. 5.6.1 Mobiliteit Het realiseren van één woning heeft een beperkte invloed op het aantal verkeersbewegingen. Deze nieuwe vrijstaande woning in het buitengebied heeft volgens de kencijfers van het CROW ‘kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ (publicatie 381) een verkeersaantrekkende werking van gemiddeld 8,2 motorvoertuigen per etmaal. Hiermee zal het aantal verkeersbewegingen dus licht stijgen. Echter kan gezien de kleinschaligheid van het initiatief, de weg Beekveld dit aantal verkeersbewegingen verwerken en behoeft deze geen aanpassingen. Het aspect verkeer levert dan ook geen belemmeringen op voor onderhavig plan. 5.6.2 Parkeren Bij het bouwen, uitbreiden of wijzigen van de gebruiksfuncties in het plangebied dient altijd voldoende parkeergelegenheid gegarandeerd te zijn. Het beleid van de gemeente Sint-Michielsgestel luidt dat parkeren dient te geschieden op eigen terrein. Conform de ‘Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel’ geldt voor een vrijstaande woning in de rest van de bebouwde kom een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen. Dit betekent dat drie parkeerplaatsen nodig zullen zijn.

De kavel behorende bij de ontwikkeling is voldoende groot om op eigen terrein te voorzien in deze parkeerbehoefte. De situering van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein zijn weergegeven in figuur 7 en bijlage I. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.

49

50

HOOFDSTUK 6.1

6 Juridische opzet

Algemeen 6.1.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken. 6.1.2 Planonderdelen Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding (plankaart) en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting (zoals onderhavige toelichting), die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing dan wel motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd.

6.1.3 Inhoud algemeen Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken. 6.1.4 Regels De regels zijn opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De regels bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke (dubbel)bestemming is voorzien in een apart artikel.

Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar

51

gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding. De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Afwijken van de bouwregels; 4. Specifieke gebruiksregels; 5. Afwijken van de gebruiksregels. Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk ‘Afwijken van de bouwregels’ en ‘Afwijken van de gebruiksregels’.

6.2

Verbeelding Voor de ontwikkeling zijn de bestemmingen afgesteld op de bestemmingsplannen ‘Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode’ en ‘Runweg, Poort van Berlicum’ (vastgesteld 29-08-2019) inclusief de specifieke aanduidingen. De gebiedsaanduidingen zijn veelal 1 op 1 overgenomen. Toegevoegd is een bouwvlak, bouwaanduiding ‘vrijstaand’, en de maatvoeringen ‘maximumgoothoogte 6 m’ en maximum bouwhoogte 9 m’.

6.3

Toelichting op de regels In de regels voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen en aanduidingen net als de relevante begrippen, meetvoorschriften en algemene regels zijn veelal overgenomen van het vastgestelde bestemmingsplan ‘Runweg, Poort van Berlicum’ (vastgesteld 29-08-2019) ten zuiden van het plangebied. Daarbij zijn regels toegevoegd met betrekking tot de opgenomen aanduidingen op de verbeelding. 6.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=849bf14e-5c8c-4159-8131-9d8bbbc9d687