Bestemmingsplan Lagevoortseweg 4a te Liempde- bijlage 2 Toelichting en Regels.pdf
Tekst van het document
Wel dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen: De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus; Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied.
Hoofdstuk 4
26
Stikstofdepositie Om te bepalen wat het plan voor gevolgen heeft op de stikstofdepositie bij nabijgelegen Natura 2000gebieden, is een stikstofonderzoek uitgevoerd middels de Aerius calculator. De resultaten uit de calculator zijn opgenomen in de bijlagen. Voor de gebruiksfase is uitgegaan dat de toekomstige gebouwen niet voor een stikstofemissie zorgen. Ze worden immers gasloos verwarmd. Wel zorgt het verkeer van en naar het plangebied voor stikstof. Deze is ingevoerd conform de gegevens uit paragraaf 4.1. Voor de sloop en aanlegfase is gebruik gemaakt van gegevens uit soortgelijke eerdere berekeningen. Er is worst-case uitgegaan dat de sloop en bouw in 1 jaar plaatsvindt. Geconcludeerd wordt dat de gebruiks- en aanlegfase beiden niet voor een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zorgen. Negatieve effecten van het plan op Natura 2000 is daarmee uitgesloten. Conclusie Er is geen ontheffing nodig met betrekking tot beschermde soorten. Het plan heeft daarnaast geen negatieve invloed op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Het onderdeel ecologie zorgt niet voor belemmeringen.
4.9 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Conclusie Voor de locatie zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd in het kader van de bodem. Deze onderzoeken zijn in de bijlagen opgenomen. Hieronder wordt per onderzoek de conclusie beschreven. Verkennend bodemonderzoek Van Vleuten Consult BV (10 juni 2020) Bovengrondse olietank Zintuiglijk zijn in de grond géén bijmengingen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging.
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat: o De bovengrond niet verontreinigd is met minerale olie; o In het grondwater een overschrijding van de streefwaarde wordt aangetroffen aan barium. In het grondwater zijn analytisch géén olieproducten aangetroffen. De hypothese "Verdacht" ter plaatse van de bovengrondse olietank dient op basis van de analyseresultaten verworpen te worden die duiden op een verontreiniging veroorzaakt door de olietank. Echter, zolang de tank in gebruik blijft dient de hypothese “Verdacht” gehanteerd te worden.
Hoofdstuk 4
27
Overig terrein Zintuiglijk is plaatselijk in de bovengrond (boringen 04, 05 en 16) een matige bijmenging met puin aangetroffen. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat: o In de, zintuiglijk schone bovengrond, een lichte verontreiniging aan PCB is aangetroffen; o In de, matig puinhoudende bovengrond, een matige verontreiniging aan zink is aangetroffen en een licht verontreiniging aan cadmium, koper, lood, PCB en minerale olie; o In de ondergrond géén verhoogde parameters zijn aangetroffen; o In het grondwater een overschrijding van de streefwaarde wordt aangetroffen aan molybdeen. De hypothese “onverdacht niet-lijnvormig” moet verworpen worden op basis van de matige en lichte verhogingen in de bovengrond, als de overschrijding van de streefwaarde in het grondwater. Aanbevelingen Op basis van de Wet bodembescherming vormen de aangetroffen verhoogde waarden aanleiding voor aanvullend en/of nader onderzoek. Op basis van de resultaten is de bodemkwaliteit onvoldoende vastgelegd. De resultaten vormen een belemmering voor het toekomstige gebruik van het terrein. Geadviseerd wordt bij herinrichting van het terrein alert te zijn op bodemvreemde bijmengingen en deze grond mogelijk apart te af te graven.
Verkennend asbest in bodemonderzoek Van Vleuten Consult BV (11 juni 2020) In de inspectiegaten en/of -sleuven waar visueel asbestverdachte materialen zijn aangetroffen werd analytisch ook bevestigd. Puinhoudende bovengrond De puinhoudende bovengrond is ter plaatse van inspectiesleuf SL01.1 (0-50 cm-mv) sterk verontreinigd met asbest. Het totaal gewogen gehalte aan asbest overschrijdt de interventiewaarde (>100 mg/kg ds. gewogen asbest). De bovengrond ter plaatse van inspectiesleuf SL05.1 is niet verontreinigd met asbest. De hypothese ‘verdachte puinhoudende bovengrond’ dient aangenomen te worden. Afwateringszone 1 De bovengrond van inspectiegat G02.1 (0-10 cm-mv) is sterk verontreinigd met asbest. Het totaal gewogen gehalte aan asbest overschrijdt de interventiewaarde (>100 mg/kg ds. gewogen asbest). De bovengrond ter plaatse van de inspectiegat G01.1 (0-10 cm-mv) is niet verontreinig met asbest. Het totaal gewogen gehalte aan asbest overschrijdt de interventiewaarde (>100 mg/kg ds. gewogen asbest). Afwateringszone 2 De bovengrond van inspectiegat G03.1 (0-10 cm-mv) is sterk verontreinigd met asbest. Het totaal gewogen gehalte aan asbest overschrijdt de interventiewaarde (>100 mg/kg ds. gewogen asbest). In de bovengrond ter plaatse van inspectiegat G04.1 (0-10 cm-mv) overschrijd het totaal gewogen asbest de detectiegrens (<50 mg/kg ds. gewogen asbest).
Het totaal gewogen gehalte aan asbest overschrijdt de interventiewaarde (>100 mg/kg ds. gewogen asbest). De hypothese ‘verdachte afwateringszones van dakgootloze asbestdaken met asbesthoudend materiaal en/of asbestvezels’ dient aangenomen te worden. Met betrekking tot asbest in bodem is geen volumecriterium van toepassing. Dit betekent dat al bij overschrijding van de interventiewaarde sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging waarvoor een saneringsnoodzaak bestaat.
Hoofdstuk 4
28
Aanbevelingen Op basis van de sterke verontreiniging met asbest dient een nader asbest in bodemonderzoek conform NEN5707 uitgevoerd te worden om de omvang te bepalen. Asbestinventarisatie Asbest Adviseurs BV (7 juli 2020) Er is ook een asbestinventarisatie gedaan van o.a. het maaiveld en enkele golfplaten. Voor sommige locaties was sanering op korte termijn noodzakelijk. Conclusie en vervolg Van Vleuten Consult BV zal na de sloop van de bebouwing de sanering van de bodem uitvoeren. De omvang hiervan is inzichtelijk gemaakt. Aangezien deze sanering gekoppeld zit aan de sloop van de bebouwing is het niet zinvol om voorafgaand aan de sloop extra onderzoek te doen naar de bodem. De werkzaamheden ten aanzien van de sanering zijn als volgt: Opstellen BUS-melding voorafgaand aan de werkzaamheden; Projectkosten: opstellen verificatieplan en V&G plan; Controle V&G plan door HVK/ MVK’er; Inrichting terrein; Ontgraven, afvoeren en verwerking matig tot sterk verontreinigde grond; Milieukundige begeleiding: dagelijks toezicht door een gecertificeerde MKB’er, controlebemonstering voor bepaling eindsituatie en controle door de projectleider; Contact met bevoegd gezag, inclusief benodigde meldingen; Opstellen BUS-evaluatieverslag na afloop van de sanering.
De milieukundig begeleider is op de locatie aanwezig, in ieder geval tijdens kritische momenten, zoals uitzetten ontgravingscontour, ontgraving en afvoer van de verontreiniging, alsmede de controlebemonstering van de ontgravingsput en de controle van de eventuele aanvulgrond. Er wordt een werkafspraak ondertekend waarmee de onafhankelijkheid en de mandatering van de werkzaamheden worden vastgelegd. De taken die onder de milieukundige processturing vallen zijn, o.a.: Toezicht of de sanering volgens het saneringsplan, beschikking, verificatieplan en V&G-plan wordt uitgevoerd; Sturen van de bodemsaneringswerkzaamheden, zoals het aangeven van de ontgravingsgrenzen; Aangeven van mogelijkheden om bij te sturen, indien afwijkingen worden gesignaleerd. Afwijkingen melden bij het bevoegd gezag; Vastleggen van de uitgevoerde werkzaamheden en vastleggen van eventuele wijzigingen ten behoeve van het evaluatieverslag.
De taken die onder milieukundige verificatie vallen zijn, o.a.: Verrichten van monsterneming en analyses; Controleren of het resultaat van de sanering overeenkomt met de gestelde saneringsdoelstelling in de beschikking of een andere goedkeuring; Vastleggen in het evaluatieverslag van de resultaten van het verwijderen dan wel het isoleren van de verontreiniging in grond en grondwater (indien van toepassing) door middel van eindbemonstering; Vastleggen van de eventuele restverontreinigingen in grond. De kosten voor de sanering zijn opgenomen in de anterieure overeenkomst.
Hoofdstuk 4
29
4.10 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Waterschap De Dommel Sinds maart 2015 is een gezamenlijke Keur door de Brabantse Waterschappen opgesteld. Op grond van de Keur zijn Algemene regels (Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015) en een aantal Beleidsregels opgesteld. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Waterbeheerplan ‘Waardevol Water’ Naast het beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Voorts zijn er in Nederland diverse waterschappen die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel.
De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan “Waardevol Water” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het Waterschap is verantwoordelijk voor het waterkeringenbeheer, het waterbeheer en het transporteren en zuiveren van afvalwater. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Gemeente Boxtel Het gemeentelijk beleid van Boxtel is overeenkomstig met het beleid van het waterschap. Het gemeentelijk water en rioleringsbeleid van Boxtel is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024.
De belangrijkste aanpassing hierin ten opzichte van voorgaande gemeentelijke rioleringsplannen komt voort uit het in werking treden van de Wet verankering en bekostiging Gemeentelijk Watertaken. Gemeenten hebben daarin de verplichting om naast de zorgplicht voor inzamelen en transporteren van huishoudelijk afvalwater, ook de grondwater- en hemelwaterzorgplicht uit te werken en een plaats te geven. In de gemeente Boxtel wordt afvalwater en hemelwater in de meeste gebieden gemengd via de riolering afgevoerd. In nieuwere gebieden wordt neerslag bij hoge neerslagintensiteiten via een verbeterd gescheiden stelsel afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij lage intensiteiten wordt het afgevoerd naar de zuivering. In enkele gebieden in Boxtel is (een deel van) het verhard oppervlak afgekoppeld van het rioolstelsel en wordt het opgevangen regenwater geinfiltreerd in de bodem of gebufferd in oppervlaktewater. Samen met de gemeente Sint-Michielsgestel en Waterschap De Dommel heeft de gemeente Boxtel een Watervisie opgesteld. Het plan biedt een
Hoofdstuk 4
30
overzicht van de maatregelen die genomen moeten worden voor een goed waterbeheer. Daarbij gaat het om maatregelen op de korte en de lange termijn. De Watervisie Boxtel is een afgeleide van het Waterplan en vormt als zodanig het kader voor de nadere uitwerking van onderliggende plannen, waaronder het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP). De thema’s en streefbeelden uit het Waterplan zijn geëvalueerd en waar nodig in de visie geactualiseerd. Dit betekent onder meer dat er ‘hydrologisch neutraal’ moet worden gebouwd, conform de Hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen. Op planniveau geldt voor de herontwikkeling met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² een vrijstelling voor de realisatie van de compensatie vanuit het waterschap maar kan door de gemeente een specifieke invulling afhankelijk van de mogelijkheden ter plaatse geëist worden. De gemeente kiest er bewust voor hemelwater in openbaar gebied te verwerken en niet te kiezen voor verwerking van hemelwater op particulier terrein. Op deze manier wordt goed gebruik gemaakt van de deskundigheid van de gemeente en blijft het systeem beheersbaar. Bovendien wordt de particulier op deze manier ontzorgd.
Eventuele compensatie geëist door de gemeente dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem. Deze watertoets dient derhalve aangeleverd te worden ter goedkeuring aan het waterschap. Als een voorziening wordt aangelegd, kan een (indicatief) onderzoek naar de infiltratiecapaciteit van de bodem noodzakelijk zijn. In eerste instantie is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor de verwerking op zijn/haar terrein. Waterhuishoudkundig systeem en toename verharding Afvalwater De nieuwe bebouwing wordt aangesloten op de bestaande afwatervoorziening. Hierdoor is een aanpassing aan het bestaande stelsel noodzakelijk. Al het afvalwater dat na realisatie van het plan zal worden geproduceerd, zal worden afgevoerd via een bestaand DWA-riool naar het gemeentelijk rioolstelsel. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de omgeving liggen wel enkele kleine watergangen / sloten. De watergangen zijn niet aangemerkt als een B-watergang in de Legger van Waterschap de Dommel. Gezien het gebruik en planvoornemen zijn geen nadelige invloed op het oppervlaktewater te verwachten bij eventuele afkoppeling van het hemelwater.
Grondwater Het plangebied bevindt zich niet binnen de grenzen van een attentie- en/of beschermingsgebied behorend bij een waterwingebied. Voor zover bekend vinden op en in de directe omgeving van het plangebied geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats. Binnen het plangebied zullen geen industriele of andere milieubelastende activiteiten worden ontplooid, door de sanering van een intensieve veehouderij vindt er zelfs een verbetering plaats van de milieubelasting ter plaatse. De dreiging van een toekomstige grondwaterverontreiniging zal daarom minimaal zijn. Volgens de bodemkaart ligt het plangebied binnen een zone met een humuspodzolgrond. Ter plaatse is een lemig, fijn zand te verwachten. De geldende grondwatertrap volgens bodemdata en de atlas van de provincie Noord-Brabant is VI. De gemiddeld hoogste grondwaterstand ligt bij grondwatertrap
Hoofdstuk 4
31
VI op 40-60 cm beneden maaiveld. Er is geen sprake van grondwateroverlast. Gezien de ligging en het voormalig gebruik vormt de milieuhygiënische conditie van het grondwater naar verwachting geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Hemelwater Het onderhavige plan voorziet in de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van nieuwe bebouwing. Het gezamenlijke nieuwe dakoppervlak komt neer op circa 1.100 m 2. In de huidige situatie is dit circa 1.370 m2. Het verhard oppervlak zal iets toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Aan de voorzijde van het plangebied wordt namelijk een parkeerterrein aangelegd met klinkerverharding. Aan de randen van het parkeerterrein en op het parkeerterrein zelf is daarnaast nog op plekken sprake van groen. De totale verharding in de toekomstige situatie komt neer op circa 3.000 m 2 (exclusief 1.100 m2 bebouwing). Conform het provinciale en gemeentelijke beleid is een nadere compensatie niet vereist. Er zijn geen nadere compenserende maatregelen noodzakelijk. Het aspect water vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.11 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Conclusie De gemeente Boxtel heeft een Nota vastgesteld waarin het archeologisch beleid is opgenomen. In deze nota (Nota gemeentelijk archeologiebeleid Boxtel) is een kaart met een classificatie opgenomen. De classificatie gaat in op de mogelijkheid tot het aantreffen van archeologische vondsten.
Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. De gemeente Boxtel heeft in haar bestemmingsplannen de classificaties uit het archeologisch beleid door vertaald in dubbelbestemmingen. Dit houdt in dat aan de gebieden waar archeologische waarden voorkomen of worden verwacht de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ wordt toegekend. De bescherming van eventuele archeologische waarden heeft hiermee voorrang op de onderliggende bestemming. Gebieden met een lage archeologische verwachting krijgen geen dubbelbestemming om-
Hoofdstuk 4
32
dat voor deze gebieden geen restricties op dit punt gelden. Voor de planlocatie is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Bovendien wordt met de nieuwe bebouwing de bestaande bebouwing vervangen en wordt er grotendeels op gronden gebouwd waar momenteel al gebouwen staan. Archeologie vormt geen belemmering voor ons planvoornemen.
4.12 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.
Figuur 4.3: CHW-kaart Brabant
Conclusie De cultuurhistorische waarden bij het plangebied zijn afgebeeld in figuur 4.3. De Lagevoortseweg is aangeduid als ‘waardevolle lijnstructuur’. Daarnaast ligt het plangebied in de regio ‘De Meijerij’. De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij
Hoofdstuk 4
33
wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. De nieuwe bebouwing wordt in een landelijke stijl gerealiseerd en past daardoor in de omgeving. Er vinden verder geen ingrepen plaats aan de Lagevoortseweg. Het planvoornemen heeft derhalve geen negatieve invloed op de lijn van hoge waarden. Om deze reden zal het initiatief de cultuurhistorische waarden van de regio ook niet belemmeren.
4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt een woning met B&B en museum mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied De voorgenomen activiteit komt niet voor als activiteit in Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Er is sprake van de sloop van een veehouderij en realisatie van slechts 1 woning met B&B en museum. Er is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteit. Er is geen m.e.r.(beoordelings)-procedure noodzakelijk. Er hoeft geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.
4.14 Gezondheid i.r.t. veehouderijen Er is gekeken naar de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0”. In deze handreiking is een stappenplan opgenomen met betrekking tot veehouderijen. Deze kan ook gebruikt worden voor de omgekeerde werking. Dit stappenplan is doorlopen. Er is geen sprake van vestiging van een varkenshouderij of pluimveehouderij. Uit toetsing op afstanden door de ODBN blijkt dat wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen (stap 1). De ontwikkeling leidt daarnaast niet tot een toename van emissies voor geur, fijnstof of ammoniak (stap 2). Er is daarnaast sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat, aangezien sprake is van een geurbelasting < 10 ouE/m3. Er is sprake van een afstand die groter is dan 100 meter tussen het plangebied en omliggende veehouderijen (stap 3 en 4). Geitenhouderijen liggen buiten 2 kilometer afstand. Pluimveehouderijen liggen buiten 1 kilometer afstand met uitzondering van het gestopte agrarisch bedrijf aan het adres Oude Rijksweg 11. Ook overige veehouderijen liggen buiten 250 meter afstand (stap 5). Er is geen sprake van een mestbe- of verwerkingsbedrijf (al dan niet als nevenactiviteit) (stap 6). Vanuit de omgeving is verder niet naar voren gekomen dat er sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid (stap 7). Het stappenplan is hiermee doorlopen.
Een advisering van de GGD hoeft niet geadviseerd te worden voor dit plan.
Hoofdstuk 4
34
4.15 Hoogspanningslijnen en spuitzones gewasbescherming In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen of spuitzones van gewassen. Deze onderdelen zorgen dan ook niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
35
5.
JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels Een van toepassingsverklaring van de regels van het moederplan, aangevuld met een wijziging op de verbeelding. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen weergegeven, zoals beschreven wordt in paragraaf 5.2. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.
inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels;
Hoofdstuk 5
36
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid.
De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.
algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.2 Toelichting op de verbeelding Het bestemmingsplan bevat een verbeelding. Op de verbeelding is de bestemming ‘Recreatie – Dagrecreatie’ opgenomen.
5.3 Toelichting op de bestemming Binnen het plangebied is de bestemming ‘Recreatie – Dagrecreatie’ opgenomen. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de vigerende regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’. Binnen de bestemming ‘Recreatie – Dagrecreatie’ zijn de gronden bestemd voor een vlinder- libellenmuseum. Daarnaast is op het terrein tevens een Bed & Breakfast toegestaan met maximaal 8 slaapkamers. Voor deze functie zijn specifieke maatvoeringen opgenomen voor zowel de omvang als de bouwen goothoogte.
Hoofdstuk 5
37
Een bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan binnen de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’. Binnen deze aanduiding is maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan. De maatvoeringen voor de bedrijfswoning sluiten aan bij de vigerende regelingen voor bedrijfswoningen in het buitengebied van de gemeente Boxtel. Bijgebouwen zijn daarnaast toegestaan tot een maximale oppervlakte van 100 m 2. De ontwikkeling zal gepaard gaan met een landschappelijke inpassing. De concrete inrichtingsmaatregelen zijn in de regels als een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De maatregelen dienen binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan te worden gerealiseerd en (duurzaam) in stand te worden gehouden.
Hoofdstuk 5
38
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met alle ontwikkelende partijen/de ontwikkelende partij een (anterieure) exploitatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij(en).
Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk. De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Omgevingsdialoog Vooroverleg; Inspraak; Vaststellingsprocedure.
Hoofdstuk 6
39
6.2.1 Omgevingsdialoog Voor dit plan is een omgevingsdialoog gevoerd. De rapportage hiervan is als bijlagen opgenomen bij dit bestemmingsplan. Hier wordt dan ook naar verwezen. Het omgevingsdialoog/bijeenkomst werd op maandag 9 december 2019 georganiseerd. De naaste buren hebben allemaal een kans gehad om alle plannen in te zien. Daarbij kan eventueel bij de nietaanwezigen alsnog een dialoog of bespreking gedaan worden. De gebouwen zijn toe aan vervanging voor nieuwe gebouwen met de laatste goede standaarden. Er is als toevoeging op het bestaande plan een noodzaak gekomen voor een mantelzorgwoning. Een van de buurtgenoten wil graag voorzien worden van een tekening. Dit betreft met name de indeling van de vlinder- en libellentuin. De huisnummering vergt aandacht en verduidelijking in de toekomst. Met name indien er meerdere gebouwen op de aangegeven adressen (Lagevoortseweg 4, de buren en Lagevoortseweg 4 A, eigen). Met name met het oogmerk wetenschap, duurzaamheid, energieneutraal bouwen en de verruiling van weiland voor natuur kan volgens ons dit plan “Libellen & Vlinder Museum” een goede bijdrage leveren aan de buurt en uiteindelijk dan ook aan de maatschappij.
6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van het vooroverleg en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf. 6.2.3 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Het bestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze periode is één zienswijze ingediend door de provincie Noord-Brabant. Deze zienswijze had betrekking op de berekening kwaliteitsverbetering in bijlage 6. Op basis van de reactie van de provincie is de berekening aangepast.
Er hebben verder geen wijzigingen plaatsgevonden in het bestemmingsplan. 6.2.4 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.
Hoofdstuk 6
40
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek weg- en spoorlawaai Bijlage 2: Onderzoeken bodem en asbest Bijlage 3: Stikstofdepositie Bijlage 4: Omgevingsdialoog Bijlage 5: Quickscan flora en fauna Bijlage 6: Landschappelijke inpassing Bijlage 7: Vervolgonderzoek flora en fauna Bijlage 8: Advies Veiligheidsregio Bijlage 9: Compensatiemogelijkheden
Hoofdstuk 6
41
REGELS
Hoofdstuk 6
43
Lagevoortseweg 4a te Liempde
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 10
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
12
Artikel 3
Recreatie - Dagrecreatie
12
Hoofdstuk 3
Algemene regels
15
Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene procedureregels
15 16 18 19 20
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
21
Artikel 9 Artikel 10
Overgangsrecht Slotregel
21 22
Bijlagen bij regels
23
Bijlage 1
24
2
Landschappelijke inpassingsplan
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
Regels
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
Het bestemmingsplan Lagevoortseweg 4a te Liempde met identificatienummer NL.IMRO.0757.bp01lagevrtseweg4a-otw1 van de gemeente Boxtel. 1.2
bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.4
bed&breakfast
het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan een beperkt aantal personen die hun hoofdverblijf elders hebben; 1.5
bedrijfswoning/dienstwoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.6
bestaande (bedrijfs)gebouwen
bouwwerken die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan bestaan dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde in of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.7
bestaand voor zover dit betrekking heeft op bebouwing, gaat het om de oppervlakte van de bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; voor zover dit betrekking heeft op het gebruik van grond en opstallen, gaat het om het gebruik zoals dat aanwezig was op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen.
1.8
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak;
4
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
1.9
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; indien en voorzover twee bestemmingsvlakken middels de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bestemmingsvlak; 1.10
bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.11
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.12
bouwlaag
doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; 1.13
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien en voorzover twee bouwpercelen middels de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel; 1.14
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel; 1.15
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.16
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.17
dagrecreatie
bedrijfsmatige uitoefening van diensten op het gebied van recreatie, sport, educatie of cultuur welke geheel of in overwegende mate in de openlucht worden aangeboden, met de daarbij behorende voorzieningen;
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
5
1.18
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.19
dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.20
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.21
extensief recreatief medegebruik
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan; 1.22
gebiedswaarden
de landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden van het gebied, zoals deze tot uiting komen in de omschrijvingen van de bestemmingen en dubbelbestemmingen; 1.23
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.24
geluidgevoelige functies
bewoning of andere geluidgevoelige functies zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.25
geluidgevoelige gebouwen
gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.26
hoofdgebouw
een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;
6
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
1.27
horeca(bedrijf)
en bedrijf dat is gericht op het verstrekken van een nachtverblijf en/of het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie, een en ander gepaard gaande met dienstverlening. Tot de hieronder genoemde categorieën Horeca 1 tot en met Horeca 5 worden mede begrepen de niet genoemde, maar naar aard, omvang en uitstraling op het woon- en leefmilieu vergelijkbare horecasoorten: Horeca 1 (winkelgebonden daghoreca): vormen van horeca-activiteiten die qua exploitatievorm en openingstijden aansluiten bij winkelvoorzieningen en waarbij de activiteiten primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren en/of licht-alcoholische en niet-alcoholische dranken voor nuttiging al dan niet ter plaatse en waarvan de exploitatie doorgaans geen of slechts in lichte mate een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals broodjeszaken, ijssalons, eethuisjes en lunchrooms; Horeca 2 (maaltijd- en logiesverstrekkers): vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse en/of het bedrijfsmatig verstrekken van logies en waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt, zoals restaurants, bistro's, grand cafés, hotels en pensions; Horeca 3 (spijsverstrekkers): vormen van horeca-activiteiten die primair
gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren voor nuttiging al dan niet ter plaatse alsmede daaraan ondergeschikt het verstrekken van licht-alcoholische en niet-alcoholische dranken en waarvan de exploitatie doorgaans in enige mate een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals cafetaria's, automatieken en afhaalhoreca; Horeca 4 (drankverstrekkers): vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig verstrekken voor gebruik ter plaatse van alcoholische en niet alcoholische dranken en waarvan de exploitatie doorgaans een lichte aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals cafés en bars; Horeca 5 (zware horeca): vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig gelegenheid bieden van dansen op elektrisch versterkte muziek alsmede op het ter plaatse nuttigen van alcoholische en niet-alcoholische dranken en etenswaren, en waarvan de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals discotheken en nachtclubs. 1.28
huishouden
een huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Vaak is een huishouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksverbinding of een met een huwelijksverbinding gelijk te stellen samenlevingsverband; 1.29
landschappelijke waarde
gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap en de natuurwaarden, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten;
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
7
1.30
landschapsversterkingsplan
een rapportage waarin is aangegeven op welke wijze een bepaalde ontwikkeling leidt tot een substantiele versterking van de gebiedswaarden. De rapportage bevat versterkingsmaatregelen als het aanleggen van landschaps- of natuurlijke elementen, het aanbrengen van beeldkwaliteit en/of het herstellen van cultuurhistorische elementen aan gebouwen en/of omgeving; 1.31
milieucategorie
milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering, Den Haag 2009; 1.32
milieuhygiënische uitvoerbaarheid
overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals geluid, bodem, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid, natuur, etcetera, aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden; 1.33
nevenactiviteiten
activiteiten die ondergeschikt zijn aan de primair aan de gronden toegekende functie; 1.34
normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden
werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de bestemming; 1.35
onderbouw
een ruimte die beneden peil is gelegen; 1.36
peil
a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: de gemiddelde hoogte van de aan het water grenzende gronden; 1.37
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding; 1.38
recreatieve bewoning
de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie;
8
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
1.39
seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.40
voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel; 1.41
voormalige agrarische bedrijfslocatie
een agrarisch bouwblok waarop in het verleden een agrarisch bedrijf werd uitgeoefend, waarvan de bedrijfsgebouwen nog geheel of gedeeltelijk bestaan; 1.42
vormverandering van een bouwblok
wijziging van de begrenzing van een bouwvlok zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte;' 1.43
wonen
het gehuisvest zijn of het huisvesten van personen in een woning; 1.44
woning
een complex van ruimten dat dient voor de huisvesting van: 1. één huishouden, of; 2. één huishouden plus maximaal twee individuele personen, of; 3. maximaal 4 individuele personen 1.45
water en waterhuishoudkundige voorzieningen
water en voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
9
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
Gebouwen en bouwwerken
2.1.1
De bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.1.2
De breedte van een gebouw:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren. 2.1.3
De dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.1.4
De goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.1.5
De inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer (niet zijnde kelder), de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.1.6
De oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.2
Ondergeschikte bouwdelen
Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt. 2.3
Maatvoering
Alle maten zijn tenzij anders aangegeven: a. b. c. d. e.
10
voor lengten in meters (m); voor oppervlakten in vierkante meters (m²); voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³); voor verhoudingen in procenten (%); voor hoeken/hellingen in graden (º).
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
2.4
Meten
Bij de toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van de lijn.
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
11
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Recreatie - Dagrecreatie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een vlinder- en libellenmuseum en de daarbij behorende dagrecreatievoorzieningen; b. een bed & breakfast met maximaal 8 kamers; c. ondergeschikte detailhandel- en horecavoorzieningen die ten dienste staan aan de doeleinden als genoemd in sub a en b; d. een bedrijfswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; e. het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke en natuurwaarden, archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kenmerken van de gronden; met daarbij behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, terrassen, terreinen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. 3.2
Bouwregels
Op de voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming. 3.2.1
Algemeen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie - natuur' zijn geen gebouwen toegestaan. 3.2.2
Gebouwen ten behoeve van het vlinder- en libellenmuseum
a. de maximale omvang aan bebouwing voor het vlinder- en libellenmuseum mag niet meer bedragen dan 360 m2; a. de goothoogte mag niet meer dan 4,5 meter bedragen; b. de bouwhoogte mag niet meer dan 10 meter bedragen. 3.2.3
Gebouwen ten behoeve van de bed & breakfast
a. de maximale omvang aan bebouwing voor het bed & breakfast mag niet meer bedragen dan 360 m2; b. de goothoogte mag niet meer dan 4,5 meter bedragen; c. de bouwhoogte mag niet meer dan 10 meter bedragen. 3.2.4 a. b. c. d. e. f. g.
12
Bedrijfswoning en bijgebouwen
ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is 1 bedrijfswoning toegestaan; de inhoud mag niet meer dan 750 m3 bedragen; de goothoogte mag niet meer dan 3,5 meter bedragen; de bouwhoogte mag niet meer dan 9 meter bedragen; de gezamenlijke grondoppervlakte van bijgebouwen mag niet meer dan 100 m2 bedragen; de bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 5 meter bedragen; de goothoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 3,5 meter bedragen.
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
3.2.5
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 meter; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter. 3.3
Nadere eisen
3.3.1
Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van bebouwing; b. de aard, bouwhoogte en de situering van erfafscheidingen; c. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing. 3.3.2
Afwegingskader
De in 3.3.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld: a. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of landschappelijke inpassing; b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden; c. ten behoeve van de milieusituatie; d. ten behoeve van de verkeersveiligheid; e. ten behoeve van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 3.3.3
Procedure
Bij de gebruikmaking van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is de procedure als genoemd in 8.1 van toepassing. 3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1
Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. detailhandel, met uitzondering van ondergeschikte detailhandel als bedoeld in lid 3.1 sub c; b. horeca, met uitzondering van ondergeschikte horeca als bedoeld in lid 3.1 sub c; c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en opstallen voor huisvesting van werknemers en de direct daarmee in verband houdend gebruik van voorzieningen zoals gemeenschappelijke verblijfsruimte (kantine), sanitair (douches, toiletten), kook en wasgelegenheid; d. het bewonen dan wel laten bewonen van ondergrondse bouwwerken of bedrijfsgebouwen, tenzij hiervoor een omgevingsvergunning is verleend.
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
13
3.4.2
Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Gebruik van de gronden en gebouwen overeenkomstig het bepaalde in lid 3.1 is toegestaan, mits de landschappelijke inpassing inclusief bijdrage aan het lokale natuurfonds, overeenkomstig het in Bijlage 1 Landschappelijke inpassingsplan van de regels opgenomen landschappelijk inpassingsplan, uiterlijk binnen twee jaar na het in werking treden van het bestemmingsplan is gerealiseerd en/of is afbetaald. De landschappelijke inpassing dient na realisatie duurzaam te worden beheerd en in stand gehouden. 3.4.3
Voorwaardelijke verplichting sloop
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de sloop van de overtollige agrarische bebouwing binnen uiterlijk 12 maanden na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 Landschappelijke inpassingsplan bij de regels. 3.5
Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1
Mantelzorg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.4.1 onder d uitsluitend voor zover een bedrijfswoning aanwezig is, voor het gebruik van aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen of een deel van het bedrijfsgebouw als afhankelijke woonruimte onder de voorwaarden dat: a. aangetoond wordt dat een afhankelijke woonruimte noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg; b. de afhankelijke woonruimte in beginsel plaatsvindt in de woning; wanneer wordt aangetoond dat inwoning in het hoofdgebouw onredelijke bezwarend is of niet haalbaar is, kan, met inachtneming van alle overige bepalingen, een afhankelijke woonruimte in een bijgebouw of een deel van een bedrijfsgebouw gerealiseerd worden; c. de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m2 en een maximale inhoud van 240 m3. d. Deze maatvoering geldt ook wanneer de afhankelijke woonruimte in een deel van een bedrijfsgebouw wordt gerealiseerd; e. het bijgebouw of het deel van het bedrijfsgebouw waarbinnen de afhankelijke woonruimte wordt gerealiseerd op maximaal 30 m van het hoofdgebouw staat en qua ligging een ruimtelijke eenheid met het hoofdgebouw vormt; f. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; g.
per woning kan op enig moment slechts één omgevingsvergunning voor het gebruik als afhankelijke woonruimte van kracht zijn. h. Burgemeester en wethouders trekken de omgevingsvergunning in, zodra de bij het verlenen van de voor de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
14
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
Hoofdstuk 3 Artikel 4 4.1
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling
Anti-dubbeltelbepaling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Bestemmingsplan "Lagevoortseweg 4a te Liempde" (ontwerp)
15
Artikel 5
Algemene bouwregels
5.1
Bebouwingsgrenzen
5.1.1
In acht te nemen afstand
Onverminderd het bepaalde in de overige artikelen dienen, wanneer gebouwen worden gebouwd op gronden grenzend aan de gronden bestemd voor verkeersdoeleinden de volgende afstanden uit de as van de op de verbeelding nader onderscheiden wegen in acht genomen: bestemming: Verkeer - Snelverkeer Verkeer - Verkeer Verkeer - Railverkeer Verkeer - Onverhard en Verkeer - Voet-/fietspad 5.1.2
afstand uit de wegas: 100 meter 20 meter 20 meter 10 meter
Afwijken in acht te nemen afstand
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 5.1.1, onder de voorwaarde dat uit overleg met de wegbeheerder blijkt dat daartegen uit hoofde van het wegbeheer, de verkeersveiligheid daaronder begrepen, geen bezwaar bestaat. 5.2
Geluidszones langs wegen
Indien en voor zover gronden zijn gelegen binnen een zone van: a. 250 meter ter weerszijden van een weg met een of twee rijstroken; b. 400 meter ter weerszijde van een weg met drie of vier rijstroken; mogen toegelaten geluidsgevoelige functies uitsluitend worden gerealiseerd met inachtneming van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als genoemd in artikel 82 lid 1 van de Wet geluidhinder of een vastgestelde hogere grenswaarde. 5.3
Geluidszones langs spoorwegen
Indien en voor zover gronden zijn gelegen binnen een zone van: a. 100 meter ter weerszijden van het Duits lijntje; b. 400 meter ter weerszijden van het traject Boxtel- 's Hertogenbosch; c. 700 meter ter weerszijden van het traject Boxtel-Tilburg; d. 800 meter ter weerszijden van het traject Boxtel-Eindhoven; mogen toegelaten geluidsgevoelige functies uitsluitend worden gerealiseerd met inachtneming van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 4 lid 1 van het Besluit geluidhinder of een vastgestelde hogere grenswaarde. 5.4