Bestemmingsplan Lagevoortseweg 4a te Liempde- bijlage 2 Toelichting en Regels.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Lagevoortseweg 4a te Liempde 26 januari 2023
Bestemmingsplan Lagevoortseweg 4a te Liempde Gemeente Boxtel Vast te stellen
Rapportnummer:
P02532
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0757.bp01lagevrtseweg4a-otw1
Datum:
26 januari 2023
Opdrachtgever:
particulier
Projectteam BRO:
TSc, TAu
Concept:
augustus 2020
Ontwerp:
juni 2021, september 2022, januari 2023
Vaststelling:
--
Bron foto kaft:
Gemeente Boxtel
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
TOELICHTING
Hoofdstuk 6
42
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1Aanleiding 1.2Plangebied 1.3Vigerend bestemmingsplan 1.4Leeswijzer
3 3 3 5 5
2.PLANBESCHRIJVING
6
3.BELEIDSKADER 3.1Rijksbeleid
8 8
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2Provinciaal beleid
8 8 9 10
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3Gemeentelijk beleid
10 10 13
4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1Verkeer en parkeren 4.2Geluid weg- en spoorlawaai 4.3Luchtkwaliteit 4.4Bedrijven en milieuzonering 4.5Geur agrarisch 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid 4.8Ecologie 4.9Bodem 4.10Water 4.11Archeologie 4.12Cultuurhistorie 4.13Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.14Gezondheid i.r.t. veehouderijen 4.15Hoogspanningslijnen en spuitzones gewasbescherming
Inhoudsopgave
15 15 15 16 17 19 20 20 24 27 30 32 33 34 34 35
1
5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1Algemene opzet 5.2Toelichting op de verbeelding 5.3Toelichting op de bestemming
36 36 37 37
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39 39 39
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure
40 40 40 40
Separate bijlagen Bijlage 1: Akoestisch onderzoek weg- en spoorlawaai Bijlage 2: Onderzoeken bodem en asbest Bijlage 3: Stikstofdepositie Bijlage 4: Omgevingsdialoog Bijlage 5: Quickscan flora en fauna Bijlage 6: Landschappelijke inpassing Bijlage 7: Vervolgonderzoek flora en fauna Bijlage 8: Advies Veiligheidsregio Bijlage 9: Compensatiemogelijkheden
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om de locatie aan de Lagevoortseweg 4a in Liempde te herontwikkelen. De ontwikkeling voorziet in de transformatie van het huidige agrarische bedrijf op dit perceel. Op de locatie zijn rechten aanwezig voor het houden van rund- en pluimvee en pony’s. De stallen zijn sterk verouderd en aan modernisatie toe. Het is echter niet meer rendabel om op deze locatie een veehouderij te exploiteren. De wens is daarom om de functie van de locatie te wijzigen naar dagrecreatie, de aanwezige bebouwing te slopen en daar drie nieuwe gebouwen te realiseren: een libellen- en vlindermuseum, een Bed & Breakfast (B&B) en een bedrijfswoning (inclusief mantelzorg). Door de nieuwe bebouwing en functie draagt deze investering sterk bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Het realiseren van het plan is op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ van gemeente Boxtel niet mogelijk. De gronden kennen de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ en zijn in eerste instantie bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Hoewel er in het geldende bestemmingsplan verschillende afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen voor het realiseren van een B&B, woningen, bedrijven of recreatievoorzieningen, kan met dit plan niet worden voldaan aan alle geldende voorwaarden.
Om deze reden is een (partiële) herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan maakt de gewenste ontwikkeling mogelijk en geeft de nieuwe ruimtelijke kaders aan het plangebied.
1.2 Plangebied De gewenste ontwikkeling vindt plaats op het adres Lagevoortseweg 4a te Liempde. De locatie is gelegen in het buitengebied ten westen van de kern Liempde, globaal tussen de rijksweg A2 en spoorlijn (Boxtel – Eindhoven). Het plangebied ligt op de hoek van de wegen Lagevoortseweg en De Beeken. Kadastraal staat het plangebied bekend als de gemeente Boxtel, sectie P en perceelnummer 289. De ligging en globale begrenzing is weergegeven in figuur 1.1.
Hoofdstuk 1
3
Figuur 1.1: Ligging en begrenzing plangebied
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ (onherroepelijk, 10 juli 2014) geldend. Een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.2. Het plangebied kent in dit bestemmingsplan de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. Daarnaast is over het gehele plangebied de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ opgenomen. De agrarische bestemmingen zijn uitsluitend bedoeld voor agrarisch grondgebruik. Binnen de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ is één agrarisch bedrijf toegestaan. De gewenste ontwikkeling is niet mogelijk conform de regels van het geldende bestemmingsplan. Een museum, woning en B&B is namelijk niet direct toegestaan binnen de agrarische bestemmingen die gelden. In het geldende bestemmingsplan zijn wel enkele wijzigingsbevoegdheden en afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor realisatie van een B&B, woningen, bedrijven en recreatievoorzieningen. Met dit plan kan echter niet worden voldaan aan de geldende voorwaarden. Om deze reden is een (partiële) herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan maakt de gewenste ontwikkeling mogelijk en geeft de nieuwe ruimtelijke kaders aan het plangebied.
Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ met ligging plangebied
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
5
2.
PLANBESCHRIJVING Het voornemen bestaat om de locatie aan de Lagevoortseweg 4a in Liempde te herontwikkelen. De ontwikkeling voorziet in de transformatie van het huidige agrarische bedrijf op dit perceel. Op de locatie zijn rechten aanwezig voor het houden van rund- en pluimvee en pony’s. De stallen zijn sterk verouderd en aan modernisatie toe. Programma Het doel is om een (verblijfs)recreatiebedrijf in de vorm van natuur- en landschapsbeheer en educatie en B&B te ontwikkelen. De hoofdfunctie van het bedrijf wordt een libellen- en vlindermuseum. Dit is een zeer uniek en specifiek museum; dit wordt namelijk het eerste libellen- en vlindermuseum in Europa. Het libellen- en vlinderwereldje is internationaal georiënteerd, vooral als het gaat om zeldzame en kwetsbare exemplaren. Er zijn dan ook al samenwerkingen met diverse vooraanstaande organisaties, libellengroepen, fotografiegroepen en universiteiten. Voorts en verder bestaat het voornemen om ook toegepaste technieken en technologie die lijken op natuurlijke bewegingen, natuurfenomenen uitleggen en onderzoeken. Het museum wordt dan ook een bijzondere trekpleister voor de regio. De B&B wordt als nevenfunctie opgezet maar is wel essentieel voor de financiële haalbaarheid van het plan. De B&B wordt voorzien van 8 slaapkamers en maakt het mogelijk om internationale bezoekers van het museum een overnachting aan te bieden.
Sloop en nieuwbouw Momenteel is er op het perceel een verouderde woning aanwezig, deze wordt gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een nieuwe bedrijfswoning opgericht van circa 137 m2 grondoppervlak en een inhoud van 750 m3. Bij de woning wordt een bijgebouw opgericht van maximaal 100 m2 met dak met overhang. De voormalige agrarisch gebruikte schuur die haar functie heeft verloren wordt gesloopt en hiervoor worden twee nieuwe gebouwen teruggebouwd in de vorm van Vlaamse schuren. Een nieuw gebouw wordt opgericht ten dienste van het libellen- en vlindermuseum, het tweede gebouw wordt opgericht ten dienste van de Bed & Breakfast. De Bed & Breakfast heeft een oppervlakte van maximaal 360 m2. Ook het vlinder- en libellenmuseum museum heeft een oppervlakte van maximaal 360 m2. In totaal wordt er ruim 1.370 m 2 aan bestaande verouderde en asbesthoudende bebouwing gesloopt. Hiervoor worden kwalitatief hoogwaardige gebouwen (inclusief daken met overkappingen) opgericht. De gebouwen worden in landelijke stijl gebouwd zodat ze goed op de locatie en in de omgeving passen. Een plattegrond met het schetsontwerp is in figuur 2.1 weergegeven.
Hoofdstuk 2
6
Figuur 2.1: Schetsontwerp plangebied toekomstige situatie
Hoofdstuk 2
7
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk wil een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de besluitvorming van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Conclusie Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is niet binnen een van de Nationale hoofdstructuren gelegen. De SVIR heeft geen specifieke betekenis voor het bestemmingsplan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.
Hoofdstuk 3
8
Conclusie Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk waarbij nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op het bestemmingsplan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Conclusie In dit geval wordt een agrarische bestemming in het buitengebied getransformeerd naar een bestemming voor dagrecreatie. Er wordt een museum van maximaal 360 m2 mogelijk gemaakt en een B&B van maximaal 360 m2 met in totaal 8 kamers. Er wordt hiervoor in totaal 1.370 m 2 aan voormalige agrarische bebouwing gesloopt. Zowel in de huidige situatie als nieuwe situatie is sprake van één woning op het perceel. Het museum en de B&B vormen een waardevolle aanvulling op het toeristisch recreatieve product van Boxtel en Het Groene Woud. Daarmee zal de aantrekkingskracht voor bezoekers, vooral van buiten de gemeente, toenemen.
Via nieuwe arrangementen, bijvoorbeeld door een combinatie van het bezoek met een sloep- of kanotocht over de Dommel, een wandeling in het Groene Woud of een bezoek aan het Oertijdmuseum, kan de aantrekkingskracht verder vergroot worden. Verblijfsrecreanten kunnen terecht in de bed & breakfast; B&B. De unieke ligging in de natuur en gekoppeld aan de libel- en vlindertuin maken van de B&B een aantrekkelijke locatie. De ruime kamers, hoogwaardige en moderne afwerking en vele voorzieningen maken de B&B zeer concurrerend. In een straal van 5 km bevinden zich slechts 2 B&B’s, in heel de gemeente Boxtel is het aantal B&B’s 20 en bevinden zich hier 3 campings/recreatieparken. Er is dus zeker ruimte voor uitbreiding van verblijfsrecreatie in Vrilkhoven & Velderen. Gelet op de bijzondere locatie en het beperkte aanbod in de omgeving moet een 60% a 70% dekking mogelijk zijn. De locatie is dan ook erg bepalend voor de ontwikkeling. Een dergelijk museum komt in het buitengebied veel meer tot haar recht, mede gezien de relatie met de vlindertuin op het achterterrein. Er is daarmee sprake van een passende functie op een passende locatie. Het plan is in lijn met de uitgangspunten zoals beschreven in de Ladder voor duurzame verstedelijking. 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
9
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt de voorheen geldende structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verder uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma’s. Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaatproof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basisopgave: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses.
Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma’s) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die direct in strijd zijn met de omgevingsvisie van Noord-Brabant. Nadere regels vanuit de provincie voor ruimtelijke projecten zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hier wordt in de volgende paragraaf op ingegaan. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim Omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Conclusie De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening.
Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 deze verordening vastgesteld. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat
Hoofdstuk 3
10
uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De planlocatie ligt volgens de Interim Omgevingsverordening in de zone ‘landelijk gebied’. In artikel 3.73 zijn regels opgenomen voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
Relatie met lid 1 De gewenste ontwikkeling voorziet in de sanering en herbestemming van een verouderd agrarisch bedrijf. De nieuwe functies (museum en B&B) is passend in de omgeving en leiden tot een kwaliteitsverbetering en versterking van de omgevingskwaliteit. Leegstand van agrarisch vastgoed wil de gemeente Boxtel zoveel mogelijk voorkomen. Hiermee voorkomt de gemeente verloedering en oneigenlijk gebruik. Bij de herbestemming van een VAB-locatie is de visie dat bestaande bebouwing gebruikt kan worden voor een vervolgfunctie, maar dat uitbreiding van het aanwezige oppervlakte van bebouwing in principe ongewenst is. De openheid van het gebied moet intact blijven, uitbreiding van bedrijfsoppervlakte past hier maar in zeer beperkte mate in. Bij de herontwikkeling van VAB-locaties kijkt de
Hoofdstuk 3
11
gemeente naar de functies die passend zijn in het gebied. Er geldt dat het gebruik van het buitengebied niet meer in hoofdzaak de agrarische sector is. De gemeente Boxtel wil dan ook openstaan voor andere en nieuwe passende functies in het buitengebied. Om te oordelen wat passend is, is zowel naar het type landschap, de hoeveelheid bebouwing in het gebied, alsmede naar de ontsluiting van het gebied gekeken en aard en intensiteit van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling van een B&B en een libellen- en vlindermuseum heeft een positieve invloed op de leefbaarheid van de omgeving en zet de gemeente Boxtel op de kaart. Zoals eerder aangegeven is een libellen- en vlindermuseum namelijk een noviteit in Europa. Daarnaast is sprake van een in de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking van de functies. Het plan draagt bij aan het versterken van de landschappelijke aantrekkelijkheid (door middel van een landschappelijke inpassing), een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk en gevarieerd aanbod aan voorzieningen en een natuurrijke omgeving. Het is belangrijk dat de ruimtelijke kwaliteit van de locatie en de omgeving met dit plan wordt verbeterd. Een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling is daarom een goede landschappelijke inpasbaarheid.
Dit is tevens van belang voor het libellen- en vlinder museum, onderdeel van het museum is namelijk een belevingstuin met verschillende biotopen voor soorten. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een verbetering van de gebiedswaarden en het landschap. De verouderde bestaande gebouwen hebben geen cultuurhistorische waarde en worden gesloopt. Hiervoor komen nieuwe gebouwen terug, welke landschappelijk worden ingepast en aansluiten bij de landschappelijke kenmerken van de omgeving. De huidige entree van het terrein wordt de entree voor de bedrijfswoning. Daarnaast komt er een gemeenschappelijke entree en parkeerruimte voor het libellen- en vlindermuseum en de Bed & Breakfast. De rest van het perceel wordt getransformeerd tot natuurgebied met nieuwe landschaps- en natuurlijke elementen en flora en fauna ten behoeve van libellen en vlinders met een afgestemde biotoop met poelen. Dit is gedetailleerder uitgewerkt en geborgd in het landschapsversterkingsplan. Voor de voorgenomen ontwikkeling is daarnaast een berekening gemaakt van de benodigde kwaliteitsverbetering. Door de bestemmingsplanwijziging bedraagt de benodigde kwaliteitsinvestering € 52.728,50,-. Een gedeelte hiervan wordt direct teruggebracht in het landschap op eigen terrein.
Met de voorgenomen ontwikkeling kan voor €12.453,70 aan landschapsontwikkeling tegemoet worden gekomen en voldoet daarmee niet aan de gestelde compensatie (op te merken dat de aanplant en aanleg van elementen alsmede de sanering van asbest volgens marktconforme prijzen de gegeven normbedragen vele malen overstijgt). Voor het resterende bedrag (€ 52.728,50,- - €12.453,70) € 40.274,80,- is in samenspraak met de gemeente Boxtel een passende invulling gezocht. Er zijn verschillende compensatievoorstellen gemaakt. Deze zijn opgenomen in bijlage 9 van de toelichting van het bestemmingsplan. Hiermee kan een gedeelte van het resterende bedrag direct terug in het landschap worden verwerkt. Het daarna resterende bedrag zal tevens worden gestort naar het plattelandsfonds. De natuurwerkgroep zal hiervoor een passende invulling bedenken. Relatie met lid 2 Zoals onder lid 1 is betoogd past de functie binnen de omgeving. De extra verkeersaantrekkende werking van het plan is relatief beperkt (zie paragraaf 4.1). Het dichtstbijzijnde bedrijf ligt op een grote afstand waardoor er geen sprake is van hinder. Ook de dichtstbijzijnde milieugevoelige objecten liggen op voldoende afstand, waardoor het op voorhand aannemelijk te veronderstellen is dat de activiteiten niet leiden tot hinder en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Geconcludeerd wordt dat de effecten op de omgeving toelaatbaar zijn en de bedrijfsactiviteiten op de locatie inpasbaar zijn. In de regels is geborgd binnen welke bebouwing, welke functie is toegestaan.
Hoofdstuk 3
12
Relatie met lid 3 De ontwikkeling betreft een voorziening die gezien kan worden als een ontwikkeling ten dienste van vrije tijd. De bebouwing heeft een oppervlakte die ruim kleiner is dan 1 hectare.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1. Structuurvisie Verfrissend Boxtel In juli 2011 heeft de gemeenteraad van Boxtel de Structuurvisie Verfrissend Boxtel voor het gemeentelijk grondgebied vastgesteld. Hierin wordt een integrale visie gegeven op de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. In de structuurvisie wordt de nadruk gelegd op de ligging van Boxtel en de omringende dorpen in het Nationale Landschap Het Groene Woud. Beide entiteiten zijn onmiskenbaar aan elkaar gekoppeld, het wonen en werken kunnen daar direct van profiteren. Ondanks de wenselijke verschillen tussen de bebouwde kommen en het buitengebied, wordt juist ook gezocht naar overeenkomsten. Hierbij wil de gemeente Boxtel de omgeving niet grondig in aanzien veranderen, maar de bestaande sterke punten van de gemeente beter benutten. Conclusie Volgens de Structuurvisie wil de gemeente inzetten op het verbeteren van de recreatieve gebruiksmogelijkheden (waarbij vooral wordt gedacht aan ‘groene’ vormen van recreatie). Daarnaast zet de gemeente in op verbreding van de mogelijkheid om diverse functies (economisch, toeristisch-recreatief) in het buitengebied toe te staan. Met dit planvoornemen wordt een nieuwe ‘groene’ vorm van recreatie mogelijk gemaakt. Het plan leidt tot een verbetering van de diversiteit van het aanbod van (verblijf)recreatie en draagt bij aan de recreatieve doelstellingen van de gemeente.
Het plan is in lijn met de structuurvisie Verfrissend Boxtel. 3.3.2. Boxtel 2020, duurzaam en dynamisch centrum in het Groene Woud In deze strategische visie (29 juni 2009) is aangegeven in welke richting Boxtel zich in de periode 2010-2020 verder wil ontwikkelen. De strategische visie is verwoord in zes ambities. De ambities zijn ondersteund in de vele gesprekken die hebben plaatsgevonden en moeten worden voortgezet. De zes ambities zijn: 1. Boxtel blijft voorop met duurzaamheid; 2. Boxtel ontwikkelt toerisme en recreatie tot een volwaardige bedrijfstak; 3. Boxtel versterkt zijn positie als werkgelegenheidsgemeente; 4. Boxtel werkt aan een sterk centrum; 5. Boxtel is ook in 2020 een prima woongemeente; 6. Boxtel heeft een modern bestuur. Voor dit planvoornemen is de tweede ambitie van belang. De gemeente Boxtel wil toerisme en recreatie verder professionaliseren en uitbouwen tot een nieuwe economische drager. Er is een overheersend besef dat toerisme en recreatie meer moet en kan worden dan het nu is, maar dat de ontwikkeling niet in de richting van grootschaligheid, massatoerisme en attractieparkenmoet gaan. Voor het buitengebied zal de beleving van natuur en landschap toch de kern zijn en blijven. Voor het planvoornemen zijn een aantal punten uit deze strategische visie van belang:
Hoofdstuk 3
13
o
Verhoging van de attractiviteit van het buitengebied. Het libellen- en vlindermuseum (in combinatie met overnachtingsmogelijkheden) draagt bij aan een gevarieerd aanbod in recreatie.
o
Uitbreiding van het aantal overnachtingsmogelijkheden. Met de Bed & Breakfast wordt het aantal overnachtingsmogelijkheden uitgebreid.
o
Samenwerking en ketenvorming. Samenwerking tussen huidige ondernemers, nieuwe toetreders, promotieorganisaties en de gemeente draagt bij aan de optimalisatie van een toeristisch product. Wij staan positief tegenover een dergelijke samenwerking. De gemeente stimuleert ondernemerschap Samenwerking met de gemeente draagt bij aan een beter toeristisch product. Voor de realisatie van onze plannen is het van belang dat de gemeente faciliteert en voorwaarden schept, middels een partiële herziening van het bestemmingsplan.
o
Het toevoegen van een recreatieve voorziening in combinatie met overnachtingsmogelijkheden draagt bij aan het uitbouwen van toerisme en recreatie. De Bed & Breakfast vormt in de omgeving een aanvulling op het gebied van tijdelijke huisvesting van toeristen die graag in deze omgeving willen verblijven. Het planvoornemen is in lijn met de strategische visie Boxtel 2020, duurzaam en dynamisch centrum in het Groene Woud.
Hoofdstuk 3
14
4.
OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren Parkeren Om te bepalen of voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd wordt, is gekeken naar de geldende parkeernormen van de gemeente Boxtel. In het geldende bestemmingsplan ‘Parkeren Boxtel 2018’ is bepaald dat bij nieuwe ontwikkelingen voldaan moet worden aan de geldende parkeernormen. Op dit moment is de nota ‘Parkeernormen Gemeente Boxtel’ (20 maart 2007) geldend. Voor een vrijstaande woning geldt volgens deze nota een parkeernorm van 2,0 pp. Voor een museum geldt een parkeernorm van 1,0 pp / 100 m 2 bvo. Het te realiseren museum heeft een bruto-vloeroppervlak van circa 275 m2. Hiervoor zijn dus in principe 3 parkeerplaatsen noodzakelijk. Verwacht wordt dat de parkeerbehoefte hoger zal zijn. Zowel in de gemeentelijke parkeernota als de CROW-publicatie 381 (januari 2019) zijn geen parkeernormen beschreven van een Bed & Breakfast. Het is daarom lastig om een reële parkeerbehoefte van het plan te berekenen. De Bed & Breakfast kent 8 kamers. Verwacht wordt dat hier circa 10 parkeerplaatsen voor nodig zijn (dus 1 pp per kamer en 2 extra voor bijvoorbeeld combinatiebezoek). Met het plan wordt voorzien in circa 50 parkeerplaatsen. Deze kunnen allen op eigen terrein gerealiseerd worden. Geconcludeerd wordt dat in ieder geval ruimschoots in de parkeerbehoefte wordt voorzien van zowel de woning als de B&B en het museum.
Verkeer De verkeersgeneratie van een functie kan vaak achterhaald worden met behulp van de kencijfers uit de CROW-publicatie 381 (januari 2019). Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 mvt/etmaal. Voor een museum en B&B zijn geen kencijfers opgenomen. Verwacht wordt dat de B&B zorgt voor circa 24 mvt/etmaal (3 mvt/etmaal per kamer). Voor het museum is dit lastiger inschatten. De parkeerbehoefte van het museum is relatief laag (3 pp, zie hiervoor). In de feitelijke situatie zal dit hoger worden geschat. Ook wordt bij een museum een parkeerplaats vaak door meerdere voertuigen op een dag gebruikt, aangezien de verblijfsduur korter is dan bij bijvoorbeeld een B&B. Om toch een inschatting te kunnen geven is gekeken naar de verkeersgeneratie van een theater in het buitengebied. Deze komt neer op maximaal 18 mvt per 100 m 2 bvo. In dit geval wordt ingeschat dat het museum dus zal zorgen voor circa 49 mvt/etmaal (o.b.v. 275 m 2 bvo). De gezamenlijke verkeersgeneratie van het plan komt dan neer op maximaal 82 mvt/etmaal. Dit is relatief beperkt. De locatie wordt ontsloten op de Lagevoortseweg en het verkeer wordt via de Eindhovenseweg en Ladonkseweg naar de A2 geleid. Deze wegen zijn voldoende groot opgezet en beschikken over een grote capaciteit.
De verkeersgeneratie die met onderhavig plan wordt gegenereerd zal dan ook gemakkelijk afgewikkeld kunnen worden door de plaatselijke infrastructuur. Er zal daarnaast bewegwijzering gerealiseerd worden vanaf de afslag van de A2 richting het plangebied.
4.2 Geluid weg- en spoorlawaai Er is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Wegverkeer: Lagevoortseweg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 48 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft
Hoofdstuk 4
15
te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Wegverkeer: spoorweg Boxtel – Best De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt overschreden ter plaatse van de waarneempunten 1,2 en 6 t/m 8. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 64 dB, daarmee wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. Bij de gemeente Boxtel kan een verzoek worden ingediend tot het vaststellen van een hogere waarde. De woning komt ter vervanging van bestaande bebouwing. Gezien de beperkte omvang van het project is het niet reëel om maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied te treffen, met als doel om de geluidbelasting te reduceren. De kosten van dergelijke maatregelen zullen na verwachting rond de 1 mln euro bedragen en stuiten daarmee op overwegende bezwaren van financiële aard. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen, bijvoorbeeld in de vorm van de aanwezigheid van een geluidluwe gevel. Dit kan betekenen dat de geluidbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In de voorliggende situatie is de voor- en zijgevel de geluidluwe gevel. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering.
Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. Conclusie Er wordt gevraagd een hogere waarde vast te stellen ten aanzien van het geluid van de spoorlijn BestBoxtel. Vanwege wegverkeerslawaai zijn er geen belemmeringen.
4.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
Hoofdstuk 4
16
Conclusie Om te bepalen wat de effecten zijn van het plan op de luchtkwaliteit kan gebruik worden gemaakt van de NIBM tool. De verkeersgegevens van het plan uit paragraaf 4.1 is hiervoor gebruikt. De resultaten van de tool zijn hierna weergegeven. Geconcludeerd wordt het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Wel moet bepaald worden of de effecten van dit plan leiden tot een onacceptabele luchtkwaliteit ter plaatse. Hierbij is het van belang dat ook gekeken wordt naar de huidige aanwezige luchtkwaliteit bij het plangebied. Met behulp van de NSL-monitoringstool is dit achterhaald. De achtergrondwaarden bij de dichtstbijzijnde meet-/toetspunten zijn in navolgende tabel weergegeven. Geconcludeerd wordt dat zowel in de huidige situatie als de nieuwe situatie de waarden onder de normen liggen en dus sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij het plangebied.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2021
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
82
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,06
PM10 in μg/m3
0,01
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Id
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
25875
23.3
19.3
7.1
11.7
2020
25876
23.5
19.4
7.1
11.7
2020
26097
23.4
19.4
7.1
11.7
2020
26098
23.4
19.4
7.1
11.7
2020
702251
24.8
20.9
8.6
12.0
2020
706610
25.3
21.0
8.7
12.1
2020
Norm
40
40
35
25
4.4 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Hoofdstuk 4
17
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Conclusie Het plangebied is gelegen in een rustig buitengebied. Er is geen sprake van een gemengd gebied. Het dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijf ligt op een afstand van 90 meter en betreft de voormalige veehouderij ten noorden van het plangebied. Dit is momenteel een caravanstalling. Aan het adres Oude Rijksweg 11 is daarnaast een agrarisch bedrijf aanwezig. Inmiddels is het bedrijf gestopt en staat te koop, maar de milieurechten zijn nog aanwezig. In artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij staat het volgende beschreven: Artikel 14 1. Indien een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het tijdstip waarop deze wet met betrekking tot zodanige aanvraag in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige aanvraag geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. 2. Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: a.
op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, b. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en c. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij, ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een geurgevoelig object dat op de in dat lid bedoelde kavel aanwezig is
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
18
Op dit moment kent het adres Lagevoortseweg 4a ook nog milieurechten. Met dit plan wordt het agrarisch bedrijf gesaneerd en zal ruimte maken voor een nieuwe woning. Het plan voldoet aan de gestelde punten uit artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij. Om deze reden geldt een richtafstand van 50 meter van de toekomstige woning tot milieubelastende agrarische bedrijven in de omgeving. Het bedrijf aan het adres Oude Rijksweg 11 ligt op circa 150 meter van het plangebied en zorgt daarmee dus niet voor belemmeringen. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het planvoornemen zal geen hinder veroorzaken voor dit bedrijf en vice versa. Het libellen- en vlindermuseum en de Bed & Breakfast zijn kleinschalige activiteiten die passen in de omgeving. De gebouwen ten behoeve van de recreatiebestemming komen op een afstand van circa 100 meter van de dichtstbijzijnde woningen te liggen, waardoor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen blijft gewaarborgd. Daarnaast wordt er met dit plan een veehouderij gesaneerd wat tot een verbetering van de milieukwaliteit leidt. Voor het onderdeel ‘geur’ wordt verwezen naar de volgende paragraaf.
4.5 Geur agrarisch Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Conclusie Vanwege de ligging in het buitengebied is het van belang duidelijkheid te hebben over eventuele geurhinder in relatie tot het plan. Het bedrijf Oude Rijksweg 11 is reeds behandeld in paragraaf 4.4. Hieruit volgen geen belemmeringen.
Daarnaast is gekeken naar de gecumuleerde geurbelasting om aan te tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Zoals de kaart in figuur 4.1 aangeeft is de gecumuleerde geurbelasting (peildatum 01-07-2013) ter plaatse van het plangebied kleiner dan 10 OUE/m3. Hiermee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter hoogte van het plangebied. Een nader geuronderzoek is niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
19
Figuur 4.1: Gecumuleerde geurbelasting plangebied (rood omcirkeld) en omgeving (bron: ODBN)
4.6 Kabels en leidingen Ter plaatse van het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Er zijn geen hoogspanningslijnen o.i.d. in de omgeving aanwezig. Aardgasleidingen worden behandeld in navolgende paragraaf.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.
Hoofdstuk 4
20
De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart
Hoofdstuk 4
21
Beleidsvisie externe veiligheid, gemeente Boxtel Ten aanzien van het aspect externe veiligheid heeft de gemeente Boxtel een “Beleidsvisie externe veiligheid, gemeente Boxtel”, d.d. 5 oktober 2010 opgesteld. In deze beleidsvisie is sprake van een gebiedsgericht aanpak. Er zijn drie gebiedstypen onderscheiden. Te weten: Risicoluw gebied Gemengd gebied Intensief gebied Voor elk gebiedstype geldt een eigen veiligheidsambitie. Een bijzonder aandachtsgebied in het kader van de gebiedsgerichte aanpak is de aanwezigheid van infrastructuur waarop of waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze vervoersassen doorsnijden verschillende gebieden en dus ook verschillende gebiedstyperingen. Daarom is er voor gekozen om de omgang met de risico’s van transportassen te verbinden aan de gebiedsindeling. Voor elk gebiedstype is een ambitieniveau geformuleerd voor zowel het plaatsgebonden risico als voor het groepsrisico. De ontwikkeling is gelegen in het buitengebied. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle infrastructuur zijn eveneens toegestaan, mits wordt voldaan aan de wettelijke normen en de verantwoordingsplicht. Ambitieniveau ‘gemengd’ m.b.t. plaatsgebonden risico
Beperkt kwetsbare objecten, waarvoor richtwaarden gelden in plaats van grenswaarden, mogen in nieuwe situaties nergens binnen de PR 10-6/jaarcontour van een bedrijf of transportas liggen. Voor bestaande situaties geldt het stand-still principe.
Ambitieniveau ‘gemengd’ m.b.t. groepsrisico
Overschrijding van de oriënterende waarde van het GR wordt niet geaccepteerd. Een significante toename van het groepsrisico wordt geaccepteerd zolang de oriënterende waarde niet overschreden wordt.
Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour. Het ambitieniveau met betrekking tot het plaatsgebonden risico is derhalve niet relevant. Het ambitieniveau met betrekking tot het groepsrisico is: Overschrijding van de oriënterende waarde van het GR wordt niet geaccepteerd. Een significante toename van het groepsrisico wordt geaccepteerd zolang de oriënterende waarde niet overschreden wordt. Conclusie Om de eventuele externe veiligheidsrisico’s te bepalen is gekeken naar de risicokaart. Een uitsnede hiervan is weergegeven in figuur 4.2. Op de kaart is te zien dat er verschillende inrichtingen, leidingen en transportroutes rondom het plangebied liggen. Inrichtingen Het plangebied ligt buiten alle risicoafstanden en invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen in de omgeving (zoals het bedrijf aan de Oude Rijjksweg 11 en het Texaco tankstation aan de A2).
Hoofdstuk 4
22
Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleidingen (rood gestreept aangegeven in figuur 4.2) hebben geen risicoafstanden die tot aan het plangebied reiken. In het noorden lopen twee aardgasleidingen met een 1%-letaliteitsafstand van 430 en 490 meter en een 100%-letaliteitsafstand van 180 en 190 meter. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze leidingen, namelijk op circa 400 meter. Een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van de overige leidingen die te zien zijn in figuur 4.2. Transportroutes Er lopen rond Boxtel verschillende transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit zijn de rijksweg A2 en de spoorlijnen tussen Den Bosch, Eindhoven, Boxtel en Tilburg (zie figuur 4.2). Over de A2 (tussen knooppunt Vught en Ekkersweijer) worden stoffen vervoerd uit de categorieën LF1, LF2, LT1, LT2 en GT3. Het invloedsgebied van de weg wordt gevormd door de stof LT2 (een toxische vloeistof) en bedraagt 880 meter. Het plangebied ligt op circa 810 meter van de A2 en dus binnen het invloedsgebied. Voor deze weg is dus een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. De spoorlijn ligt op circa 280 meter van het plangebied. Deze spoorlijn heeft een invloedsgebied van 995 meter. Het plangebied ligt hier dus binnen. Voor de spoorlijn is dus een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig.
Beperkte verantwoording groepsrisico Groepsrisico Vanwege de grote afstand tot risicobronnen in de omgeving zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. Bestrijdbaarheid In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd. Zelfredzaamheid Blootstelling aan een toxisch gas en vloeistof is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen.
De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas of vloeistof en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het bouwwerk is goed geïsoleerd, waardoor het een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en alarmsysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.
Hoofdstuk 4
23
Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio is om advies gevraagd inzake externe veiligheid. Dit advies is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat de mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid goed zijn. Daarnaast is beschreven dat de mogelijkheden van bestrijdbaarheid door deze ontwikkeling niet negatief worden beïnvloed. Het advies luidt als volgt: De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen. Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Neem deze scenario's ook op in het BHV/ontruimingsplan van de bed & breakfast en het museum. Initiatiefnemer zal zorgdragen aan hetgeen dat is beschreven in het advies van de Veiligheidsregio. Het onderdeel externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen voor de ontwikkeling.
4.8 Ecologie De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
Hoofdstuk 4
24
3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Conclusie Quickscan flora en fauna Er is een quickscan uitgevoerd naar flora en fauna in het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen.
Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven.
Hoofdstuk 4
25
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen. Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling zijn overtredingen ten aanzien van wezel, bunzing en steenmarter op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoeken dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Op basis van de quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNB) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
Aanbevelingen Het te slopen gebouw biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Vervolgonderzoek bunzing, steenmarter en wezel Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna is een vervolgonderzoek uitgevoerd voor de soorten bunzing, steenmarter en wezel. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies beschreven. Binnen het plangebied zijn geen rust- en verblijfplaatsen van wezel, bunzing of steenmarter aanwezig, noch betreft het essentieel leefgebied. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot wezel, bunzing of steenmarter is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soorten.