Agendabundel
Tekst van het document
2.
3. 4. 5.
Het dagelijks bestuur wijst een medewerker van de omgevingsdienst als plaatsvervangend secretaris aan die de secretaris vervangt bij: a. ontstentenis; of b. ontslag. De secretaris is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris medeondertekend. Indien sprake is van geheimhouding, als bedoeld in artikel 23 van de wet, maakt de secretaris hier melding van op de stukken.
Artikel 5.4 Cao SGO Het dagelijks bestuur hanteert voor de medewerkers van haar organisatie de Cao SGO, of de collectieve arbeidsvoorwaardenovereenkomst die daarvoor in de plaats komt. Paragraaf 6 Verantwoordingsplicht, inlichtingenplicht en geheimhouding Artikel 6.1 Externe verantwoording Het lid van het algemeen bestuur legt verantwoording af aan de raad en Provinciale Staten, alsmede aan het college of Gedeputeerde Staten van de deelnemer die hem heeft aangewezen over het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid, op de door die deelnemer vastgestelde werkwijze. Artikel 6.2 Externe inlichtingenplicht 1. De inlichtingen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet, worden aan de raad en Provinciale Staten, alsmede aan het college of Gedeputeerde Staten zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen twee maanden in een vergadering of schriftelijk verstrekt op de door de deelnemer die het lid heeft aangewezen, vastgestelde werkwijze. 2. De inlichtingen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet, worden schriftelijk binnen twee maanden verstrekt door het dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd. 3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden niet verstrekt indien dit strijdig is met het openbaar belang . Artikel 6.3 Actieve externe inlichtingenplicht 1.
De inlichtingen, bedoeld in artikel 17, tweede lid van de wet, worden schriftelijk of op een andere passende wijze verstrekt. 2. De inlichtingen worden niet verstrekt indien dit strijdig is met het openbaar belang. Artikel 6.4 Interne inlichtingenplicht 1. Onverminderd artikel 19a, tweede lid, van de wet regelt het algemeen bestuur van welke besluiten van het dagelijks bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het algemeen bestuur. 2. De regeling, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de gevallen waarin met ter inzage legging van de besluiten kan worden volstaan. 3. De kennisgeving of de ter inzage legging, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt niet plaats indien dit strijdig is met het openbaar belang. Artikel 6.5 Geheimhouding Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en een commissie als bedoeld in de artikelen 24 of 25 van de wet, nemen artikel 23 van de wet inzake geheimhouding in acht.
Paragraaf 7 Financiën Artikel 7.1 Begroting 1. De omgevingsdienst heeft een begroting waarin minimaal de basistaken (artikel 2.1), de verzoektaken (artikel 2.2), de collectieve taken (artikel 2.2a) en de bestaande taken van het voormalig Regionaal Milieubedrijf Brabant Noordoost (artikel 2.5) afzonderlijk zichtbaar worden gemaakt. 2. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de wet, kan het algemeen bestuur een begrotingswijziging die niet tot een verhoging of tot een vrijwillige verhoging van de bijdrage van de deelnemers leidt, direct vaststellen, zonder toepassing van artikel 59, eerste, derde en vierde lid van de wet. 3. Uit de begroting blijkt welke bijdrage iedere deelnemer verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van individuele deelnemers (in de rol van opdrachtgever) en de ODBN (in de rol van opdrachtnemer) om te zorgen dat de werkprogramma's zoveel als mogelijk aansluiten op de begrotingsbijdragen. 4. Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, nadere regels stellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen voorschotnota's, einddeclaraties en financiële bijdragen. Artikel 7.2 Verrekening exploitatiesaldo Het algemeen bestuur kan besluiten: a. de blijkens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele: 1°.
af te boeken van de algemene reserve; 2°. ten laste te brengen van de deelnemers naar rato van de gerealiseerde omzet op basis van de taken, genoemd in artikel 2.1. b. de blijkens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele: 1°. te bestemmen in de algemene reserve; 2°. uit te keren aan de deelnemers naar rato van de gerealiseerde omzet op basis van de taken, genoemd in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.2a. Artikel 7.3 Vergoeding deelnemers 1. Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, nadere regels vaststellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen voorschotnota’s en financiële bijdragen. 2. De te betalen vergoeding voor de taken, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.2a wordt aan de hand van inzet, prestaties of afgenomen producten per deelnemer vastgesteld op basis van de door het bestuur vastgestelde prijzen en tarieven. 3. Bij de toerekening van de te betalen vergoeding worden naast de directe uitvoeringskosten tevens de overheadkosten verdisconteerd. 4. Op basis van de begroting kan iedere deelnemer aan de hand van de daarin vastgelegde tarieven of productprijzen berekenen welke bijdrage verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. 5. Voor elke deelnemer wordt een werkprogramma gemaakt waarin de begrote vergoeding voor de afname van taken zijn berekend. 6.
De verrekening van de gerealiseerde vergoeding is op basis van geleverde prestaties of inzet per deelnemer. 7. Wanneer het algemeen bestuur een besluit als bedoeld in artikel 7.2, onder a, heeft genomen omtrent het bijdragen door de deelnemers in het nadelig exploitatiesaldo, wordt bij het bepalen van de bijdrage per deelnemer het uitgangspunt gehanteerd, dat de financiële gevolgen worden toegedeeld aan de deelnemers die dat aangaat.
Artikel 7.4 Verplichtingen deelnemers 1. De deelnemers zullen er steeds voor zorg dragen, dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 2. Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet respectievelijk 198 en 199 van de Provinciewet. Artikel 7.5 Financiële voorschriften 1. Het algemeen bestuur stelt overeenkomstig de artikelen 216, 217 en 217a van de Provinciewet een verordening op met betrekking tot: a. de uitgangspunten voor: 1°. het financieel beleid; 2°. het financieel beheer; en 3°. de inrichting van de financiële organisatie; b. de controle op: 1°. het financiële beheer; en 2°. de inrichting van de financiële organisatie. c. periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door hen gevoerde bestuur. 2. De omgevingsdienst verzekert zich tenminste tegen: a. wettelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en zaken; b. aansprakelijkheid voor vermogensschade. Paragraaf 8 Archief Artikel 8.1 Archiefbescheiden 1. Het algemeen bestuur stelt een archiefverordening vast met betrekking tot: a.
de zorg van het dagelijks bestuur voor de archiefbescheiden van het bestuur van het openbaar lichaam; b. het toezicht door een archivaris op het beheer; 2. De archivaris is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, belast met het toezicht van het beheer. 3. Het dagelijks bestuur stelt een besluit informatiebeheer vast. 4. De kosten verbonden aan de uitoefening van de zorg, bedoeld in het eerste lid, komen ten laste van de omgevingsdienst. 5. Bij opheffing van de Gemeenschappelijke Regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Archiefwet 1995 getroffen. 6. Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze deelnemers. Artikel 8.2 Archiefbewaarplaats 1. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de gemandateerde taken is aangewezen de archiefbewaarplaats van de deelnemers. 2. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de Omgevingsdienst is aangewezen het Brabants Historisch Informatie Centrum.
Artikel 8.3 Archivaris 1. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van alle archiefbescheiden van alle taken die niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats is aangewezen de archivaris van het Brabants Historisch Informatie Centrum. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van archivaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar. 3. De archivaris kan op verzoek of op eigen initiatief advies uitbrengen aan het dagelijks bestuur over aangelegenheden betreffende toezicht en beheer. Artikel 8.4 Verantwoording 1. Het dagelijks bestuur informeert het algemeen bestuur jaarlijks over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van het openbaar lichaam. 2. Zij voegen daarbij in ieder geval: a. het verslag van de archivaris met betrekking tot in ieder geval het beheer, als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid; b. voor zover van toepassing, de gedurende de betreffende periode door de archivaris aan hen uitgebrachte adviezen; en c. een voorstel voor de in het kader van de zorgplicht voor de archiefbescheiden te treffen maatregelen, zo nodig voorzien van een kostenraming. Artikel 8.5 Ter beschikking stellen 1.
Indien noodzakelijk voor de taakuitvoering van de omgevingsdienst, stellen de colleges en Gedeputeerde Staten, onder hen berustende archiefbescheiden ter beschikking. 2. Terbeschikkingstelling geschiedt voor maximaal vijf jaar en kan, met telkens een aaneengesloten periode van maximaal vijf jaar, worden verlengd tot ten hoogste 20 jaar. 3. Van de terbeschikkingstelling wordt een verklaring opgemaakt, die ten minste bevat een specificatie van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden. 4. Voor het verstrekken van digitale reproducties als gebruikskopie worden, in afwijking van het derde lid, afspraken gemaakt in de algemene leveringsvoorwaarden. 5. Een exemplaar van de verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt bewaard door de betreffende deelnemer en de omgevingsdienst. 6. Indien de omgevingsdienst archiefbescheiden tot zijn beschikking krijgt, brengt deze slechts wijzigingen aan in de staat van ordening en toegankelijkheid van en vernietigt slechts uit de bescheiden na machtiging door de ter beschikking stellende deelnemer. 7. De kosten van het beheer van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden komen ten laste van de deelnemer, die de archiefbescheiden ter beschikking stelt, tenzij de deelnemers anders overeenkomen. 8.
De zorgdrager voor de archiefbescheiden van het bestuursorgaan dat de archiefbescheiden ter beschikking heeft gesteld, blijft in alle gevallen de zorgdrager voor de archiefbescheiden. 9. Indien de ordening van de archiefbescheiden, bedoeld in het eerste lid, zich verzet tegen terbeschikkingstelling, is de omgevingsdienst te allen tijde bevoegd inzage te nemen van die archiefbescheiden dan wel daarvan of daaruit reproducties, afschriften of uittreksels te vorderen. 10. Ten aanzien van de terbeschikkingstelling gelden de volgende nadere voorwaarden: a. de ter beschikking gestelde archiefbescheiden worden door de omgevingsdienst in goede, geordende en toegankelijke staat bewaard; b. uitlening van terbeschikkinggestelde archiefbescheiden is slechts toegestaan aan functionarissen binnen de omgevingsdienst die ambtelijk zijn belast met behandeling van een aangelegenheid waarvoor uitlening noodzakelijk is.
11. De omgevingsdienst kan het beheer van archiefbescheiden nader regelen in de algemene leveringsvoorwaarden. Paragraaf 9 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 9.1 Toetreding 1. Indien de deelnemers daarmee instemmen kan een bestuursorgaan van een gemeente, provincie, waterschap of het Rijk toetreden krachtens daartoe strekkende besluiten van haar daartoe bevoegde bestuursorganen. 2. De toetreding gaat in met ingang van een door de deelnemers nader te bepalen datum. 3. Het algemeen bestuur brengt een voorstel tot toetreding aan deze gemeenschappelijke regeling in procedure bij de deelnemers. Artikel 9.2 Uittreding 1. Een deelnemer kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van een daartoe strekkend besluit van haar bestuursorgaan. 2. De opzegging geschiedt met in achtneming van een opzegtermijn van tenminste twee jaar. 3. De uittreding vindt plaats op 1 januari na het verstrijken van de opzegtermijn. 4. De uittredende deelnemer en het algemeen bestuur houden de kosten die verband houden met de uittreding zo laag mogelijk. 5. De uittredende deelnemer betaalt in jaar een van uittreding 66% en in jaar twee 33% van de bijdrage aan de begroting die de deelnemer voldeed in het jaar voorafgaand aan de uittreding. 6.
Tot aan de datum van de uittreding behoudt de uittredende deelnemer alle rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke regeling. 7. De deelnemers kunnen afwijken van het eerste tot en met het vijfde lid, voor zover toepassing, gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 8. Het algemeen bestuur brengt indien sprake is van een afwijking als bedoeld in het zevende lid, een voorstel met daarin de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van de uittreding in procedure bij de deelnemers. Artikel 9.3 wijziging Het algemeen bestuur brengt een voorstel tot wijziging van deze gemeenschappelijke regeling in procedure bij de deelnemers. Artikel 9.4 Opheffing 1. Deze gemeenschappelijke regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur worden opgeheven door een daartoe strekkend besluit van de betrokken bestuursorganen van de deelnemers. 2. Het voorstel, bedoeld in het eerste lid, bevat: a. een liquidatieplan waarover alle deelnemers zijn geraadpleegd; b. de verplichting voor de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen in de opheffing; en c. de gevolgen die de opheffing heeft voor de medewerkers van de omgevingsdienst, waarbij de toewijzing van medewerkers aan de deelnemers plaats vindt naar rato van afname.
Paragraaf 10 Geschillen, bezwaarschriften, klachten Artikel 10.1 Informele aanpak interne geschillen of interne bezwaarschriften 1. Indien sprake is van een geschil of een bezwaarschrift met betrekking tot een besluit op grond van een bepaling in deze regeling, wordt dit geschil eerst informeel door partijen besproken in aanwezigheid van een door partijen gezamenlijk gekozen onafhankelijke bemiddelaar. 2. Partijen dragen samen de kosten voor de onafhankelijke bemiddelaar.
3.
Indien het informele gesprek niet leidt tot een oplossing van het bezwaar neemt het bestuur van het openbaar lichaam een beslissing op het bezwaar.
Artikel 10.2 Interne klachten 1. Het bestuur van het openbaar lichaam draagt ingevolge artikel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen. 2. Het bestuur kan de afhandeling van klachten mandateren aan de directeur. Paragraaf 11 Slotbepalingen Artikel 11.1 Evaluatie 1. Het dagelijks bestuur zendt in 2028 en vervolgens telkens na vier jaar een verslag aan het algemeen bestuur: a. over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk; b. over het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers. 2. Het verslag uit het eerste lid, onder b, bevat een samenvatting van de in de afgelopen vier jaar uitgevoerde evaluaties en rapporten over het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers. 3. Het algemeen bestuur overlegt het verslag van de evaluatie en de daaruit getrokken conclusies, bedoeld in het eerste lid, aan de deelnemers. Artikel 11.2 Intrekking De Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Brabant Noord wordt ingetrokken. Artikel 11.3 Omhangbepaling Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de volgende regelingen mede op deze regeling: a. Reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur omgevingsdienst Brabant-Noord; b. Archiefverordening Omgevingsdienst Brabant Noord; c.
Klachtenregeling ODBN 2019; d. Financiële verordening Omgevingsdienst Brabant Noord 2023; e. Treasurystatuut Omgevingsdienst Brabant Noord 2023; f. Directiestatuut Omgevingsdienst Brabant Noord; g. Algemeen delegatiebesluit omgevingsdienst Brabant Noord; h. Verordening elektronische bekendmaking en kennisgeving Omgevingsdienst Brabant Noord 2019; i. Controleverordening Omgevingsdienst Brabant Noord 2023. Artikel 11.4 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 11.5 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant Noord 2024.
’s-Hertogenbosch, Gedeputeerde Staten voornoemd, de voorzitter,
de secretaris,
mr. I.R. Adema
drs. G.H.E. Derks MPA
Bernheze[datum] Het college van de gemeente Bernheze voornoemd,
de voorzitter,
de secretaris,
Boekel, [datum] Het college van de gemeente Boekel voornoemd,
de voorzitter,
de secretaris,
Boxtel, [datum] Het college van de gemeente Boxtel voornoemd, de voorzitter,
de secretaris,
Land van Cuijk, [datum] Het college van de gemeente Land van Cuijk voornoemd,
de voorzitter,
de secretaris,
Maashorst, [datum] Het college van de gemeente Maashorst voornoemd,
de voorzitter,
de secretaris,
Meijerijstad, [datum] Het college van de gemeente Meijerijstad voornoemd,
de voorzitter,
de secretaris,
Oss, [datum] Het college van de gemeente Oss voornoemd
de voorzitter, idem
de secretaris,
’s-Hertogenbosch, [datum] Het college van de gemeente ’s-Hertogenbosch voornoemd,
de voorzitter,
de secretaris,
Sint-Michielsgestel, [datum] Het college van de gemeente Sint-Michielsgestel voornoemd,
de voorzitter,
de secretaris,
Vught, [datum] Het college van de gemeente Vught voornoemd,
de voorzitter,
de secretaris,
Toelichting behorende bij de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant Noord 2024. I. Algemeen deel In de provincie Noord-Brabant zijn omgevingsdiensten ingesteld om ten behoeve van de deelnemers taken op een efficiënte en doelmatige wijze uit te voeren op het gebied van het omgevingsrecht en om als verlengstuk van het lokaal en provinciaal bestuur een bijdrage te leveren aan het realiseren en borgen van de kwaliteit en veiligheid van de fysieke werk- en leefomgeving van de verschillende regio’s in de provincie Noord-Brabant. Op 1 juli 2022 is de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) in werking getreden. Lokale overheden werken steeds meer en intensiever met elkaar samen. Dat gebeurt op verschillende niveaus en op verschillende manieren. De Wet gemeenschappelijke regelingen maakt publiekrechtelijke samenwerking mogelijk tussen provincies en gemeenten. In gemeenschappelijke regelingen dragen besturen van gemeenten en provincies in meer of mindere mate bevoegdheden over aan het bestuur van een samenwerkingsverband. De afgelopen jaren is uit verschillende onderzoeken gebleken dat volksvertegenwoordigers (gemeenteraden en provinciale staten) een te grote afstand ervaren tot gemeenschappelijke regelingen. Daardoor komt de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen volgens de wetgever onder druk te staan.
Met deze wetswijziging uit 2022 is beoogd om de betrokkenheid van volksvertegenwoordigers bij het bestuur van een samenwerkingsverband te verbeteren. Vanwege het grote aantal aanwijzings-technische wijzigingen is ervoor gekozen de oude regeling in te trekken en een geheel nieuwe regeling vast te stellen. Daar waar de wet dwingend dan wel uitputtend regels stelt is volstaan met het opnemen van deze regels in de toelichting en zijn deze regels niet meer in de tekst van de gemeenschappelijke regeling zelf opgenomen. Tevens is de nieuwe regeling opgesteld met inachtneming van de Aanwijzingen voor de Provinciale Regeling Noord-Brabant. Grondslag De bevoegdheid tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten en provincies is geregeld in artikel 51 van de Wgr. Bevoegdheid Artikel 51, eerste lid van de Wgr bepaalt dat de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van een of meer gemeenten, afzonderlijk of tezamen, met provinciale staten, de colleges van Gedeputeerde Staten of de commissarissen van de Koning, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente, onderscheidenlijk provincie bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling kunnen treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die gemeenten of provincies.
In het vijfde lid is bepaald dat onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling ook wordt verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een regeling. Procedure De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, onderscheidenlijk de colleges van Gedeputeerde Staten en commissarissen van de Koning zenden het ontwerp van de regeling toe aan de raden van de deelnemende gemeenten, onderscheidenlijk Provinciale Staten van de deelnemende provincies, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de vertegenwoordigende organen van de deelnemende gemeenten en provincies Zienswijze De raden van de deelnemende gemeenten, onderscheidenlijk Provinciale Staten van de deelnemende provincies kunnen bij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van hun gemeente, onderscheidenlijk de colleges van Gedeputeerde Staten en de commissarissen van de Koning van hun provincie, binnen acht weken hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de raden of Provinciale Staten geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, onderscheidenlijk de colleges van Gedeputeerde Staten en de commissarissen van de Koning, hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.
Toestemming Een college van burgemeester en wethouders en een burgemeester, onderscheidenlijk een college van Gedeputeerde Staten en de commissaris van de Koning gaat niet over tot het treffen van een regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraad, onderscheidenlijk provinciale staten. Onthouding toestemming De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. II. Artikelsgewijs deel Artikel 1.2 Openbaar lichaam Eerste lid instelling Artikel 8, eerste lid, van de Wgr, bepaalt dat bij de gemeenschappelijke regeling een openbaar lichaam kan worden ingesteld en dat dat openbaar lichaam een rechtspersoon is. Dit lid voorziet in de instelling van het openbaar lichaam. Tweede lid Vestigingsplaats Artikel 10, derde lid, van de Wgr, bepaalt dat in de gemeenschappelijke regeling de plaats van vestiging dient te worden aangewezen. Artikel 1.3 Participatie De deelnemers hebben ervoor gekozen om beperkte participatiebepalingen op te nemen in deze gemeenschappelijke regeling, omdat de omgevingsdiensten slechts uitvoeringsorganisaties zijn, die in mandaat taken van de deelnemers uitvoeren. Deze uitvoering is volledig beleidsarm. De ODBN kan optreden als adviseur bij het formuleren van beleid, maar de beleidskeuzes worden gemaakt bij de deelnemers zelf.
Participatie en inspraak door ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid verloopt derhalve via de deelnemers en daar is ook de inspraak aan de orde. Het dagelijks bestuur kan besluiten dat een apart participatietraject kan worden doorlopen bij besluiten met ingrijpende gevolgen. Wat ingrijpende gevolgen zijn is aan het dagelijks bestuur om te wegen. Artikel 1.4 Zienswijze Artikel 10, vijfde lid, van de Wgr regelt dat besluiten tot het vaststellen van de begroting en besluiten als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb niet kunnen worden aangewezen voor zienswijzen, omdat deze reeds open staan voor zienswijzen. Artikel 2.4 Algemene leveringsvoorwaarden De deelnemers van de ODBN hebben sinds enkele jaren bewust de keuze gemaakt om in Algemene leveringsvoorwaarden vast te leggen op welke wijze, en onder welke voorwaarden, diensten worden verleend aan de deelnemers. Dit wordt gezien als een verbetering ten opzichte van voorheen, toen met elke deelnemer een separate dienstverleningsovereenkomst moest worden aangegaan. Deze werkwijze is daarom gehandhaafd in deze nieuwe gemeenschappelijke regeling. Artikel 2.5 Taken voormalig Regionaal Milieubedrijf Brabant Noordoost De taken van het voormalig Regionaal Milieubedrijf Brabant Noordoost omtrent afvalverwerking en sanering verkeerslawaai worden voortgezet zoals reeds overeengekomen.
De deelnemers eerbiedigen reeds gemaakte bestuursovereenkomsten maar kunnen met de nieuwe bepaling ook gemaakte afspraken wijzigen en nieuwe afspraken maken zonder dat de gemeenschappelijke regeling daarvoor dient te worden aangepast. Het is daarmee mogelijk voor de deelnemers om sneller in te spelen op gewijzigde omstandigheden en nieuwe inzichten. Artikel 3.1 Samenstelling en aanwijzing Artikel 52, eerste lid, juncto artikel 13, derde lid, van de Wgr, schrijft voor dat in de gemeenschappelijke regeling dient te worden bepaald wat het aantal aangewezen leden per deelnemer is. Het eerste lid voorziet hierin. De deelnemers in deze gemeenschappelijke regeling hebben ervoor gekozen om per deelnemer een lid
aan te wijzen. Er is daarbij geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden die artikel 13, vierde lid, onder a en c, en vijfde lid, onder a en b van de Wgr biedt. Bij verkiezingen is het gebruikelijk dat de nieuwe leden en hun plaatsvervangers worden aangewezen in de eerste vergadering van de colleges of Gedeputeerde Staten in de nieuwe samenstelling. Het is niet noodzakelijk een termijn te noemen bij de aanwijzing. Het lidmaatschap duurt voort totdat een van de redenen van beëindiging, opgenomen in artikel 3.3, zich voordoet. Gewezen leden kunnen, indien zij nog steeds voldoen aan de vereisten, eventueel weer opnieuw als lid worden aangewezen. Artikel 3.2 Incompatibiliteit Dit artikel voorkomt dat ambtenaren die zowel ambtenaar zijn in een van de deelnemende gemeenten, als wethouder in een van de andere deelnemende gemeenten, deel kunnen uitmaken van het algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling. Dit is namelijk niet geregeld in de Wgr. Artikel 3.3 Einde lidmaatschap Eerste lid Aanvulling beëindigingsgronden Artikel 13, tweede lid, van de Wgr, bepaalt reeds dat het lidmaatschap van het algemeen bestuur van rechtswege eindigt, zodra men ophoudt lid of voorzitter te zijn van de raad of Provinciale Staten uit wiens midden men is aangewezen dan wel ophoudt wethouder of lid van Gedeputeerde Staten van de desbetreffende deelnemende gemeente respectievelijk provincie te zijn.
De bepalingen in dit lid zijn daar een aanvulling op. Eerste lid, onderdeel b, onder 2 Vertrouwen Artikel 16, vierde lid, van de Wgr, bepaalt dat de gemeenschappelijke regeling bepalingen dient in te houden omtrent de bevoegdheid van de raad, een door hem aangewezen lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van de raad niet meer bezit. De bepaling in dit onderdeel voorziet in deze bevoegdheid. Tweede lid Plaatsvervanger Bij het bestaan van een of meerdere vacatures blijft het algemeen bestuur bevoegd om besluiten te nemen. De procedure met betrekking tot het quorum is reeds in de Wgr geregeld. Artikel 3.4 Vergaderingen Algemeen Artikel 22 van de Wgr is van toepassing op vergaderingen van het algemeen bestuur. Het eerste lid van artikel 22 van de Wgr bepaalt daarbij dat op het houden en de orde van de vergaderingen van het algemeen bestuur tevens de artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover daarvan in de Wgr niet is afgeweken.
Artikel 52, eerste lid, van de Wgr bepaalt vervolgens dat indien er sprake is van een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten en provincies voor de artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet, gelezen moet worden de artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de Provinciewet. Verplichtingen artikel 22 Wgr Openbaarheid Het tweede lid van artikel 22 van de Wgr bepaalt dwingend dat de vergaderingen van het algemeen bestuur openbaar zijn. In afwijking daarvan kan het algemeen bestuur besluiten dat de vergaderingen besloten zijn, indien: a. een vijfde van de aanwezige leden hierom verzoekt; of b. de voorzitter dit nodig acht. Verplichtingen Provinciewet De bepalingen uit de Provinciewet die in de Wgr van overeenkomstige toepassing zijn verklaard houden voor de vergaderingen van het algemeen bestuur het volgende in: a. reglement van orde
Overeenkomstig artikel 16 van de Provinciewet dient het algemeen bestuur een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast te stellen. Het Reglement van orde of wijzigingen van het reglement worden ingevolge de Bekendmakingswet gepubliceerd in het eigen publicatieblad; b. vergaderfrequentie Overeenkomstig artikel 22, tweede lid van de Wgr, juncto artikel 17 van de Provinciewet, vergadert het algemeen bestuur: 1. zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar jaarlijks tenminste tweemaal; 2. indien de voorzitter het nodig oordeelt; of 3. indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit het algemeen bestuur bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt; c. oproeping Overeenkomstig artikel 19 van de Provinciewet: 1. roept de voorzitter de leden schriftelijk tot de vergadering op; 2. brengt de voorzitter tegelijkertijd met de oproeping dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis; 3. worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze, de agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de informatie waarop een verplichting tot geheimhouding rust, ter inzage gelegd; d.
quorum Overeenkomstig artikel 20 van de Provinciewet wordt de vergadering van het algemeen bestuur niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Indien de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar artikel 22 van de Wgr, juncto artikel 20 van de Provinciewet, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. Op die nieuwe vergadering, is het quorum niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerste niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is; e. vervolging Overeenkomstig artikel 22 van de Provinciewet kunnen de leden en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van het algemeen bestuur hebben gezegd of aan het algemeen bestuur schriftelijk hebben overgelegd; f.
ordehandhaving Overeenkomstig artikel 26 van de Provinciewet zorgt de voorzitter voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken. Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen en hij kan het algemeen bestuur voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd. g. stemming Overeenkomstig artikel 28 van de Provinciewet neemt een lid van het algemeen bestuur niet deel aan de beraadslaging en stemming over: 1. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; 2. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort. Op die beraadslaging en stemming is artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. Het niet deelnemen aan de beraadslaging en stemming geldt niet bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden;
h. geldigheid stemming Overeenkomstig artikel 29 van de Provinciewet is een stemming alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. Dit geldt niet indien: 1. opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was; 2. er sprake is van een nieuwe vergadering als bedoeld in artikel 20 van de Provinciewet, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld. i. beslissing bij stemming Overeenkomstig artikel 30 van de Provinciewet wordt voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje; j. stemming over personen Overeenkomstig artikel 31 van de Provinciewet is de stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geheim. Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden.
Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot; k. overige stemmingen Overeenkomstig artikel 32 van de Provinciewet geschieden de overige stemmingen bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling. Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen. Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit het algemeen bestuur bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht; l. ondertekening Overeenkomstig artikel 32a van de Provinciewet worden de stukken die van het algemeen bestuur uitgaan, door de voorzitter ondertekend en door de secretaris medeondertekend.
Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter worden de stukken die van het algemeen bestuur uitgaan ondertekend door degene die de voorzitter van het algemeen bestuur vervangt. Het algemeen bestuur kan de voorzitter toestaan de ondertekening op te dragen aan de secretaris of aan een of meer andere bij de secretaris werkzame ambtenaren. In dat geval blijft medeondertekening achterwege. Dit kan door het algemeen bestuur geregeld worden in het reglement van orde; m. bijstand Overeenkomstig artikel 33 van de Provinciewet hebben het algemeen bestuur en elk van zijn leden recht op ambtelijke bijstand. Het algemeen bestuur stelt met betrekking tot de ambtelijke bijstand een verordening vast. Eerste lid Vergaderfrequentie In aanvulling op artikel 22, tweede lid van de Wgr, juncto artikel 17 van de Provinciewet, is hier geregeld dat in ieder geval een extra vergadering wordt uitgeschreven indien een of meer leden van het dagelijks bestuur moeten worden benoemd. Tweede lid Niet openbaar Het algemeen bestuur kan op grond van artikel 23 van de Wgr, geheimhouding opleggen omtrent de inhoud van het verslag. Derde lid Uitzondering In het derde lid is geregeld in welke gevallen de deelnemers van de gemeenschappelijke regeling het onwenselijk vinden dat daarover beraadslaagd of besloten wordt in een besloten vergadering.
Artikel 3.5 Besluitvorming Zie toelichting bij artikel 3.4 omtrent de reguliere stemverhoudingen. Artikel 52, eerste lid, juncto artikel 13, vierde lid, onder c, van de wet geeft de mogelijkheid om besluiten aan te wijzen waarover met gekwalificeerde meerderheid dient te worden besloten. Het tweede lid van artikel 3.5 voorziet hier in. Artikel 3.6 Taken en bevoegdheden Eerste lid Onverminderd In de Wgr zijn reeds via attributie diverse bevoegdheden toegekend aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur stelt ingevolge artikel 58 Wgr de begroting en de jaarrekening vast. Het eerste lid van dit artikel vormt hier een aanvulling op. Eerste lid, onder d Oprichting en deelneming Artikel 55a van de Wgr bepaalt dat het algemeen bestuur van het openbaar lichaam slechts kan besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien de gemeenschappelijke regeling in deze mogelijkheid voorziet en indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Onderdeel d voorziet in deze bevoegdheid.
Het tweede lid van artikel 55a bepaalt dat het besluit niet wordt genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten van de deelnemende provincies een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam. Tweede lid Niet overdragen In artikel 57a van de Wgr zijn de bevoegdheden benoemd die niet mogen worden overdragen aan het dagelijks bestuur. Het algemeen bestuur kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid tot: a. het vaststellen van de begroting of van de jaarrekening, bedoeld in artikel 58 van de Wgr; b. het heffen van rechten, bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder a, van de Wgr; c. het vaststellen van verordeningen door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven. In het tweede lid zijn aanvullende bevoegdheden opgenomen die niet kunnen worden overgedragen. Derde lid Commissie Artikel 25, eerste en vijfde lid, van de Wgr regelt de vereisten voor het instellen van een commissie, waaronder: a. de bevoegdheden; b. de samenstelling; c. de werkwijze van de commissie; d. de openbaarheid van vergaderingen; e. de voorbereiding, de uitvoering en de openbaarmaking van besluiten van de commissie; f. het toezicht van het algemeen, respectievelijk het dagelijks bestuur op de uitoefening van bevoegdheden van die commissie; g.
de verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van het algemeen en het dagelijks bestuur; h. de verantwoording aan het algemeen bestuur. Dit lid regelt de aanvullende vereisten. Artikel 4.1 Samenstelling Artikel 14, eerste lid, van de Wgr, bepaalt dat het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit de voorzitter en twee of meer andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen, met inachtneming van het daaromtrent in de regeling bepaalde. De aldus aangewezen leden van het dagelijks bestuur mogen niet allen afkomstig zijn uit dezelfde gemeente. Het tweede en derde lid bepalen dat wanneer de aard van de regeling daartoe aanleiding geeft, één of meer leden van het dagelijks bestuur, niet zijnde de voorzitter, kunnen worden aangewezen van buiten de kring van het algemeen bestuur, met dien verstande dat op deze wijze aangewezen leden nimmer de meerderheid van het dagelijks bestuur mogen uitmaken. De leden van het dagelijks bestuur mogen nimmer de meerderheid van
het algemeen bestuur uitmaken, tenzij sprake is van een regeling als bedoeld in artikel 13, zevende lid, van de Wgr, met minder dan zes deelnemende gemeenten. Artikel 4.2 Einde lidmaatschap Artikel 4.3 Vergaderingen De deelnemers hebben besloten op de vergaderingen van het dagelijks bestuur de artikelen 52 tot en met 57, artikel 59a en artikel 60 van de Provinciewet van toepassing te verklaren. a. reglement van Orde Overeenkomstig artikel 52 van de Provinciewet dient het dagelijks bestuur een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden vast te stellen, dat aan de deelnemers wordt toegezonden. overeenkomst 54, tweede lid, van de Provinciewet kan het reglement van orde kan regels bevatten omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van het dagelijks bestuur. b. oproeping Overeenkomstig artikel 53 van de Provinciewet: a. stelt de voorzitter, met inachtneming van hetgeen het dagelijks bestuur hebben bepaald, dag en plaats van de vergadering van het dagelijks bestuur en het tijdstip van de opening vast, en b. maakt de voorzitter dag en plaats van te houden openbare vergaderingen en het tijdstip van de opening bekend. c. rol voorzitter Overeenkomstig artikel 53a van de Provinciewet: a. bevordert de voorzitter de eenheid van het beleid van het dagelijks bestuur; b.
kan de voorzitter onderwerpen aan de agenda voor een vergadering van het dagelijks bestuur toevoegen; c. kan de voorzitter ten aanzien van geagendeerde onderwerpen een eigen voorstel aan het dagelijks bestuur voorleggen. d. openbaarheid vergadering Overeenkomstig artikel 54 van de Provinciewet worden de vergadering van het dagelijks bestuur met gesloten deuren gehouden, voor zover het dagelijks bestuur niet anders hebben bepaald. e. quorum Overeenkomstig artikel 56 van de Provinciewet wordt de vergadering van het dagelijks bestuur niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar artikel 22 van de Wgr, juncto artikel 56 van de Provinciewet, opnieuw een vergadering. Op die nieuwe vergadering, is het quorum niet van toepassing. Het dagelijks bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerste niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien tenminste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. f.
vervolging Overeenkomstig artikel 57 van de Provinciewet kunnen de leden van het dagelijks bestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergadering van het dagelijks bestuur hebben gezegd of aan het dagelijks bestuur schriftelijk hebben overgelegd. g. ondertekening Overeenkomstig artikel 59a, van de Provinciewet, worden de stukken die van het dagelijks bestuur uitgaan, door de voorzitter ondertekend en door de secretaris medeondertekend. Het dagelijks bestuur kan de voorzitter toestaan de ondertekening op te dragen aan een ander lid van het dagelijks bestuur, aan de secretaris of aan een of meer andere omgevingsdienst ambtenaren. In dat geval is de medeondertekening door de secretaris niet van toepassing. h. kennisgeving Overeenkomstig artikel 60 van de Provinciewet kan het algemeen bestuur regelen van welke beslissingen van het dagelijks bestuur aan de leden van algemeen bestuur kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan. Het dagelijks bestuur laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang. Het dagelijks bestuur maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de omgevingsdienst gebruikelijke wijze openbaar.
Hij laat de openbaarmaking achterwege in de gevallen waarin een verplichting tot geheimhouding geldt of wanneer openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
Artikel 4.4 Besluitvorming De deelnemers hebben besloten op de besluitvorming van het dagelijks bestuur de artikelen 58 en 59 van de Provinciewet van toepassing te verklaren. a. Stemming Overeenkomstig artikel 58 juncto 28, eerste tot en met vierde lid, van de Provinciewet neemt een lid van het dagelijks bestuur niet deel aan de beraadslaging en stemming over: 1. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; 2. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort. Op die beraadslaging en stemming is artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. Het niet deelnemen aan de beraadslaging en stemming geldt niet bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden; b. Beslissing bij stemming Overeenkomstig 58 juncto artikel 30 van de Provinciewet wordt voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.
Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje. Artikel 4.5 Taken en bevoegdheden In de artikelen 19a, 19b en 57b van de Wgr, zijn de taken en bevoegdheden aangegeven die het dagelijks bestuur in ieder geval heeft. Artikel 4.5 vormt daar een aanvulling op. Artikel 19a Wgr 1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 2. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 3. Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van een lid van het dagelijks bestuur heeft besloten. Artikel 19b Wgr 1.
Over al hetgeen het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan betreft dient het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het provinciebestuur desgevraagd van bericht en raad. 2. Het dagelijks bestuur, het bestuur onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan doet mededeling van het verzoek en de inhoud daarvan aan de deelnemers. Artikel 57b Wgr Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd: a. het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast; b. beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren; c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam; d. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 55a van de Wgr; e.
te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.
Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit. Artikel 5.1 Voorzitter Artikel 13, negende lid, van de Wgr, bepaalt dat de voorzitter van het openbaar lichaam door en uit het algemeen bestuur wordt aangewezen, met inachtneming van het daaromtrent in de regeling bepaalde. In dit artikel is bepaald dat het algemeen bestuur tevens een plaatsvervanger door en uit haar midden aanwijst. De voorzitter is zowel de voorzitter van het openbaar lichaam, het algemeen bestuur als het dagelijks bestuur. Overeenkomstig artikel 32a van de Provinciewet tekent de voorzitter alle stukken die van het algemeen bestuur uitgaan. De deelnemers hebben ervoor gekozen ook artikel 59a van de Provinciewet overeenkomstig toe te passen op de ondertekening van stukken van het dagelijks bestuur, zodat ook die door de voorzitter worden ondertekend. Zie ook de toelichting bij de artikelen 3.4 en 4.3 in deze regeling inzake de vergaderorde. Artikel 5.2 Directeur Ingevolge de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) beslist het dagelijks bestuur over het aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met de directeur. Sinds de invoering van de Wnra betreft de arbeidsovereenkomst met een ambtenaar een privaatrechtelijke overeenkomst.
Het dagelijks bestuur regelt bij de arbeidsovereenkomst ook het salaris en eventuele overige emolumenten van de directeur. De ondertekening van de arbeidsovereenkomst met de directeur, maar ook met de overige ambtenaren in dienst van de omgevingsdienst gebeurt door de voorzitter. De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten rechte ingevolge artikel 57d, eerste lid, van de Wgr. Het tweede lid bepaalt dat de voorzitter de vertegenwoordiging, waaronder het namens de omgevingsdienst ondertekenen van arbeidsovereenkomsten, via volmacht kan opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon, bijvoorbeeld de directeur, met uitzondering van de ondertekening van de arbeidsovereenkomst van de directeur zelf. Artikelen 6.1 en 6.2 Externe verantwoording en externe inlichtingenplicht Artikel 16 van de Wgr en artikel 17, eerste lid, van de Wgr bepalen dat de gemeenschappelijke regeling bepalingen dient in te houden omtrent: a. de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam door het college of Gedeputeerde Staten die dit lid heeft aangewezen, ter verantwoording kan worden geroepen voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid; b.
de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam aan het college of Gedeputeerde Staten die dit lid heeft aangewezen, de door een of meer leden van dat college of Gedeputeerde Staten die raad gevraagde inlichtingen dient te verstrekken; c. de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen worden verstrekt; d. de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld onder c, worden verstrekt. De artikelen 6.1 en 6.2 voorzien in al deze verplichtingen. Waarbij nog een extra verantwoordingsplicht en inlichtingenplicht is vastgelegd richting de raden en Provinciale Staten. Bij het afleggen van verantwoording ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wgr of het verstrekken van inlichtingen ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Wgr, verschaft een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam over zaken waaromtrent krachtens artikel 23 van de Wgr geheimhouding is opgelegd slechts informatie, indien krachtens het bepaalde voor het orgaan dat het lid heeft aangewezen geheimhouding is opgelegd. Laatstbedoelde geheimhouding kan eerst worden opgeheven, nadat door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam tot opheffing van de geheimhouding is besloten.
Artikel 6.3 Externe actieve inlichtingenplicht Artikel 17, tweede lid van de Wgr bevat de verplichting dat het bestuur van het openbaar lichaam de raden en Provinciale Staten van de deelnemers alle inlichtingen geeft die zij nodig hebben voor uitoefening van hun taken. Het derde lid van artikel 17 van de Wgr bepaalt dat de gemeenschappelijke regeling bepalingen dient in te houden omtrent de wijze waarop de inlichtingen worden verstrekt.
Het is niet mogelijk om te voorzien in een uitputtende regeling over de actieve informatieplicht. Het artikel is derhalve vormgegeven als kapstokartikel waar nader invulling aan kan worden gegeven. Het is aan partijen om daar in overleg nadere afspraken over te maken. Het artikel omvat een zelfde bepaling als de actieve informatieplichten tussen het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad en Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten. Het bestuur van het openbaar lichaam informeert de raden en Provinciale Staten schriftelijk over ontwikkelingen die hij van belang acht en die de raden en Provinciale Staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Hierbij kan gedacht worden aan ontwikkelingen in het beleid en onvoorziene ontwikkelingen in de organisatie. De vorm waarop de inlichtingen kunnen worden verstrekt is schriftelijk, danwel op een andere passende wijze, zoals bijvoorbeeld een webinar, een informatiebrief na vergaderingen, reguliere bijeenkomsten. Het staat de raden en Provinciale Staten vrij om aan te geven aan welke informatie zij aanvullend behoefte hebben en de wijze waarop zij deze informatie wensen te ontvangen. Artikel 6.4 Interne inlichtingenplicht Artikel 19a, tweede lid, van de Wgr regelt dat het dagelijks bestuur het algemeen bestuur alle inlichtingen geeft die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
Artikel 6.4 is aanvullend op de verplichtingen van de Wgr. Artikel 6.5 Geheimhouding In artikel 23, eerste lid, van de Wgr, is geregeld dat het algemeen bestuur in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het algemeen bestuur worden overgelegd, geheimhouding kan opleggen. Deze geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Het tweede lid bepaalt dat op grond van de belangen genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid de geheimhouding eveneens kan worden opgelegd door het dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam en door een commissie als bedoeld in artikel 24 of 25 van de Wgr, ieder ten aanzien van stukken die zij aan het algemeen bestuur of aan de leden van het algemeen bestuur overleggen. Daarvan dient dan op de stukken melding te worden gemaakt. In de bepalingen over de secretaris is dat geregeld in deze regeling.
In het derde lid is vervolgens geregeld dat de aan het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding vervalt, indien de oplegging niet door het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, tezamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen, is bezocht, wordt bekrachtigd. Het vierde lid bepaalt dat de aan leden van het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding door hen in acht wordt genomen totdat het orgaan, dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het onderwerp waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan het algemeen bestuur is voorgelegd, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Het algemeen bestuur kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, tezamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen, is bezocht.
Bij het afleggen van verantwoording ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wgr of het verstrekken van inlichtingen ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Wgr, verschaft een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam over zaken waaromtrent krachtens artikel 23 van de Wgr geheimhouding is opgelegd slechts informatie, indien krachtens het bepaalde voor het orgaan dat het lid heeft aangewezen geheimhouding is opgelegd. Laatstbedoelde geheimhouding kan eerst worden opgeheven, nadat door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam tot opheffing van de geheimhouding is besloten. Artikel 7.1 Begroting en jaarrekening De procedure inzake de begroting en de jaarrekening van de omgevingsdienst is reeds dwingend geregeld in artikel 58, 58a, 58b en 59 van de Wgr. Daarom zijn de bepalingen niet opgenomen in de regeling zelf. Artikel 59. Zevende lid van de Wgr is daarbij ook van belang, want dit lid bevat een koppelbepaling, waardoor ook de artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 58 Wgr 1. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 58a Wgr 1. Indien het openbaar lichaam een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiëleverhoudingswet ontvangt van het Rijk of middelen ontvangt van de deelnemende provincies en gemeenten, die afkomstig zijn uit een specifieke uitkering, zijn de artikelen 17a en 17b van de Financiëleverhoudingswet op de informatie ten behoeve van de verantwoording over deze middelen, van overeenkomstige toepassing op het openbaar lichaam, met dien verstande dat: a.
voor gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders wordt gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam; b. de in artikel 17b, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet bedoelde opschorting betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid, Financiële-verhoudingswet aan de provincies en gemeenten die aan de regeling deelnemen. 2. De ingevolge artikel 186, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Gemeentewet gestelde regels, alsmede het vierde tot en met het achtste lid van dat artikel, zijn van overeenkomstige toepassing op het openbaar lichaam, met dien verstande dat: a. voor het college wordt gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam; b. de in artikel 186, achtste lid, van de Gemeentewet bedoelde opschorting betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid, Financiële-verhoudingswet aan de provincies en gemeenten die aan de regeling deelnemen. Artikel 58b Wgr Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan Provinciale Staten van de deelnemende provincies. Artikel 59 Wgr 1.