Agendabundel
Tekst van het document
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan Provinciale Staten van de deelnemende provincies. 2. De ontwerp-begroting wordt door de zorg van de deelnemende gemeenten en provincies voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raad van een deelnemende gemeente en Provinciale Staten van een deelnemende provincie kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam stelt de raden van de deelnemende gemeenten en de staten van de deelnemende provincies schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur van het openbaar lichaam zo nodig, de begroting aan de raden der deelnemende gemeenten en de staten der deelnemende provincies, die ter zake bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 6.
Het eerste, derde en vierde lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken. 7. De artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens deze wet niet is afgeweken.
In artikel 7.1 is een aanvulling opgenomen voor de begrotingswijziging in een specifiek geval. Artikel 7.5 Financiële voorschriften Artikel 216 Provinciewet 1. Provinciale Staten stellen bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. De verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. 2. De verordening bevat in ieder geval: a. regels voor waardering en afschrijving van activa; b. grondslagen voor de berekening van door het provinciebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 225; c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie. Artikel 217 Provinciewet 1. Provinciale Staten stellen bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst. 2.
Provinciale Staten wijzen een of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de controle van de in artikel 201 bedoelde jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen. 3. De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde controle aan of: a. de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten en lasten als de grootte en de samenstelling van het vermogen; b. de jaarrekening is opgesteld overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in artikel 190 en c. het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar is. 4. Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval bevindingen over: a. de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de financiële organisatie een getrouwe en rechtmatige verantwoording mogelijk maken en b. de tabel van fouten en onzekerheden voor de specifieke uitkeringen. 5. De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen aan Provinciale Staten en een afschrift daarvan aan Gedeputeerde Staten. 6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de reikwijdte van en de verslaglegging omtrent de accountantscontrole, bedoeld in het tweede lid. 7.
Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in provinciale dienst worden genomen. In dat geval besluiten Provinciale Staten tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst. 8. Indien Provinciale Staten op grond van het tweede lid accountants heeft aangewezen die in provinciale dienst zijn genomen, is: a. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25, 25a en 27 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op deze accountants; b. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 14, 18, 19, 20 en 21 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op de provincie; en c. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 15 en 16 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op de personen die de dagelijkse leiding hebben over het onderdeel van de provincie waarbij de in de aanhef bedoelde accountants werkzaam zijn. 9. Indien een provincie wordt aangewezen als organisatie van openbaar belang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, zijn de artikelen 22 tot en met 24 van die wet van overeenkomstige toepassing op deze provincie. Artikel 217a 1. Gedeputeerde Staten verrichten periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het door hen gevoerde bestuur. Provinciale Staten stellen bij verordening regels hierover. 2.
Gedeputeerde Staten brengen schriftelijk verslag uit aan Provinciale Staten van de resultaten van het periodiek onderzoek.
3.
Gedeputeerde Staten stellen de rekenkamer tijdig op de hoogte van de onderzoeken die zij doen instellen en zenden haar een afschrift van een verslag als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 8.1 Archieven Artikel 40 van de Archiefwet 1995 bepaalt dat een gemeenschappelijke regeling tevens een voorziening dient in te houden omtrent de zorg voor de archiefbescheiden van het bij die regeling ingestelde openbare lichaam. Deze voorziening moet zoveel mogelijk getroffen worden overeenkomstig de bepalingen van de Archiefwet 1995. Omdat de provincie Noord-Brabant deelneemt in de gemeenschappelijke regeling zijn de bepalingen van de Archiefwet 1995 die van toepassing zijn op de provincie van overeenkomstige toepassing op de omgevingsdienst. Het gaat hierbij om de artikelen 27, 28 en 29 van de Archiefwet 1995. In artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 is vervolgens bepaald dat het dagelijks bestuur ten aanzien van hun archiefbescheiden beheersregels vaststelt. In artikel 8.1 is uitvoering gegeven aan de Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit 1995, doordat het algemeen bestuur een archiefverordening dient op te stellen en het dagelijks bestuur regels omtrent informatiebeheer, waarbij de VNG het voortouw heeft genomen om modellen hiervoor te ontwikkelen. Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 41 van de Archiefwet belast met de zorg voor de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Op grond van artikel 40 juncto de artikelen 29 en 33 van de Archiefwet is de archivaris, ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen, voorzover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, onder de bevelen van dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet belast. Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een verordening vast. Het vijfde lid bevat de verplichting om de gevolgen van uittreding uit of opheffing van de gemeenschappelijke regeling ten aanzien van de archiefbescheiden te regelen. Het zesde lid maakt, net als voorheen, duidelijk dat de zorg voor de door deelnemers gemandateerde taken berust bij de deelnemers. Artikel 8.2 Archiefbewaarplaats Onder b Brabants Historisch Informatie Centrum Artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 bepaalt ook dat voorzien moet zijn in voldoende ruimte voor de archiefbescheiden. Voor de omgevingsdiensten in de provincie Noord-Brabant is daartoe het Brabants Historisch Informatiecentrum (BHIC) aangewezen. Het BHIC is gevestigd aan de Zuid-Willemsvaart 2 te ’sHertogenbosch. Artikel 8.3 Archivaris Als archivaris van de omgevingsdienst is aangewezen de archivaris van het BHIC. Deze archivaris beschikt over een diploma archivistiek en voldoende deskundigheid ter zake.
Artikel 8.4 Verantwoording In artikel 19a van de wet is geregeld dat het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur verantwoording schuldig zijn aan het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur daarbij alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Het meest actuele verslag van de archivaris dient daarbij te worden toegevoegd. Artikel 8.4 is een uitwerking van deze wettelijke bepaling, specifiek gericht op de archivering en afgestemd op de Handreiking Inrichting Informatie- en Archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden van november 2021 van het Landelijk overleg van provinciale archiefinspecteurs (LOPAI), de sectie archieftoezicht van de Branchevereniging van Archiefinstellingen in Nederland (BRAIN), de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en het Kennisnetwerk Informatie en Archief (KIA).
Artikel 8.5 Ter beschikking stellen archiefbescheiden De in deze bepaling beschreven procedure ziet op analoge dossiers en heeft geen betrekking op digitale dossiers. Voor het verstrekken van digitale reproducties als gebruikskopie dienen afspraken gemaakt te worden in de algemene leveringsvoorwaarden. Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij die deelnemers. Artikel 9.1 Toetreding Voor toetreding van nieuwe deelnemers moet artikel 51 van de wet in acht worden genomen. Het staat de deelnemers vrij om een toetredingsdatum voor de nieuwe deelnemer af te spreken. Het verdient de voorkeur de inwerkingtreding van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling gelijk te stellen met de gewenste toetredingsdatum van de nieuwe deelnemer. Het algemeen bestuur draagt zorg voor het aanleveren van een voorstel hiertoe. Artikel 9.2 Uittreding Het artikel is een uitwerking van artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9 van de wet over uittreding. Het artikel omvat de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon alsmede de deelnemers. De eerste zes leden bevatten de uitgangspunten van uittreding.
Indien toepassing van deze bepalingen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard kunnen de deelnemers en de uittredende partij, met inachtneming van artikel 51 van de wet, afwijkende afspraken maken. Dit is geregeld in het zevende lid. Het algemeen bestuur draagt in dat geval zorg voor het aanleveren van het voorstel tot uittreding bij de deelnemers. Na de uittreding dienen de gevolgen van de uittreding vervolgens te worden verwerkt in de gemeenschappelijke regeling. Hiervoor wordt het proces van artikel 51 van de wet gevolgd. Overigens is uittreding uit de gemeenschappelijke regeling niet eenvoudig, maar niet onmogelijk. Op grond van artikel 5.3 van de Wabo (Hoofdstuk 18 Omgevingswet) komt het werkgebied van een omgevingsdienst overeen met het gebied van een veiligheidsregio dan wel met het gebied van een kring van aangewezen gemeenten. Een kring wordt bij ministeriële regeling vastgelegd. Door uittreding van een deelnemer wijzigt de kring en kan daarom alleen met aanpassing van de ministeriële regeling geschieden. Artikel 9.3 Wijziging Conform artikel 51 van de wet wordt de gemeenschappelijke regeling gewijzigd indien de colleges en Gedeputeerde Staten daartoe, met toestemming van de raden respectievelijk provinciale staten, eensluidend besluiten. Het algemeen bestuur draagt zorg voor het aanleveren van het voorstel hiertoe.
Artikel 9.4 Opheffing Indien de deelnemers besluiten tot opheffing van het openbaar lichaam draagt het algemeen bestuur zorg voor het opstellen van een liquidatieplan. Het liquidatieplan wordt vooraf ter raadpleging voorgelegd aan de deelnemers. Conform artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9, eerste lid, van de wet vind besluitvorming over opheffing plaats door de deelnemende bestuursorganen. Bij de opheffing van het openbaar lichaam dient tevens de gemeenschappelijke regeling te worden ingetrokken via een intrekkingsregeling. Het algemeen bestuur doet hiervoor een voorstel. Conform artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9, derde lid, van de wet blijft het bij een regeling ingestelde openbaar lichaam na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Artikel 10.1 Informele aanpak interne geschillen of interne bezwaarschriften Eerste lid 1 Informeel gesprek Dit artikel ziet zowel op geschillen als bezwaarschiften. Bij een geschil is geen besluit vereist, maar er is sprake van een geschil als een van de deelnemers of (een bestuursorgaan van) de omgevingsdienst die mening is toegedaan. Zowel bij geschillen als in het stadium dat reeds een formeel bezwaarschrift is ingediend is het belangrijk dat steeds wordt getracht het geschil of bezwaar eerst op informele wijze samen met een onafhankelijke bemiddelaar op te lossen.
Derde lid Beslissing op bezwaar Het orgaan van het bestuur dat het besluit heeft genomen, zijnde het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter van de omgevingsdienst nemen een beslissing op het bezwaarschift, indien het informele gesprek niet tot een oplossing heeft geleid. De partij die het bezwaarschrift heeft ingediend kan daarna de daarvoor bestemde rechtsgang vervolgen. Artikel 10.2 interne klachten Dit artikel is enkel van toepassing op de behandeling van interne klachten over gedragingen van het bestuur van het openbaar lichaam. Dit kan het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn. Klachten over de uitoefening van bevoegdheden van de omgevingsdienst kunnen ook betrekking hebben op gemandateerde bevoegdheden die namens een deelnemer worden uitgevoerd. In die gevallen blijft de deelnemer formeel bevoegd om zelf de klacht af te handelen, maar in de praktijk handelt de omgevingsdienst ook dergelijke klachten zelf af. Artikel 11.1 Evaluatie Algemeen Het algemeen bestuur geeft de opdracht tot evaluatie en bepaalt daarbij of de evaluatie op onderdeel a, op onderdeel b of op beide onderdelen van dit artikel betrekking zal hebben. In het geval het Algemeen bestuur overgaat tot een evaluatie overweegt zij ook op welke wijze de gemeenteraden en Provinciale Staten worden betrokken.
Onder a Doeltreffendheid en effecten Gekozen is voor een periodieke evaluatie van de gemeenschappelijke regeling ligt voor de hand. Bewust is er echter voor gekozen om dit niet meer expliciet voor te schrijven in de gemeenschappelijke regeling, maar het initiatief daarvoor neer leggen bij het algemeen bestuur. De vorm en inhoud van een evaluatieverslag zijn vrij. Mogelijkheden zijn een apart verslag, een rapportage in de begrotingstoelichting, een beleidsnota of een onderdeel van de toelichting bij een wijzigingsregeling. Wat de inhoud betreft geldt als algemene eis dat een adequaat inzicht wordt gegeven in doeltreffendheid en effecten van de regeling in de praktijk. Aangezien de regeling een algemeen kader bevat voor de samenwerking tussen de deelnemers ligt het voor de hand dat de evaluatie van de regeling zich met name beperkt tot een procesmatige evaluatie, waarbij het vooral technische, juridische en procedurele aspecten betreft. Onder b Functioneren Ook het functioneren van de Omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers zelf zal elke vier jaar periodiek geëvalueerd worden. Dat kan een beperkte evaluatie zijn, maar natuurlijk ook een meer omvattende evaluatie naar het functioneren van de samenwerking en het samenwerkingsverband en eventuele verbeterpunten.
Het verslag over het functioneren kan bestaan uit een samenvoeging van de in de afgelopen vier jaar reeds in andere kaders uitgevoerde tussenevaluaties en rapporten over het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers en hoeft geen nieuw verslag te zijn. Artikel 11.2 Intrekking Vanwege het grote aantal aanwijzings-technische wijzigingen is ervoor gekozen de oude regeling in te trekken en een geheel nieuwe regeling vast te stellen. Aan de citeertitel van de nieuwe regeling is het jaartal 2024 toegevoegd om deze nieuwe regeling te onderscheiden van haar voorgangers. Artikel 11.4 Inwerkingtreding Het provinciebestuur dat daartoe bij de regeling is aangewezen, onderscheidenlijk het bestuur van de provincie van de plaats van vestiging, dient ingevolge artikel 26 Wgr, juncto artikel 52, eerste lid, onder l, van de Wgr, de regeling bekend te maken in het door dat provinciebestuur uitgegeven provinciaal blad. Artikel 11.4 regelt dit. De regeling treedt vervolgens in werking de dag na publicatie. De regeling treedt niet in werking voordat zij is bekendgemaakt. Het openbaar lichaam of bij gebreke hiervan, het provinciebestuur, voegt vervolgens in het register, bedoeld in artikel 136, eerste lid, van de Wgr, de gegevens toe, bedoeld in artikel 136, tweede lid, van de Wgr.
Deze procedure is ook van toepassing op besluiten tot wijziging, verlenging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding.
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,
de voorzitter,
de secretaris,
Het college van de gemeente Bernheze,
de voorzitter,
de secretaris,
Het college van de gemeente Boekel,
de voorzitter,
de secretaris,
Het college van de gemeente Boxtel,
de voorzitter,
de secretaris,
Het college van de gemeente Land van Cuijk, de voorzitter,
de secretaris,
Het college van de gemeente Maashorst, de voorzitter,
de secretaris,
Het college van de gemeente Meijerijstad, de voorzitter,
de secretaris,
Het college van de gemeente Oss, de voorzitter,
de secretaris,
Het college van de gemeente ’s-Hertogenbosch, de voorzitter,
de secretaris,
Het college van de gemeente Sint-Michielsgestel, de voorzitter,
de secretaris,
Het college van de gemeente Vught voornoemd, de voorzitter,
de secretaris,
Victorialaan 1 | 5213 JG ’s-Hertogenbosch (088) 743 00 00 info@odbn.nl | www.odbn.nl
Datum Aan Aard voorstel Agendapunt Van AB-woordvoerder Aantal bijlagen
: 3 april 2024 : Algemeen Bestuur : Opiniërend / Besluitvormend :8 : Dagelijks Bestuur : Kees van Rooij : 2 (definitieve ontwerpregeling en Was-Wordt-lijst)
VOORSTEL Onderwerp: Ontwerpregeling Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant Noord 2024 Voorstel:
1. Kennis te nemen van de ingediende zienswijzen op de Ontwerpregeling GR ODBN 2024. 2. In te stemmen met de reactie op de ingediende zienswijzen en de tekst van de Ontwerpregeling GR ODBN 2024 hieraan aan te passen. 3. In te stemmen met de door het Dagelijks Bestuur voorgestelde ambtshalve wijzigingen van de Ontwerpregeling GR ODBN 2024. 4. De colleges van de deelnemers voor te stellen de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant Noord – na verkregen toestemming van de raden en staten te wijzigen conform de definitieve Ontwerpregeling GR ODBN 2024.
1
Victorialaan 1 | 5213 JG ’s-Hertogenbosch (088) 743 00 00 info@odbn.nl | www.odbn.nl
Inleiding De Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) is gewijzigd en dit noopt tot aanpassing van de gemeenschappelijke regeling ODBN (GR ODBN). In uw vergadering van 27 september 2023 heeft u ingestemd met de nieuwe Ontwerpregeling Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant Noord 2024. Alle colleges hebben een voorgenomen besluit genomen om de nieuwe regeling vast te stellen en daarover de zienswijzen van de raden en Provinciale Staten gevraagd. In dit voorstel worden de zienswijzen besproken en welke gevolgen deze hebben voor de ontwerp regeling. Verder zijn er enkele ambtshalve wijzigingen nodig naar aanleiding van enkele gebleken onjuistheden. Ook wordt in dit voorstel de uitkomst van het onderzoek naar de bekostiging van de eeuwigdurende nazorg van de voormalige stortplaats Voorste Heide verwerkt. Op basis daarvan leggen wij u bijgevoegde definitieve Ontwerpregeling voor, met het voorstel om de colleges te verzoeken een voorgenomen besluit te nemen, toestemming aan de gemeenteraad c.q. Provinciale Staten te vragen en de regeling vervolgens definitief vast te stellen. Na definitieve vaststellen door de deelnemers publiceren we de nieuwe GR ODBN 2024 in het Provincieblad, en treedt de regeling daags na publicatie in werking. Beoogd effect Door wijziging van de GR ODBN voldoet de regeling weer aan de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Voor de herziening van de GR ODBN is voor de uitwerking van te maken keuzes aangesloten bij het “Kader wijziging Wet gemeenschappelijke regelingen” van 5 april 2023 waar het AB destijds mee heeft ingestemd. De tekst van de gemeenschappelijke regeling is tot stand gekomen in nauw overleg met de regelgevingsjuristen van de provincie Noord-Brabant en de drie omgevingsdiensten. Hierdoor zijn de regelingen voor zover mogelijk ook geharmoniseerd. Zienswijze procedure Een aantal deelnemers heeft besloten geen (of positieve) zienswijzen in te dienen op de voorgestelde wijziging van de gemeenschappelijke regeling ODBN. Enkele deelnemers hebben wel inhoudelijk zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder weergegeven en voorzien van een reactie. Deelnemer: Provincie
Voorgenomen besluit en zienswijzen: Participatie: De provincie verzoekt u de bepaling met betrekking tot participatie (artikel 1.3 ontwerp
Reactie: Het Dagelijks Bestuur adviseert de ontwerp regeling aan te passen. Kortheidshalve verwijzen 2
Victorialaan 1 | 5213 JG ’s-Hertogenbosch (088) 743 00 00 info@odbn.nl | www.odbn.nl
Deelnemer:
Provincie
Voorgenomen besluit en zienswijzen: regeling) aan te passen zodat een vorm van participatie wordt geregeld. Het vastleggen van het petitierecht is voldoende. Evaluatie: De provincie verzoekt u een termijn van minimaal één keer per vier jaar als frequentie op te nemen in artikel 11.1 van de ontwerpregeling. Waarbij het tijdstip van evaluatie moet aansluiten bij de zittingperiode van de volksvertegenwoordigers van de deelnemers.
Openbaarheid: De provincie verzoekt u proactief en transparant tenminste alle documenten van de bestuursvergaderingen voor het publiek laagdrempelig toegankelijk te maken.
Reactie: wij naar paragraaf Ambtshalve wijzigingen – participatie.
Het Dagelijks Bestuur begrijpt de behoefte van een periodieke evaluatie en adviseert daarom de evaluatiebepaling aan te passen met een periodieke cyclus waarbinnen de evaluatie dient plaats te vinden. Het DB zendt in 2028 en vervolgens telkens na vier jaar een verslag aan het algemeen bestuur. De vorm en inhoud van een evaluatieverslag zijn vrij. Het sluit aan bij de periodieke cyclus voor het uitvoeren van een visitatie bij de omgevingsdiensten onder beheer van Omgevingsdienst NL met als doel het stimuleren tot continue leren en verbeteren van de VTHprocessen en het monitoren van verbeteringen. De agenda’s van de AB vergaderingen worden reeds gepubliceerd met de bijbehorende agendastukken. Wij zullen deze werkwijze in 2024 voortzetten. Deze publicatie geldt niet voor de DB vergaderingen aangezien deze niet openbaar zijn. Voor de DB vergaderingen geldt dat alleen de agenda’s en besluitenlijsten op grond van de Woo op enig moment actief openbaar gemaakt moeten worden (datum inwerkingtreding van deze verplichting is nog niet bekend). De ODBN zal uiteraard aan deze verplichting gaan voldoen. 3
Victorialaan 1 | 5213 JG ’s-Hertogenbosch (088) 743 00 00 info@odbn.nl | www.odbn.nl
Deelnemer:
Voorgenomen besluit en zienswijzen:
Reactie:
Bernheze
Bernheze geeft een positieve zienswijze op de ontwerpregeling. Boekel besloot geen zienswijze in te dienen. Adviescommissie: Boxtel verzoekt u in de regeling de mogelijkheid op te nemen een adviescommissie vanuit de raden in te stellen.
N.v.t.
Boekel Boxtel
Land van Cuijk Maashorst
Meierijstad
Land van Cuijk besloot geen zienswijze in te dienen. Participatie: Maashorst verzoekt u in de regeling te beschrijven hoe er met participatie van burgers en belanghebbenden wordt omgegaan. Meierijstad besloot geen zienswijze in te dienen.
N.v.t. Het Dagelijks Bestuur adviseert om in de regeling geen mogelijkheid op te nemen een adviescommissie in te stellen. De mogelijkheid om een adviescommissie vanuit de raden in te stellen vloeit rechtstreeks voort uit de wet (artikel 24a Wgr) en hoeft daarom niet ook in de ontwerpregeling te worden opgenomen. Overigens hebben de regionale griffiers gecommuniceerd dat de instelling van een adviescommissie geen wezenlijke bijdrage zal leveren aan een betere politieke discussie over het werk van samenwerkingsverbanden. Zij adviseerden om die niet in te stellen. Dat advies is overgenomen in het eerder door het AB vastgestelde kader wet gemeenschappelijke regelingen dat ten grondslag heeft gelegen aan deze ontwerpregeling. N.v.t. Het Dagelijks Bestuur adviseert de ontwerp regeling aan te passen. Kortheidshalve verwijzen wij naar paragraaf Ambtshalve wijzigingen – participatie. N.v.t.
4
Victorialaan 1 | 5213 JG ’s-Hertogenbosch (088) 743 00 00 info@odbn.nl | www.odbn.nl
Deelnemer:
Voorgenomen besluit en zienswijzen: Oss Oss geeft een positieve zienswijze op de ontwerpregeling. ’sEvaluatie: ’s-Hertogenbosch Hertogenbosch verzoekt u de evaluatie van de GR (artikel 11.1 van de ontwerpregeling) een termijn op te nemen en dit niet over te laten aan het Algemeen Bestuur.
SintMichielsgestel Vught
Sint-Michielsgestel besloot geen zienswijze in te dienen. Vught geeft een positieve zienswijze op de ontwerpregeling.
Reactie: N.v.t. Het Dagelijks Bestuur begrijpt de behoefte van een periodieke evaluatie en adviseert daarom de evaluatiebepaling aan te passen met een periodieke cyclus waarbinnen de evaluatie dient plaats te vinden. Zie verder de reactie op de zienswijze van de provincie. N.v.t. N.v.t.
Ambtshalve aanpassingen - Participatie Tijdens de zienswijzetermijn is duidelijk geworden dat het artikel over participatie zoals nu opgenomen in de voorlopige Ontwerpregeling Gemeenschappelijke Regeling ODBN 2024 niet voldoet aan de bedoeling van de wetgever. Door het amendement van mevrouw Bromet is het wetsvoorstel tot aanpassing van de Wgr aangescherpt en dient een bepaalde vorm van participatie te worden opgenomen in de gemeenschappelijke regeling. In een overleg met de wetgevingsjuristen van de provincie is in artikel 1.3 een nieuw participatie artikel opgesteld dat luidt als volg: 1. Ingezetenen van de deelnemers en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden of Provinciale Staten van de deelnemers betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. Door allen wordt onderschreven dat voor een beleidsarme organisatie als een omgevingsdienst het uitgangspunt moet zijn en blijven dat participatie in beginsel via de deelnemers verloopt.
Daar wordt immers het beleid gemaakt en dat is het moment waarop participatie door burgers het meest direct invloed heeft op de beleidsvorming en daarmee op de leefomgeving voor die burgers. Dit uitgangspunt is correct omschreven in lid 1 van het voorgestelde artikel.
5
Victorialaan 1 | 5213 JG ’s-Hertogenbosch (088) 743 00 00 info@odbn.nl | www.odbn.nl
Participatie zoals in de Wgr omschreven ziet echter ook op de uitvoering of evaluatie van beleid. In lid 2 wordt daarom opgenomen dat het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst bij voor de burgers ingrijpende besluiten kan besluiten tot een participatie traject. Wat dan ingrijpende gevolgen zijn is aan het dagelijks bestuur om af te wegen. Ambtshalve aanpassingen – Bekostiging taken voormalig RMB In de bestaande gemeenschappelijke regeling is een regeling opgenomen in verband met oude taken van het voormalig Regionaal Milieubedrijf Brabant Noordoost (RMB). Dit betreft: 1) de eeuwigdurende nazorg van de voormalige stortplaats Voorste Heide in Oss, 2) het uitvoeren van toezichtsactiviteiten en handhavingsactiviteiten in het kader van de Omgevingswet en de Wet bodembescherming voor de stortplaats Haps en 3) sanering verkeerslawaai. Naar aanleiding van een aankondiging in de bestuursrapportage met betrekking tot onderhoudsverplichtingen stortplaats Voorste Heide is onderzoek gedaan naar de financiële effecten daarvan voor deelnemers. In de bestaande GR en in de eerder in procedure gebrachte ontwerp regeling was daarover opgenomen dat deze kosten voor rekening komen van de (voormalige) gemeenten waarvoor deze werkzaamheden worden uitgevoerd. Daarbij is er echter voorbij gegaan aan eerdere besluitvorming in het AB op 11 juli 2018 over o.a.
de Voorziening nazorg Voorste Heide, de opheffing van de bestemmingsreserve Voorste Heide, de toevoeging aan de Algemene Reserve, de aanwending van de Algemene Reserve voor de dekking van het tekort bij de jaarstukken 2017 en het besluit om de discussies over de eigendommen en vermogenscomponenten van de ODBN te staken. De besluitvorming in het AB van 11 juli 2018 is nader uitgewerkt in AB-vergadering van 31 oktober 2018. Daarin besloot het AB tot het uitgangspunt dat alle vermogenscomponenten, eigendommen, verplichtingen en vorderingen toebehoren aan de ODBN, met uitzondering van de claim van Attero aan de gemeenten in het voormalig gewest Brabant Noordoost en de vermogenscomponenten, eigendommen, verplichtingen en vorderingen die betrekking hebben op de Bestuurscommissie Afvalinzameling Land van Cuijk en Boekel (BCA). Uit het vorenstaande blijkt dat de ODBN wordt geacht de consequentie van de noodzakelijke bijstellingen van voorzieningen t.a.v. de Voorste Heide en de sanering wegverkeerslawaai zelf te dragen en dus ten laste te brengen van de eigen begroting. De besluitvorming van juli en oktober 2018 was zowel in de thans geldende GR als in de in voorbereiding zijnde GR onvoldoende expliciet verwoord. Het Algemeen Bestuur wordt daarom voorgesteld e.e.a. thans te herstellen bij de definitieve besluitvorming over de GR. 6
Victorialaan 1 | 5213 JG ’s-Hertogenbosch (088) 743 00 00 info@odbn.nl | www.odbn.nl
T.a.v. onderdeel 2 van de overgenomen RMB-taken (stortplaats Haps) kan worden vastgesteld dat de exploitatie van de stortplaats plaats vindt op basis van een exploitatieovereenkomst waarbij de ondergrond van het stortlichaam in erfpacht is uitgegeven aan de exploitant. De bij de stort behorende milieustraat is in eigendom overgedragen aan de exploitant. Rechten en plichten van de ODBN (als opvolger van RMB) zijn op afdoende wijze vastgelegd in de onderliggende overeenkomsten. Tot slot is de voormalige Bestuurscommissie Afvalinzameling Land van Cuijk en Boekel (BCA) is met het AB-besluit van 28 mei 2000 opgeheven i.v.m. overdracht van alle afvaltaken een nieuwe Gemeenschappelijke Regeling die per 1 januari 2020 in werking is getreden (in inmiddels weer is opgeheven i.v.m. de herindeling tot Land van Cuijk). Uit het vorenstaande wordt afgeleid dat er geen aanleiding meer is voor een aparte kostenregeling voor de deelnemers van de overgedragen taken van het voormalig RMB. Uitgangspunt zijn primair onderliggende overeenkomsten en eerdere AB-besluiten (zoals uit 2018) en – als er onverwachte ontwikkelingen zijn rondom de deze taken waarmee redelijkerwijs geen rekening kon worden gehouden, kan dat altijd nog onderling geregeld worden met bestuursovereenkomsten. Op die manier kunnen partijen onderling de afspraken wijzigen zonder dat de GR steeds opnieuw gewijzigd hoeft te worden.
Aan artikel 2.5 (taken voormalig RMB) worden twee leden toegevoegd: 3. Nadere juridische en financiële afspraken ten aanzien van de taken, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn of worden door de desbetreffende deelnemers vastgelegd in bestuursovereenkomsten. 4. De bestuursovereenkomsten, bedoeld in het vierde lid, zijn ook van toepassing bij beëindiging van de extra taken, uittreding uit of opheffing van deze gemeenschappelijke regeling. Het eerdere concept artikel 7 lid 4 (de zorg voor voldoende financiële middelen voor de oude RMB-taken door de gemeenten die dat aanging) en 7.6 (vergoeding oude RMB-taken) komt hiermee te vervallen. Ambtshalve aanpassingen – archiefbepalingen In overleg met de provinciearchivaris zijn de archiefbepalingen in paragraaf 8 nog wat aangescherpt om misverstanden te voorkomen over de taken en bevoegdheden rondom archivering en ter beschikking stelling van analoge archiefbescheiden door de deelnemers als dat noodzakelijk is voor de taakuitvoering van de omgevingsdienst. Ambtshalve aanpassingen – zienswijzen In de voorlopige ontwerpregeling ontbrak een bepaling over de mogelijkheid van gemeenteraden tot het indienen van zienswijzen.
Deze lacune is hersteld met het nieuwe artikel 1.4 op grond waarvan – buiten de in de Wgr al genoemde mogelijkheden - geen aanvullende besluiten aangewezen worden waarover de raden of Provinciale Staten in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze naar voren te brengen.
7
Victorialaan 1 | 5213 JG ’s-Hertogenbosch (088) 743 00 00 info@odbn.nl | www.odbn.nl
Ambtshalve aanpassingen – kleine wijzigingen / verbeteringen Vanuit verschillende kanalen zijn bij de wetgevingsjuristen van de provincie kleine wijzigingsvoorstellen gedaan, die door de wetgevingsjuristen zo consistent mogelijk zijn doorgevoerd in de concept teksten voor de drie omgevingsdiensten. Dit betreft bijvoorbeeld de externe informatieplicht in relatie tot de wettelijke geheimhoudingsplicht (artikel 6.2) of het juist bevoegde bestuursorgaan bij toetreding (artikel 9.1). Ambtshalve aanpassingen - Actualiseren omhangbepaling Artikel 11.3 (de ‘omhangbepaling’) is geactualiseerd voor de verordeningen die tussen de ontwerpregeling en de definitieve regeling nog zijn of aangepast. Vervolg / communicatie
Na besluitvorming in het AB ziet het besluitvormingstraject er als volgt uit: 1. De colleges nemen een voorgenomen besluit tot vaststelling van de nieuwe GR ODBN 2024; 2. De colleges vragen toestemming aan de raad/Staten tot vaststelling van een nieuwe GR ODBN 2024; 3. Raden en Staten geven toestemming voor vaststelling nieuwe GR ODBN 2024 (raden en Staten kunnen deze toestemming alleen weigeren op grond van strijd met het recht of algemeen belang); 4. Colleges besluiten tot vaststelling nieuwe GR ODBN 2024 en publiceren dit besluit; 5. Na vaststelling door alle deelnemers publicatie van de nieuwe GR ODBN 2024 in het Provincieblad waarna de nieuwe GR in werking treedt. Bijlage(n)
1. Definitieve ontwerpregeling 2. Was-Wordt-lijst
Aldus vastgesteld in de vergadering van het Algemeen Bestuur van de Omgevingsdienst Brabant Noord van 3 april 2024, te Oss. de secretaris,
de voorzitter,
Jan Lenssen
Kees van Rooij
8
Raadsvoorstel Zaaknummer:
1357120
Portefeuillehouder:
Eiko Smid
Steller:
Koen Lemmens
Onderwerp Afval; GR Stadsgewest 's-Hertogenbosch - Jaarrekening 2023 Begroting 2025
Status Besluitvormend
Voorstel Raad 1. Geen zienswijze in te dienen op de concept Jaarrekening 2023, de ontwerpbegroting 2025 en de meerjarenbegroting 2025-2028 van het Stadsgewest ’s-Hertogenbosch en het Dagelijks Bestuur van het Stadsgewest hiervan met bijgevoegde brief op de hoogte te stellen.
Inleiding Het Dagelijks bestuur van het Stadsgewest biedt conform artikel 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen de ontwerpbegroting 2025, de meerjarenbegroting 2025-2028 en de jaarrekening van 2023 aan. Het Dagelijks bestuur stelt de gemeenteraad in de gelegenheid om een zienswijze in te dienen, zodat de begroting ter vaststelling in augustus aan het Algemeen Bestuur van het Stadsgewest kan worden aangeboden. De Conceptbegroting van het Stadsgewest kent nog slechts één programma: “Afbouw Stadsgewest ’s-Hertogenbosch”. Het takenpakket van het Stadsgewest is beperkt tot het beheer van de in 2003 gesloten stortplaats Vlagheide in Schijndel (gemeente Meierijstad).
Beoogd resultaat Overdracht van de stortplaats en liquidatie van het Stadsgewest tegen zo laag mogelijke kosten en risico.
Argumenten 1.1
De concept Programmabegroting 2024 en Meerjarenraming 2024-2027 voldoen aan de verwachtingen en zijn in lijn met doelen van de GR – beheer tegen minimale kosten. De concept Programmabegroting 2025 en Meerjarenraming 2025-2028 zijn gericht op beheer tegen minimale kosten. Een aanvullende zienswijze is daarom niet nodig.
Kanttekeningen 1.1 Er is geen absolute garantie dat het doelvermogen behaald wordt. Bij overdracht van de stortplaats aan de provincie dient er tevens een vermogen overgedragen te worden van waaruit de provincie de kosten van nazorg eeuwigdurend kan bekostigen. De deelnemende gemeenten dienen garant te staan voor dit bedrag en daarom is er een gezamenlijk nazorgfonds opgebouwd. Op dit moment wordt er vanuit gegaan dat er in de periode tot overdracht voldoende vermogen in dit nazorgfonds kan worden opgebouwd. Dit is echter geen harde garantie. Het Stadsgewest is zich hier echter van bewust en zet zich actief in om dit risico te verkleinen.
Financiën Er zijn geen noemenswaardige afwijkingen. De jaarrekening 2023 kent een positief resultaat van € 55.000. Dat komt door door lagere kosten voor inspecties en onderhoud. De ontwerpbegroting 2025 en meerjarenbegroting 2025-2028 zijn gericht op beheer van de gesloten stortplaats Vlagheide tegen minimale kosten. Voor de dekking van de exploitatielasten betalen de gemeenten jaarlijks een bedrag per inwoner aan het Stadsgewest. Voor 2025 is dat bedrag vastgesteld op € 1,02 per inwoner (€ 32.013). De meerjarenraming verwerken we via de reguliere P&C-cyclus in de begroting van het product Afval.
Uitvoering Versturen zienswijze per brief, z.s.m. na het besluit Communicatie Publicatie besluit via reguliere kanalen
Communicatie Alle communicatie en bekendmakingen van de GR worden uitgevoerd door de gemeente Meierijstad in opdracht van de GR.
Bijlagen Concept Jaarrekening 2023 Ontwerpbegroting 2025 en meerjarenbegroting 2025-2028 Concept Reactie – brief geen zienswijze
Sint-Michielsgestel, 20 augustus 2024 Burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel, de secretaris, de burgemeester,
D.C. van Eeten
E. Smid
Ter inzage n.v.t.
Contactpersoon Frank van Kruijsdijk, teammanager a.i. Inrichting, Verkeer en Reiniging
Raadsbesluit Registratienr.:
1357120
Portefeuillehouder:
Eiko Smid
Steller:
Koen Lemmens
Aanhef De raad van de gemeente Sint-Michielsgestel; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 augustus 2024;
Besluit 1. Geen zienswijze in te dienen op de concept Jaarrekening 2023, de ontwerpbegroting 2025 en de meerjarenbegroting 2025-2028 van het Stadsgewest ’s-Hertogenbosch en het Dagelijks Bestuur van het Stadsgewest hiervan met bijgevoegde brief op de hoogte te stellen.
Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 3 oktober 2024; De gemeenteraad van Sint-Michielsgestel, de griffier,
de voorzitter,
D.S.J. Thissen
E. Smid
1
Gemeenschappelijke Regeling Stadsgewest ’s-Hertogenbosch
Jaarverslag en Jaarrekening 2023
Vastgesteld in de vergadering van de het Algemeen Bestuur d.d. 9 september 2024 De voorzitter,
De secretaris,
2
R.J. van de Mortel
W. van Hees
1. Inhoudsopgave
1.
ALGEMEEN
3
1.1
INLEIDING
3
1.2
DEELNEMENDE GEMEENTEN SINDS 1-1-2021
3
1.2
BESTUUR
3
1.3
BEGROTINGSPROCEDURE
3
2. 2.1 3.
JAARVERSLAG ACTIVITEITEN STORTPLAATS VLAGHEIDE PARAGRAFEN
4 4 5
3.1
WEERSTANDSVERMOGEN EN RISICOBEHEERSING
5
3.2
BEDRIJFSVOERING
6
3.3
FINANCIERING
6
4.
JAARREKENING
8
4.1
BALANS PER 31 DECEMBER 2023 (VOOR RESULTAATBESTEMMING)
8
4.2
TOELICHTING
9
4.3
WET NORMERING TOPFUNCTIONARISSEN (WNT)
12
4.4
GEBEURTENISSEN NA BALANSDATUM
13
4.5
VOORSTEL TOT BESTEMMING RESULTAAT
13
5. 5.1
BIJLAGEN MUTATIE OVERZICHT
14 14
3
5.2
VERDEELSLEUTEL INWONERS PER 1-1-2021
16
1. Algemeen 1.1 Inleiding Hierbij bieden wij de jaarrekening 2023 van het Stadsgewest ’s-Hertogenbosch (hierna het Stadsgewest) aan.
Hiermee wordt invulling gegeven aan het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Alle activiteiten zijn de nog resterende taken en verplichtingen van de nazorg van de stortplaats. Deze zijn in deze jaarrekening samengebracht.
1.2 Deelnemende gemeenten sinds 1-1-2021 • • • • • • • • • •
Bernheze* Boxtel
’s-Hertogenbosch
Heusden (Vlijmen)
Maasdriel (enkel Afvalverwerking)
Meierijstad (Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel) Oisterwijk
Sint-Michielsgestel Tilburg Vught
*De gemeente Bernheze is een contact-gemeente. Deze gemeente is mede risico dragend in de exploitatie van de exploitatie Stadsgewest.
4
1.2
Bestuur
De gemeenschappelijke regeling kent een Dagelijks- en een Algemeen Bestuur. Het Algemeen bestuur bestaat uit de vertegenwoordigers vanuit de colleges (Burgemeester en Wethouders) van de deelnemende gemeenten. Het dagelijks bestuur bestaat uit een
voorzitter en twee andere medewerkers van de gemeente Meierijstad die ingezet worden om het Stadsgewest te ondersteunen.
Met ingang van jaarrekening 2023 is de rechtmatigheidsverantwoording belegd bij het
bestuur. In de rechtmatigheidsverantwoording geeft het bestuur van het Stadsgewest aan in hoeverre de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten, alsmede de balansmutaties,
rechtmatig tot stand zijn gekomen. Dit houdt in dat deze in overeenstemming zijn met de
vastgestelde kaders zoals de begroting en verordeningen en met bepalingen in de relevante
wet- en regelgeving. Deze verantwoording betreft de rechtmatige uitvoering van de taken en omvat het begrotings-, voorwaarden-, en misbruik- en oneigenlijk gebruik criterium bij de desbetreffende financiële beheershandelingen en transacties
1.3 Begrotingsprocedure De oorspronkelijke begroting is in augustus 2023 vastgesteld. Er is geen begrotingswijziging vastgesteld.
2. Jaarverslag 2.1 Activiteiten Stortplaats Vlagheide In 1997 is een proces gestart om de gemeenschappelijke regeling Stadsgewest 's-
Hertogenbosch te ontmantelen. De stortactiviteiten zijn in december 2003 beëindigd en de stortplaats bevindt zich nu in de prenazorg fase. Vanaf heden resteerde alleen nog het beheer van de gesloten Afvalberging De Vlagheide.
In 2015 is een start gemaakt met het doorlopen van het overdrachtsprotocol met de
provincie, zodat de overdracht aan de provincie Noord-Brabant sneller kon plaatsvinden. Aanvankelijk werd hierbij uitgegaan van overdracht aan de provincie per 1-1-2017.
Dit is meerdere malen bijgesteld, mede doordat de Provincie en het Stadsgewest het niet eens zijn over het doelvermogen dat als ‘bruidsschat’ meegegeven gaat worden bij de overdracht.
Naar aanleiding waarvan medio 2019 is overeengekomen dat de Provincie de rekenrente,
vanaf heden, voor een periode "bevriest" en de exploitanten gedurende deze periode geen
5
stortplaatsen overdragen. Tot de datum van overdracht blijft het Stadsgewest
verantwoordelijk voor het beheer van de stortplaats conform de wettelijke voorschriften.
De werkzaamheden m.b.t. het overdrachtsprotocol zijn bij Stadsgewest en de Provincie "on hold" gezet.
X € 1.000
Pro gr.
Oms c h r ij v in g
Begr o t in g Bat en
4410 4420 4430 4440
Pro gr.
Algemene k o st en Wat er Gas Naz o rg To t ale k o s t en p r o gr amma
Oms c h r ij v in g 1 Saldo f inancieringsf unct ie 2 Gemeent e bij dragen 3 o verige ink o mst en A lg.d ek k in gs mid d elen
-
Jaar r ek en in g
Las t en 98 146 38 68 350
Begr o t in g Bat en Las t en 350 350
Sald o
Bat en
Las t en
-
173 71 17 33 295
-75 75 21 35 55
Jaar r ek en in g Bat en Las t en
Sald o
350 350
-
-
6
3. Paragrafen 3.1 Weerstandsvermogen en risicobeheersing Om een goede inschatting van de financiële positie van de gemeenschappelijke regeling te
kunnen maken is het van belang om naast de cijfers in de rekening ook inzicht te hebben in enerzijds potentiële mee- en tegenvallers die zich kunnen voordoen (risico's) en anderzijds de mogelijkheden om tegenvallers op te vangen (weerstandscapaciteit). Een gezond
weerstandsvermogen voorkomt dat iedere tegenvaller direct leidt tot een financiële claim bij de deelnemende gemeenten. Weerstandscapaciteit
De mogelijkheden om tegenvallers op te vangen liggen deels in de sfeer van de exploitatie, c.q. de begroting van lasten en baten en deels in de sfeer van de reserves. Reserves en voorzieningen
De reserves behoren tot het eigen vermogen van het Stadsgewest en worden uitgesplitst
naar algemene reserve en bestemmingsreserves. Bestemmingsreserves zijn middelen die op basis van bestuurlijke besluitvorming zijn afgezonderd voor specifieke doeleinden. De algemene reserve dient als buffer voor de opvang van calamiteiten.
Voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen van het Stadsgewest, omdat het
Stadsgewest over deze middelen niet vrij kan beschikken. Deze voorzieningen zijn gevormd ter dekking van te kwantificeren verplichtingen. Per 31 december 2020 zijn er geen voorzieningen meer. Algemene reserve
De algemene reserve vertoont, na verwerking van het exploitatieresultaat 2022, een negatief saldo van € 1.573.000. Risico's
Onder risico's worden hier verstaan onzekere gebeurtenissen met mogelijke financiële
consequenties, die nog niet afzonderlijk middels voorzieningen zijn ingedekt. Het op één plaats in de rekening schetsen van een overzicht van relevante risico's levert een bijdrage
aan de beoordeling van de financiële positie van het Stadsgewest. Het gaat in dit verband om risico's die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot het balanstotaal of de financiële positie van het Stadsgewest. Doelvermogen nazorg
Na definitieve sluiting van de stortplaats wordt de stortplaats overgedragen aan de Provincie. Deze is dan verantwoordelijk voor de eeuwig durende nazorg. Bij overdracht moet een
vermogen zijn overgedragen waaruit de provincie de kosten van nazorg eeuwigdurend kan bekostigen. De Provincie heeft dit doelvermogen in 2008, op basis van een rekenrente van 5,06%, berekend op € 17,6 mln.
7
In 2020 heeft de Provincie in het kader van de lopende ALM-studie, het doelvermogen, op basis van een rekenrente van 5,06% berekend op € 17,536 mln. per 1-1-2021. Een
onderbouwing voor deze berekening is niet overgelegd. Het bestuur van het Stadsgewest blijft, op basis van eigen berekeningen, alsmede die van de extern adviseur, uitgaan van maximaal € 14,0 mln.
Het opgebouwde doelvermogen bedraagt ultimo 2023 € 16,1 mln. (stand ultimo 2023). Het vermogen zal wederom worden belegd volgens het standaard beleggingsprofiel in het Nazorgfonds.
Met de Provincie is overeengekomen de komende jaren de mogelijkheid te onderzoeken of
op de onderscheiden stortplaatsen nieuwe inkomsten te genereren zijn. Ook wordt door de
gezamenlijke exploitanten gekeken naar ontwikkelingen die bijdragen aan verlaging van het benodigde doelvermogen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan verlenging van de levensduur van de afdichting naar 100 jaar.
Ook is er meer tijd om via de belegging van het doelvermogen in het nazorgfonds een hoger spaartegoed te realiseren.
De gemeente Meierijstad werkt daarnaast aan een natuur- en landschapspark op de Vlagheide en in de directe omgeving daarvan. In april 2023 is hiervoor een visie en
schetsontwerp vastgesteld door de raad. Momenteel wordt gewerkt aan een projectplan ter realisatie van dit natuur- en landschapspark. Op basis van dit projectplan heeft het college
en de gemeenteraad eind 2023 een besluit kunnen nemen over de publieke investeringen in het natuur- en landschapspark op de Vlagheideberg in 2024. Besluitvorming over het
zonnepark heeft in 2023 plaatsgevonden en is belangrijk voor de uitwerking van het plan. Voor de verdere uitwerking zullen in de gesprekken plaatsvinden met het Stadsgewest. In
2024 wordt duidelijk welke mogelijkheden er zijn om de kosten te beperken en inkomsten te genereren. Steunlaag
De omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is van mening dat bij de aanleg van de
bovenafdichting meer afvalbouwstoffen in de steunlaag zijn toegepast dan functioneel
noodzakelijk en daarmee als gestort beschouwd dienen te worden. De OMWB heeft hiervan in mei 2019 melding gemaakt bij de Belastingdienst.
Zowel Stadsgewest als de adviseur Afvalzorg zijn het hier mee oneens. Afvalzorg heeft
namens Stadsgewest dan ook bezwaar gemaakt. De Belastingdienst heeft onze adviseur voor de afvalstoffenbelasting aangegeven overleg te willen, maar heeft daartoe verder nog geen initiatief ondernomen. Het bestuur acht een voorziening niet nodig.
3.2 Bedrijfsvoering Met de invoering van de Programmabegroting is een paragraaf bedrijfsvoering
voorgeschreven. Een goede bedrijfsvoering is geen doel op zich, maar draagt er toe bij dat
de doelstellingen van de organisatie worden gerealiseerd. Het Stadsgewest heeft geen eigen
8
personeel meer in dienst. De werkzaamheden worden, gedetacheerd vanuit de gemeente Meierijstad. Deze werkzaamheden zijn verdeeld over een drietal functies. o o o
Een ambtelijk secretaris
Een projectleider/manager Een financieel adviseur
Aan het einde van het jaar worden de uren die besteed zijn aan deze ondersteuning door de gemeente Meierijstad gefactureerd aan het Stadsgewest.
De werkzaamheden voor het dagelijks beheer van de stortplaats zijn opgedragen aan
Bodemzorg B.V., een 100% dochteronderneming van N.V. Afvalzorg Holding uit Assendelft.
Bodemzorg voert deze taken uit in nauwe samenwerking met Milon B.V. uit Schijndel. Milon en/of haar medewerkers is/zijn in het verleden met enige regelmaat betrokken geweest bij verschillende projecten op Vlagheide. De historische kennis wordt als een belangrijke meerwaarde gezien.
3.3 Financiering Kasgeldlimiet
Volgens de wet Fido is het Stadsgewest verplicht te rapporteren over de kasgeldlimiet en het renterisico. De kasgeldlimiet bepaalt het bedrag dat het Stadsgewest maximaal kort mag lenen. De kasgeldlimiet bedraagt 8,2% van het begrotingstotaal. Na vaststelling van de
begroting bedraagt het begrotingstotaal "nihil" (de geraamde uitgaven voor de nazorg komen ten lasten van de voorzieningen en tellen niet mee voor de kasgeldlimiet). De
kasgeldlimiet wordt daarom berekend op nihil. Praktisch betekent dit dat Stadsgewest een liquiditeitstekort niet met een rekening-courant krediet kan financieren, maar een lening met een vaste looptijd zal moeten afsluiten. Renterisico
Het renterisico is het risico dat bestaat bij het herzien van het rentepercentage op bestaande leningen. In de loop van 2016 heeft Stadsgewest een vastrentende lening aangetrokken, van de gemeente 's-Hertogenbosch met een looptijd van 1 jaar, tegen een rentepercentage van
0% en de mogelijkheid de lening na afloop van dat jaar te verlengen tegen de dan geldende
marktrente of een nieuwe lening te sluiten. Inmiddels is de lening al 3 keer verlengd en is de looptijd tot 2025. In de meerjarenbegroting wordt geen rekening gehouden met rentelasten.
9
4. Jaarrekening 4.1 Balans per 31 december 2023 (voor resultaatbestemming)
Balans
x 1.000
Vast e act iva
Mat eriele vast e act iva
2023 1.
2022
-
-
2 Vlo t t ende act iva Uit eenz et t ing < 1 j aar 2.1 - Vo rderingen o p o penbare lichamen - 's Rij k s schat k ist - Debit euren - Overige vo rderingen
-
684 3 50
124 478 28 737
2.2 Liquide middelen
- Bank - Kas
161 -
630 205 -
161 2.3 Overlo pende act iva
138
205 173
138
173
1036
1008
2023 3 Vast e Passiva 3.1
Eigen vermo gen - Algemene reserve - Rek eningresult aat
3.2
Vo o rz ieningen - verplicht ingen, verliez en o f risico 's
2022
-1.573 55
-1.725 152 -1.518
-
-1.573 -
3.3
Langlo pende schulden Lening gemeent e 's-Hert o genbo sch
2.500
-
2.500 2.500
4. Vlo t t ende passiva 4.1
Net t o vlo t t ende passiva < 1 j aar - Overige schulden
-
2.500
-
4.2 Overlo pende passiva
54
-
81 54
81
1036
1008
10
4.2 Toelichting Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling Met ingang van 1 januari 2004 is het Besluit begroting en verantwoording provincies en
gemeenten (BBV) in werking getreden en is het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 (CV95) vervallen.
De jaarrekening is opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten daarvoor geeft.
De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden.
De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Vlottende Activa
Vorderingen en overlopende activa Onder vlottende activa worden vorderingen opgenomen die naar hun aard een looptijd hebben van niet langer dan een jaar. De debiteuren en overige vorderingen zijn nominaal gewaardeerd. Op de vorderingen worden zo nodig voorzieningen voor debiteuren risico in mindering gebracht. Liquide middelen
Deze activa worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en nominale waarde. Voorzieningen
Voorzieningen worden gewaardeerd op het nominale bedrag van de betrokken verplichting c.q. het voorzienbare verlies. Langlopende schulden
Vaste schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde verminderd met gedane aflossingen. Het gedeelte van de leningen dat wordt afgelost in het komende boekjaar, is opgenomen onder de kortlopende schulden. De vaste schulden hebben een rente typische looptijd van één jaar of langer. Vlottende passiva
De vlottende passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.