Agendabundel
Tekst van het document
Artikel 3.6 Toelichting
OUD (geel = verwijderd) de samenstelling; de bevoegdheid of bevoegdheden; de werkwijze; de openbaarheid van vergaderingen; het toezicht van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur; f. de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur; g. de verantwoording aan het algemeen bestuur; h. wanneer de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, de einddatum van de commissie; i. de benoeming van de voorzitter van de commissie. Artikel 21 Externe inlichtingenplicht 1. Het bestuur van de omgevingsdienst verstrekt schriftelijk aan gedeputeerde staten, de colleges, provinciale staten en de raden de door een of meer leden van die bestuursorganen gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang. 2. De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd.
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Andere vindplaats
Artikel 6.2 Externe inlichtingenplicht 1. De inlichtingen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet, worden aan de raad en Provinciale Staten, alsmede aan het college of Gedeputeerde Staten zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen twee maanden in een vergadering of schriftelijk verstrekt op de door de deelnemer die het lid heeft aangewezen, vastgestelde werkwijze. 2. De inlichtingen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet, worden schriftelijk binnen twee maanden verstrekt door het dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd. 3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden niet verstrekt indien dit strijdig is met het openbaar belang of de geheimhoudingsplicht zich hier tegen verzet.
Artikel 16, tweede lid, en artikel 17, eerste lid, van de wet regelt de inlichtingenplicht tussen het bestuur van het openbaar lichaam en de deelnemers en de raden en staten van de deelnemers. Artikel 16 bevat de passieve informatieplicht en artikel 17, bevat de inlichtingenplicht richting de gemeenteraden en Provinciale Staten. Het is in beginsel aan het dagelijks bestuur om deze inlichtingen te verstrekken, tenzij expliciet dit uitdrukkelijk van het algemeen bestuur of de voorzitter wordt verlangd.
n.v.t.
a. b. c. d. e.
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Artikel 22 Externe verantwoordingsplicht lid algemeen bestuur 1. Het lid van het algemeen bestuur is aan gedeputeerde staten of aan het college die dit lid heeft aangewezen verantwoording schuldig over het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. 2. Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan gedeputeerde staten of het college dat hem heeft aangewezen de door een of meer leden van gedeputeerde staten of van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang. 3. De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden mondeling in een vergadering van gedeputeerde staten of dat college of schriftelijk verstrekt. 4. Het in het eerste en tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van provinciale staten en de raden.
Artikel 6.1 Externe verantwoording Het lid van het algemeen bestuur legt verantwoording af aan de raad en Provinciale Staten, alsmede aan het college of Gedeputeerde Staten van de deelnemer die hem heeft aangewezen over het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid, op de door die deelnemer vastgestelde werkwijze.
De inlichtingenplicht van het tweede en derde lid zijn opgenomen in artikel 6.2.
Artikel 6.3 Actieve externe inlichtingenplicht 1. De inlichtingen, bedoeld in artikel 17, tweede lid van de wet, worden schriftelijk of op een andere passende wijze verstrekt. 2. De inlichtingen worden niet verstrekt indien dit strijdig is met het openbaar belang. Artikel 6.4 Interne inlichtingenplicht 1. Onverminderd artikel 19a, tweede lid, van de wet regelt het algemeen bestuur van welke besluiten van het dagelijks bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het algemeen bestuur.
Nieuw toegevoegd n.a.v. wijziging Wgr. Zie de toelichting op artikel 6.3.
Artikel 16, eerste lid, van de wet stelt dat de regeling bepalingen inhoudt omtrent de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd. De oude regeling voorzag niet in de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd. In de nieuwe regeling is derhalve voorgesteld dat dit aan de deelnemers is om op hun eigen wijze vast te stellen.
Artikel 19a regelt dwingend dat het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk verantwoording schuldig zijn en dat het dagelijks bestuur alle inlichtingen geeft die het algemeen bestuur nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging) 2.
3.
Artikel 23 Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) De voorzitter van het algemeen bestuur van deze regeling neemt deel aan het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht, dan wel wijst een ander lid uit het algemeen bestuur hiervoor aan. Artikel 24 De directeur 1. De omgevingsdienst heeft een directeur die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast is met de leiding van de omgevingsdienst, de aansturing van het personeel en met de zorg voor een juiste taakvervulling door de omgevingsdienst. 2. Het dagelijks bestuur beslist over het aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met de directeur. 3. Het dagelijks bestuur regelt bij schorsing en/of ontslag de vervanging van de directeur. 4. Het dagelijks bestuur legt de instructie van de directeur vast in een Directiestatuut. 5. Het dagelijks bestuur regelt het salaris en eventuele overige emolumenten van de directeur. Artikel 25 De secretaris 1. De directeur van de omgevingsdienst fungeert als secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
De regeling, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de gevallen waarin met ter inzage legging van de besluiten kan worden volstaan. De kennisgeving of de ter inzage legging, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt niet plaats indien dit strijdig is met het openbaar belang. -
Artikel 5.2 De directeur 1. Het dagelijks bestuur stelt een directeur aan die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast is met: a. de leiding van de omgevingsdienst; b. de aansturing van het personeel; en c. de zorg voor een juiste taakvervulling door de omgevingsdienst. 2. Het dagelijks bestuur stelt zo spoedig mogelijk een nieuwe directeur aan in het geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de directeur. 3. Het dagelijks bestuur stelt in een directiestatuut nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de directeur. Artikel 5.3 De secretaris 1. Het dagelijks bestuur wijst de directeur van de omgevingsdienst aan als de secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
Achtergrond / Toelichting
Wettelijke grondslag BPO is te vinden in de Wabo. Derhalve artikel overbodig.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
2.
2.
3.
De secretaris/directeur is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris/directeur medeondertekend.
3. 4.
5.
Artikel 26 Vervallen. -
Artikel 27 Financiële informatieplicht Het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten.
Achtergrond / Toelichting
Andere vindplaats
Conform artikel 59, zevende lid, van de wet zijn artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet van toepassing.
Toelichting.
Het dagelijks bestuur wijst een medewerker van de omgevingsdienst als plaatsvervangend secretaris aan die de secretaris vervangt bij: a. ontstentenis; of b. ontslag. De secretaris is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris medeondertekend. Indien sprake is van geheimhouding, als bedoeld in artikel 23 van de wet, maakt de secretaris hier melding van op de stukken. -
Artikel 5.4 Cao SGO Het dagelijks bestuur hanteert voor de medewerkers van haar organisatie de Cao SGO, of de collectieve arbeidsvoorwaardenovereenkomst die daarvoor in de plaats komt. -
Regels omtrent de jaarrekening en begroting zijn uitputtend en dwingend geregeld in de Provinciewet. Derhalve wordt volstaan met het verwijzen naar deze regels in de Toelichting.
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Andere vindplaats
Artikel 28 Begroting 1. Het dagelijks bestuur stelt elk jaar een ontwerpbegroting op van de omgevingsdienst overeenkomstig het bepaalde in artikel 190 tot en met 219 Provinciewet alsmede het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 2. De omgevingsdienst heeft een begroting waarin minimaal de basistaken(artikel 4), de verzoektaken (artikel 5), de collectieve taken (artikel 5a) en de bestaande taken van het voormalig Regionaal Milieubedrijf Brabant Noordoost (artikel 9a en 9b) afzonderlijk zichtbaar worden gemaakt. 3. Het dagelijks bestuur zendt de conceptbegroting met bijbehorende toelichting, na de voorlopige vaststelling door het algemeen bestuur, minimaal 10 weken voordat zij ter definitieve vaststelling aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe naar de raden van de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten. 4. De raden en provinciale staten kunnen binnen 10 weken na toezending van de ontwerpbegroting hun zienswijzen daarover naar voren brengen. Het dagelijks bestuur stelt aan de hand van de ontwerpbegroting en de ontvangen zienswijzen de definitieve begroting op en verzendt deze, inclusief de commentaren, waarin de zienswijzen zijn vervat, ter vaststelling aan het algemeen bestuur. 5. Het algemeen bestuur stelt de begroting indien mogelijk vóór 15 juli voorafgaande aan het jaar waar deze voor dient, vast.
Terstond na de vaststelling zendt het dagelijks bestuur de begroting naar de deelnemers, en in ieder geval vóór 1
Artikel 7.1 Begroting 1. De omgevingsdienst heeft een begroting waarin minimaal de basistaken (artikel 2.1), de verzoektaken (artikel 2.2), de collectieve taken (artikel 2.2a) en de bestaande taken van het voormalig Regionaal Milieubedrijf Brabant Noordoost (artikel 2.5) afzonderlijk zichtbaar worden gemaakt. 2. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de wet, kan het algemeen bestuur een begrotingswijziging die niet tot een verhoging of tot een vrijwillige verhoging van de bijdrage van de deelnemers leidt, direct vaststellen, zonder toepassing van artikel 59, eerste, derde en vierde lid van de wet. 3. Uit de begroting blijkt welke bijdrage iedere deelnemer verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van individuele deelnemers (in de rol van opdrachtgever) en de ODBN (in de rol van opdrachtnemer) om te zorgen dat de werkprogramma's zoveel als mogelijk aansluiten op de begrotingsbijdragen. 4. Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, nadere regels stellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen voorschotnota's, einddeclaraties en financiële bijdragen.
Conform artikel 59, zevende lid, van de wet zijn artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet van toepassing.
Toelichting.
Regels omtrent de jaarrekening en begroting zijn uitputtend en dwingend geregeld in de Provinciewet. Derhalve wordt volstaan met het verwijzen naar deze regels in de Toelichting. De bevoegdheid van het oude negende lid is behouden. De wet voorziet in de mogelijkheid om dit in een gemeenschappelijke regeling te regelen.
OUD (geel = verwijderd) augustus naar de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 6. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting aan de raden der deelnemende gemeenten en provinciale staten, die ter zake bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 7. Besluiten tot wijzigen van de begroting kunnen tot uiterlijk het einde van het betreffende begrotingsjaar worden genomen. 8. Het derde, vierde en zevende lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. 9. Het algemeen bestuur kan in afwijking van lid 9 begrotingswijzigingen direct vaststellen indien de begrotingswijziging niet rechtstreeks leidt tot verhoging van de bijdragen van de deelnemers dan wel tot een vrijwillige verhoging van een of meerdere deelnemers. Artikel 29 Jaarrekening 1. Het dagelijks bestuur biedt de jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar, met alle bijbehorende bescheiden tenminste 2 weken voor behandeling aan bij het algemeen bestuur. Na vaststelling van de jaarrekening wordt deze ter kennis gebracht van de deelnemers. 2. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening en stelt haar indien mogelijk vast vóór 10 juli, volgende op het jaar waarop zij betrekking heeft. 3.
Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de Minsister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
-
Achtergrond / Toelichting
Andere vindplaats
Conform artikel 59, zevende lid, van de wet zijn artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet van toepassing.
Toelichting.
Regels omtrent de jaarrekening en begroting zijn uitputtend en dwingend geregeld in de Provinciewet. Derhalve wordt volstaan met het verwijzen naar deze regels in de Toelichting.
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Artikel 30 Vergoeding voor geleverde diensten 1. Uit de vastgestelde begroting blijkt welke bijdragen iedere deelnemer verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van individuele deelnemers (in de rol van opdrachtgever) en de ODBN (in de rol van opdrachtnemer) om te zorgen dat de werkprogramma's zoveel als mogelijk aansluiten op de begrotingsbijdragen. 2. Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, nadere regels stellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen voorschotnota's, einddeclaraties en financiële bijdragen.
Artikel 7.3 Vergoeding deelnemers 1. Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, nadere regels vaststellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen voorschotnota’s en financiële bijdragen. 2. De te betalen vergoeding voor de taken, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.2awordt aan de hand van inzet, prestaties of afgenomen producten per deelnemer vastgesteld op basis van de door het bestuur vastgestelde prijzen en tarieven. 3. Bij de toerekening van de te betalen vergoeding worden naast de directe uitvoeringskosten tevens de overheadkosten verdisconteerd. 4. Op basis van de begroting kan iedere deelnemer aan de hand van de daarin vastgelegde tarieven of productprijzen berekenen welke bijdrage verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. 5. Voor elke deelnemer wordt een werkprogramma gemaakt waarin de begrote vergoeding voor de afname van taken zijn berekend. 6. De verrekening van de gerealiseerde vergoeding is op basis van geleverde prestaties of inzet per deelnemer. 7. Wanneer het algemeen bestuur een besluit als bedoeld in artikel 7.2, onder a, heeft genomen omtrent het bijdragen door de deelnemers in het nadelig exploitatiesaldo, wordt bij het bepalen van de bijdrage per deelnemer het uitgangspunt gehanteerd,
Achtergrond / Toelichting
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Andere vindplaats
dat de financiële gevolgen worden toegedeeld aan de deelnemers die dat aangaat. Artikel 31 Verrekening exploitatiesaldo 1. Het algemeen bestuur kan besluiten om een blijkens de jaarrekening batig saldo, voor de taken zoals benoemd in hoofdstuk 2, geheel of ten dele: a. toe te voegen aan de Algemene Reserve b. uit te keren aan de deelnemers naar rato van de gerealiseerde omzet op basis van de taken als genoemd in hoofdstuk 2. 2. Het algemeen bestuur kan besluiten om een blijkens de jaarrekening nadelig saldo, voor de taken zoals benoemd in hoofdstuk 2, geheel of ten dele: a. te onttrekken aan de Algemene Reserve b. ten laste te brengen van de deelnemers naar rato van de gerealiseerde omzet op basis van de taken als genoemd in artikel 4.
Artikel 7.2 Verrekening exploitatiesaldo Het algemeen bestuur kan besluiten: a. de blijkens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele: 1°. af te boeken van de algemene reserve; 2°. ten laste te brengen van de deelnemers naar rato van de gerealiseerde omzet op basis van de taken, genoemd in artikel 2.1. b. de blijkens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele: 1°. te bestemmen in de algemene reserve; 2°. uit te keren aan de deelnemers naar rato van de gerealiseerde omzet op basis van de taken, genoemd in de artikelen 2.1, 2.2, en 2.2a
Conform Aanwijzingen voor de Regelgeving herschreven.
n.v.t.
Artikel 32 Vergoeding voor geleverde diensten oudRMB taken 1. Voor de te betalen vergoeding van de taken van hoofdstuk 2A zijn de afspraken die reeds zijn vastgelegd in een modelovereenkomst, onverkort van toepassing. 2. Voor zover geen sprake is van eerbiediging van afspraken op grond van lid 1 komt de te betalen vergoeding voor rekening van de gemeenten genoemd in artikel 9, eerste lid naar rato van de begrote lasten en baten. 3. De vergoedingen van de in artikel 9b bedoelde taken worden gedragen door de gemeenten, zoals
Vervalt. 1.
Vervalt. Zie toelichting bij artikel 2.5
n.v.t.
OUD (geel = verwijderd) bedoeld in artikel 9, eerste lid, op basis van een aangegane overeenkomst voor de geluidssanering van woningen, als genoemd in artikel 9b. 4. De te hanteren bijdragen worden jaarlijks door het algemeen bestuur vastgesteld aan de hand van een verdeelsleutel op basis van de ureninzet. Artikel 33 Verplichtingen deelnemers 1. De deelnemers zullen er steeds voor zorg dragen, dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen; 2. Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet respectievelijk 198 en 199 Provinciewet. 3. De gemeenten bedoeld in artikel 9, lid 1 dragen er zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om de taken, bedoeld in de artikelen 9a en 9b te kunnen uitvoeren. Artikel 34 Financiële voorschriften 1. Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financieel beleid alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie.
Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De artikelen 216 en 217 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing.
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Artikel 7.4 Verplichtingen deelnemers 1. De deelnemers zullen er steeds voor zorg dragen, dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 2. Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet respectievelijk 198 en 199 van de Provinciewet. 3.
Derde lid vervalt. Zie de toelichting bij artikel 2.5
Artikel 7.5 Financiële voorschriften 1. Het algemeen bestuur stelt overeenkomstig de artikelen 216, 217 en 217a van de Provinciewet een verordening op met betrekking tot: a. de uitgangspunten voor: 1°. het financieel beleid; 2°. het financieel beheer; en
De artikel 216, 217 en 217a van de Provinciewet regelen wat de verordeningen ten minste dienen te bevatten.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
2.
3°. de inrichting van de financiële organisatie; b. de controle op: i. het financiële beheer; en ii. de inrichting van de financiële organisatie. c. periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door hen gevoerde bestuur. 2. De omgevingsdienst verzekert zich tenminste tegen: a. wettelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en zaken; b. aansprakelijkheid voor vermogensschade.
Deze verordening als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval regels over: a. waardering en afschrijving van activa; b. algemene doelstellingen en te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening; c. de inrichting van de financiële administratie zodanig dat te alle tijde inzicht bestaat in de baten en lasten per onderscheiden taakveld. 3. Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst. 4. Het algemeen bestuur wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 26 genoemde jaarrekening. 5. De accountant zendt de accountantsverklaring en een verslag van bevindingen aan het algemeen bestuur. 6. De omgevingsdienst verzekert zich tenminste tegen: a. wettelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en zaken; b. aansprakelijkheid voor vermogensschade. Artikel 35 Archiefbescheiden 1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van de omgevingsdienst. Dit overeenkomstig een door het
Artikel 8.1 Archiefbescheiden 1. Het algemeen bestuur stelt een archiefverordening vast met betrekking tot:
Achtergrond / Toelichting
Na consulteren Provincie Archivaris deze bepaling gewijzigd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften Archiefwet.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
2.
3.
4.
5.
algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995, vast te stellen regeling, de Archiefverordening. Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze deelnemers. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken is belast de archivaris van de deelnemers. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de omgevingsdienst is belast de archivaris van het Brabants Historisch Informatie Centrum te 's-Hertogenbosch. Bij opheffing van de Gemeenschappelijke Regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995.
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging) a.
2.
de zorg van het dagelijks bestuur voor de archiefbescheiden van het bestuur van het openbaar lichaam; b. het toezicht door een archivaris op het beheer; De archivaris is, onder de bevelen van het
dagelijks bestuur, belast met het toezicht van het beheer. 3. 4.
5.
6.
Artikel 36 Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de omgevingsdienst is aangewezen de archiefbewaarplaats van het Brabants Historisch Informatie Centrum te 's-Hertogenbosch.
Achtergrond / Toelichting
Het dagelijks bestuur stelt een besluit informatiebeheer vast. De kosten verbonden aan de uitoefening van de zorg, bedoeld in het eerste lid, komen ten laste van de omgevingsdienst. Bij opheffing van de Gemeenschappelijke Regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Archiefwet 1995 getroffen. Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze deelnemers.
7. Artikel 8.2 Archiefbewaarplaats 1. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de gemandateerde taken is aangewezen de archiefbewaarplaats van de deelnemers. 2. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de
Na consulteren Provincie Archivaris deze bepaling gewijzigd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften Archiefwet.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Omgevingsdienst is aangewezen het Brabants Historisch Informatie Centrum. Artikel 8.3 Archivaris 1. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van alle archiefbescheiden van alle taken die niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats is aangewezen de archivaris van het Brabants Historisch Informatie Centrum. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van archivaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar. 3. De archivaris kan op verzoek of op eigen initiatief advies uitbrengen aan het dagelijks bestuur over aangelegenheden betreffende toezicht en beheer. Artikel 8.4 Verantwoording 1. Het dagelijks bestuur informeert het algemeen bestuur jaarlijks over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van het openbaar lichaam. 2. Zij voegen daarbij in ieder geval: a. het verslag van de archivaris met betrekking tot
in ieder geval het beheer, als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid; b.
voor zover van toepassing, de gedurende de betreffende periode door de archivaris aan hen uitgebrachte adviezen; en
Na consulteren Provincie Archivaris deze bepaling gewijzigd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften Archiefwet.
Na consulteren Provincie Archivaris deze bepaling gewijzigd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften Archiefwet.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging) een voorstel voor de in het kader van de zorgplicht voor de archiefbescheiden te treffen maatregelen, zo nodig voorzien van een kostenraming. Artikel 8.5 Ter beschikking stellen 1. Indien noodzakelijk voor de taakuitvoering van de omgevingsdienst, stellen de colleges en Gedeputeerde Staten, onder hen berustende archiefbescheiden ter beschikking. 2. Terbeschikkingstelling geschiedt voor maximaal vijf jaar en kan, met telkens een aaneengesloten periode van maximaal vijf jaar, worden verlengd tot ten hoogste 20 jaar. 3. Van de terbeschikkingstelling wordt een verklaring opgemaakt, die ten minste bevat een specificatie van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden.
Achtergrond / Toelichting
c.
4. Voor het verstrekken van digitale reproducties als gebruikskopie worden, in afwijking van het derde lid, afspraken gemaakt in de algemene leveringsvoorwaarden. 5.
6.
Een exemplaar van de verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt bewaard door de betreffende deelnemer en de omgevingsdienst. Indien de omgevingsdienst archiefbescheiden tot zijn beschikking krijgt, brengt deze slechts wijzigingen aan in de staat van ordening en toegankelijkheid van en vernietigt slechts uit de bescheiden na machtiging door de ter beschikking stellende deelnemer.
Na consulteren Provincie Archivaris deze bepaling gewijzigd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften Archiefwet.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging) 7.
De kosten van het beheer van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden komen ten laste van de deelnemer, die de archiefbescheiden ter beschikking stelt, tenzij de deelnemers anders overeenkomen. 8. De zorgdrager voor de archiefbescheiden van het bestuursorgaan dat de archiefbescheiden ter beschikking heeft gesteld, blijft in alle gevallen de zorgdrager voor de archiefbescheiden. 9. Indien de ordening van de archiefbescheiden, bedoeld in het eerste lid, zich verzet tegen terbeschikkingstelling, is de omgevingsdienst te allen tijde bevoegd inzage te nemen van die archiefbescheiden dan wel daarvan of daaruit reproducties, afschriften of uittreksels te vorderen. 10. Ten aanzien van de terbeschikkingstelling gelden de volgende nadere voorwaarden: a. de ter beschikking gestelde archiefbescheiden worden door de omgevingsdienst in goede, geordende en toegankelijke staat bewaard; b. uitlening van terbeschikkinggestelde archiefbescheiden is slechts toegestaan aan functionarissen binnen de omgevingsdienst die ambtelijk zijn belast met behandeling van een aangelegenheid waarvoor uitlening noodzakelijk is. 11. De omgevingsdienst kan het beheer van archiefbescheiden nader regelen in de algemene leveringsvoorwaarden.
Achtergrond / Toelichting
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Artikel 37 Evaluatie 1. Het algemeen bestuur evalueert iedere twee jaar het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers. De eerste keer zal plaatsvinden in 2020. 2. Het algemeen bestuur rapporteert aan gedeputeerde staten en de colleges het resultaat van de uitgevoerde evaluaties onder vermelding van de daaruit getrokken conclusies. 3. De wijze waarop de evaluatie en rapportage plaats zullen vinden wordt nader vastgelegd door het algemeen bestuur.
Artikel 11.1 Evaluatie 1. Het dagelijks bestuur zendt in 2028 en vervolgens telkens na vier jaar een verslag aan het algemeen bestuur: a. over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk; b. over het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers. 2. Het verslag uit het eerste lid, onder b, bevat een samenvatting van de in de afgelopen vier jaar uitgevoerde evaluaties en rapporten over het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers. 3. Het algemeen bestuur overlegt het verslag van de evaluatie en de daaruit getrokken conclusies, bedoeld in het eerste lid, aan de deelnemers.
Door allen wordt onderschreven dat voor een beleidsarme organisatie als een omgevingsdienst het uitgangspunt moet zijn en blijven dat participatie in beginsel via de deelnemers verloopt. Daar wordt immers het beleid gemaakt en dat is het moment waarop participatie door burgers het meest direct invloed heeft op de beleidsvorming en daarmee op de leefomgeving voor die burgers. Dit uitgangspunt is correct omschreven in lid 1 van het voorgestelde artikel. Participatie zoals in de Wgr omschreven ziet echter ook op de uitvoering of evaluatie van beleid. In lid 2 wordt daarom opgenomen dat het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst bij voor de burgers ingrijpende besluiten kan besluiten tot een participatie traject. Wat dan ingrijpende gevolgen zijn is aan het dagelijks bestuur om af te wegen.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Artikel 38 Toetreding 1. Toetreding tot de Gemeenschappelijke Regeling vindt plaats door het sturen van een verzoek daartoe aan het algemeen bestuur, voorzien van het concept collegebesluit en de toestemming van de raad. 2. Toetreding tot de Gemeenschappelijke Regeling kan slechts plaatsvinden indien de colleges van de deelnemende gemeenten en gedeputeerde Staten daarmee instemmen en de raden en provinciale staten hun toestemming daarvoor geven. 3. Het algemeen bestuur kan nadere voorwaarden aan de toetreding verbinden. Artikel 39 Uittreding 1. Een gemeente en de provincie kunnen bij besluit van het college van burgemeester en wethouders, respectievelijk Gedeputeerde Staten, na verkregen toestemming van de gemeenteraad, respectievelijk Provinciale Staten besluiten uit de regeling te treden, tenzij landelijk wetgeving de mogelijkheid tot uittreding beperkt. 2. Nadat het algemeen bestuur het besluit tot uittreden van de deelnemer heeft ontvangen, stelt hij de voorwaarden vast waaronder de uittreding plaats kan vinden. De voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op de financiële verplichtingen die voor de deelnemer voortvloeien uit de uittreding. 3. Alvorens een deelnemer besluit tot uittreden, maakt deze het voornemen daartoe schriftelijk kenbaar aan het algemeen bestuur en vindt overleg plaats over de mogelijke voorwaarden die aan de uittreding verbonden worden. 4.
De uittreding gaat in op 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar van het besluit tot
Artikel 9.1 Toetreding 1. Indien de deelnemers daarmee instemmen kan een bestuursorgaan van een een gemeente, provincie, waterschap of het Rijk toetreden krachtens daartoe strekkende besluiten van haar daartoe bevoegde bestuursorganen. 2. De toetreding gaat in met ingang van een door de deelnemers nader te bepalen datum. 3. Het algemeen bestuur brengt een voorstel tot toetreding aan deze gemeenschappelijke regeling in procedure bij de deelnemers
Het algemeen bestuur kan niet instemmen met toetreding. De regels omtrent toetreding zijn conform artikel 51, vijfde lid, van de wet hetzelfde als voor het treffen van de regeling. De deelnemers zijn bevoegd gezag.
Artikel 9.2 Uittreding 1. Een deelnemer kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van een daartoe strekkend besluit van haar bestuursorgaan. 2. De opzegging geschiedt met in achtneming van een opzegtermijn van tenminste twee jaar. 3. De uittreding vindt plaats op 1 januari na het verstrijken van de opzegtermijn. 4. De uittredende deelnemer en het algemeen bestuur houden de kosten die verband houden met de uittreding zo laag mogelijk. 5. De uittredende deelnemer betaalt in jaar een van uittreding 66% en in jaar twee 33% van de bijdrage aan de begroting die de deelnemer voldeed in het jaar voorafgaand aan de uittreding. 6. Tot aan de datum van de uittreding behoudt de uittredende deelnemer alle rechten en verplichtingen
De uittredingsregeling is uitgebreid. Gelet op de wettelijke verplichting om aan te sluiten bij een omgevingsdienst zal een uittreding in de praktijk niet of nauwelijks voorkomen. Desalniettemin is een voorstel voor een uittredingsprocedure opgesteld.
Het algemeen bestuur brengt het voorstel tot toetreding in procedure bij de deelnemers.
Het algemeen bestuur heeft geen bevoegdheid tot het vaststellen van de financiële verplichtingen. Het is aan de deelnemers om af te wijken van hetgeen bepaalt is in de regeling indien de omstandigheden van het geval daarvoor aanleiding geven. Komen partijen niet tot afwijkende afspraken dan is de bepaling leidend voor het afwikkelen van de financiële gevolgen van de uittreding.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
5.
uittreding, of zoveel eerder als de uittredende partij en het algemeen bestuur samen afspreken. Tot aan de datum van de feitelijke uittreding behoudt de uittredende deelnemer alle rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke regeling.
Artikel 40 Wijziging 1. Het algemeen bestuur brengt een voorstel tot wijziging van deze gemeenschappelijke regeling in procedure bij de deelnemers. 2. De gemeenschappelijke regeling wordt gewijzigd indien de colleges en gedeputeerde staten daartoe, met toestemming van de raden respectievelijk provinciale staten eensluidend besluiten. Artikel 41 Opheffing 1. Het algemeen bestuur kan een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling voorleggen aan de deelnemers. Het voorstel tot opheffing is voorzien van een concept liquidatieplan. 2. Opheffing van de gemeenschappelijke regeling vindt plaats door een daartoe strekkend besluit van de deelnemende bestuursorganen, voorzien van toestemming van de raden respectievelijk Provinciale Staten. 3. Het algemeen bestuur stelt het liquidatieplan vast. Alvorens tot vaststelling over te gaan stelt het
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging) die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke regeling. 7. De deelnemers kunnen afwijken van het eerste tot en met het vijfde lid, voor zover toepassing, gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 8. Het algemeen bestuur brengt indien sprake is van een afwijking als bedoeld in het zevende lid, een voorstel met daarin de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van de uittreding in procedure bij de deelnemers. Artikel 9.3 wijziging Het algemeen bestuur brengt een voorstel tot wijziging van deze gemeenschappelijke regeling in procedure bij de deelnemers.
Artikel 9.4 Opheffing 1. Deze gemeenschappelijke regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur worden opgeheven door een daartoe strekkend besluit van de betrokken bestuursorganen van de deelnemers. 2. Het voorstel, bedoeld in het eerste lid, bevat: a. een liquidatieplan waarover alle deelnemers zijn geraadpleegd; b. de verplichting voor de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen in de opheffing; en c. de gevolgen die de opheffing heeft voor de medewerkers van de omgevingsdienst, waarbij
Achtergrond / Toelichting
Dat eensluidende toestemming van raden respectievelijk Provinciale Staten nodig is voor het wijzigen van de regeling is reeds wettelijk geregeld in artikel 51 van de wet.
Om verwarring te voorkomen met officiële zienswijze procedure is gekozen voor de terminologie raadplegen. Voortbestaan omgevingsdienst bij opheffing dwingend geregeld in artikel 9, derde lid, van de wet.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd) algemeen bestuur de raden respectievelijk de staten in de gelegenheid hun zienswijze over het concept naar voren te brengen. 4. Het liquidatieplan regelt in ieder geval: a. de wijze waarop de deelnemers verplicht zijn bij te dragen in de financiële gevolgen van opheffing; b. de wijze waarop de rechten en plichten van de omgevingsdienst verdeeld worden over de deelnemers; c. de gevolgen van de opheffing voor het personeel. 5. Bij de ontbinding van het lichaam in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft het lichaam voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is. Artikel 42 Geschillen 1. Indien sprake is van een geschil met betrekking tot de uitvoering van deze regeling, wordt dit geschil eerst voorgelegd aan een door het algemeen bestuur te benoemen geschillencommissie. 2. De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Beide partijen dragen ieder één lid voor die gezamenlijk een onafhankelijk voorzitter aanwijzen. 3. Iedere partij draagt de eigen kosten voor het aangewezen lid van de geschillencommissie. Partijen dragen samen de kosten voor de voorzitter. 4. Het oordeel van de geschillencommissie is zwaarwegend maar niet bindend. Partijen behouden de mogelijkheid om een rechterlijke procedure te starten.
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
de toewijzing van medewerkers aan de deelnemers plaats vindt naar rato van afname.
Artikel 10.1 Informele aanpak interne geschillen of interne bezwaarschriften 1. Indien sprake is van een geschil of een bezwaarschrift met betrekking tot een besluit op grond van een bepaling in deze regeling, wordt dit geschil eerst informeel door partijen besproken in aanwezigheid van een door partijen gezamenlijk gekozen onafhankelijke bemiddelaar. 2. Partijen dragen samen de kosten voor de onafhankelijke bemiddelaar. 3. Indien het informele gesprek niet leidt tot een oplossing van het bezwaar neemt het bestuur van het openbaar lichaam een beslissing op het bezwaar.
In geval van bezwaarschriften is een onafhankelijke commissie aanwijzen door het algemeen bestuur, gevolgd door het aanwijzen van een onafhankelijke voorzitter erg tijdrovend. In geval van bezwaarschriften dient rekening te worden gehouden met de wettelijke bezwaartermijn. Het formaliseren van informeel traject is wel wenselijk.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Artikel 43 Klachten 1. Klachten op grond van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht worden door het dagelijks bestuur in behandeling genomen. 2. Het dagelijks bestuur kan de afhandeling van klachten mandateren aan de directeur.
Artikel 10.2 Interne klachten 1. Het bestuur van het openbaar lichaam draagt ingevolge artikel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen. 2. Het bestuur kan de afhandeling van klachten mandateren aan de directeur.
Klachten kunnen bij alle besturen worden ingediend.
Artikel 11.3 Omhangbepaling Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de volgende regelingen mede op deze regeling: a. Reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur omgevingsdienst BrabantNoord; b. Archiefverordening Omgevingsdienst Brabant Noord; c. Klachtenregeling ODBN 2019; d. Financiële verordening Omgevingsdienst Brabant Noord 2023; e. Treasurystatuut Omgevingsdienst Brabant Noord 2023; f. Directiestatuut Omgevingsdienst Brabant Noord; g. Algemeen delegatiebesluit omgevingsdienst Brabant Noord; h. Verordening elektronische bekendmaking en kennisgeving Omgevingsdienst Brabant Noord 2019; i. Controleverordening Omgevingsdienst Brabant Noord 2023.
Artikel 11.3 (de ‘omhangbepaling’) is geactualiseerd voor de verordeningen die tussen de ontwerpregeling en de definitieve regeling nog zijn of aangepast.
Andere vindplaats
OUD (geel = verwijderd) Artikel 44 Slotbepalingen 1. Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd en treedt in werking nadat de regeling op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. 2. De wettelijk voorgeschreven bekendmaking van deze regeling als bedoeld in artikel 53 van de Wet, geschiedt door gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant.
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Andere vindplaats
Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant en de colleges van de gemeenten in Brabant Noord van …. (datum), houdende de instelling van een openbaar lichaam ten behoeve van de uitvoering van taken op het gebied van het omgevingsrecht en de regeling van haar werkwijze (Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant Noord 2024) Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, Burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze, Burgemeester en wethouders van de gemeente Boekel, Burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel, Burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk, Burgemeester en wethouders van de gemeente Maashorst, Burgemeester en wethouders van de gemeente Meijerijstad, Burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, Burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, Burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel, Burgemeester en wethouders van de gemeente Vught, ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft; Gelet op artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen; Gezien de toestemming van Provinciale Staten van Noord-Brabant en de raden van de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxtel, Land van Cuijk, Maashorst, Meijerijstad, Oss, ’s-Hertogenbosch, Sint-Michielsgestel, Vught; Overwegende dat er in de provincie Noord-Brabant omgevingsdiensten zijn ingesteld om ten behoeve van de deelnemers taken op een efficiënte en
doelmatige wijze uit te voeren op het gebied van het omgevingsrecht en om als verlengstuk van het lokaal en provinciaal bestuur een bijdrage te leveren aan het realiseren en borgen van de kwaliteit en veiligheid van de fysieke werk- en leefomgeving van de verschillende regio’s in de provincie Noord-Brabant en in de regio Brabant Noord in het bijzonder; Besluiten vast te stellen de volgende regeling: Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: boekjaar: boekjaar dat samenvalt met het kalenderjaar; colleges: colleges van burgemeester en wethouders va6n de aan deze regeling deelnemende gemeenten; deelnemers: aan deze regeling deelnemende gemeenten en de provincie Noord-Brabant; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant; Landelijk basistakenpakket: verplichte Landelijke Basistakenpakket, als opgenomen in artikel 13.12 Omgevingsbesluit juncto bijlage VI van het Omgevingsbesluit; frictiekosten: eenmalige kosten die een organisatie moet maken om kostenbesparingen door te voeren; omgevingsdienst: Omgevingsdienst Brabant Noord; Provinciale Staten: Provinciale Staten van Noord-Brabant; raden: gemeenteraden van de aan deze regeling deelnemende gemeenten; SGO: Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties; werkgebied: totale grondgebied van de deelnemers, alsmede het daarmee overeenkomende grondgebied van de provincie
Noord-Brabant; wet: Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 1.2 Openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet, genaamd Omgevingsdienst Brabant Noord. 2. Het openbaar lichaam is gevestigd te ‘s-Hertogenbosch. Artikel 1.3 Participatie 1. Ingezetenen van de deelnemers en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden of Provinciale Staten van de deelnemers betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. Artikel 1.4 Zienswijze Met inachtneming van artikel 10, vijfde lid, van de wet worden geen aanvullende besluiten aangewezen waarover de raden of Provinciale Staten in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Paragraaf 2 Taken Artikel 2.1 Basistaken 1. De omgevingsdienst is belast met het ten behoeve van de deelnemers uitvoeren van het Landelijk Basistakenpakket met inachtneming van het door de deelnemers vastgestelde beleid. 2. Onder de taken, bedoeld in het eerste lid, behoort ook het vervullen van: a. adviserende taken op het terrein van de vergunningverlening, toezicht en handhaving ten behoeve van de deelnemers; b.
coördinerende taken voor de deelnemers tezamen; en c. afstemmende taken voor de deelnemers tezamen. Artikel 2.2 Verzoektaken Onverminderd artikel 2.1 kan de omgevingsdienst, voor zover dit geen verstoring veroorzaakt in de uitvoering van de basistaken, op verzoek van een of meer van de deelnemers de volgende andere taken uitvoeren: a. verzoektaken met betrekking tot andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden inzake vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van de fysieke leefomgeving; of b. andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving. Artikel 2.2a Collectieve taken 1. De collectieve taken zijn basistaken of verzoektaken als genoemd in de artikelen 2.1 en 2.2, maar onderscheiden zich van deze taken vanwege het collectieve opdrachtgeverschap. 2. De deelnemers tezamen kunnen de taken, bedoeld in het eerste lid, opdragen. 3. De aansturing en uitvoering van deze taken geschiedt na besluitvorming hierover bij de vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur. Artikel 2.3 werkzaamheden voor andere publiekrechtelijke rechtspersonen 1.
Onverminderd de taken, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.2a kan de omgevingsdienst op verzoek van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon, indien dit geen verstoring veroorzaakt, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden voor die rechtspersoon verrichten op het gebied van de fysieke leefomgeving. 2. De taken als bedoeld in het eerste lid mogen niet meer dan 10% van de totale omvang bedragen.
Artikel 2.4 Algemene leveringsvoorwaarden 1. Het algemeen bestuur stelt algemene leveringsvoorwaarden op met betrekking tot de uitvoering van de taken, genoemd in de artikelen 2.1 en 2.2. 2. Het dagelijks bestuur en de afzonderlijke deelnemers stellen jaarlijks een werkprogramma vast waarin afspraken worden gemaakt over de omvang van de te leveren producten en diensten. 3. Het werkprogramma, bedoeld in het tweede lid, is uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het programma betrekking heeft, gereed. 4. In de algemene leveringsvoorwaarden is opgenomen op welke wijze frictiekosten in rekening worden gebracht bij een verminderde afname per afgesproken product of dienst. Artikel 2.5 Taken voormalig Regionaal Milieubedrijf Brabant Noordoost 1. Onverminderd de taken, genoemd in de artikelen 2.1 en 2.2 verricht de omgevingsdienst extra taken met betrekking tot afvalverwerking en sanering verkeerslawaai voor de volgende gemeenten: a. Bernheze; b. Boekel; c. ’s-Hertogenbosch, voor wat betreft het grondgebied van de voormalige gemeente Maasdonk (Nuland en Vinkel); d. Land van Cuijk; e. Maashorst; f. Oss; g. Meierijstad. 2. De extra taken met betrekking tot afvalverwerking, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op: a. de eeuwigdurende nazorg van de voormalige stortplaats Voorste Heide in Oss; b.
het uitvoeren van toezichtsactiviteiten en handhavingsactiviteiten in het kader van de Omgevingswet en de Wet bodembescherming voor de stortplaats Haps. 3. De extra taken met betrekking tot sanering verkeerslawaai, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op: a. het uitvoeren van de overeenkomst die met de provincie Noord-Brabant is aangegaan voor de geluidsanering van woningen; b. het besteden van het ISV-budget voor de geluidsanering van woningen in de gemeenten; c. het verantwoorden van de besteding van het ISV-budget. 4. Nadere juridische en financiële afspraken ten aanzien van de taken, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn of worden door de desbetreffende deelnemers vastgelegd in bestuursovereenkomsten. 5. De bestuursovereenkomsten, bedoeld in het vierde lid, zijn ook van toepassing bij beëindiging van de extra taken, uittreding uit of opheffing van deze gemeenschappelijke regeling. Paragraaf 3 Algemeen bestuur Artikel 3.1 Samenstelling en aanwijzing 1. Gedeputeerde staten en de colleges wijzen ieder uit hun midden een lid en een plaatsvervangend lid aan. 2. Een plaatsvervangend lid vervangt het aangewezen lid bij: a. ontstentenis; en b. ontslag.
Artikel 3.2 Incompatibiliteit Onverminderd artikel 20 van de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een der deelnemers, dan wel door of vanwege het bestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt.
Artikel 3.3 Einde lidmaatschap 1. Onverminderd artikel 13, tweede lid, van de wet, eindigt het lidmaatschap van een lid van het algemeen bestuur van rechtswege indien: a. het college dat hem heeft aangewezen of Gedeputeerde Staten een nieuw lid aanwijst; of b. het college dat hem heeft aangewezen of Gedeputeerde Staten schriftelijk het ontslag verleent indien: 1°. hij daar om verzoekt; 2°. hij het vertrouwen niet meer bezit van Gedeputeerde Staten of het college uit wiens midden men is aangewezen. 2. Indien tussentijds de plaats van een lid of een plaatsvervangend lid vacant komt, wijst het daartoe bevoegde college of Gedeputeerde Staten zo spoedig mogelijk een nieuw lid of een plaatsvervangend lid aan. Artikel 3.4 Vergaderingen 1. Onverminderd artikel 22, tweede lid, van de wet, juncto artikel 17 van de Provinciewet, kunnen meer vergaderingen worden ingelast, indien een of meer leden van het dagelijks bestuur moeten worden benoemd. 2. Van een vergadering met gesloten deuren als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij het algemeen bestuur anders beslist. 3. In een vergadering met gesloten deuren als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet, wordt niet beraadslaagd of besloten over: a. de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening; b.
de vaststelling van het liquidatieplan; c. het benoemen of ontslaan van een lid van het dagelijks bestuur; d. de vaststelling of wijziging van een gemeenschappelijke regeling tussen de omgevingsdienst en andere openbare lichamen; e. het toetreden tot of het uittreden uit een regeling, bedoeld onder d; f. de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, coöperaties of verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan. 4. Het Algemeen Bestuur kan zich in de vergaderingen laten bijstaan door adviseurs. Artikel 3.5 Besluitvorming 1. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering een stem. 2. De volgende besluiten worden genomen met een gekwalificeerde meerderheid, waarbij de meerderheid van stemmen tevens tenminste de helft bijdraagt aan de begroting van de omgevingsdienst voor het desbetreffende kalenderjaar: a. het vaststellen van de begroting; b. de wijziging van de begroting; en c. het vaststellen van de jaarrekening. 3. Besluiten over het verhogen van het budget voor collectieve taken worden genomen met een gekwalificeerde meerderheid, waarbij de meerderheid van stemmen minimaal 75% van het aantal deelnemers omvat. 4.
De gekwalificeerde meerderheid, bedoeld in het derde lid, is niet nodig indien het voorstel slechts een reguliere verhoging van het budget behelst, op basis van de index die ook van toepassing is op de overige onderdelen van de begroting. Artikel 3.6 Taken en bevoegdheden 1. Onverminderd de wet, heeft het algemeen bestuur de volgende taken en bevoegdheden:
a.
2.
3.
het vaststellen van beleidsregels waarmee de andere organen van de omgevingsdienst rekening houden bij de uitoefening van hun bevoegdheden; b. het instellen van commissies als bedoeld in artikel 25 van de wet; c. het oprichten en deelnemen in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 55a van de wet, dan wel de ontbinding of beëindiging van de deelneming in die rechtspersoon. d. het met inachtneming van de hoofdstukken VIII en IX van de wet deelnemen aan of treffen van een gemeenschappelijke regeling ter behartiging van de ondersteunende processen, mits twee derde van het aantal deelnemers met het aangaan van de regeling heeft ingestemd. Onverminderd artikel 57a van de wet, kan het algemeen bestuur de uitoefening van door hem te bepalen bevoegdheden volgens door hem te stellen beleidsregels of daaraan te stellen beperkingen overdragen aan het dagelijks bestuur of aan een commissie als bedoeld in artikel 25 van de wet, met uitzondering van: a. het stellen van beleidsregels over het aangaan van geldleningen, het uitlenen van geld, of over de directe regeling van hetgeen verder de geldmiddelen van de omgevingsdienst aangaat; b. het regelen van de gevolgen van toetreding of uittreding van een bestuursorgaan tot respectievelijk uit de regeling alsmede het verbinden van nadere voorwaarden daaraan; c.
het doen van een voorstel aan de colleges en Gedeputeerde Staten tot wijziging van de regeling; d. het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, artikel 24a en artikel 25 van de wet; e. het oprichten van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, bedoeld in het eerste lid, onder c; f. het vaststellen van een liquidatieplan bij opheffing van de regeling. Onverminderd artikel 25 van de wet regelt het algemeen bestuur bij het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid, onder b: a. de einddatum van de commissie, indien deze is ingesteld voor bepaalde tijd; en b. de benoeming van de voorzitter van de commissie.
Paragraaf 4 Dagelijks bestuur Artikel 4.1 Samenstelling en aanwijzing 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de volgende leden waaronder de voorzitter: a. een vertegenwoordiger van de provincie Noord-Brabant; en b. vier vertegenwoordigers van de gemeenten uit het werkgebied van de omgevingsdienst. 2. De leden worden uit en door het algemeen bestuur gekozen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur: a. waarin het algemeen bestuur in een nieuwe samenstelling bijeen komt; of b. volgend op de beëindiging van het lidmaatschap van een of meer leden van het dagelijks bestuur. 3. Bij langdurige afwezigheid van een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur een plaatsvervangend lid worden aangewezen. 4. Het algemeen bestuur bewaakt bij de aanwijzing van de leden van het dagelijks bestuur een evenwichtige spreiding over het werkgebied van de omgevingsdienst. Artikel 4.2 Einde lidmaatschap Het lidmaatschap van een lid van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege indien: a. zijn lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op grond van artikel 3.3; of b. het algemeen bestuur dat hem heeft aangewezen schriftelijk het ontslag verleent indien: 1°. hij daar om verzoekt; 2°. hij het vertrouwen niet meer bezit van het algemeen bestuur uit wiens midden men is aangewezen.
Artikel 4.3 Vergaderingen 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee leden dit nodig oordelen. 2. Op het houden en de orde van de vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn de artikelen 52 tot en met 57, artikel 59a en artikel 60 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.4 Besluitvorming 1. Besluitvorming van het dagelijks bestuur vindt plaats overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de Provinciewet. 2. Het dagelijks bestuur stemt: a. schriftelijk bij het doen van benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen betreffende personen; b. mondeling in de overige gevallen. Artikel 4.5 Taken en bevoegdheden Onverminderd artikel 57b, van de wet, heeft het dagelijks bestuur de volgende bevoegdheden: a. het behartigen van de belangen van de omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor de omgevingsdienst van belang is; b. de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van de omgevingsdienst; c. de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding. Artikel 4.6 Tegemoetkoming 1.
De leden van het algemeen of dagelijks bestuur kunnen een door het algemeen bestuur vast te stellen tegemoetkoming in de kosten, en voor zover zij niet de functie van wethouder, secretaris of burgemeester vervullen, een vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen. 2. Het algemeen bestuur kan een tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en andere financiële voorzieningen vaststellen die verband houden met de vervulling van het lidmaatschap van het algemeen bestuur. 3. Bij het vaststellen van de tegemoetkoming en vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt artikel 21 van de wet in acht genomen. Paragraaf 5 De voorzitter, de directeur en de secretaris Artikel 5.1 De voorzitter Ingevolge artikel 13, negende lid, van de wet, wijst het algemeen bestuur uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan die de voorzitter bij diens ontstentenis of ontslag vervangt. Artikel 5.2 De directeur 1. Het dagelijks bestuur stelt een directeur aan die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast is met: a. de leiding van de omgevingsdienst; b. de aansturing van het personeel; en c. de zorg voor een juiste taakvervulling door de omgevingsdienst. 2. Het dagelijks bestuur stelt zo spoedig mogelijk een nieuwe directeur aan in het geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de directeur. 3.
Het dagelijks bestuur stelt in een directiestatuut nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de directeur. Artikel 5.3 De secretaris 1. Het dagelijks bestuur wijst de directeur van de omgevingsdienst aan als de secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.