A - Bijlage A - Toelichting bp Wonen op de Donk Den Dungen
Tekst van het document
In artikel 3.7 'Toepassing lagenbenadering' onder lid 2 staat omschreven dat de lagenbenadering effecten omvat op: • de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; • de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; • de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Het is van belang om te weten hoe de omgeving in elkaar steekt en te kijken naar alle lagen. Tussen deze lagen bestaat een wisselwerking. Iedere laag kent zijn eigen dynamiek, verschillende veranderingssnelheid en mate van omkeerbaarheid bij ingrepen. Voor een aantal aspecten die bij de lagenbenadering betrokken worden, bevat de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant specifieke regels, zoals het Natuur Netwerk, de groenblauwe mantel, cultuurhistorische- en aardkundige waarden, stiltegebied en delen
27
van het watersysteem. Geen van deze aspecten is op voorhand specifiek van toepassing op onderhavig plangebied. Er dient rekening gehouden te worden met de laag dynamische ondergrond, maar ook met de effecten op de andere lagen en met toekomstige effecten. Bij de afweging gaat het niet alleen om de effecten op de omliggende functies in het gebied maar ook op effecten van een ontwikkeling elders. Niet alleen de effecten nu maar ook de effecten naar de toekomst. Met het beoogde plan worden in totaal 43 – netto: 41 – nieuwe woningen gerealiseerd. Ten behoeve van deze ontwikkeling is de lagenbenadering uitgevoerd. Uit de lagenbenadering blijkt dat een stedelijke ontwikkeling binnen het plangebied voorstelbaar is. De aanwezige waarden en structuren in en om het plangebied dienen daarbij in acht te worden genomen. In het stedenbouwkundig plan voor deze uitbreiding is rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden binnen het plangebied, zie hoofdstuk 4 paragraaf 2. Daarbij wordt tevens aangesloten op waarden en structuren uit de directe omgeving. Het stedenbouwkundig plan is middels zorgvuldige afweging (tussen ontwikkelaars en gemeente) tot stand gekomen.
In hoofdstuk 4 paragraaf van deze toelichting worden de effecten op onder andere de bodem, het grondwater, archeologische waarden, infrastructuur, natuurnetwerk, water, cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden beschreven. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling geen nadelige effecten aanwezig zijn. Conform artikel 3.8 wordt de meerwaarde via onderhavig planvoornemen als volgt gecreëerd: • het realiseren van nieuwe woningen met een divers programma die tegemoet komen aan de behoefte uit de regio; • het realiseren van nieuwe woningen die ingepast zijn in het landschap, waardoor er een kwalitatief hoogwaardige woonwijk wordt ontstaat; • het realiseren van landschapselementen, die bijdragen aan het landschapstype én de ecologie. Daar waar de bestaande kernranden worden overschreden dient er aan voorwaarden te voldaan op het gebied van zuinig ruimtegebruik en duurzame inpassing. Deze wordt onder meer ingevuld met de kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hieronder volgt een verantwoording van gemaakte keuzes. Onderhavige ontwikkeling gaat niet ten koste van bestaande bouwwerken – er vinden wel sloopwerkzaamheden plaats.
Er vindt sanering van het agrarische bedrijf aan de Donksestraat 19 te Den Dungen plaats: diverse stallen en schuren worden gesloopt, waarmee de milieuhinder komt te vervallen en de leefkwaliteit verbeterd. Parallel aan onderhavig planvoornemen vindt er een verbetering van het landschap plaats met een zogenaamd landschappelijk inpassingsplan, waaraan aandacht is besteed in hoofdstuk 2 van deze plantoelichting. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen ook (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering noodzake-
28
lijk. Van Dooren Landschap heeft hiertoe in paragraaf 6.3 van het opgestelde landschapsplan (zie bijlage 1) een eerste aanzet voor gegeven. Voorts kan nogmaals wordt aangegeven dat het nieuwbouwplan enkele bestaande kwaliteiten heeft geïntegreerd in de nieuwbouwlocatie. Voorliggend initiatief betreft de realisatie van een woonlocatie met in totaal 43 – netto: 41 – nieuwe woningen ter plaatse van reeds stedelijk bestemde gronden, maar ook agrarische gronden in het buitengebied van Den Dungen. De nieuwe te realiseren woonlocatie, Wonen op de Donk, is landschappelijk ingepast, waarbij er rekening is gehouden met ecologische-,landschappelijke- en milieutechnische waarden. Daarnaast zijn de woningen zodanig gesitueerd, dat de randen van het plangebied een open karakter behouden en er overal het landschap beleefbaar is. Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is het plangebied aangeduid als ‘Concentratiegebied’ en ‘Verstedelijking afweegbaar’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. Hierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen
29
De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is verder bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stedelijk gebied mogen vallen. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhangende zoekgebieden mogelijk. Het plangebied is gelegen in ‘Concentratiegebied’ en in een gebied dat geldt als ‘Verstedelijking afweegbaar’. Hiervoor gelden de volgende regels (artikel 3.42).
Ter plaatse van de plekken aangeduid als zijnde ‘verstedelijking afweegbaar’ wordt de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als mogelijkheid gezien, indien binnen stedelijk gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is (1), en indien transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort (2), of de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4. Regionaal samenwerken (3), of de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het stedelijk gebied (4). Doorwerking plan(gebied) Onderhavig plan betreft de ontwikkeling van 43 woningen – netto 41. De ontwikkeling zal zorgvuldig geschieden met respect voor bestaande kwaliteiten. Daarnaast mag het planvoornemen als duurzaam en compact worden betiteld en sluit het aan bij de nationale, provinciale en lokale wensen op het gebied van woningbouw. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte binnen een landelijke kern. Tevens sluit dit aan op de voorwaarden die zijn gesteld aan de oprichting van woningen binnen gronden welke zijn aangeduid als ‘verstedelijking afweegbaar’.
Het gewenste aantal woningen is niet passend binnen de bestaande stedelijk kern. Daarbij geldt dus dat er in nauw overleg met gemeente en specialisten op het gebied van waardetoekenning aan het plangebied – zie onder meer onderzoeksresultaten hoofdstuk 4 - een nieuwbouwplan inclusief landschappelijk inpassingsplan is opgesteld welke respect toont voor bestaande waarden en welke duurzaam is. Met het oprichten van de nieuwe woningen vindt er een vorm van verstedelijking plaats in het landelijke gebied. De aanduiding ‘verstedelijking afweegbaar’ biedt de mogelijkheid om de oprichting van woningen mogelijk te maken. Het plangebied sluit expliciet aan bij het zuidelijk gelegen stedelijke kern met de bijbehorende functies en dorpsvoorzieningen. Voorts kan worden gemeld dat het plangebied reeds in de ‘Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen (2019)’ een plek heeft gekregen als potentieel toekomstige woningbouwlocatie. Dat betekent dat voor de gemeente in het verleden reeds afwegingen zijn gemaakt in het aanwijzen van plekken binnen of grenzend aan de stads- of dorpskernen
30
waar aan woningbouwbehoefte kan worden voorzien. Wonen op de Donk is een van deze locaties. In paragraaf 4.4 is uitgebreider aandacht besteed aan de Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen. Het als verstedelijking afweegbaar aangeduide gebied vormt in onderhavig geval de overgang tussen een bestaand woongebied met een landelijke karakter en het aangrenzende landelijke gebied. De gemeente wil graag komen tot een logische en duurzame dorpse afronding en herstel van de cultuurhistorische waarden. Er is bij de planuitwerking van de stedenbouwkundige en land(schapp)elijke inrichting rekening gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en in de naaste omgeving, waaronder mede begrepen de ontwikkeling van een groene geleding ten behoeve van ecologische en landschappelijke verbindingen. Na realisatie van het plan is er sprake van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies in het gebied. Tevens vindt er met het plan een koppeling plaats met de omliggende woonfuncties en aanwezige infrastructurele voorzieningen.
Op deze wijze, maar ook door toepassing te geven aan de noodzakelijke landschappelijke kwaliteitsverbetering, wordt bij de planuitwerking van de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en in de naaste omgeving, waaronder mede begrepen de ontwikkeling van een groene geleding ten behoeve van ecologische en landschappelijke verbindingen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden algemene regels gegeven waaraan de toelichting bij een planologische ontwikkeling die wonen mogelijk maakt, moet voldoen. Uiteraard dient gekeken te worden naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met de afspraken die in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de aard van de woningen. Daaronder worden onder meer begrepen woningen voor bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, personen met een zorgvraag, jongeren en starters op de woningmarkt, in het bijzonder voor zover deze groepen behoren tot de lagere inkomensgroepen.
De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. De provincie Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar de provincie stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Vanwege een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik worden woningen op de eerste plaats binnen de bestaande bebouwde kom geconcentreerd. Voorliggend initiatief ziet op herontwikkeling van een bestaande woonbestemming en transformatie van een bestaande agrarische bestemming. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na en men streeft naar een hernieuwde, verbeterde afronding van de bestaande dorpskern Den Dungen. Voorts moeten bestaande waarden en kwaliteiten behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Het provinciale beleid, opgenomen in de provinciale structuurvisie en de verordening, is
31
gericht op het concentreren van stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied. De voorgestane ontwikkeling beantwoordt aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen om te komen tot zuinig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking (inbreiden, transformeren, herstructureren en intensiveren). Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied’ is het plangebied aangeduid als ‘landelijk gebied’ en ‘gemengd landelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
Het beleid en de uitgangspunten ten aanzien van de aanduiding ‘landelijk gebied’ heeft reeds binnen de beschrijving van het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ zijn aandacht gekregen. Ten aanzien van gronden aangeduid als zijnde ‘gemengd landelijk gebied’ geldt dat een gemengde plattelandseconomie of een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen. Een planvoornemen dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt feitelijk dat alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan. De zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Doorwerking plan(gebied) Voorliggend initiatief ziet onder meer op bestemmingswijziging van thans agrarisch bestemde gronden. Aangezien het plangebied ook valt binnen de aanduiding ‘verstedelijking afweegbaar’ is deze ontwikkeling onder voorwaarden mogelijk.
32
Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘stalderingsgebied’ en ‘beperkingen veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De aanduidingen ‘stalderingsgebied’ en ‘berperkingen veehouderij’ hebben enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van woningen ten westen van de bestaande woonkern Den Dungen. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering en beperkingen veehouderij hebben hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘norm wateroverlast Stedelijk gebied’ en ‘norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
33
Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavig plangebied is deels gelegen in het stedelijke gebied van Den Dungen. De norm ten aanzien van wateroverlast binnen het Stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: • 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; • 1/10 per jaar voor overige gebieden. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Onderhavig plangebied is voor het zuidelijke deel gelegen in het buitengebied van Den Dungen. De norm ten aanzien van wateroverlast buiten stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: • 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen; • 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; • 1/25 per jaar voor akkerbouw; • 1/10 per jaar voor grasland. Voor bebouwing die is gelegen buiten stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting.
34
Doorwerking plan(gebied) De genoemde inspanningsverplichting is ook van toepassing op onderhavig planvoornemen. Er is sprake van transformatie binnen het plangebied, waarbij het aantal vierkante meters bebouwde oppervlakte zal toenemen. Derhalve is een watertoets uitgevoerd, waarvan de conclusie is opgenomen in paragraaf 4 van hoofdstuk 4 van deze plantoelichting. De volledige rapportage is als bijlage 5 aan deze plantoelichting toegevoegd. Conclusie De gemeente Sint-Michielsgestel streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een actuele behoefte en wordt in een overgangszone tussen bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied gerealiseerd. Dus herstructurering en transformatie vóór uitleg. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats aansluitend op een bestaande woonkern, betreft herstructurering c.q. intensiever ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. Voorts zal in het volgende hoofdstuk worden aangetoond dat de dynamiek tussen de verschillende van toepassing zijnde lagen in kaart is gebracht en dat er bij ontwikkeling van onderhavig planvoornemen rekening is gehouden met deze dynamiek.
De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 4.
3.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de visie Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen (2019), de Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel (2011), de Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025, de Woonvisie 2016-2021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 en het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van deze plantoelichting.
35
Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen (2019) Toetsingskader Om de verdere planvorming in het centrum van Den Dungen meer handen en voeten te geven heeft de gemeente Sint-Michielsgestel de visie ‘Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen’ laten opstellen. Hierin staan de mogelijkheden om (her)ontwikkeling van de genoemde plangebieden te onderzoeken en een breed gedragen ontwikkelingsvisie op hoofdlijnen te ontwikkelen. Hierin wordt ook onderzocht hoe een mogelijke uitbreiding aan de Donksestraat het beste kan plaatsvinden op basis van de Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel. Onderstaand een opsomming van de meest relevante punten voor de planvorming uit deze visie: Ruimtelijk • De Sint-Jacobus de Meerderekerk heeft een centrale functie binnen het dorp. • Den Dungen mist een dorpshart. Dit komt mede door het ontbreken van centrumfuncties en de huidige besloten verblijfsruimte met sobere inrichting (ontbreken van groen) in de openbare ruimte. • In het centrum ontbreken speelplekken voor kinderen. • De groene inrichting van het centrum en aangrenzende gebieden moeten een dorpse sfeer uitstralen met landelijke architectuur. • De zichtlijnen vanuit het centrum naar het westelijk gelegen weideland moeten behouden blijven.
• Bij herontwikkeling Blauwe Scholk dient minimaal de kopgevel aan de zijde van het Raadshuis en een groot deel van de langsgevel aan de Bosscheweg gehandhaafd te blijven. • Het woonwijkje dient voor woningbouw in een zeer ruimte setting in combinatie met openbaar groen, waterberging en speelplek voor kinderen. Functioneel • Nieuw aanbod betaalbare woningen ten behoeve van ouderen en jongeren en sociale huurwoningen nabij het centrum noodzakelijk. • Het is wenselijk een nieuwe supermarkt aan de rand van het centrum te ontwikkelen (mogelijke verplaatsing supermarkt van Maaskantje). Concreet wordt in de visie geopperd om ruimte voor woningbouw te zoeken aan de westzijde van de kern Den Dungen. De Provincie Noord-Brabant heeft reeds in haar structuurvisie uit 2014 onder andere de mogelijkheid geboden aan de Gemeente Sint-Michielsgestel om woningbouw te plegen aan de westzijde van Den Dungen. Om te weten hoe er wordt gedacht over een westelijke uitbreiding binnen de Dungense gemeenschap is in het kader van deze opdracht onderzocht of er bij bewoners een gemeenschappelijk beeld is en zo ja hoe dit vormgegeven zou kunnen worden. Belangrijk element in de inspraakmiddagen en avonden is het waardevolle landschappelijk karakter aan de westzijde en het feit dat dit karakter zichtbaar is en moet blijven vanuit (de rand van) het centrumgebied.
Voorgesteld wordt om, als dat op termijn aan de orde is, aan de westzijde van Den Dungen uit te breiden in zogenaamde buurtschappen. Daarbij moet rekening worden gehouden met een goede inpassing in het landelijke gebied. Dit kan landschappelijk worden
36
vormgegeven als wonen binnen een groen talud of binnen een houtwal. Op navolgende afbeelding heeft de gemeente aangegeven waar de belangrijke zichtlijnen in het groene landschap vanaf de hoofdstructuur aanwezig zijn.
Doorwerking plan(gebied) Het plangebied is altijd in agrarisch gebruik geweest en ligt aan de rand van de kern van Den Dungen in de bebouwingsconcentratie ‘Bosscheweg/Donksestraat’. De Donksestraat vormt als het ware een van de bestaande dorpsafrondingen van de kern Den Dungen. Het plangebied is onderdeel van het zoekgebied voor de oprichting van nieuwe woningen aan de westzijde van de Den Dungen. Woningbouw ter plaatse dient te alle tijden geïntegreerd te worden in de bestaande zichtlijnen en hoofdstructuur van het groen aan de kernrand. Onderhavig planvoornemen voorziet hierin, zoals ook is op te maken uit Landschapsplan dat als bijlage 1 aan de plantoelichting is toegevoegd. Achter het bebouwingslint wordt een landelijk groen kleinschalig woonwijkje gecreëerd. Door de aanleg van nieuwe groenstructuren geënt op de kleinschalige verkaveling van het historische landschap zal het woonwijkje een dorpse en landelijke uitstraling krijgen. De eenduidige verharding en het overeenkomstige materiaalgebruik versterkt de onderlinge samenhang. De verbinding met het achterliggende open landschap vormt een meerwaarde voor de landelijke uitstraling. Vanuit de gedachte ‘rust en ruimte’ wordt aandacht gegeven aan een woonconcept dat vorm geeft aan al de woonwensen van deze tijd.
Er is een sterke behoefte aan ‘vrij wonen’, aan ‘betaalbaar wonen’ en aan ‘wonen in een landelijk dorp op korte afstand van de kern en stad’. De relatie met het achterliggende landschap vanuit het nieuwe woonwijkje wordt versterkt door zichtlijnen naar het achterland. De randen met de bestaande buren worden
37
groen ingericht met houtsingels en struweelhagen. De overgang van het woonwijkje naar het landschap wordt groen ingericht. Het plan komt expliciet tegemoet aan de volgende ruimtelijke uitgangspunten voor het plangebied als aangegeven in de visie Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen: • In het centrum ontbreken speelplekken voor kinderen. • De groene inrichting van het centrum en aangrenzende gebieden moeten een dorpse sfeer uitstralen met landelijke architectuur. • De zichtlijnen vanuit het centrum naar het westelijk gelegen weideland moeten behouden blijven. • Het woonwijkje dient voor woningbouw in een zeer ruimte setting in combinatie met openbaar groen, waterberging en speelplek voor kinderen. • Nieuw aanbod betaalbare woningen ten behoeve van ouderen en jongeren en sociale huurwoningen nabij het centrum noodzakelijk. Comfortabel wil ook zeggen dat goede bereikbaarheid van het centrum voor alle verkeerssoorten van wezenlijk belang is. Derhalve ook goede parkeerplekken op acceptabele loopafstand. Comfortabel gaat er ook van uit dat er in het centrum verblijfsplekken aanwezig zijn waar een groene inrichting de dorpse sfeer mede bepaalt. Ten westen van de Donksestraat kan een herontwikkeling plaatsvinden op de locaties tussen het vervallen kassencomplex en de veehouderij. Woningbouw met een meer landelijke architectuur is hier wenselijk.
Voor wat betreft de gemaakte stedenbouwkundige en landschappelijke analyse, uitgangspunten, visie en keuzes, beeldkwaliteit, verkavelingsopzet e.d. wordt op de eerste plaats verwezen naar het ‘Landschapsplan Donksestraat Den Dungen’ van Van Dooren Landschap. Dit landschapsplan is als bijlage 1 bij deze plantoelichting opgenomen. Een groot deel van de aspecten die gaan over de beeldkwaliteit van het centrumgebied worden geregeld in het bestemmingsplan. Daarin worden de functies, de situering van straten, afmetingen en vorm van de bebouwing, bebouwingsdichtheid etc. vastgelegd. Allemaal planologische en stedenbouwkundige aspecten. In het landschapsplan is hier nadere invulling aan gegeven.
38
Ontwerp-centrumplan Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de visie Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen. Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel (2011) Toetsingskader Wonen is een niet aan het buitengebied gebonden functie en dus eigenlijk niet gewenst. Door verschillende omstandigheden zijn er stallen leeg komen te staan en vindt er op die manier niet alleen een verrommeling plaats, maar verandert ook de economische en leefbaarheidssituatie in het buitengebied. Stallen werden gebruikt door niet gewenste activiteiten, zoals bijvoorbeeld de wietteelt. Om die verrommeling tegen te gaan en de economische en leefbaarheidssituatie op peil te houden is er een aantal regelingen in het leven geroepen. Met deze regelingen zijn er mogelijkheden geschapen om de niet aan het buitengebied gerelateerde functies (bijvoorbeeld wonen) toch mogelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is de Ruimte-voor-Ruimte regeling. Via kwaliteitswinst is het mogelijk om deze functies te verwezenlijken. Uiteindelijk zijn deze regelingen in het provinciaal beleid verwerkt. Het beleid geeft een kader voor de mogelijkheden tot hergebruik van agrarische locaties. Om de aan het buitengebied gerelateerde functies niet te
39
belemmeren is er voor gekozen om, onder voorwaarden, nieuwe functies voornamelijk in bebouwingslinten, -concentraties en kernrandzones plaats te laten vinden vanwege hun vaak reeds gemengde karakter. Onderhavig plangebied behoort tot een van die kernrandzones. De belangrijkste voorwaarde om niet aan het buitengebied gebonden functies te realiseren is dat zij moeten zorgen voor een kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Een functie kan niet gerealiseerd worden zonder dat er een kwaliteitsslag is gemaakt. Het doel van de structuurvisie is immers om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te verbeteren. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft in deze visie een wensbeeld neergelegd met betrekking tot het buitengebied. Om dit wensbeeld te realiseren is er een kans voor niet aan het buitengebied gerelateerde functies. Onder voorwaarden dat deze functies een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied en daarmee een bijdrage leveren aan het wensbeeld van de gemeente kunnen deze functies plaatsvinden/gerealiseerd worden. Binnen de structuurvisie kan de gemeente strategieën inzetten. Daarnaast kunnen door de gecombineerde inzet van de regeling Ruimte-voor-Ruimte en het toestaan van nieuwe economische dragers meerdere knelpunten tegelijk worden aangepakt. Ook de wijze waarop de gemeente wenst om te gaan met verevening hoort bij de strategie.
De prioriteit van de gemeente Sint-Michielsgestel ligt bij het realiseren van groenprojecten en het versterken van karakteristieke landschapsstructuren. Doorwerking plan(gebied) Het plan betreft een transformatie van een deel van de bebouwingsconcentratie ‘Bosscheweg/Donksestraat’. In onderstaand kaartbeeld, behorende bij de structuurvisie, zijn de kwaliteiten aangeduid en is aangegeven waar in eerste instantie wel ruimte is voor woningbouwontwikkeling. Dit kaartbeeld is specifiek opgesteld voor de bebouwingsconcentratie ‘Bosscheweg / Donksestraat’.
40
De voorziene ontwikkeling kent nog geen concrete plek in de visie en de daarbij behorende kaartbeelden. Echter mag de ontwikkeling niet los worden gezien van de tenietdoening van bestaande agrarische bebouwing en de stopzetting van agrarische activiteiten. Hierdoor zijn er mogelijkheden, welke ook in de visie worden geschetst, om binnen de bebouwingsconcentratie op een gepaste manier invulling te geven in de vorm van woningen. De woningen worden opgericht met aandacht voor de voor de bebouwingsconcentratie vastgestelde kwaliteiten en mogelijkheden tot kwaliteitsverbetering. Hieraan is reeds aandacht besteed in hoofdstuk 2 van deze plantoelichting. Voor de ontwikkelingen in deze bebouwingsconcentratie dient ten minste aansluiting te worden gezocht bij de visie op deze bebouwingsconcentrie. Hierin worden de volgende te behouden ruimtelijke kwaliteiten onderscheiden: • Plaatselijke groene en historische uitstraling; • Incidentele doorzichten; • Laanstructuur Als verstoringen in de ruimtelijke kwaliteit worden gezien: • Bebouwingsmassa’s die diep het landschap insteken en het doorzicht beperken; • Onderbrekingen in de laanstructuur; • Onderbroken zichtrelatie met het landschap door aaneengesloten massa’s bebouwing en beplanting langszij het lint.
Mogelijkheden om de ruimtelijke kwaliteit te versterken zijn; • Ontstening van agrarische bedrijven /verkleinen van de korrel grootte van bedrijfskavels; • Herstellen zichtrelatie Donksestraat met het landschap door middel van sloop grote opstallen; • Het eventueel toevoegen van nieuwe woningen met behoud van de zichtrelatie naar het achterland; • Het aanbrengen van een groene geleding door het aanplanten van houtwallen; • Het versterken van de laanstructuur waar deze onderbroken is; • Op vrijkomende agrarische kavels kan te allen tijde gebruikt worden gemaakt van de regeling ‘ruimte-voor-ruimte’, of de regeling ‘ruimte-voor-ruimte-verbreed’. Wanneer een agrarisch bedrijf toch onverhoopt zijn bedrijfsvoering beëindigd kan zich op het perceel een nieuwe economische drager vestigen die qua vorm en schaal past bij dit agrarische karakter. In de loop van de tijd kan transformatie plaatsvinden naar een representatief woonlint met kleinschalige bedrijvigheid. Bij deze transformatie behoort het herstel van de zichtrelatie met het achterland. De historische kleinschaligheid van het landschap kan worden hersteld door het aanleggen van nieuwe erf-, en kavelbeplantingen en houtwallen. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel.
41
Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 Toetsingskader Op basis van de gemeentelijke toekomstvisie ‘Zieners van 2025’ is de ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ opgesteld. Doel van de structuurvisie is het toekomstbeeld te vertalen in een ruimtelijk plan met status, dat voldoet aan de eisen uit de Wet ruimtelijke ordening. Tegelijk met de structuurvisie is de Woonvisie opgesteld. Dit document wordt in een volgende paragraaf behandeld. De hierna volgende afbeelding betreft een uitsnede van de visiekaart van de gemeente weergegeven.
Op basis van een analyse van de huidige situatie worden in de structuurvisie een aantal belangrijke kwaliteiten, maar ook knelpunten onderscheiden. Belangrijke kwaliteiten betreffen de ligging van gemeente Sint-Michielsgestel binnen de invloedssfeer van met name de stad ’s-Hertogenbosch, maar ook Eindhoven en Tilburg, de landschappelijke en groene kwaliteiten zowel binnen de gemeente als daar net buiten (Groene Woud), de hiermee samenhangende recreatieve potentie en het prettig leefklimaat. De belangrijkste knelpunten betreffen de beperkte toegankelijkheid en bereikbaarheid van de natuur en recreatiegebieden, de lage differentiatie in woonmilieus, het ontbreken van een sterke ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de dorpscentra en de ongeschikte locatie van bedrijven die qua aard en schaal niet op die specifieke plek thuis horen. De beperkte variatie in woonmilieus laat zich voelen in het beperkte woningaanbod voor starters/jongeren en senioren.
42
Doorwerking plan(gebied) Het plan betreft een toevoeging van woningen aan de rand van de bestaande woonkern Den Dungen. Op het kaartbeeld is te zien dat de ontwikkeling valt binnen een ‘zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling’. Van belang is dat de ontwikkeling passend wordt naar aard en schaal bij de bestaande woonkern en het karakter van de bestaande omgeving (landelijk gebied). De eerder besproken Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel geeft hiertoe enkele duidelijk handvatten. Aansluitend op het visiekaartbeeld kan gesteld worden dat er geen expliciete waarden of kwaliteiten aan het plangebied zijn toegedicht. Alle vastgestelde kwaliteiten en kansen zoals besproken in de diverse beleidsdocumenten krijgen een gepaste plek in het nieuwbouwplan, waarvan een selectie is omschreven in hoofdstuk 2 van deze plantoelichting. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025. Woonvisie 2016-2021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 Toetsingskader Tijdens de raadsvergadering van 23 juni 2016 heeft de raad de Woonvisie vastgesteld. In de Woonvisie legt de gemeente Sint-Michielsgestel de prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren vast. De Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 bevat een verdere uitwerking van de Woonvisie.
De Uitvoeringsnota wordt jaarlijks geactualiseerd. Doorwerking plan(gebied) Bij nieuwbouwplannen waarin meerdere woningen zijn opgenomen, is het van belang om een divers aanbod te creëren zodat jong en oud, en met oog op de toekomst. Het bouwplan dient de doorstroom binnen de kern Den Dungen en de gemeente Sint-Michielsgestel te bevorderen. Hiertoe is een afwisselend aanbod aan woningen opgesteld. Aansluitend bij de beleidsuitgangspunten wordt een gevarieerd aanbod aan woningen gerealiseerd: 41 nieuwe woningen in verschillende segmenten en voor verschillende doelgroepen. De kwalitatieve en kwantitatieve behoefte voor onderhavig plan is vertaald in navolgend woningbouwprogramma.
43
De (oude) woningbouwprognose per gemeente is niet meer (geheel) leidend. Gezien de achterstanden in de regionale woningbouwopgave is voor goede plannen binnen de regio altijd ruimte. Hiertoe zijn dan ook in september 2019 nieuwe regionale VHV-afspraken gemaakt: Pilot regionale afstemming woningbouwplannen. Daarin wordt regionaal ruim baan gegeven aan inbreiding, herstructurering en transformatieplannen. Deze plannen liggen binnen het bestaand stedelijk gebied, zoals dat is aangegeven in de provinciale Interim Omgevingsverordening. Daarbij gaan inbreidings-, herstructurerings- en transformatieplannen in principe voor uitbreidingsplannen. Het project wordt opgenomen in de Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 en wordt gedeeld in het RRO Wonen Noordoost Brabant West. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Woonvisie 2016-2021, de Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 en de Pilot regionale afstemming woningbouwplannen. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, Sint-Michielsgestel 2020-2024 Toetsingskader Het beleid van de gemeente Sint-Michielsgestel is voor de komende jaren verwoord en vastgelegd in haar Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, Sint-Michielsgestel 2020-2024. Het vGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft.
Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel, en grondwater. Vanuit de wet Milieubeheer wordt het verplicht gesteld afval- en hemelwater gescheiden in te zamelen. Indien wijkreconstructies en rioolvervanging/verbetering aan de orde zijn, wordt voorafgaand de meest doelmatige manier van hemelwaterverwerking onderzocht. Daarbij streeft de gemeente naar een ontvlechting van de (afval)waterketen. Afkoppelen is hierbij geen doel op zich, maar een middel om doelen te bereiken. Gemeente (en waterschappen) beschouwen per locatie of afkoppelen doelmatig is.
44
De voorkeursvolgorde voor omgang met hemelwater is als volgt: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren; 3. bergen; 4. afvoeren naar oppervlaktewater; 5. afvoeren naar de riolering. Bij ontwikkelplannen waar het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 250 m2 , verwacht de gemeente Sint-Michielsgestel dat er invulling wordt gegeven aan de bergingsopgave. Dit is een aanscherping op de regels van de keur waar dit pas geldt bij een verhardingstoename van meer dan 2000 m2 . De initiatiefnemer is vrij om een hemelwatervoorziening te realiseren gezien er in onderhavig plan sprake is van een afname van het verhard oppervlak. Hieronder worden een aantal spelregels benoemd die vermeld staan in het vGRP: ▪ Zorg ervoor dat alle hemelwaterriolering gescheiden is van het vuilwater (zie ook bouwbesluit) en dat het afstroomt richting openbaar terrein; ▪ Probeer zoveel mogelijk oppervlakkige voorzieningen te realiseren. Deze zijn goedkoop, robuust en makkelijk te onderhouden. Denk bijvoorbeeld aan een verlaagde tuin ten opzicht van het (de) terras(sen); ▪ Kosten voor aanleg en beheer en onderhoud zijn volledig voor de initiatiefnemer; ▪ Er is de mogelijkheid om een afkoppelsubsidie van € 500,- per perceel te ontvangen. Dit kan worden kortgesloten met de gemeente Sint-Michielsgestel. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van de oprichting van de woningen vindt nieuwbouw / verharding.
Voor de uitgewerkte waterparagraaf wordt verwezen naar paragraaf 4.4 en voor het uitgevoerde infiltratieonderzoek wordt verwezen naar bijlage 5. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in het vGRP.
45
4. Milieu-hygiënische en planologische verantwoording De ruimtelijke ontwikkeling dient praktisch uitvoerbaar te zijn. In dit kader is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan alle ruimtelijke en milieu-hygiënische (deel)aspecten. Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. Dit hoofdstuk gaat in op de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de voorgenomen. De resultaten van de kwalitatieve onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer, parkeren en mobiliteit, getoetst. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.
4.1 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte mer-beoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Dit beslissingsdocument moet vervolgens in de bijlage van de toelichting opgenomen worden. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2.
de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst).
46
Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? • wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).
Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied wordt de realisatie van (netto) 41 extra wooneenheden mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’.
Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot
47
een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Conclusie Het realiseren van de woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Echter, gelet op het kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied (niet in de buurt van een Natura 2000-gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Onderliggend plan wordt derhalve niet gezien als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m.e.r. (onderdeel D, categorie D.11.2). Voor de opgestelde vormvrije aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r.-beoordeling) wordt verwezen naar bijlage 10.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom het plangebied belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan.
Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer.
48
Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(gebied) In het kader van de realisatie van de woningen vinden bodemingrepen plaats die wellicht van archeologische invloed zijn. Derhalve heeft Bureau voor Archeologie een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase uitgevoerd. Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De integrale rapportage is als bijlage 2 opgenomen. Voor het selectieadvies wordt verwezen naar bijlage 2.1 en voor het zoeksleuvenonderzoek naar bijlage 2.2. Tijdens het archeologische zoeksleufonderzoek zijn geen sporen gevonden van het voorwerk van het Fort Brederode uit 1629. De musketkogel dateert mogelijk uit de periode van het beleg van ’s-Hertogenbosch, maar dat is de enige aanwijzing voor activiteit in het plangebied uit die periode. Waarschijnlijk bevindt het voorwerk zich verder naar het westen, waar volgens de heemkundevereniging een concentratie van musketkogels is gevonden.
De drie kuilen met de onduidelijke functie en het staakspoor dateren waarschijnlijk uit de Nieuwe tijd. Ze vormen geen aanwijzing voor een boerderijcomplex of bewoningszone en hebben meer het karakter van off-site sporen. Daarom worden de sporen niet als een archeologische vindplaats beschouwd. Uit het zoeksleufonderzoek blijkt ook dat ploegwerkzaamheden en de cultivatie van een hoogstamboomgaard de oorspronkelijke bodemopbouw relatief diep verstoord hebben geraakt. Daarom wordt in het gebied geen (intacte) archeologische vindplaats verwacht. In algemene zin geldt altijd wel een meldingsplicht, indien er tijdens de bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Tot slot kan worden vermeld dat het plangebied geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit bezit.
49
Conclusie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
4.3 Flora en fauna en stikstof(depositie) Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hierbij moet voor de beoogde situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden.
Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van de geplande woningen heeft Exlan een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd. Hierna is de conclusie van het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen.
Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding?
50
3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.
Daarnaast heeft G&O Consult onderzoek uitgevoerd naar de met de ontwikkeling samengaande mogelijke stikstofdepositie. In het stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegen gebruiksfase van het plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn (zie bijlage 4). Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
4.4 Waterparagraaf Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro.
51
Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Ook voor het Waterschap De Dommel is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd.
In de Interim Omgevingsverordening (IOV) zijn de gronden aangewezen als ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘verstedelijking afweegbaar’. Tevens is het gebied aangemerkt als ‘blauw’ op de klimaatonderlegger van de provincie. Om te komen tot een klimaatadaptieve provincie met veilig, schoon en voldoende drinkwater en een vitale bodem is een Regionaal Water- en BodemProgramma (RWBP) opgesteld. De in dit programma opgenomen principes en opgaves zijn van belang bij stedelijke ontwikkelingen. Het planvoornemen is dan ook getoetst aan dit programma. Het RWP is voorbereid onder de Waterwet en door Provinciale Staten vastgesteld als regionaal waterplan. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is het RWP een verplicht programma. In het RWBP zijn zeven handelingsprincipes opgenomen: • Principe 1:Watervoorraad in balans; • Principe 2: Elkedruppeltelt; • Principe 3: Niet alles kan overal; • Principe4: Brabant is in staat extreme weersituaties op te vangen; • Principe 5: Bescherming van water- en bodemkwaliteit; • Principe6:Gebruikerszijnmaximaal verantwoordelijk; • Principe7: Circulair denken en doen.
52
Het planvoornemen is getoetst aan deze 7 handelingsprincipes. In het planvoornemen is uitgebreid aandacht besteed aan het aspect ‘water’. In het plangebied worden infiltratievoorzieningen gerealiseerd waarin het hemelwater binnen het plangebied wordt opgevangen. De infiltratievoorzieningen voorkomen wateroverlast op omliggende percelen tijdens extreme buien. Daarnaast vervullen ze een belangrijke rol in het voorkomen van (lokale) verdroging. Het hemelwater wordt binnen het plangebied zelf opgevangen waardoor het ook binnen het plangebied zelf infiltreert in de bodem. Op deze wijze wordt verdere verdroging door directe afvoer van hemelwater tegen gegaan. In de dimensionering van de infiltratievoorzieningen is daarnaast rekening gehouden met het voorkomen van extreme buien. Met de infiltratievoorzieningen kunnen buien van 60 mm per uur worden opgevangen zonder dat hierbij directe wateroverlast voor omliggende percelen optreed. Er is dan ook rekening gehouden met het kunnen opvangen van extreme weersituaties. Door het schoon- en vuilwatersysteem van elkaar los te koppelen wordt een directe bijdrage geleverd aan het beschermen van de water- en bodemkwaliteit. In de bouw en ontwikkeling van de plannen wordt enkel gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen waardoor afspoeling in het grondwater en de bodem wordt voorkomen.
Tevens wordt een toename van druk op het bestaande rioleringsysteem en een te grote en snelle afvoer van hemelwater voorkomen. De initiatiefnemers zelf zijn verantwoordelijk voor de realisatie van de infiltratievoorzieningen. Met het planvoornemen wordt invulling gegeven aan de 7 basisprincipes van het RWBP. De handelingsprincipes zijn vervolgens uitgewerkt in een aantal concrete doelen en beleidsopgaven: • Voldoende water; • Schoon water; • Veilig water; • Vitale bodem; • Klimaatadapatie. Voldoende water voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwater beschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. Met het planvoornemen wordt een actieve bijdrage geleverd aan het op peil houden en niet verder laten verdrogen van de bodem. Het hemelwater binnen het plangebied infiltreert ter plekke. Door het hemelwater af te koppelen van het rioleringssysteem wordt afvoer van te veel hemelwater beperkt en kunnen bestaande grondwatervoorraden worden aangevuld. Schoon water Schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden.