CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

A - Bijlage A - Toelichting bp Wonen op de Donk Den Dungen

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 18 april 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: 11 Raadsvoorstel Bestemmingsplan Wonen op de Donk, Den Dungen23.726 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In de bouw van de woningen en aanleg van de infrastructuur wordt gebruik gemaakt van niet-uitlogende en niet- vervuilende materialen. Schoon- en vuilwater worden gescheiden afgevoerd. Vuilwater wordt op het riool geloosd. Schoon

53

water afkomstig van bebouwing en verhardingen wordt in de infiltratievoorzieningen binnen het plangebied zelf opgevangen. Op deze wijze wordt een bijdrage geleverd aan het schoner maken en beschermen van de diepe grondwatervoorraden. Veilig water Veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. Het planvoornemen voorziet niet in ontwikkelingen die een directe bedreiging of bijdrage leveren aan de veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionale watersysteem. In algemene zin kan worden gesteld dat door het opvangen van hemelwater binnen het plangebied een verdere toename van de druk op het regionale en hoofdwatersysteem wordt voorkomen. Vanaf het plangebied vindt immers geen afvoer van hemelwater meer plaats op het hoofd- of regionale watersysteem waardoor een bijdrage wordt geleverd aan het voorkomen van hoogwater. Vitale bodem Vergroten van devitaliteit, sponswerking,resistentietegenziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. Het planvoornemen zelf voorziet niet in een directe bijdrage aan de vitaliteit van de bodem. De bodem binnen het plangebied wordt wel optimaal gebruikt als spons door de aanleg van de infiltratievoorzieningen.

Door de aanleg van deze voorzieningen en de afkoppeling van bebouwing en verhardingen blijft de bodem haar functie als ‘spons’ voor grond- en hemelwater in de directe omgeving behouden en wordt verdere verdroging van de bodem tegen gegaan. Klimaatadaptatie Aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid. In het planvoornemen is rekening gehouden met klimaatverandering en het voorkomen van steeds extremer weer. De infiltratievoorzieningen zijn gedimensioneerd aan de hand van de uitgangspunten van Waterschap De Dommel. Door de aanleg van deze infiltratievoorzieningen kunnen extreme buien van c0 mm per m2 per uur worden opgevangen en kan het hemelwater over een langere periode infiltreren in de bodem. Op deze wijze wordt extra druk op het bestaande watersysteem en daarmee het voorkomen van hoogwater beperkt. Tevens wordt verdere verdroging van de bodem en de bestaande grondwatervoorraad voorkomen doordat al het water dat binnen het plangebied zelf valt binnen het plangebied zelf infiltreert in de bodem. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van de oprichting van de woningen vindt nieuwbouw / verharding plaats. Derhalve is ter plaatse van het plangebied een waterplan opgesteld en een infiltratieonderzoek uitgevoerd.

Uit het waterplan komt naar voren dat bij de realisatie van het woningbouwplan rekening is gehouden met noodzakelijke infiltratievoorzieningen, het scheiden van schone en vuile waterstromen, het opvangen en infiltreren van schoon hemelwater binnen het plangebied en het gebruik van duurzame en niet uitlogende materialen om mogelijke vervuiling van bodem, grond-, oppervlakte- en hemelwater te voorkomen. Het planvoornemen past dan ook binnen de uitgangspunten van ‘Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen’. Op basis van bovenstaande beoordeling wordt geconcludeerd dat het aspect ‘water’ voldoende is geborgd in het planvoornemen. Het integrale waterplan is afgestemd met en akkoord bevonden door het waterschap en als bijlage 5 opgenomen.

54

Aanleiding voor het uitvoeren van het indicatief infiltratieonderzoek is de voorgenomen aanleg van een drietal wadi’s binnen de nieuwbouwwijk. Doel van het infiltratieonderzoek is het bepalen van de doorlatendheid (de K-waarde) en daarmee de infiltratiemogelijkheden van de bodem ter plaatse van de toekomstige voorzieningen. Het integrale infiltratieonderzoek is als bijlage 6 opgenomen. Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen voldoet aan de doelstellingen en uitgangspunten van het Regionaal Water- en Bodemprogramma. Het Regionaal Water- en Bodemprogramma is geen belemmering voor het plan voornemen.

4.5 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het plan heeft Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusie en het advies letterlijk overgenomen uit de onderzoeksrapportage. Het integrale rapport is als bijlage 7 opgenomen.

De bodem ter plaatse van de dieseltank is niet verontreinigd geraakt door de opslag van diesel. De druppelzone is verontreinigd met asbest in een gehalte onder de interventiewaarde. Nader onderzoek of sanering zijn niet aan deorde. De resultaten van het onderzoek op het overig terrein met erf en landbouwgrond vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. De bodem is in geringe mate verontreinigd geraakt met DDD/DDE als gevolg van het gebruik van het terrein als boomgaard. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging en bouw van woningen.

Voorafgaande aan de sloop / overige werkzaamheden dient de grond verwijderd en afgevoerd te worden. Daarbij dient gelet te worden op de struiken. Die dienen kort gesnoeid te worden en vervolgens moet het wortelgestel met de grond afgevoerd worden (i.o.m. de acceptant). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor verdere planontwikkeling.

55

4.6 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis: de belemmeringenstrook.

De belemmeringenstrook is een beschermingszone voor de buis om beschadiging door graafwerkzaamheden te voorkomen en schade door diepwortelende beplanting en biedt tevens werkruimte ten behoeve van onderhoud van de leiding. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen functiewijziging is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen.

De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting.

56

Overige zonering Op het plangebied liggen geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, molenbiotopen of invliegfunnels waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Verder ligt het plangebied niet in de nabijheid van een 150 kV hoogspanningslijn. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.

4.7 Milieuzonering (geur en industrielawaai) Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een ‘rustig buitengebied’ (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Doorwerking plan(gebied) Geurhinder (Wgv) In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. Gesteld kan worden dat de individuele hinder van veehouderijen geen belemmeringen oplevert. De cumulatieve geurbelasting bedraagt minder dan 3 odour units, wat neerkomt op een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat.

57

Aan het gestelde in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ en de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ kan worden voldaan. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats buiten de geurcontouren van 14,0 ouE/m3 van alle veehouderijen in de omgeving. Als norm voor de afstanden geldt 50 meter. Binnen 50 meter van de ruimtelijke ontwikkelingen liggen geen veehouderijen. Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen, maar kan de mate van geurhinder worden beoordeeld op basis van geurhinderpercentages. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie beschrijven wij in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. De voorziene ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats in een gebied met een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat (op basis van de achtergrondbelasting). De voorgrondbelasting, afstanden en achtergrondbelasting vormen geen knelpunt voor de ruimtelijke ontwikkeling.

Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Ten behoeve van het planvoornemen is door G&O Consult een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het industrielawaai uitgevoerd. Conclusie van het onderzoek is dat ter hoogte van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de inrichting aan de Donksestraat 17b niet verder wordt beperkt in zijn planologische mogelijkheden. Hierna is de conclusie letterlijk overgenomen uit de onderzoeksrapportage. Het integrale rapport is als bijlage 8 toegevoegd.

Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde wordt met de representatieve bedrijfssituatie overschreden ter hoogte van de beoogde bestemmingplan grens. Ook vinden er overschrijdingen plaats met de maximale geluidsniveaus van 65 dB(A) etmaalwaarde op de bestemmingplan grens én op enkele beoogde woningen. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde wordt met de maximaal toegestane geluidsbelasting van een categorie 3.1 bedrijf overschreden ter hoogte van de beoogde bestemmingplan grens. Ook vinden er overschrijdingen plaats met de maximale geluidsniveaus van 65 dB(A) etmaalwaarde op de bestemmingplan grens. Ter hoogte van de tuinen aan de zuidkant van de planlocatie heerst een redelijk tot goede milieukwaliteit. Ter hoogte van de overige buiten ruimte heerst een redelijk tot goede milieukwaliteit. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijke tot goed woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect

58

geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. Met inachtneming van de opmerkingen genoemd in hoofdstuk 6.2 is ter hoogte van de beoogde woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De inrichting aan de Donksestraat 17b te Sint – Michielsgestel wordt door de realisatie van de woningen niet verder beperkt in zijn planologische mogelijkheden.

Gevolgde stappen: 1. De ontwikkeling vindt plaats binnen de geluidcontour van een bedrijf waardoor stap 2 noodzakelijk is. Hiervoor is een akoestisch onderzoek opgesteld. 2. Uit de berekeningen blijkt dat: o voor het gemiddeld geluidniveau zowel in de maximale bestemmingsplansituatie als de representatieve situatie voldaan wordt aan de toetsing voor een rustig gebied conform stap 2. o Voor het piekgeluid vanuit de maximale bestemmingsplansituatie wel en voor de representatieve situatie niet voldaan wordt aan de toetsing voor een rustig gebied conform stap 2 o Voor het piekgeluid wordt – op 1 dB in de dagperiode na - wel voldaan aan de normering behorende bij stap 3. 3. Het toepassen van stap 3 kan worden gemotiveerd: o Maatregelen aan de bron of in de overdracht zijn niet reëel. o Activiteiten die leiden tot overschrijdingen vinden alleen in de dagperiode plaats. o Er is ter plaatse van de woningbouwontwikkeling sprake van een redelijk tot goed woon- en leefklimaat. o Met een wettelijk gegarandeerde standaard gevelwering van 20 dB wordt in de nieuwe woningen ruim voldaan aan het geluidniveau uit het Bouwbesluit. In de nabijheid van het plangebied komt geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het initiatief. Daarnaast levert het initiatief ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven.

Spuitzones Op de naast het plangebied gelegen percelen wordt gras geteeld. Een boomgaard ligt op een ruime afstand van 220 meter Dit blijkt uit navolgende afbeelding.

59

Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over de minimaal aan te houden afstand tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen woningen en gevoelige functies. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en spuitfrequentie intensiever dan bijv. bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht.

Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering Op basis van jurisprudentie kan worden gesteld dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordt geacht. Daarnaast is het op basis van jurisprudentie mogelijk om deze afstand te verkleinen als daar onderzoek aan ten grondslag ligt en dient per geval een locatiespecifieke afweging plaats te vinden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat vrijwel alle jurisprudentie en discussie met betrekking tot spuitzones betrekking heeft op het telen van fruit- en laanbomen. Dit is dus niet van toepassing op de boomgaard die op 220 meter afstand van het plangebied ligt.

60

Op omliggende gronden wordt alleen gras geteeld. Ten aanzien van onkruidbestrijding bij gras wordt direct op de bodem gespoten waardoor geen sprake is van verwaaiing van de bestrijdingsmiddelen. De 50 meter zone is gebaseerd op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zonder driftreductie bij fruitbomen. Op grond van uit artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit geldt dat er bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen tenminste 75% driftreductie moet worden behaald. Daarbij wordt over het algemeen aangenomen dat de spuitzones vanwege de voorgeschreven driftreductie van 75% kleiner zijn dan de gangbare 50 meter die in beginsel werd gehanteerd voor de beschreven wijziging van het Activiteitenbesluit. Spuitapparatuur moet vanaf 1 januari 2019 voorzien van zijn van een drukregistratievoorziening. Het plangebied grenst op 220 meter aan een boomgaard waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Voor het overige is het perceel aan de Donksestraat voor meer dan de helft ingeklemd tussen de woningen en tuinen. Hiermee is de locatie al gelegen tussen de gevoelige functies. Er is daardoor sprake van een beperkte verdichting van de bebouwingsrand. Concluderend kan worden gesteld dat ter plaatse van de beoogde woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

Doordat de gronden al omringd zijn door de aanwezigheid van gevoelige functies is er geen sprake van een significante verslechtering van de gebied. Het aspect spuitzonering vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Conclusie Vanuit de aspecten geurhinder en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

4.8 Akoestiek Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

61

Doorwerking plan(gebied) Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het planvoornemen is door G&O Consult een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de conclusie en het advies letterlijk overgenomen uit de onderzoeksrapportage. Het integrale rapport is als bijlage 9 opgenomen.

Ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen, in de beoogde woonwijk aan de Donksestraat te Sint-Michielsgestel, bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de zoneplichtige wegen, inclusief correctie van artikel 110g, ten hoogste 42 dB. Derhalve wordt er voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de verkeer aantrekkende werking van de beoogde woningen is een cumulatieve toename van 1 tot 3 dB waarneembaar op bestaande geluidgevoelige objecten. Volgens jurisprudentie ( ECLI: ECLI:NL:RVS:2018:423, 7 februari 2018) is een toename in het geluidsniveau van 3 dB met het menselijk oor niet of nauwelijks vast te stellen. Pas een verschil van 5 dB(A) is goed waarneembaar. Derhalve wordt de vastgestelde toename op de toetspunten, veroorzaakt door de verkeer aantrekkende werking, niet als bezwaarlijk geacht. De geluidbelasting bij de beoogde woningen, in de beoogde woonwijk aan de Donksestraat te Sint-Michielsgestel, bedraagt bij de toetspunt T22 (1,5 meter hoogte) ten hoogste 54 dB. Met een gevelwering welke ten minste 20 dB bedraagt op basis van het Bouwbesluit, zal het binnenniveau ten hoogste 34 dB bedragen. Echter wordt bij de nieuwbouw uitgegaan aan de energiezuinigheidseisen. Derhalve wordt het realistisch geacht dat de beoogde gevels een hogere karakteristieke geluidswering bedragen dan 20 dB.

Derhalve wordt geacht dat er voldaan kan worden aan de eisen van het Bouwbesluit. Het is ter beoordeling van de gemeente of bij een geluidsbelasting van 54 dB bij de bouwtoets een aanvullend onderzoek wordt geëist ter toetsing van het binnenniveau. De geluidbelasting bij de Blauwe Scholk aan de Donksestraat te Sint-Michielsgestel, bedraagt bij de toetspunten T50, T53 en T54 ten hoogste 63 dB. Dit is een toename van 1 dB ten opzichte van de belasting exclusief de verkeer aantrekkende werking. Volgens het bouwbesluit telt hier het van rechtens verkregen niveau en is een toetsing aan de minimale karakteristieke geluidswering niet van toepassing. Ter hoogte van de buitenruimtes van de woningen heerst een “redelijk” tot “goed” milieukwaliteit. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat.

Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk.

62

Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Het plangebied is niet gelegen in of nabij een stiltegebied. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het plan geen belemmeringen op. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gewaarborgd.

4.9 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.

De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is.

63

Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3%. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd.

Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. Doorwerking plan(gebied) Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling.

64

Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg en ook niet binnen een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg. Het plan heeft geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Den Dungen ook geen negatieve invloed op het plangebied. Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij het plangebied globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 µg/m3; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 µg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 µg NO2/m3). Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCN-kaarten) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Uit de gegevens blijkt dat voor Sint-Michielsgestel het volgende geldt: • het aantal dagen dat overschrijding van het daggemiddelde concentratie fijnstof plaatsvindt is minder dan 25.

De norm van 35 dagen of meer wordt niet overschreden; • het jaargemiddelde fijnstofconcentratie bedraagt 25-30 µg/m3. Deze blijft daarmee onder de norm van 40 µg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide ligt tussen de 10-30 µg NO2/m3. Deze blijft beneden de norm van 40. De normen voor luchtkwaliteit worden in de huidige situatie niet overschreden. Op navolgende afbeelding, afkomstig van de NSL-monitoringstool, zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 nabij het plangebied (op ruim 1 kilometer afstand) weergegeven. Uit de afbeelding blijken de volgende concentraties NO 2, PM10 en PM2,5.

65

Onderstaand vastgestelde waarden van een selectie van dichtstbijzijnde rekenpunten.

De immissienormen voor deze stoffen volgen uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bedragen: - NO2: 40,0 μg/m3 - PM10: 40,0 μg/m3 - PM2,5: 25,0 μg/m3 Op een afstand van meer dan1 kilometer meter van de weg (de rekenpunten uit de NSLmonitoringstool) wordt ruimschoots aan de normen voor luchtkwaliteit voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. Het plan heeft derhalve geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Den Dungen ook geen negatieve invloed op het plangebied. Het plan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het plan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit.

66

Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats nabij een risicobron verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt 106 per jaar, oftewel een kans van één op een miljoen.

Het plaatsgebonden risico wordt door middel van risicocontouren op een kaart weergegeven. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is de kans dat een groep van tien of meer personen in de omgeving van een risicobron in één keer dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt gevormd door de 1%-letaliteitsgrens van de risicobron; de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden 1. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag(veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect

1 Voor de doorwerking in de ruimtelijke ordening rondom een inrichting wordt uit praktische overwegingen soms een kleinere

afstand aangehouden, bijvoorbeeld de afstand tot de plaatsgebonden risicocontour van 10 -8 per jaar.

67

mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Figuur: Wanneer verantwoorden? Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. Doorwerking de plan(gebied) Externe veiligheid inrichtingen Nabij het plangebied liggen geen risicovolle inrichtingen. Op navolgend kaartbeeld (bron: Risicokaart Nederland) is de dichtstbijzijnde risicovolle inrichting te zien. Deze bevindt zich op circa 1 kilometer, en het betreft een bovengrondse propaantank. De afstand tot het plangebied is ruim voldoende om risico’s uit te kunnen sluiten.

68

Externe veiligheid vervoer Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.

Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Het plangebied ligt aan de Donksestraat te Den Dungen. De weg is echter niet beschouwd in onderzoek naar vervoersstromen van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen in Noord-Brabant (Arcadis, 2010). Dit wijst erop dat hierover geen significant vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De weg heeft dan ook geen PR 10-6 contour. Ook is het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een en ander heeft dan ook geen (nieuwe of nadelige) gevolgen voor het veiligheidsrisico.

69

Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Er ontstaan geen groter veiligheidsrisico en ook geen extra belemmeringen naar de omgeving toe. Conclusie Vanuit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

4.11 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Stap 1 Endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling betreft het ontwikkelen van vier rijwoningen en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/ leefklimaat Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij Er zijn geen bedrijven met meer dan één diersoort.

Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot geitenhouderijen en pluimveehouderijen Binnen 2 km van het plangebied ligt geen geitenhouderij en geen pluimveehouderij. Ten aanzien van de beoordeling op basis van de ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is dus geen sprake van een verhoogd risico. Het plan voorziet niet in bijzondere gevoelige bestemmingen en er worden geen klachten vanwege veehouderijen verwacht. In de omgeving bevinden zich geen bedrijven met pluimvee en varkens waardoor een verhoogde kans op zoonosen aanwezig is. Hier kan aan worden toegevoegd dat de geurbelasting en fijn stof concentraties voldoen aan de geldende normen. Het plan voorziet niet in bijzondere gevoelige bestemming en er worden geen klachten vanwege veehouderijen verwacht. In de omgeving bevinden zich geen bedrijven met pluimvee en varkens waardoor een verhoogde kans op zoonosen aanwezig is.

70

Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden. Uit het stappenplan blijkt dat sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en dat advies van de GGD niet nodig wordt geacht.

4.12 Verkeer en parkeren De gemeente Sint-Michielsgestel streeft naar een goede ontsluiting, maar ook naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor het plangebied betekent dit dat de ontsluiting van het plan Wonen op de Donk afdoende moet zijn en dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig moet zijn. De hoofdontsluiting voor gemotoriseerd verkeer komt in de nieuwe situatie in het noordoosten van het plangebied. De overige wegen zijn woonstraten. Ten aanzien van calamiteiten wordt een noodzakelijke verbinding gelegd met de Donksestraat/Korte Donksestraat. Dit is een overrijdbare langzaamverkeersroute. Naar aanleiding van de gekozen type woningen is een parkeerbalans gemaakt. Streven is zoveel mogelijk parkeren op eigen terrein of zo dicht mogelijk bij de woning. Parkeren in openbare ruimte gebeurt in parkeerhoven en zoveel mogelijk op eigen terrein. Voor bezoekers is langsparkeerplaatsen mogelijk tussen de laanbomen, zodat dichtbij iedere woning geparkeerd kan worden.

Onderstaand een opsomming van de nodige parkeerplaatsen per type woning: • 12 vrijstaande woningen, 2 parkeerplaatsen per woning: 24 • 4 patiowoningen, 1 parkeerplaats per woning: 4 • 1 te splitsen boerderij (2 woningen), 2 parkeerplaatsen per woning: 4 • 3 onder 1 kap woningen, 1 parkeerplaats: • 3 onder 1 kap boerderij, 2 parkeerplaatsen: 2 Hierbij worden nog 57 parkeerplaatsen in de openbare ruimte aangelegd wat een totaal aantal parkeerplaatsen oplevert van: 88. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde parkeernormen.

71

72

5. Juridische opzet 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wro , het Bro en de RO-Standaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012); • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012); • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012). Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.

5.2 Systematiek van de regels De Wet ruimtelijke ordening bepaalt een drietal zaken met betrekking tot de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: • de digitale raadpleegbaarheid; • de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012; De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. Op de verbeelding zijn de volgende zaken aangegeven: • de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; • de grens van het plangebied; • de aanduidingen.

73

6. Uitvoeringsaspecten 6.1 Economische uitvoerbaarheid Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van de initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Het voorliggende bestemmingsplan bevat de kaders waarbinnen de gewenste (plan-)ontwikkeling in het plangebied kan plaatsvinden. De initiatiefnemer kan binnen de stedenbouwkundige en planologische randvoorwaarden zijn (bouw)plan en een bijbehorende exploitatieopzetten uitwerken, waarbij het exploitatierisico geheel bij de initiatiefnemer ligt. De realisatie- en beheerskosten van de uit te werken inrichtings- en bouwplannen zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures tot en met de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wet geregeld. Aangegeven is dat in eerste instantie tussen gemeente en verschillende instanties, waar nodig, overleg over het plan moet worden gevoerd, alvorens het ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart. Voor de Nota procedure en zienswijzen wordt verwezen naar bijlage 11. Verder is er een landelijke voorziening waar in elektronische vorm de ruimtelijke visies, plannen, besluiten, verordeningen of algemene maatregelen van bestuur van gemeenten, provincies en Rijk, voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Omgevingsdialoog Het bestemmingsplan is besproken met de direct aan- en omwonenden. Niet is gebleken van bezwaren tegen de planontwikkeling. Voor het verslag van de omgevingsdialoog wordt verwezen naar de bijlagen 12 en 12.1.

74

7. Slotconclusie In deze toelichting van het bestemmingsplan is nadrukkelijk gemotiveerd dat het onderliggende woningbouwplan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies, kwaliteiten en waarden binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk-planologische beleid, de stedenbouwkundige en landschappelijke toets zijn alle ruimtelijke en milieu-hygiënische deelaspecten onderzocht. Aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1. het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van onderliggend bestemmingsplan; 2. het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid.

75

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=054fafbf-643f-4588-bac5-bc97a005ca5f