CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

A - Bijlage A - Toelichting bp Wonen op de Donk Den Dungen

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 18 april 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: 11 Raadsvoorstel Bestemmingsplan Wonen op de Donk, Den Dungen23.726 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Wonen op de Donk Den Dungen

PLANTOELICHTING NL.IMRO.0845.BP2024DDNWONENDONK-VA01

1

Titel: Datum: Projectnummer:

Wonen op de Donk Den Dungen 05-03-2024 2021.169

Adviesbureau:

Wintraecken Advies B.V.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan ................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................... 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 7 1.4 Leeswijzer .................................................................................................... 9 2. Planbeschrijving: ruimtelijke structuur, beeldkwaliteit, landschappelijke inpassing ... 10 2.1 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit .......................................................... 10 2.3 Landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering ........................ 14 3. Beleidskader ................................................................................................... 15 3.1 Inleiding .................................................................................................... 15 3.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 15 3.3 Provinciaal beleid ........................................................................................

19 3.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 35 4. Milieu-hygiënische en planologische verantwoording ............................................ 46 4.1 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 46 4.2 Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................... 48 4.3 Flora en fauna en stikstof(depositie) .............................................................. 50 4.4 Waterparagraaf .......................................................................................... 51 4.5 Bodem ....................................................................................................... 55 4.6 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen ................................ 56 4.7 Milieuzonering (geur en industrielawaai) ........................................................ 57 4.8 Akoestiek ................................................................................................... 61 4.9 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 63 4.10 Externe veiligheid ......................................................................................

67 4.11 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ................................................ 70 4.12 Verkeer en parkeren .................................................................................. 71 5. Juridische opzet .............................................................................................. 73 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument ................................................ 73 5.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 73 6. Uitvoeringsaspecten ......................................................................................... 74 6.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................... 74 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 74 7. Slotconclusie ................................................................................................... 75

3

Bijlagen 1. Van Dooren Landschap, Wonen op de Donk – Landschapsplan Donksestraat Den Dungen, 29 februari 2024 2. Bureau voor Archeologie Rapport 1123 Donksestraat, Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase, Bureau voor Archeologie, 17 december 2021 Bijlage 2.1 – Selectieadvies Bijlage 2.2 – Archeologisch zoeksleuvenonderzoek, mei 2022 3. Exlan, Quickscan soortenbescherming Donksestraat 19 te Den Dungen, projectnummer: EP.21.1063, 2 juni 2022 4. G&O Consult, Toelichting Aerius-berekening Donksestraat 19 te Sint-Michielsgestel, 20 juni 2023 5. Waterplan Donksestraat ong. Sint-Michielsgestel, 1 maart 2024 Bijlage 5.1 - Waterstanden 6. Bodeminzicht, Infiltratieonderzoek Donksestraat 19 te Sint-Michielsgestel, projectnummer: B2849, 15 december 2021 7. Verkennend bodemonderzoek Donksestraat 19 te Sint-Michielsgestel Bodeminzicht, projectnummer: B2847, 12 september 2022 8. G&O Consult, Akoestisch onderzoek voor een bestemmingswijziging aan de Donksestraat 19 te Sint-Michielsgestel, rapportnummer: 5900ao0221 v3, 16 mei 2023 9. G&O Consult, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai voor de woningbouwlocatie aan de Donksestraat 19 te Sint-Michielsgestel, rapportnummer: 5900ao0121 v5, 16 mei 2023 10. Vormvrije mer-aanmeldnotitie, 05-07-2023 11. Nota procedure en zienswijzen 12.

Verslag omgevingsdialoog Bijlage 12.1 - Bijlage bij verslag omgevingsdialoog 12-09-2020 Bijlage 12.2 – Verslag omgevingsdialoog met Het Groene Hart

4

1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan Aan de Donksestraat 19 te Den Dungen, dichtbij het centrum, is een agrarisch bedrijf gevestigd. Achter de woonboerderij staan diverse stallen en schuren voor deze bedrijfsvoering in combinatie met een kleinschalig graafmachineverhuurbedrijf. De agrarischeen verhuuractiviteiten op deze locatie worden beëindigd. Door het verwijderen van de bebouwing en het vervallen van de milieuhinder komt hierdoor ruimte voor de ontwikkeling van woningbouw aan de rand van Den Dungen. Meer concreet betreft onderhavig planvoornemen de oprichting van 43 – netto: 41 – nieuwe woningen in verschillende segmenten en voor verschillende doelgroepen, ten westen van en direct aansluitend op de kern van Den Dungen. Het plan ‘Wonen op de Donk’ krijgt hiermee een totaal van netto 41 nieuwe woningen omdat de woonboerderij aan de Donksestraat 19 behouden blijft en wordt gesplitst in 2 woningen en aan de Donksestraat 19b, planologisch-juridisch beschouwd, reeds een woning is toegestaan. Verder krijgen waterberging, infrastructuur (waaronder parkeervoorzieningen) en groeninrichting een expliciete plek binnen het planvoornemen. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft te kennen gegeven in principe positief te staan tegenover de voorgenomen planontwikkeling.

Doelstelling van deze partiële herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied SintMichielsgestel” is om de realisatie van het onderliggende planvoornemen planologisch en juridisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkeling. Onderzocht is hoe het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieu-hygiënische aspecten alsmede de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van het wijzigen van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 60 meter van de kerk, het dorpshart van Den Dungen. Het plangebied is gelegen ten westen van de kern Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel.

5

De directe omgeving van het plangebied wordt gevormd door agrarische gronden (aan de westzijde), woningen (aan de noord- en westzijde) en niet-agrarische bedrijvigheid in de vorm van een landbouwmechanisatiebedrijf en een kantoor (aan de zuidzijde).

Op de hierna volgende luchtfoto’s zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven (bron: maps.google.nl).

6

1.3 Vigerend bestemmingsplan Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel” (onherroepelijk: 2013) geldt dat voor het plangebied de bestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ (deels) en ‘Waarde – Archeologie 4’ (deels) vigeren. Verder zijn nog de gebiedsaanduidingen ‘bebouwingsconcentratie’, ‘historisch landschappelijk gebied’, ‘archeologische verwachtingswaarde 2’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingszone’ van toepassing. Bouwwerken mogen enkel worden opgericht binnen het (agrarische) bouwvlak en ter plaatse zijn maximaal twee wooneenheden toegestaan. Op de uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel” – zie navolgende afbeelding – zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven.

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. h. i. t.

een agrarische bedrijfsuitoefening; niet van toepassing; een grondgebonden bedrijf; tot en met g: niet van toepassing; ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingsconcentratie', een bebouwingsconcentratie; tot en met s: niet van toepassing; wonen in een bedrijfswoning;

7

u. de uitoefening van een aan huis gebonden beroep in de bedrijfswoning, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van de beroepsmatige activiteiten, maximaal 100 m2 van het vloeroppervlak per woning bedraagt en uitgevoerd wordt door de bewoner; v. een bed&breakfast accommodatie in een bedrijfswoning met maximaal 5 kamers en voor maximaal 10 personen. Dit is inclusief de aanwezige accommodatie in bijgebouwen die door het bevoegd gezag middels een afwijking verleend kan worden; w. tot en met bb: niet van toepassing; cc. ter plaatse van de aanduiding 'historisch landschappelijk gebied', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide historisch landschappelijk gebied; dd. en ee: niet van toepassing; ff. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – verwevingsgebied', een verwevingsgebied; gg. tot en met ii: niet van toepassing; jj. ter plaatse van de aanduiding 'archeologische verwachtingswaarde 2', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide archeologische verwachtingswaarde; kk. het bewerken van ter plaatse geproduceerde producten; ll. verkoop van zelf voortgebrachte of streekeigen producten als nevenactiviteit tot maximaal 100 m2; mm. niet van toepassing; nn. agrarisch natuurbeheer en/of landschapsbeheer; oo.

extensief dagrecreatief medegebruik; pp. paden, wegen en parkeervoorzieningen ook ten behoeve van aangrenzende bestemmingen; qq. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; rr. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’, een bouwvlak waarbinnen bebouwing onder voorwaarden is toegestaan. Buiten het bouwvlak is bebouwing niet toegestaan behoudens de afwijkingsmogelijkheden in artikel 3.4; ss. en tt: niet van toepassing. De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor: a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen waar in 1629 aanvalswerken voor het beleg van 's-Hertogenbosch zijn aangelegd. De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor: a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen met een hoge verwachting voor de periode Neolithicum tot Middeleeuwen en/of terreinen met een middelhoge verwachting.

8

Afwijking bestaande planregeling Ter plaatse van het plangebied c.q. de vigerende bestemming ‘Agrarisch’ geldt dat er geen nieuwe (burger)woningen mogen worden opgericht. Ter plaatse van de voorziene woningen is derhalve een nieuwe bestemming vereist en dienen bouwvlakken te worden toegevoegd. Ook dient een passende planologisch-juridische regeling te worden getroffen voor de beoogde infrastructurele (parkeer- en verkeers)voorzieningen en de groenvoorzieningen in de openbare ruimte. Deze plantoelichting geeft een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling.

1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 2 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving: hoe wordt met het nieuwbouwplan invulling gegeven aan de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 behandelt het beleidskader. In hoofdstuk 4 komen de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten aan de orde. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 5 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 tenslotte bevat de slotconclusie.

9

2. Planbeschrijving: ruimtelijke structuur, beeldkwaliteit, landschappelijke inpassing 2.1 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit Het (bouw)plan ziet op de oprichting van 43 – netto: 41 – nieuwe woningen in verschillende segmenten en voor verschillende doelgroepen: mix van koop- en huurwoningen, type woningen, grootte kavels, circa 20% onder de huurtoeslaggrens.

10

Voor wat betreft de gemaakte stedenbouwkundige en landschappelijke analyse, uitgangspunten, visie en keuzes, beeldkwaliteit, verkavelingsopzet e.d. wordt op de eerste plaats verwezen naar het ‘Landschapsplan Donksestraat Den Dungen’ van Van Dooren Landschap. Dit landschapsplan is als bijlage 1 bij deze plantoelichting opgenomen. De planlocatie is altijd in agrarisch gebruik geweest en ligt aan de rand van de kern van Den Dungen in een als zodanig aangewezen bebouwingsconcentratie. De Donksestraat vormt als het ware een van de bestaande dorpsafrondingen van de kern Den Dungen. Het concept van het nieuwbouwplan ‘Wonen op de Donk’ is gebaseerd op de combinatie van ‘nieuw met oud’ – wonen binnen een cultuurhistorische setting. Het concept heeft een aantal bijzondere kenmerken. Zo wordt door het concept de lintbebouwde structuur van de Donksestraat afgerond. Achter het bebouwingslint wordt een landelijk groen kleinschalig woonwijkje gecreëerd. Door de aanleg van nieuwe groenstructuren geënt op de kleinschalige verkaveling van het historische landschap zal het woonwijkje een dorpse en landelijke uitstraling krijgen. De eenduidige verharding en het overeenkomstige materiaalgebruik versterkt de onderlinge samenhang. De verbinding met het achterliggende open landschap vormt een meerwaarde voor de landelijke uitstraling.

Vanuit de gedachte ‘rust en ruimte’ wordt aandacht gegeven aan een woonconcept dat vorm geeft aan al de woonwensen van deze tijd. Er is een sterke behoefte aan ‘vrij wonen’, aan ‘betaalbaar wonen’ en aan ‘wonen in een landelijk dorp op korte afstand van de kern en stad’. De relatie met het achterliggende landschap vanuit het nieuwe woonwijkje wordt versterkt door zichtlijnen naar het achterland. De randen met de bestaande buren worden groen ingericht met houtsingels en struweelhagen. De overgang van het woonwijkje naar het landschap wordt groen ingericht. De verkavelingsopzet van het stedenbouwkundige voorstel (bron: Landschapsplan Donksestraat Den Dungen Wonen op de Donk, Van Dooren Landschap) is navolgend ingevoegd.

11

De beoogde hoofdmassa’s en hoofdvormen van de nieuwe bebouwing zijn afgestemd op de bestaande bebouwing in de directe omgeving, maar vormen wel een eigen architectonische eenheid. Op 10 februari 2023 heeft de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een pré-welstandsadvies uitgebracht. Dit advies luidde als volgt: Het plan ligt in het gebied dat in de Welstandsnota omschreven is als: Deelgebied: Kleinschalig agrarisch cultuurlandschap/ historische dorpsgebieden. Het plan is getoetst aan de criteria behorende bij dit welstandsgebied en het hiervoor vastgestelde welstandsniveau. MOTIVERING: Het voorgestelde woningbouwplan is deels gelegen in het welstandsgebied “Kleinschalig agrarisch cultuurlandschap” en deels in “historische dorpsgebieden”. Het plangebied is gelegen tegen het centrumgebied aan. Dit is het gebiedstype wat het best

12

past bij de toekomstige te verwachten bebouwing. Het plangebied is op de welstandskaart en bestemmingsplan niet als een “ontwikkelingsgebied” aangegeven en kan worden gezien als een uitbreiding van “historische dorpsgebieden”. Bij een “ontwikkelingsgebied” dient een beeldkwaliteitsplan te worden opgesteld. Ook voor het buitengebied gelden in de huidige situatie geen beeldkwaliteitsplannen. Als de bouwmassa (bouwhoogte) in het bestemmingplan is toegeschreven op het bestemmingsplan wonen, kan ook de beeldkwaliteit hier op aansluiten. Als in het bestemmingsplan deze beeldkwaliteit kan worden opgenomen is het verankerd. Het uitgangspunt is het oorspronkelijke karakter van het gebied en de bebouwing en overeenstemming van historische kenmerken met voldoende ruimte voor eigen inzichten. Bij de verdere uitwerking van de definitieve ontwerpen wordt voor wat betreft de beeldkwaliteit van de nieuwe gebouwen en de maatvoering aangesloten bij de stedenbouwkundige en land(schapp)elijke uitgangspunten van de gemeente Sint-Michielsgestel. Dit alles conform het welstandsbeleid. Conform de Welstandsnota van de gemeente Sint-Michielsgestel gelden ter plaatse van het plangebied twee gebiedsaanduidingen, namelijk ‘historisch dorpsgebied’ en ‘kleinschalig agrarisch cultuurlandschap’.

De keuze is gemaakt om voor de gehele planontwikkeling aan te sluiten bij het welstandgebied ‘historisch dorpsgebied’. Het plangebied is namelijk gelegen tegen het centrumgebied aan. Dit is het gebiedstype wat derhalve qua beeldkwaliteit en architectuur het beste past bij de nieuwe bebouwing. Zo dienen de inhoud, typologie, architectuur van de woningen en de tuinen passend dient te zijn in de omgeving en zijn de nieuwe woningen door een landschappelijke (erf)beplanting ingepast in het omringende landschap. Het initiatief is daarmee van toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige en land(schapp)elijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige en land(schapp)elijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Duurzaam bouwen in het algemeen Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’.

Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • meervoudig ruimtegebruik;

13

• •

slimme energetische concepten, zoals gasloos bouwen (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); afvalreductie.

De voorziene woningen worden zo duurzaam mogelijk en gasloos gerealiseerd. Ook wordt gebruik gemaakt van meervoudig ruimtegebruik, onder meer in de vorm van boerderijsplitsing. De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is verankerd op/in de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding en regels. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in hoofdstuk 4.

2.3 Landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering Landschappelijke inpassing Een landschappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied. In het kader van voorliggende planontwikkeling is door Van Dooren Landschap een landschapsplan, inclusief stedenbouwkundig voorstel en beplantingsplan, opgesteld. Dit landschapsplan is als bijlage 1 bij deze plantoelichting gevoegd. Met het opgestelde landschapsplan is aangesloten op de bestaande situatie en de potentiële waarden en kwaliteiten in en rond het plangebied. Deze zijn door middel van een bureaustudie en een veldbezoek geïnventariseerd. Verantwoord is hoe de gewenste ontwikkeling op een duurzame manier in de bestaande situatie kan worden geïntegreerd. Gestreefd is naar een optimale inpassing van het bouwplan in het omringende landschap van de tuinen en de nieuwe woningen door een combinatie van erfbeplanting en landschapsbeplanting.

Ruimtelijke kwaliteitsverbetering Bij (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap, als bedoeld in artikel 3.9 Interim Omgevingsverordening Brabant, kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen inclusief archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontstening. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Bij hergebruik van voormalige agrarische en niet-agrarische bedrijfslocaties is sloop van overtollige bebouwing uitgangspunt. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel ook (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering noodzakelijk. Van Dooren Landschap heeft hiertoe in paragraaf 6.3 van zijn rapportage een eerste aanzet voor gegeven.

14

3. Beleidskader 3.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Sint-Michielsgestel vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.

3.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen.

Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.

15

Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden.

We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.

Doorwerking plan(gebied) Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. De planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die

16

raakt aan een van de nationale belangen. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de NOVI, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.

Artikel 3.1.6 lid 2 luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen.

Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige

17

functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Onderliggende woningbouwontwikkeling moet worden gezien als een ‘stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). Daarmee bepaalt artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, omdat het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.

Marktsituatie De gemeente Sint-Michielsgestel streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Dit streven komt onder meer terug in haar beleid ten aanzien van wonen en woningbouw. Zowel het provinciale als gemeentelijke beleid is gericht op het behouden van de leefbaarheid in kleine kernen. Dat is ook waar dit plan aan bijdraagt. Door te zorgen voor nieuwbouw creëren we enerzijds de mogelijkheid om te blijven wonen in de eigen dorpsgemeenschap. Aan de andere kant bieden we een woonmilieu aan dat door prijszetting,

18

landelijk dorps en groen karakter ook een aantrekkelijke optie kan zijn voor woningzoekenden binnen het stedelijk gebied als geheel. Samengevat kunnen we stellen dat in dit plan de woonconsument centraal staat. Het aanbod is afgestemd op de vraag die er is vanuit de lokale bevolking. En daarbij is er ruimte voor opvang van de regionale behoefte om doorstromers binnen de regio te houden. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? De locatie ligt deels binnen bestaand stedelijk gebied, conform de definitie in artikel 1.1.1 onder h van het Bro. Er is daarmee tevens sprake van inbreiding. Is de behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied? Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is het woningbouwplan in eerste instantie bedoeld voor de groeibehoefte van de kern Den Dungen, als onderdeel van de totale regionale behoefte aan woningen. Aangezien de nieuwe woningen gesitueerd worden in de directe nabijheid van de bestaande kern van Den Dungen is hier sprake van een (her)ontwikkeling op een passende locatie. Het plan ziet op zorgvuldig ruimtegebruik en leidt niet tot over-programmering. Het plan doet geen afbreuk aan de doelstellingen en uitgangspunten, zoals verwoord in de beleidsstukken van de gemeente Sint-Michielsgestel. Het voorliggende woningbouwplan is derhalve in overeenstemming met de gemeentelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en uitgangspunten.

Verwezen wordt naar paragraaf 3.4 (gemeentelijk beleid). Conclusie Onderhavige planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

3.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden.

19

Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek.

Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap.

Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De Interim omgevingsverordening heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Dit bestemmingsplan is getoetst aan de in hoofdstuk 3 opgenomen 'Instructieregels aan gemeenten' die de richtlijnen bevatten voor besluiten van gemeenten.

20

De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging

Van sing Nee Ja Ja Nee Nee Ja Ja Ja

toepas-

Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is het plangebied aangeduid als ‘landelijk gebied’ en ‘verbod uitbreiding veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden algemene regels gegeven waaraan de toelichting, bij een gemeentelijke planologisch ontwikkeling die wonen mogelijk maakt, aan moet voldoen. Onderhavig plangebied is gelegen in het ‘landelijk gebied’ van de provincie Noord-Brabant. Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt in het landelijke en het stedelijke gebied. Binnen deze eerste aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk, zij het kleinschalig en altijd rekening houdend met de hoofdgebruikers van het landelijke gebied.

21

Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken dient repectievelijk te worden aangesloten op de artikelen 3.6 t/m 3.9 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging, bijvoorbeeld van individuele bedrijven, is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Dit beleid wordt gecontinueerd. Mede gelet op de leegstand van agrarisch vastgoed is het toelaten van functies in het landelijk gebied door nieuwvestiging niet opportuun. Hierop bestaan wel uitzonderingen, bijvoorbeeld in geval van verplaatsing van een bedrijf in het kader van een groot openbaar belang of in het geval van functies die vanuit het borgen van een goede en veilige leefomgeving niet in de directe omgeving van kwetsbare functies mogelijk zijn, zoals windturbines.

Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze voorwaarde geldt rechtstreeks vanuit de nationale wetgeving. Omdat de toepassing van de ladder vanuit provinciale beleid essentieel is, is deze in de verordening opgenomen. Er zijn daarbij geen extra eisen gesteld. Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Juist daarom kent de verordening het begrip bouwperceel.

Dit biedt ruimte aan de gemeente om binnen een bouwperceel onderscheid te maken in bijvoorbeeld een gedeelte waar alleen bouwwerken zijn toegestaan, zoals permanente teeltondersteunende voorzieningen, en een gedeelte waar het bouwvlak ligt ten behoeve van het oprichten van gebouwen. Overigens zijn in veel gevallen de omvang van het bouwperceel en het bouwvlak gelijk. Met name in de land- en tuinbouw of bij sommige recreatiebedrijven waar slechts op een beperkt deel van een bouwperceel gebouwen staan, is het gewenst of nodig onderscheid te maken. Bij stedelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied dient sprake te zijn van zorgvuldig ruimtegebruik en er dient te worden voorzien in een kwaliteitsverbetering van het landschap. Zorgvuldig ruimtegebruik, zoals opgenomen in artikel 3.6, houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat:

22

1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. d. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. In artikel 3.7 'Toepassing lagenbenadering' onder lid 2 staat omschreven dat de lagenbenadering effecten omvat op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel om de effecten van een ontwikkeling in beeld te brengen. Het gaat daarbij om het effect op de lagen in wisselwerking met elkaar waarbij de factor tijd actief wordt benut. De lagenbenadering is overigens niet nieuw. De eigenschappen van de ondergrond, het landschap, de infrastructuur en de mate van verstedelijking verschillen sterk binnen Brabant. Hierdoor kan een ingreep in het oosten van Brabant heel anders uitpakken dan in West-Brabant. Daarom is het van belang om te weten hoe de omgeving in elkaar steekt en te kijken naar alle lagen: de ondergrond, de netwerklaag, de bovenlaag en de tijdsdimensie. Tussen deze lagen bestaat een wisselwerking. Iedere laag kent zijn eigen dynamiek, verschillende veranderingssnelheid en mate van omkeerbaarheid bij ingrepen. Voor een aantal aspecten die bij de lagenbenadering betrokken worden, bevat deze verordening specifieke regels, zoals het Natuur Netwerk, de groenblauwe mantel, cultuurhistorische- en aardkundige waarden, stiltegebied en delen van het watersysteem.

Voor een aantal andere aspecten stelt de provincie informatie beschikbaar die benut kan worden bij de toepassing van de lagenbenadering, zoals: natuurgegevens, gebiedspaspoorten, Aardkundige waarden kaart en de cultuurhistorische waardenkaart, de bodemwijzer, de wateratlas, gezondheidsrisicokaarten, de atlas van de leefomgeving etc. Daarnaast wordt ook door andere instanties informatie beschikbaar gesteld. Ook andere instanties stellen informatie beschikbaar, zoals de Brabantse omgevingsscan (BrOS ter beschikking gesteld door de GGD) en de handreiking veehouderij en volksgezondheid (kennisplatform veehouderij).

23

Met ‘diep’ kijken, houdt men rekening met de laagdynamische ondergrond, maar ook met de effecten op de andere lagen en met toekomstige effecten. Dat wil niet zeggen dat er geen effecten op andere lagen mogelijk zijn. Bij afwegingen gaat het behoud van de levenskwaliteit in het hier en nu in economisch, sociaal en ecologische opzicht niet ten koste van de levenskwaliteit elders en later. Uiteraard kan daarbij alleen rekening worden gehouden met ontwikkelingen voor zover die bij de gemeente bekend zijn. Dat kunnen ook aspecten zijn die nog geen vastgesteld beleid betreffen. Bij de afweging gaat het niet alleen om de effecten op de omliggende functies in het gebied maar ook op effecten van een ontwikkeling elders. Niet alleen de effecten nu maar ook de effecten naar de toekomst. Past een functie binnen de toekomstige (gewenste) ontwikkelingsrichting van een gebied; bijvoorbeeld een toekomstige woonwijk of juist een gebied waar behoud van natuur of een primaat voor de agrarische functie wordt nagestreefd. Is de functie toekomstbestendig of betreft het een tijdelijke functie. Zo kan er bijvoorbeeld best ruimte zijn voor tijdelijke functies in de nog niet ingerichte delen van het Natuurnetwerk Brabant als dat geen afbreuk doet aan de realisatie van het natuurnetwerk maar niet voor permanente functies. Een ander aspect betreft de onomkeerbaarheid.

Als een functie onomkeerbare effecten heeft op een te beschermen belang, bijvoorbeeld een ernstige verontreiniging van het grondwater of de aantasting van niet vervangbare aardkundige waarden kan dat een reden zijn om zo’n ontwikkeling niet op die plek toe te laten, maar op een andere plek. De intensiteit van de afweging hangt af van het gebied en de ontwikkeling. Naarmate een ontwikkeling minder inbreuk maakt op de leefomgeving of de omgevingskwaliteit, is ook de afweging minder indringend. Gemeenten hebben derhalve een bepaalde vrijheid hier invulling aan te geven. Artikel 3.8 Meerwaardecreatie Door ontwikkelingen niet enkel vanuit een economische, sociale of ecologische hoek te bekijken maar bij belangrijke ontwikkelingen met een grote impact op de leefomgeving al deze aspecten te betrekken, ontstaat meerwaarde voor Brabant. Rekening houdend met de plek van de ontwikkeling kan men urgente kwesties aan andere opgaven koppelen, daarbij rekening houdend met de unieke identiteit en de landschappelijke kwaliteiten van een gebied.

• People: wat betekent het initiatief voor de gemeenschap in termen van veiligheid en gezondheid, sociale samenhang (sociale inclusiviteit) en kwaliteit van de leefomgeving? Hebben mensen profijt van het initiatief in hun omgeving? • Planet: hoe draagt het initiatief bij aan meer circulariteit en daarmee volhoudbaarheid van onze leefomgeving (minder energiegrondstofverspilling, minder klimaatbelasting)? • Profit: wat levert het op voor een economisch sterke (top)positie van Brabant? Deze vragen helpen de provincie en anderen bij het maken van keuzes en het leggen van verbindingen. Door vanuit meerdere kanten naar een initiatief te kijken, wordt het initiatief – en dus ook Noord-Brabant – er beter van. Door daarbij ook vanuit verschillende schaalniveaus naar een vraagstuk te kijken, zien we steeds andere aspecten. Door kennis te benutten die elders is opgedaan, ontstaan er misschien nieuwe mogelijkheden. En soms heeft een ontwikkeling op lokaal niveau heel andere effecten dan als je deze op regionaal schaalniveau bekijkt. Hierbij hanteren we

24

een gebiedsgerichte benadering, waarbij het initiatief en de plek – nu en in de toekomst – centraal staan. Het gaat daarbij zowel over de beleving van mensen als het praktische nut, de waardering voor het verleden en de positieve effecten voor alle toekomstige gebruikers van de Brabantse omgeving. Kortom een vernieuwde, gebiedsgerichte invulling van het streven naar een balans tussen people, planet en profit. Meerwaardecreatie, zoals opgenomen in artikel 3.8, omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder in lid 1: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 stelt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap deel kan uitmaken van de meerwaardecreatie. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling.

Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in Brabant hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap als bedoeld in dit artikel, zoals bijvoorbeeld verplichtingen tot sloop van bebouwing, het saneren van windturbines of de vastgelegde minimale verplichting voor een landschappelijke inpassing bij veehouderijen en mestbewerking. Soms is nadrukkelijk bepaald dat dit artikel niet van toepassing is omdat de regeling zelf al voorziet in kwaliteitsverbetering, zoals de ontwikkeling van ruimte voor ruimte woningen en landgoederen. Er is derhalve geen sprake van een stapeling van regelingen. In de toelichting geeft de gemeente aan dat de inzet van de kwaliteitsverbetering past binnen het beleid voor een gebied of de omgeving. Dit kan bijvoorbeeld door aan te geven dat de maatregelen passen bij het aanwezige landschapstype of door te verwijzen naar een landschapsplan of gemeentelijke structuurvisie waarin landschapsdoelen zijn opgenomen.

De verordening biedt dus de mogelijkheid dat de kwaliteitsverbetering niet op dezelfde plek plaatsvindt als de ontwikkeling. Het is aan de gemeente om hiervoor beleid te ontwikkelen. In geval de kwaliteitsverbetering elders wordt uitgevoerd, geldt ter plaatse van de ontwikkeling uiteraard wel een goede landschappelijke inpassing.

25

Om alle onduidelijkheid over het begrip landschap weg te nemen is duidelijk aangegeven dat het begrip landschap niet alleen betrekking heeft op groenontwikkeling maar ook betrekking heeft op de sloop of uiterlijke verschijningsvorm van bebouwing. Veel gemeenten hebben in het kader van het regionaal overleg afspraken gemaakt met de provincie over de toepassing van de kwaliteitsverbetering landschap. Voor die gemeenten geldt dat zij in de toelichting van het bestemmingsplan naar deze afspraken kunnen verwijzen. Overigens is het daarbij nog steeds nodig dat conform de gemaakte afspraken de kwaliteitsverbetering bij concrete ontwikkelingen in het bestemmingsplan geborgd wordt. In geval daarbij een landschapsfonds is ingesteld, geldt dat er over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg. Uiteraard dient er ook gekeken te worden naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met de afspraken die in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de aard van de woningen.

Daaronder worden onder meer begrepen woningen voor bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, personen met een zorgvraag, jongeren en starters op de woningmarkt, in het bijzonder voor zover deze groepen behoren tot de lagere inkomensgroepen. In het vorige hoofdstuk is uitgebreid aandacht besteed aan de wijze waarop onderhavig planvoornemen tevens een bijdrage levert aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. De aanduiding ‘verbod uitbreiding veehouderij’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Doorwerking plan(gebied) De aanduiding ‘verbod uitbreiding veehouderij’ heeft, zoals gezegd, enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig planvoornemen betreft de oprichting van nieuwe woningen in een kernrandzone welke reeds als overgangsgebied tussen landelijk en stedelijk gebied kan worden gezien. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte binnen en aan de randen van stedelijke kernen en het toevoegen van wooneenheden binnen stedelijke concentratiegebieden dan wel zones zoals de gemeentelijke vastgestelde bebouwingsconcentratie. Het gebruik van de bestaande ruimte wordt feitelijk geïntensiveerd en in kwaliteit verbeterd. Tevens is er aandacht voor compensatie van deze verstedelijksopgave door natuurontwikkeling, kwaliteitsverbetering in het nabijgelegen landelijk gebied.

Belangrijke meerwaarde van onderhavig planontwikkeling is de sanering van het agrarische bedrijf aan de Donksestraat 19 te Den Dungen. Achter de huidige woonboerderij staan diverse stallen en schuren voor deze bedrijfsvoering in combinatie met een kleinschalig graafmachineverhuurbedrijf. De agrarische- en verhuuractiviteiten op deze locatie worden beëindigd. Door het verwijderen van de bebouwing en het vervallen van de milieuhinder komt hierdoor

26

ruimte voor de ontwikkeling van woningbouw aan de rand van Den Dungen. Er vindt hiermee een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving plaats. Binnen het Landelijk gebied zijn er mogelijkheden om burgerwoningen toe te voegen, wanneer dit tenminste gepaard gaat met een tenietdoening van overtollige bebouwing en agrarische activiteiten worden beëindigd. Daarbij geldt tevens het feit dat het plangebied behoort tot een van de bebouwingsconcentraties zoals opgenomen in de Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel, waaraan in de volgende paragraaf meer aandacht wordt besteed. Binnen dergelijke locaties zien gemeenten en provincie mogelijkheden tot woningbouw, welke de, in dit geval, kernrandzone kwalitatief kan versterken. Regionale afstemming is niet nodig. In het Regionaal Perspectief Wonen is namelijk opgenomen dat Den Dungen in de stedelijke regio / het stedelijk (concentratie)gebied valt en dan is afstemming pas aan de orde bij plannen voor meer dan 75 woningen. Er wordt aansluiting gevonden op artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik door de nieuw aan te boren ruimte zorgvuldig in te richten. Dat betekent dat er compact wordt gebouwd, maar dat er voldoende ruimte is voor groen om kleinschalige natuurontwikkeling te bevorderen, uitstraling van de nieuwe wijk te optimaliseren, wateroverlast te voorkomen en bestaande kwaliteiten te integreren in de nieuwbouwlocatie.

Met het beoogde plan worden in totaal 43 – netto: 41 – nieuwe woningen gerealiseerd. Ten behoeve van deze ontwikkeling is de lagenbenadering uitgevoerd. Uit de lagenbenadering blijkt dat een stedelijke ontwikkeling binnen het plangebied voorstelbaar is. De aanwezige waarden en structuren in en om het plangebied dienen daarbij in acht te worden genomen. In het stedenbouwkundig plan voor deze uitbreiding is rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden binnen het plangebied, zie onder meer de hoofdstuk 4 van deze plantoelichting. Daarbij wordt tevens aangesloten op waarden en structuren uit de directe omgeving. Het stedenbouwkundig plan is middels zorgvuldige afweging (tussen ontwikkelaars en gemeente) tot stand gekomen. In artikel 3.7 is de lagenbenadering behandeld. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=054fafbf-643f-4588-bac5-bc97a005ca5f