1257702 bijlage 3 Toelichting BP Gemondesestraat 10-12.pdf
Tekst van het document
Op grond van het sinds 1 november 2014 geldende artikel 2, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, is voor een mantelzorgwoning planologisch gezien geen omgevingsvergunning voor afwijken gebruik, meer vereist. Als aan de wettelijke voorwaarden kan worden voldaan is toetsing aan de regels voor gebruik niet meer van toepassing. Voor de volledigheid kan, in aanvulling op de toetsing aan de bed&breakfast voorziening, beleidsmatig worden opgenomen dat de beoogde mantelzorgwoning binnen de functie bed & breakfast past en aan de voorwaarden te voldoen die zijn opgenomen voor mantelzorg in 4.6.3 . De gebruiker van de mantelzorgwoning reeds de leeftijd heeft van 78 jaar (lid a) en dat de voorziening wordt gerealiseerd in een nieuw te realiseren bijgebouw naast het hoofdgebouw (lid b en e). Waarde – Archeologie – Categorie 3 Ter plaatse van de archeologische dubbelbestemming zijn er geen beperkingen voor de beoogde ontwikkelingen. De mogelijk archeologische resten worden in situ behouden daar er geen bodemingrepen plaatsvinden. De sloop van de bestaande gebouwen behoort tot de uitzonderingen welke in de artikelen 33.2.3 en 33.3.2 zijn opgenomen. Waarde – Attentiegebied EHS De gronden met deze aanduiding zijn mede bestemd voor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur(waarden).
Deze zijn vooral in het geding waarbij er sprake is van een toename verhard oppervlak. Dit bestemmingsplan zorgt voor een afname verhard oppervlak, voornamelijk door de sloop van bestaande gebouwen. Dit heeft een positief effect op de waterhuishoudkundige situatie nu er meer
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
21
ruimte komt voor het hemelwater om ter plaatste te kunnen infiltreren in de bodem. Deze dubbelbestemming komt overeen met de toetsing in het kader van de provinciale Vr in de vorige paragraaf. Waarde – Kleinschalig cultuurlandschap / Waarde – Leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap Deze twee dubbelbestemmingen hebben beide het streven naar een verbetering van de cultuurhistorische waarden zoals de kavelstructuur met bijbehorende begroeiing, zandwegenstructuur en rabatten/slotenpatroon en het leefgebied van aanwezige soorten zoals struweelvogels, de das, vlinders en amfibieën. Dit kan onder andere door het behoud en aanleg van houtwallen, klein bosjes, hagen e.d. Het voorgenomen plan wordt voorzien van een landschappelijke inpassing waarin bosschages, struweelhagen en een houtsingel worden aangelegd danwel worden gerevitaliseerd. Dit plan draagt bij aan de doelomschrijving van deze dubbelbestemmingen. Gebiedsaanduiding reconstructiewetzone – extensiveringsgebied Deze aanduiding is opgenomen binnen alle agrarische bestemmingen van het vigerende bestemmingsplan.
Deze heeft voor de vigerende bestemming ‘agrarisch – agrarisch bedrijf’ tot doel om ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' vergroting van de bestaande oppervlakte bebouwing dan wel een vormverandering van het bouwvlak ten behoeve van een intensieve veehouderij te voorkomen. Daar beide hiervoor genoemde ontwikkelingen niet behoren tot de voorgenomen ontwikkeling zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de gebiedsaanduiding. Conclusie Gezien voorgaande zijn de voorgenomen functies volgens de diverse wijziging- en afwijkingsbevoegdheden uit het bestemmingsplan beleidsmatig passend binnen de beleidskaders van de gemeente Boxtel. Ook heeft het plan een positieve bijdrage aan de bestemmingsomschrijving van de dubbelbestemmingen en de opgenomen gebiedsaanduiding. Daar echter niet aan elke voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheden kan worden voldaan, doordat er meer oppervlakte aan bebouwing blijft behouden, wordt om deze reden een herziening van het bestemmingsplan voorbereid. De regels van deze herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het vigerende bestemmingsplan.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
22
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er in de beoogde situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden, hier wordt verder op in gegaan in paragraaf 4.3.2 van deze toelichting.
Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Daar er met de ontwikkeling sprake is van het splitsen van een reeds bestaande tweede bedrijfswoning en het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een bedrijf met een veel langere milieubelasting is er met zekerheid geen sprake van overschrijding van de grenswaarden uit een van de categorieën uit het Besluit m.e.r. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet plan-m.e.r. plichtig is. 4.2 Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: • Beschrijving waterrelevant beleid; • Bestaande waterhuishoudkundige situatie; • Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1
Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, dat in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte Noord-Brabant. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod:
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
23
• • •
Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding;
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels, zie Afbeelding 8, is het plangebied gelegen in de ‘Attentiezone waterhuishouding’ en ‘Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’. Wat betreft de ‘Attentiezone waterhuishouding’ wordt vanuit de Iov verwezen naar de betreffende bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Iov. Deze is hiervoor behandeld in paragraaf 3.2.3. De ‘Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’ betreft een inspanningsverplichting voor waterschappen om, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als norm een overstromingskans van (in dit geval) 1/10 per jaar voor grasland aan te houden. Het plan heeft, gezien zijn geringe schaal in relatie tot de regionale wateren, hiervoor geen (negatieve) gevolgen.
Afbeelding 8: Uitsnede Iov Noord-Brabant, hoofdstuk ro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9930InterimOvr-va01)
4
(https://noord-brabant.tercera-
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: • Voldoende water voor mens, plan en dier; • Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); • Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; • Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
24
Afbeelding 9: Uitsnede kaart PMWP - Gezondheid - 1 Zoals weergegeven is in Afbeelding 9 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Groenblauwe mantel’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘Groenblauwe mantel’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en Verordening ruimte. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties en waar mogelijk bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het landschap. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen het plangebied. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021.
Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; • Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; • Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; • Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
25
het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.
Afbeelding 10: Uitsnede GHG-kaart Waterschap De Dommel Op basis van de kaart met de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG), zie Afbeelding 10, is te zien dat het de meest voorkomende GHG binnen het plangebied tussen de 40 en 60 cm beneden het maaiveld is gelegen. Richting de noordwestelijke watergang is dit tussen de 20 en 40 cm onder het maaiveld. Daarnaast is bij a-watergangen (zoals de D0209), het beleid geformuleerd dat objecten in de zone van 5 meter uit de insteek van de a-watergang gelden op basis van de Keur specifieke Keur regels die vergunningplichtig zijn. Dit om te borgen dat het beheer en onderhoud en speciaal onderhoud van het waterschap uitgevoerd kan blijven worden. Bij ontwikkelingen dient hier rekening mee gehouden te worden waardoor er bij de aanleg de belemmeringszone van 5 meter in acht gehouden moet worden. Het gemeentelijk beleid is opgenomen in meerdere documenten welke elkaar aanvullen. Zo is de Watervisie Boxtel een afgeleide van het Waterplan, welke is opgesteld in samenspraak met de gemeente Sint-Michielsgestel en Waterschap De Dommel, en vormt als zodanig het kader voor de nadere uitwerking. Dit is het beleidskader totdat deze wordt opgenomen en geactualiseerd in de toekomstige omgevingsvisie. Een van de recent geactualiseerde beleidsstukken is het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024 (vGRP).
Dit beleid borduurt voort op het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019. In het vGRP heeft de gemeente Boxtel enkele speerpunten opgesteld die leidend zijn voor het handelen van de gemeente. Dit zijn: een klimaatbestendig Boxtel (1), wijkgerichte rioolvervanging (2), samenwerken met inwoners, bedrijven en waterpartners (3), verankeren water- en rioolbeheer in de Omgevingswet (4), water plaatselijk zuiveren en hergebruiken (5) en als laatste de grondwaterhuishouding (6). Uit de speerpunten volgt ook dat de gemeente aan perceeleigenaren het waterbewustzijn voor het verwerken van het hemelwater (speerpunt 1, ambitie 2), wil overbrengen. Daarnaast vragen zij in de ‘Strategie hemelwater’ dat als belangrijkste aandachtspunt bij ontwikkelingen opgenomen dat er ‘hydrologisch neutraal’ moet worden ontwikkeld, conform de Hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater van de gezamenlijke Brabantse waterschappen. Hierbij wordt, in afwijking van het beleid van het waterschap, een ondergrens van toename verharding van 250 m2 gehanteerd.
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
26
hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Zoals aangegeven is Waterschap De Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap De Dommel, dat in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald bij die ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap De Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 2.000 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie ligt in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Op basis van de vGRP voor de herontwikkeling met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 250 m² geldt eveneens een vrijstelling van mitigerende maatregelen.
Afbeelding 11: Uitsnede Keurkaart Waterschap De Dommel, links: beschermde gebieden keur; rechts: Beekdalen Tabel 1: Overzicht oppervlakverdeling verhard/onverhard Oppervlakte Daken Erfverharding Onverhard terrein
Huidig (m2)
Totaal (geheel plangebied)
3409,22 2837,25 8031,53
14278,00
Beoogd (m2) 1517,03 2115,11 10645,86
14278,00
Verschil -1892,19 -722,14 2614,33
-
Het plangebied ligt in een ‘Attentiegebied’ en binnen een ‘Beekdal’. In de beoogde situatie is er een afname van circa 1900 m2 verhard oppervlak van gebouwen. Daarnaast blijkt uit Tabel 1 dat er een totaal afname van verharding is van totaal 2614,33 m2. Ondanks dat het plangebied is gelegen binnen een ‘Attentiegebied’ en het ‘Beekdal’ en omdat er geen toename verharding is, zijn er geen compenserende maatregelen nodig om het hemelwater op te vangen. Door de afname verhard oppervlak is er reeds sprake van een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie. Het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard (waaronder de Bed & Breakfast) en het huishoudelijk afwater van de woningen blijft op het gemeentelijk vuilwaterriool worden geloosd. Bij eventuele bouwwerkzaamheden zal rekening gehouden worden met de GHG stand. Gezien voorgaande zijn er voor het aspect water geen belemmeringen voor het voorliggende plan.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
27
4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
Natuur Netwerk Brabant (NNB)
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Verordening ruimte. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart ‘natuur en landschap’ van de Vr is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 12. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
28
Afbeelding 12: Uitsnede Iov Noord-Brabant, paragraaf 3.2.3 (https://noord-brabant.terceraro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9930InterimOvr-va01) 4.3.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kampina en Oisterwijkse Vennen, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van circa 4,5 kilometer ligt.
De voorgenomen herziening voorziet in het verwijderen van een bestaande veehouderij locatie ten behoeve van een niet-agrarisch bedrijf. De mitigerende maatregel door het verwijderen van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ voorkomt dat er in de toekomst een veehouderij gevestigd blijft/wordt, dat gepaard kan gaan met extra emissies ammoniak. Dit wordt met deze herziening uitgesloten. Op de locatie is een melding in het kader van het Activiteitenbesluit met een ammoniakemissie van 178 kilogrammen welke na voorgenomen herziening zal komen te vervallen.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
29
Vanuit het beoogde gebruik vinden er stikstofemissies van NOx plaats naar de lucht. Dit komt voort uit de woningen en, voornamelijk, vervoersbewegingen van en naar het plangebied. Om inzichtelijk te maken welke mogelijke effecten hiervan optreden op de Natura2000-gebieden is er AERIUSberekening gemaakt. Een toelichting op de invoergegevens voor deze berekening alsmede de berekening zelf (gebruiksfase) is bijgevoegd in Bijlage 5. Voor de voorafgaande sloop van de overtollige bebouwing en verbouw van de mantelzorgwoning/bed & breakfast is eveneens een berekening gemaakt (sloop en aanlegfase). De beschrijving van de invoergegevens en de berekening is eveneens opgenomen in Bijlage 5. Op basis van de uitgevoerde AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een significant negatief effect wat betreft het aspect stikstofdepositie. Doordat de locatie niet gelegen is in één van de gebieden zijn het verlies van oppervlakte en versnippering uitgesloten. Gezien de afstand en activiteit zijn ook effecten als verdroging, vernatting uitgesloten. Verstoring door geluid, licht, trilling en optische verstoring zijn gezien de grote afstand en de tussenliggende landschappelijke elementen uit te sluiten. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de ontwikkelingen op de locatie geen significante negatieve effecten hebben op de Natura 2000 gebieden.
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.
Bescherming van soorten
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Gemondesestraat 10-12, dient met name bepaald te worden of ter plaatse, beschermde natuurwaarden bevinden, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
30
Het plangebied wordt op dit moment gebruikt voor bewoning en voor agrarische doeleinden. De bebouwing is opgebouwd uit steen, glas en hout en voorzien van dakpannen, golfplaten en kunststof dakbedekking. In de tuinen is sierbeplanting aanwezig en is de ruimte rond de bebouwing ingericht als gazon. De functiewijziging heeft geen effect op de aanwezige flora en fauna daar gebruik wordt gemaakt van bestaande gebouwen welke momenteel, en in de toekomst, intensief worden gebruikt. Door Ijzerman Advies is op 6 december 2019 een bezoek gebracht aan het plangebied om in beeld te brengen welke eventuele gevolgen voor de flora en fauna bij de sloop van de gebouwen plaats kunnen vinden. In het bijgevoegde advies, zie Bijlage 4, wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor de sloop van de gebouwen in het kader van de flora en fauna van het plangebied. De Wet natuurbescherming wordt derhalve niet overtreden en vormt derhalve geen belemmering voor het plan. 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de kaart behorende bij de ‘Aardkundige-, cultuurhistorische- en landschappelijke waarden’ van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied in een ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ ligt.
Afbeelding 13: Uitsnede Iov Noord-Brabant, paragraaf 3.2.4 (https://noord-brabant.terceraro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9930InterimOvr-va01) De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Ook alle informatie die op de CHW 2006 te vinden was is opgenomen op de nieuwe CHW.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
31
Afbeelding 14: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant Hieruit blijkt dat plangebied is gelegen ter plaatse van gronden die zijn aangewezen als ‘Archeologische landschappen – Dommeldal Nuenen-Gestel’, Cultuurhistorisch vlak – De Geelders en Gemonde’ en behoort tot het ‘Groene Woud (regio’s Meierij en Kempen). Het aspect archeologie wordt verder beschreven in navolgende paragraaf. De Gemondesestraat is aangewezen als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Vanwege de ligging van het plangebied aan de Gemondesestraat vormt het plangebied slechts een van de aanwezige bedrijven of woningen aan deze lijn. Voorgenomen initiatief leidt niet tot een verslechtering van de historisch geografische lijn daar de Gemondesestraat niet wordt aangetast. Met het landschappelijk inpassingsplan is hiermee rekening gehouden. In het cultuurhistorisch vlak zijn cultuurhistorisch waardevolle gebieden gelegen die specifieke aandacht verdienen vanwege de onvervangbaarheid van bepaalde aanwezige waarde. De waarden en kenmerken van het gebied ‘De Geelders en Gemonde’, en daarbij ook voor het behoud van het ‘Groene Woud’ zijn onder andere de vele bosjes, perceelrandbegroeiing en populierenakkers.
De bestaande waarden van het plangebied zal niet worden aangetast doordat er juist landschap ontsierende bebouwing wordt gesloopt en het geheel wordt voorzien van een passende landschappelijk inpassing. In het vigerende bestemmingsplan zijn reeds dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden van het gebied. Deze worden in dit bestemmingsplan overgenomen. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
4.4.2
Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan is een aanduiding opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden. Ter plaatse van de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – Categorie 3’ zijn er echter geen beperkingen voor de beoogde ontwikkelingen daar de ontwikkelingen plaatsvinden binnen de vigerende bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ dan wel de beoogde bestemming ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’. De sloop van de bestaande gebouwen behoort tot de uitzonderingen welke in de artikelen 33.2.3 en 33.3.2 zijn opgenomen. Tot deze uitzondering behoren tevens de gronden direct
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
32
aansluitend de gebouwen. De mogelijk archeologische resten worden in situ behouden daar er geen verdere bodemingrepen plaatsvinden. Derhalve heeft het plan geen gevolgen voor de archeologische waarden. 4.5 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit.
Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: • Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied ligt in omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot geen functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen slecht een enkele andere functie zijnde een recreatieterrein. Een verhuurbedrijf voor opslagruimten (SBI-2008: 52109) behoort tot milieucategorie 2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in het rustig buitengebied, is de richtafstand 30 m voor geluid en 10 m voor het aspect gevaar. De dichtstbij liggende woning van derden Gemondesestraat 13 bevindt zich op een afstand van ca. 145 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Gemondesestraat 10.
De af te splitsen tweede bedrijfswoning, Gemondesestraat 12, ligt op ca. 40 meter van de gebouwen en voorzieningen (o.a. inrit) van het bedrijf Gemondesestraat 10. Zie hiervoor ook onderstaande Afbeelding 15.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
33
Nr. 14
Nr. 13
Afbeelding 15: Overzicht richtafstanden Bedrijven en Milieuzonering Dit betekent dat enerzijds binnen de hierboven opgenomen oranje contouren (worst-case) welke komen te liggen binnen de woonbestemming geen geluidsgevoelige objecten opgericht mogen worden. Anderzijds mogen binnen 30 meter van de resterende woonbestemming geen geluidsgevoelige bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Hiervoor zijn twee geluidszones opgenomen, zie Afbeelding 16 hieronder. Binnen de ‘geluidszone – geluidsgevoelige objecten’ zijn dergelijke objecten niet toegestaan, voor de ‘geluidszone – bedrijfsactiviteiten’ geldt dat binnen deze zone geen geluidsgevoelige bedrijfsactiviteiten ontplooid mogen worden. Samen met het gegeven dat de bedrijfsactiviteiten nader in de regels en verbeelding geborgd met de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – verhuurbedrijf’, wordt aan de geldende richtafstanden voldaan.
Afbeelding 16: Opname geluidszones - Links 'geluidszone - geluidsgevoelige objecten', Rechts 'geluidszone - bedrijfsactiviteiten'
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
34
4.6 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. In het kader van de ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur in de omgeving van de locatie. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit bestemmingsplan is ten behoeve van de omschakeling van een veehouderij naar verhuurbedrijf met opslagruimten. Daarnaast behelst de ontwikkeling de omschakeling van een tweede bedrijfswoning bij een veehouderij naar een burgerwoning met een woonbestemming.
Gesteld kan worden dat de bestaande woningen reeds als geurgevoelig object behorende bij een veehouderij moeten worden aangeduid en in het kader van de wet bescherming geniet voor het aspect geur ten opzichte van omliggende veehouderijen middels vaste afstanden. Daar deze vaste afstanden ook gelden ten tijde van een voormalige veehouderij treden er derhalve geen nadelige effecten op voor de omliggende bedrijven, daar deze afstanden niet wijzigen. In de directe omgeving van het plangebied is enkel de veehouderij aan de Gemondesestraat 13 gelegen. Op deze locatie is echter een ontwerpwijzigingsplan ter inzage gelegd voor het omschakelen naar een woonbestemming. Derhalve wordt de veehouderij hier beëindigd en vorm dit geen belemmeringen voor het plan. De eerstvolgende veehouderij is de schapenhouderij welke aan de Gemondesestraat 18 is gelegen. Hiervoor gelden de vaste afstanden tot geurgevoelige objecten behorende bij een voormalige veehouderij. Deze afstand bedraagt minimaal 50 meter tot objecten buiten de bebouwde kom en 100 meter tot objecten binnen de kom. Ter plaatse van nieuwe woningen dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indien er wordt voldaan aan de vaste afstanden is er in beginsel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat indien de woningen zijn gelegen buiten deze afstand.
De afstand van de veehouderij tot het plangebied bedraagt ca. 260 meter waardoor ter plaatse van de herbestemming van de locatie aan de Gemondesestraat 10-12 sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Ten aanzien van het aspect geur kan daarom worden gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie. 4.7 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In het kader van een goed woon- en leefklimaat is voor de bepaling van de geluidsbelasting de planologische situatie leidend. De reeds bestaande bedrijfswoningen zijn in het kader van de Wet geluidhinder (wegverkeerslawaai) reeds een geluidgevoelige functie. In de nieuwe functie als burgerwoning en bedrijfswoning bij een niet-agrarisch bedrijf is de woning nog steeds een geluidgevoelige functie. Er vinden geen activiteiten of anderszins veranderingen plaats aan de woning welke een negatieve invloed hebben. Gezien de ontwikkelingen vindt geen wijziging in de situatie plaats ten opzichte van geluid vanuit bedrijven in de omgeving naar de woning.
Daarbij is op de locatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geluid. In het kader van de milieuzonering in paragraaf 4.5 is reeds aangetoond dat er wordt voldaan aan de richtafstanden voor het aspect geluid. Derhalve is er in beginsel sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting van het bedrijf naar de omgeving.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
35
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.8 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In het buitengebied kunnen agrarische bedrijven bepalend zijn voor de luchtkwaliteit door middel van fijnstof en NO2. Op het bedrijf veroorzaken vervoersbewegingen van en naar de inrichting, mobiele bronnen en de verwarmingsinstallatie een zéér beperkte emissie NO2. Zoals al eerder omschreven wordt de veehouderij op de locatie planologisch beëindigd en neemt de emissie van fijnstof hierdoor af. Gezien de beperkte emissie en de lage achtergrondconcentratie ter plaatse zijn ten aanzien van NO2 met zekerheid geen problemen voor de luchtkwaliteit te verwachten Op onderstaande afbeelding is de luchtkwaliteit van achtereenvolgens fijnstof PM10 en NO2 te zien zoals deze door het RIVM bekend is gemaakt.
Hieruit blijkt dat ter plaatse van de planlocatie de concentratie fijnstof en stikstofoxiden ruimschoots lager is dan de wettelijke norm van 40 μg/m³
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
36
Afbeelding 17: Uitsnede GCN-kaart Fijnstof PM10 – 18,06 ug/m³ (vorige pagina) en NO2 – 15,01 ug/m³ (deze pagina), referentiejaar 2020, RIVM Voor de transportbewegingen ten behoeve van het initiatief, zoals beoogd binnen de bedrijfsbestemming, is uitgegaan van de kengetallen uit de CROW publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’. Hierbij is uitgegaan van aantal verkeersbewegingen wat conform een ‘bedrijf, arbeidsextensief/bezoekersextensief’ en een ‘kamerverhuur, zelfstandig’, voor vier kamers (de voorafgaande mantelzorg heeft een lagere bijdrage aan extra verkeer) plaatsvinden. Voor het ‘bedrijf’ geldt dat er maximaal 5,7 vervoersbewegingen per 100 m2 zijn. Daar er 900 m2 aan bedrijfsvloeroppervlak hiervoor beschikbaar is komt dit neer op 51,3 verkeersbewegingen. Voor de ‘kamerverhuur, zelfstandig’ geldt 4 x 2,4 = 9,6 verkeersbewegingen. Voor beide geldt dat er rekening is gehouden met het ‘buitengebied’ en ‘niet stedelijk gebied’. In totaal zijn er 60,9 verkeersbewegingen, afgerond 61, berekend. Volgens de NIBM-tool kan berekend worden of de bijdrage van het verkeer wel of niet ‘in betekende mate’ bijdraagt. Uit onderstaande Afbeelding 18 blijkt dat een dergelijke verkeersgeneratie, waarbij uit is gegaan van circa 50% vrachtverkeer (worst-case)benadering, de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
37
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2020
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
61
Aandeel vrachtverkeer
50,0%
NO2 in μg/m3
0,25
PM10 in μg/m3
0,03
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 18: NIBM berekening extra verkeer (bron: www.infomil.nl) Het plan is dermate beperkt van aard dat het niet in betekenende mate bijdraagt aan verandering van de luchtkwaliteit. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.9 Landschappelijke inpassing Een van de belangrijkste eisen van het gemeentelijke en provinciale beleid is dat ieder ruimtelijk plan goed ingepast moet worden in zijn omgeving. In dit plan moet derhalve het plangebied dusdanig gepositioneerd te worden dat de landschappelijke kwaliteiten voldoende wordt geborgd. Uit de beschrijving van de landschappelijke waarden in paragraaf 4.4.1 maakt het landschap in de directe omgeving van het plangebied deel uit van de Geelders en daarnaast van het grotere geheel van het Dommeldal en het Groene Woud. Deze kwaliteiten en kenmerken bieden goede uitgangspunten om te komen tot een kwalitatieve landschappelijke inpassing waarbij: • behouden en versterken kleinschalig kampenlandschap; • behouden en herstellen historische structuren; belangrijke kenmerken zijn. Voorgaande punten hebben geleid tot een landschappelijke invulling van het plangebied, zie Afbeelding 19 en Bijlage 1.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
38
Afbeelding 19: Landschappelijk inpassingsplan Gemondesestraat 10-12, Liempde Er kan gesteld worden dat het plangebied reeds voorzien is van een goede landschappelijke inpassing door de aanwezigheid van een robuuste gemengde houtsingel aan de oostelijke zijde van het plangebied. De westelijke zijde zal ter plaatse wat opener zijn met de aanplant van bosschages van inheemse soorten. Dit draagt bij aan het versterken van het kleinschalig kampenlandschap in ‘de Geelders’. Als afscherming tussen de bestemmingen/erfgrens wordt een struweelhaag gerealiseerd als ondersteuning van de perceelsrandbegroeiing die het gebied rijk is. De voorgenomen inpassing wordt ook geborgd in de regels van het bestemmingsplan. 4.10 Bodemkwaliteit Bij iedere bestemmingsplanwijziging dient onderbouwd te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. De voorgenomen verandering aan de Gemondesestraat 10-12 ziet op het anders gebruiken van voornamelijk bestaande bebouwing en sloop van gebouwen. Het bedrijfsgebouw wordt in de beoogde situatie gebruikt voor opslag van goederen en een bed&breakfast. In de huidige functie vinden er ten behoeve van de activiteiten gedurende de dag ook activiteiten plaats en ook de opslag plaats van producten.
Daar er in het bestaande gebruik reeds vloeistofkerende voorzieningen aanwezig zijn en deze met de beoogde functie aanwezig blijven, kan worden aangenomen dat de bodemkwaliteit voldoende is voor het gebruik van het pand. Daarnaast verandert het woongebruik in de huidige woningen niet waardoor ook de bodem aldaar niet veranderd. Een nader bodemonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. Door het onderzoeksbureau is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de bodemkundige situatie nader te duiden en om te bepalen of de toekomstige functies mogelijk zijn. Dit onderzoek is
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
39
als Bijlage 3 opgenomen. Hieruit wordt geconcludeerd dat voor de beoogde functiewijzigingen geen belemmeringen zijn. 4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.11.1 Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor de Gemondesestraat 10-12 kunnen zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.
De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.
Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Boxtel Naast het landelijk beleid heeft de gemeente Boxtel een eigen beleidsvisie opgesteld. Het doel van de Beleidsvisie externe veiligheid is duidelijkheid verschaffen aan burgers en bedrijven over de wijze waarop de gemeente omgaat met het aspect externe veiligheid. Naast de differentiatie is verschillende risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten heeft de gemeente ook voor de diverse gebieden een andere benadering. Deze gebieden zijn: • Risicoluw gebied; • Gemengd gebied en • Intensief gebied.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
40
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
4.11.2 Toetsing aan beleid Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Boxtel Het plangebied is aan te merken als ‘gemengd’ gebied conform het gemeentelijk beleid. Voor dit gebied is het volgende opgenomen:
“In het gemengd gebied wordt de aanwezigheid van bepaalde risicobronnen als vanzelfsprekend gezien. Door historische ontwikkelingen heeft er een mengeling van verschillende activiteiten plaatsgevonden. Bestaande risicovolle activiteiten blijven toegestaan. Nieuwe risicovolle activiteiten zijn alleen toegestaan voor zover expliciet aangegeven. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle infrastructuur zijn eveneens toegestaan, mits wordt voldaan aan de wettelijke normen en de verantwoordingsplicht.”
De voorgenomen ontwikkeling zijn passend binnen het hierboven genoemde ambitieniveau. De omgeving betreft een zeer dun bevolkt gebied waardoor kan worden aangenomen dat het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Het wijzigen van de agrarische bestemming naar een bedrijvenbestemming, het omschakeling van de tweede bedrijfswoning naar burgerwoning en het opnemen van een bed&breakfast voorziening hebben een nihil effect op de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Overig
Afbeelding 20: Uitsnede Risicokaart Nederland, oranje vlak is plangebied Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een verhuurbedrijf en bed&breakfast) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen.
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
41
Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op het plangebied. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van de Rijksweg A2 tussen de knooppunten Vught en Ekkersweijer. Op basis van de ‘Regeling Basisnet’ is een geen PR vastgesteld en het GR –plafond van dit weggedeelte is 87 meter. Het invloedsgebied is echter 880 meter. Omdat de afstand van het plangebied tot de Rijksweg A2 meer bedraagt dan 200 m, maar minder dan 880 meter, kan er op grond van de artikelen 7 van het Bevt worden volstaan met een beperkte groepsrisico verantwoording. Met het plan worden bestaande bedrijfswoningen omgezet in een burgerwoning en een bedrijfswoning met een andersoortig bedrijf. Hierbij vindt er sloop plaats van overtollig bedrijfsgebouwen. Ook wordt er een bed & breakfast mogelijk gemaakt.
Verantwoording groepsrisico, artikel 7 a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg(en)
Op de A2 worden een aantal transporten uitgevoerd met gevaarlijke stoffen. Voor het plangebied zijn voornamelijk de transporten van toxische vloeistoffen en toxische gassen van invloed op het plangebied doordat deze binnen het invloedsgebied liggen. Dit betekent wanneer er een ongeluk gebeurt met deze stoffen, het plangebied binnen het risicogebied ligt. Voor toxische vloeistoffen is het mogelijk om de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Wanneer het gaat om toxische gassen kan bronbestrijding alleen plaatsvinden indien het om een lekkage gaat. De brandweer zal dit gat proberen te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is echter alleen mogelijk wanneer de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied, daar waar de wind vandaan komt. Van belang is dat de bron van beide zijde te bereiken is. Bij ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank of lading, zal de effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De kans op zo min mogelijk slachtoffers is het grootst wanneer er voldoende mogelijkheden zijn om de vergiftiging te behandelen. Daarnaast is de kans op zo min mogelijk slachtoffers wanneer er een snelle evacuatie/ontruiming plaatsvind.
Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Een ander mogelijkheid om de omvang van een ramp te beperken is het beperken van de ruimtelijke ontwikkeling of de afstand te vergroten. Daar het twee bestaande woningen betreft die blijven behouden is het amoveren van deze woningen dan wel de afstand vergroten niet realistisch. De bestaande bedrijfsgebouwen (industriefunctie) worden deels gesloopt waardoor de ruimtelijke ontwikkeling al in een beperking van de omvang oplevert. Deze compenseert de toename van de bed&breakfast ruimschoots. Het anderzijds veranderen van de A2 om het omvang van de ramp te beperken is binnen de scope van dit plan eveneens niet realistisch.
b. voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg een ramp voordoet.
Bij een toxische wolk bestaat de kans dat mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Echter bepaald de hoeveelheid ingeademde stof, blootstellingsduur en de concentratie of een persoon daadwerkelijk overlijd. Wanneer er een incident plaatsvindt, is het van belang dat omwonenden schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Indien dit niet mogelijk is, kan ervoor gekozen worden om te
Toelichting – Gemondesestraat 10-12, Liempde
42
vluchten. Bij een toxische wolk dient gevlucht te worden haaks op de wolk. De Gemondesestraat vormt een geschikte vluchtroute. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de rijksweg A2, ligt deze op een gunstige plek ten opzichte van de meest voorkomende windrichting (vanuit het zuidwesten). De Brandweer regio Brabant-Noord (als vertegenwoordiger van de veiligheidsregio) is om advies gevraagd omtrent de verantwoording van het groepsrisico. Dit advies is bijgevoegd. Ten aanzien van het aspect externe veiligheid transportroutes zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. De dichtstbijzijnde (aardgas) leidingen liggen op 130 meter van het plangebied. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemmingen en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt wel het invloedsgebied (100%-letaliteit) van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Leidingnr. A-526 A-525
Diameter (inch) 42 36
Max. werkdruk (bar) 66,2 66,2
PR10-6 Nee Ja
100% letaliteit (m) 190 180
1% letaliteit (m) 490 430
In het kader van het groepsrisico heeft de locatie met de nieuwe situatie daar geen invloed op. Voor de functieverandering naar de niet agrarische tak geldt dat voor de bepaling van het groepsrisico het huidige gebouw reeds een industriefunctie heeft. Volgens de ‘Handreiking verantwoordingplicht groepsrisico’ (VROM, november 2007) wordt voor een dergelijk gebouw rekening gehouden met één persoon per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak. Voor de bepaling van het groepsrisico is voor de bestaande functie dus reeds, uitgaande van 2534 m2 aan bedrijfsgebouwen, 26 personen aangehouden. (NB. Volgens het ‘Groepsrisico en het inventariseren van personenaantallen’, Antea Group en het RIVM, november 2013, geldt de norm van één persoon per 110 m2, wat neerkomt op 23 personen). Hierbij zijn beide (bedrijfs)woningen buiten beschouwing gelaten daar dit onveranderd blijft. Het aantal personen voor bepaling van het groepsrisico neemt voor de locatie in de beoogde situatie af. In plaats van 2534 m2 aan bedrijfsgebouwen is er in de beoogde situatie slechts 9000 m2 aan bedrijfsgebouwen en een bed & breakfast voorziening. Dit komt neer op 9 personen voor de bedrijfsgebouwen en 8 voor de bed & breakfast (maximale bezetting), in totaal 17 personen. Derhalve is er in het kader van het groepsrisico sprake van een lager personenaantallen en leidt dit niet tot een belemmering.