CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

11.f - Bijlage 5 - Aanvraag subsidie Realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant (1263012)

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 10 juni 2021, gemeente boxtelBij agendapunt: 11 Raadsvoorstel bestemmingsplan Theerestraat ongenummerd18.959 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 36. Bufferzones bacterievuur. Bron: https://www.nvwa.nl/onderwerpen/plantenziekten-en-plagen/bacterievuur/bufferzones

Het ‘gat’ van het parkeerterrein wordt opgevuld met de aanplant van zoete kersen. Zoete kers is een weinig veeleisende boom en groeit goed op veel verschillende standplaatsen. De boom heeft een voorkeur voor voedzame vochthoudende, lemige grond of kalkhoudende bodem en een zonnige standplaats. Zoete kers is zeer winterhard en redelijk bestand tegen wind. Het is een drachtboom voor bijen, waardboom voor vlinders, voedselboom voor vogels.

40

Tabel 2. Geselecteerde boomsoort. Gekozen wordt voor aanplant met een minimale diameter op borsthoogte van 6 – 8 cm en een plantafstand van 12 meter. Kosten inclusief BTW gebaseerd op bijlage 4 behorende bij de Subsidieregeling natuur Noord-Brabant.

Soort Zoete kers (Prunus Avium)

Minimaal maat (DBH)

Aantal

6 - 8 cm

Kosten per stuk 7

€ 64,90

Totale kosten € 454,30

Omdat de bodem vrijwel kalkloos is, kan eventueel een extra kalkgift worden gegeven voor een betere groei van de zoete kersen. Het plantmateriaal wordt aangeschaft bij Boomkwekerij van den Broek uit Heeswijk-Dinther. Zij leveren genetisch autochtone beplanting en leveren onder andere aan het Brabants Landschap en Natuurmonumenten.

Bescherming tegen vraat De kans bestaat (vooral bij een dicht sneeuwdek) dat de aanplant wordt aangevreten door bijvoorbeeld konijnen en reeën. De kosten van afrasteren zijn relatief hoog ten opzichte van de kosten van beplanting. Op advies van het Brabants Landschap wordt ervoor gekozen om daarom geen maatregelen tegen vraat te nemen. Eventueel kan dit wel worden gedaan voor de zoete kersen, omdat de kosten van het plantmateriaal hier aanzienlijk hoger liggen.

Figuur 37. Kersenspinner (Odonestis pruni). Bron: Vlinderstichting

Bescherming tegen verdroging Om te voorkomen dat veel aanplant verdroogt, is het noodzakelijk de bomen altijd in een kuiltje te planten zodat regenwater bij de wortels wordt ingevangen. Jonge aanplant moet voldoende water krijgen, dus bij dreiging van verdroging moet er een extra watergift worden gegeven, bijvoorbeeld met gierton.

41

7.3.6. Beheer Dit beheeradvies beschrijft welke beheermaatregelen nodig zijn om het beheertype 'N12.02 Kruidenen faunarijk grasland' te ontwikkelen. Dit beheer is noodzakelijk om het beheertype in een ‘gunstige staat’ te brengen. Dat wil zeggen dat de samenstelling van de vegetatie (kenmerkende vegetatietypen, kwalificerende soorten), de aanwezigheid van structuurelementen, het voorkomen van kwalificerende soorten fauna en de abiotische omstandigheden voldoen aan de omschrijving ‘goed’ in de kwaliteitsmaatlat voor dit beheertype. Er zal een apart beheerplan worden opgesteld waarin de beheermaatregelen in meer detail worden uitgewerkt. Uiteindelijk moet er een overal een laagproductieve vegetatie ontstaan met minimaal 80% lage grassen en kruiden waarin een groot aantal verschillende soorten kan worden gevonden. Er is een geleidelijke overgang naar ruigte en struweel. Dit zal maximaal 20% van de oppervlakte beslaan. Doelen van beheer: A. Zorgen voor een kruidenrijke vegetaties en tegengaan van strooiselophoping, verruiging en verbossing en ongewenste soorten; B. Zorgen voor kleinschalige structuurvariatie, om ruimte te bieden aan allerlei diergroepen (dagvlinders en andere insecten, reptielen, vogels e.d.),

Het beheer van kruiden- en faunarijke graslanden bestaat normaal gesproken vooral uit beweiden. Hier wordt echter niet voor gekozen. In de naastgelegen percelen is namelijk duidelijk te zien dat begrazing (door paarden) leidt tot een grote toename van de ongewenste soort pitrus (Juncus effusus). Het opentrappen van de bodem zorgt voor gunstige kiemingsomstandigheden voor deze soort. Daarom wordt gekozen voor een beheer van maaien en afvoeren. Afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem zal dat plaatselijk meer of minder vaak per jaar worden gedaan.

Achterwege laten bemesting op agrarisch perceel Omdat de doorvoer van grond-/kwelwater door het dempen van greppels gedeeltelijk wordt hersteld, is het wel van belang dat dit water niet wordt verrijkt met nutriënten uit het perceel dat een agrarische bestemming blijft houden. Hier zal uitdrukkelijk in het beheer van dit agrarische perceel rekening mee moeten worden gehouden. Bemesting zal zoveel mogelijk achterwege moeten worden gelaten. Als toch wordt bemest, dan heeft ruige stalmest of de dikke fractie van gescheiden drijfmest de voorkeur boven gewone drijfmest.

Ontwikkeling van struweel De ontwikkeling van het struweel wordt nauwlettend gevolgd. Bij aantasting door vraat worden ofwel beschermingsmaatregelen getroffen of vindt herplant plaats. Bij de zoete kersen wordt in de eerste 5 jaar vormsnoei toegepast. Dat kan vanaf april tot half september.

42

Inschatting kwaliteitsbeoordeling na ontgronding De opdrachtgever dient te streven naar een situatie waarin de samenstelling van de vegetatie (kenmerkende vegetatietypen, kwalificerende soorten), de aanwezigheid van structuurelementen, het voorkomen van kwalificerende soorten fauna voldoen aan de omschrijving ‘hoog’ in de kwaliteitsmaatlat voor het natuurdoeltype ‘N12.02 kruiden- en faunarijkgrasland’. Uit het bodemchemisch onderzoek blijkt dat de bodem sterk verrijkt is en minimaal 40-45 cm moet worden afgegraven om fosfaatgelimiteerde, soortenrijke natuur te realiseren. Vanuit het waterschap is gesteld dat maar maximaal 35 cm mag worden afgegraven. De vraag die moet worden gesteld, is hoe de verwachte kwaliteitstoestand na een ontgronding van 35 cm zich verhoudt tot het gewenste natuurdoeltype. Indien deze niet als ‘goed’ valt te beoordelen, zullen additionele inrichtingsmaatregelen moeten worden genomen. In deze paragraaf worden daarom de belangrijkste abiotische en biotische factoren beoordeeld waarmee de kwaliteit van het beoogde natuurdoeltype kan worden bepaald na een ontgronding. In tabel 1 Is een samenvatting te vinden van de verwachte kwaliteitsbeoordeling en de te nemen inrichtings- en/of beheermaatregelen. Tabel 3. Verwachte kwaliteitsbeoordeling na ontgronding van perceel 366 en te nemen inrichtings- en of beheermaatregelen om de kwaliteit te verbeteren.

Factor

Standplaats factoren Vochtigheid

Verwachte kwaliteitsbeoordeling Matig

Inrichtings- of beheermaatregelen om kwaliteit te verbeteren

Goed

Vasthouden kwel door aanleg stuwen. Dempen greppels.

Zuurgraad

Matig

Kalkgift om buffering tegen verzuring te verhogen. Verhogen buffercapaciteit door versterken van de invloed van basenrijke kwel.

Voedselrijkdom

Matig

Verschralingsbeheer door middel van hooibeheer IJzerrijke kwel benutten om fosfaat te binden. In de zomer zorgen voor droge omstandigheden in de toplaag van de bodem om in zuurstofrijke systemen door oxidatie van Fe2+ fosfor vast te leggen. Een extra kalkgift zal het resterende fosfaat slechts in beperkte mate vastleggen.

Stikstofdepositie Midden

Depositie is niet beïnvloedbaar. Een kalkgift kan wel de verzurende effecten van stikstof beperken.

Ruimtelijke condities

Hoog

Structuur

Laag

Verschralingsbeheer om stikstof af te voeren. Niet beïnvloedbaar door opdrachtgever. Er wordt wel actief gezocht naar samenwerking met het Brabants Landschap om te zorgen dat alle percelen een samenhangend geheel vormen en beheer op elkaar wordt afgestemd. Realisatie van een structuurrijke overgang naar de hoog opgaande bomenrij langs het fietspad door aanleg van soortenrijk en gevarieerd struweel.

43

Aanbrengen van een lijnvormige structuur van bomen ter hoogte van het parkeerterrein van Kentalis om de vliegroute vleermuizen te versterken. Versterken van lokale hoogteverschillen door een plaatselijke ontgraving Op de plaatsen waar de ontgraving aan de waterloop grenst zal een natuurvriendelijke oever ontstaan een veel flauwer talud. Flora en fauna

Laag

Inbreng van plantensoorten door opbrengen maaisel uit referentie gebieden van natuurmonumenten of Brabants Landschap. Eventueel aangevuld met bodemtransplantatie. Aanleg van gevarieerd structuurrijke overgang tussen struweel, hoge kruiden en het grasland Gradiënten worden zoveel mogelijk versterkt (verschillen in bodem, vochtgehalte, voedselrijkdom)

7.4.1. Standplaatsfactoren In deze paragraaf wordt ingegaan op de verwachte standplaatsfactoren na ontgronding. Zuurgraad De optimale pH van schralere graslanden ligt tussen neutraal en basisch. Op plaatsen waarbij tot 35 cm diepte wordt ontgrond zal de pH in de range van zwak zuur liggen. Door middel van een eenmalige Dolokal gift van 2000 kg /ha zal de pH in de optimale range worden gebracht. Door de invloed van basenrijke kwel zoveel mogelijk te vergroten, liefst tot in de wortelzone van planten wordt getracht de buffercapaciteit te vergroten. Ook overstroming of de inlaat van rivierwater zou Figuur 38. De kaart geeft een indicatie van gebieden die een overstromingsrisico kennen van theoretisch de buffercapaciteit kunnen verhogen ongeveer 1 keer per 100 jaar. door sedimentatie van vers zand, rijk aan Bron: https://flamingo.bij12.nl/risicokaartbufferstoffen. Wel wordt vanuit het Waterschap viewer/app/Risicokaart-openbaar De Dommel getracht het risico hierop zoveel mogelijk te beperken. De kaart in figuur 38) laat zien dat de kans op overstroming erg klein is.

44

Huidige vochtigheidstoestand Door de ontgronding zal het maaiveld plaatselijk met 35 cm dalen. De grondwaterstanden zullen een evenredige daling laten zien. Grondwaterstand

Huidig (cm-mv) Na ontgronding (cm-mv)

GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand)

70 - 85

35 - 50

GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand)

> 130

95 - 135

Figuur 39. Verwachte grondwaterstanden na ontgronding

Een mogelijkheid om de grondwaterstanden verder te verhogen is het langer vasthouden van de constante aanvoer van mineraalrijk kwelwater. Hiervoor worden regelbare stuwen geplaatst en zullen greppels worden gedempt. Verlaging van het maaiveld en het opstuwen van het grondwater kan in droge perioden echter ook een verdrogend effect hebben, omdat de bodem meer vocht verdampt als het grondwater zich minder diep ten opzichte van het maaiveld bevindt. Het waterschap de Dommel heeft geoordeeld dat dit effect minimaal is.

Voedselrijkdom Schrale soortenrijke graslanden hebben een zeer voedselarm karakter en er vindt geen bemesting plaats. De optimale voedselrijkdom bevindt zich rond mesotroof niveau. Vergrassing (met algemene, competitieve grassoorten), verruiging en doorgaans versnelde successie zijn het gevolg van een te hoge of toenemende voedselrijkdom. Uit de metingen op locatie 4 en 5 (zie figuur 54) blijkt de bodem na een ontgraving van 35 cm nog te voedselrijk zijn waardoor aanvullend verschralingsbeheer nodig is (zie ook tabel 4). Op advies van natuurmonumenten is besloten om te verschralen middels maaien en afvoeren en niet te kiezen voor een uitmijntraject. Tabel 4. De meest soortenrijke kruiden- en faunarijke graslanden komen voor bij een Olsen-P concentratie van 800- 1200 μmol/l, echter indien de concentraties labiele nutriënten (Pzout <1-2 μmol/l en nitraat <50-100 μmol/l) voldoende laag zijn kunnen kruiden- en faunarijke graslanden ook relatief soortenrijk zijn bij hogere Olsen-P concentraties.

Grondwaterstand

Geschatte concentratie

Streefwaarde

Ptotaal Olsen-P:

18 mmol/l

< 10 mmol/l

2600 µmol/l

800-1200 µmol/l

Pzout:

2 μmol/l

< 1-2 μmol/l

Nitraat:

44 μmol/l

< 50 μmol/l

Stikstof depositie De huidige achtergrond depositie voor stikstof (NOx + NH3) bedraagt 1526,60 mol/ jaar (Bron: https://calculator.aerius.nl). Voor 'N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland' bestaat er geen

45

kwaliteitsschaal voor de stikstof depositie. Om toch enigszins een idee te krijgen wat het gevolg is van deze stikstof depositie wordt gekeken naar de kwaliteitsbeoordeling voor natuurdoeltype N11.01 Droog schraalland. Bij deze waarden scoren de percelen “Midden” op de kwaliteitsschaal voor stikstofdepositie.

Figuur 40. Kwaliteitsschaal voor de beoordeling van de voedselrijkdom voor natuurdoeltype ‘N11.01 droog schraalland’. Bron: Bij12.

Een verhoogde stikstofdepositie heeft negatieve invloed op de bodem, vegetatie en uiteindelijk de fauna (zie figuur 41). De depositie kan niet door de opdrachtgever worden beïnvloed en wordt als een gegeven beschouwd. Omdat schrale graslanden zeer gevoelig tot gevoelig zijn voor stikstofdepositie zal snel na de ontgronding eenmalig worden bekalkt (2000 kg Dolokal/ha is een gangbare gift). Hierdoor zal de bodem minder gevoelig zijn voor verzuring. Na het plaggen kan namelijk ammoniumophoping ontstaan, wat de terugkeer van bedreigde soorten in de weg staat. Deze ammoniumophoping treedt direct na het plaggen op, duurt veelal 1,5 tot 2 jaar en is vastgesteld in zowel droge als in natte heischrale graslanden en heiden, vooral onder zure omstandigheden. Figuur 41. Schema van de negatieve effecten van verhoogde stikstofdepositie op fauna. De zwarte pijlen geven de indirecte effecten weer van stikstofdepositie via de vegetatie op diersoorten. De blauwe pijl betreft een direct effect van chemische verandering van wateren bodemkwaliteit op de fysiologie van diersoorten. Voor het overzicht zijn in dit artikel positieve effecten van stikstofdepositie en feedbackmechanismen bewust weggelaten. Bron: De Levende Natuur - jaargang 115 nummer 4

46

47

7.4.2. Ruimtelijke condities Tezamen met de omliggende percelen van het Brabants Landschap heeft de provincie de ambitie om hier 16,5 hectare natuur te ontwikkelen. Het geambieerde natuurdoeltype van de alle percelen inclusief die van het Brabants Landschap (zie ook figuur 1) is ‘N10.02 Vochtig Hooiland’. De hoeveelheid verbonden oppervlakte is daarom voldoende om de ruimtelijke condities als “hoog” te kwalificeren.

Figuur 42. Kwaliteitsschaal voor de beoordeling van de ruimtelijke condities voor natuurdoeltype ‘'N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland'. Bron: Bij12.

7.4.3. Structuur Binnen natuurdoeltype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland zijn grasachtigen dominant, maar kruiden en mossen hebben een oppervlakteaandeel van tenminste 20%. Variatie in structuur is belangrijk voor faunasoorten die in dit grasland voorkomen. Zo zorgt een afwisseling tussen korte en hoge vegetatie met plaatselijk ruigte en struweel voor verschil in microklimaat, hetgeen van belang is voor dagvlinders, andere insecten, reptielen, vogels en kleine zoogdieren. De kwalificerende structuurelementen zijn terug te vinden in figuur 43.

48

Figuur 43. Kwaliteitsschaal voor de beoordeling van de ruimtelijke condities voor natuurdoeltype ‘N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland’. Bron: Bij12.

Er is plaatselijk wat opgaand struweel maar de structuurrijkdom is momenteel vooral aan de zijde van het fietspad erg laag. Om de structuur te verbeteren omvat het inrichtingsplan ook een beplantingsplan (zie paragraaf 7.5) om aan deze zijde een zeer gevarieerde strook met struweel aan te leggen. Er zal hierdoor een mooie overgang van grasland naar hooggaande kruiden naar struweel en hoge bomen. Deze structuurrijke overgang zal zowel landschappelijk als ecologisch een meerwaarde bieden. Wel zal ervoor worden gezorgd dat er voldoende open ruimte behouden blijft om de recreatieve beleving van het beekdal vanaf het fietspad te behouden.

Figuur 44. De overgang van het perceel naar het Kentalis terrein kan als ‘hard' worden gekwalificeerd.

49

7.4.4. Flora en fauna De kwaliteit van de flora en fauna wordt uitgedrukt in het voorkomen van zogenaamde ‘kwalificerende flora- en faunasoorten’ uit de soortgroepen planten, dagvlinders, sprinkhanen en broedvogels. Tot de kwalificerende soorten kunnen ook 2 extra ‘Rode lijst’ soorten worden gerekend uit de soortgroepen vissen, reptielen, amfibieën, mossen, kranswieren en vaatplanten, dagvlinders, libellen, sprinkhanen, krekels en vogels. De status van de soort op de rode lijst moet dan wel bedreigd, ernstig bedreigd of verdwenen uit Nederland zijn. Er zijn momenteel geen kwalificerende soorten (zie figuur 45) op de percelen aangetroffen die zullen worden omgezet naar natuur. Daarmee scoort het perceel momenteel “Laag” op dit aspect.

Figuur 45. Kwalificerende flora- en faunasoorten voor natuurdoeltype ‘N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland’.

Door de inbreng van gebiedsvreemd maaisel uit een referentiegebied zullen veel kwalificerende plantensoorten in het gebied worden ingebracht. Als er een soortenrijke- en structuurrijke vegetatie ontstaat dan is het de verwachting dat ook het merendeel van kwalificerende vlindersoorten het perceel op eigen kracht zullen bereiken (tabel 5).

Tabel 5. Inschatting in hoeverre kwalificerende vlindersoorten het perceel op eigen kracht zullen bereiken

Soort

Verspreiding

Te verwachten

Argusvlinder (Lasiommata megera)

Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt. Het laatste decennium is deze soort sterk in aantal achteruitgegaan.

Waarschijnlijk

Bruin blauwtje (Aricia agestis)

Een vrij schaarse standvlinder die tegenwoordig vooral nog voorkomt in de duinen.

Waarschijnlijk

Bruine vuurvlinder (Lycaena tityrus)

Dit is een schaarse standvlinder die lokaal voorkomt op de Onwaarschijnlijk zandgronden van de Veluwe, Drenthe en delen van Twente. In Noord-Brabant is deze verdwenen. Het is een weinig mobiele vlinder en vestiging op het perceel is niet waarschijnlijk.

50

Bruin zandoogje (Maniola jurtina)

Het bruin zandoogje (Maniola jurtina) is een zeer algemene vlinder die zeker verwacht kan worden

Geelsprietdikkopje (Thymelicus sylvestris)

Geelsprietdikkopje is een bedreigde standvlinder die Onwaarschijnlijk vooral voorkomt in het oosten van het land. Het is een mobiele vlinder. Het verspreidingsgebied is de afgelopen eeuw langzaam maar gestaag kleiner geworden en sinds het begin van de vorige eeuw ongeveer gehalveerd. Omdat de soort zich in Nederland naar het oosten toe lijkt terug te trekken is het niet waarschijnlijk dat deze soort zich zal vestigen op het perceel. Het groot dikkopje is een mobiele soort die leeft in allerlei Waarschijnlijk beschutte, vrij vochtige graslanden en ruigten. Het is een algemene standvlinder en een mobiele soort die in staat is over grote afstanden te zwerven. Het zwartsprietdikkopje is een algemene standvlinder die Zeker vrijwel overal voorkomt en zeer mobiel is.

Groot dikkopje (Ochlodes sylvanus)

Zwartsprietdikkopje

Zeker

Hooibeestje (Coenonympha pamphilus)

Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt en in staat is snel nieuw geschikt leefgebied te koloniseren.

Waarschijnlijk

Kleine parelmoervlinder

De zeer mobiele kleine parelmoervlinder is een echte Waarschijnlijk duinsoort, maar wordt ook steeds vaker in het binnenland aangetroffen. Ook binnen de gemeente SintMichielsgestel zijn veel waarnemingen gedaan.

7.4.5. Monitoring De opdrachtgever dient de ontwikkeling van de kwaliteit aan de hand van abiotische en biotische parameters eens in de 6 jaar te monitoren. Op basis van monitoring kan inzicht worden verkregen in de kwalitatieve ontwikkeling van het natuurbeheertype. Dit kan aanleiding zijn om het beheer eventueel in de tijd aan te passen om te zorgen dat natuurdoelen alsnog worden bereikt of behouden.

51

8. Bestemmingsplan Gemeenten leggen in bestemmingsplannen vast op welke wijze de ruimte binnen de gemeente mag worden gebruikt en aan welke regels mensen zich moeten houden. In het Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Michielsgestel (NL.IMRO.0845.BP2010BGSMG00M100-OH01) dat is onherroepelijk vastgesteld op 25 januari 2013 zijn de bestemmingen van de percelen geraadpleegd. Sinds het vaststellingsmoment zijn er meerdere actualisaties geweest van het bestemmingplan zonder gevolgen voor de bestemmingen of aanduidingen voor het plangebied.

Met de ‘bestemming’ wordt een functie vastlegt welke die op een locatie zijn toegestaan. De volgende bestemmingen zijn van toepassing op het perceel. • • • •

Artikel 6 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden Artikel 31 Waarde - Archeologie 4 (dubbelbestemming) Artikel 33 Waarde - Natte natuur (dubbelbestemming) Artikel 34 Waterstaat - Waterbergingsgebied (dubbelbestemming)

Bij het veranderen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden’ naar ‘Natuur’ zal artikel 14 Natuur van toepassing worden. Daarom wordt artikel 6 niet verder toegelicht.

52

53

‘Aanduidingen’ worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. De volgende aanduidingen zijn van toepassing op het perceel. • • • • •

Beekdal Beschermingsgebied natte natuurparel Historisch landschappelijk gebied Leefgebied van dassen Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied

De regels rond het bestemmingsplan van Sint-Michielsgestel zijn te raadplegen op de volgende locatie: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0845.BP2010BGSMG00M100OH01/r_NL.IMRO.0845.BP2010BGSMG00M100-OH01_index.html In de volgende paragrafen wordt kort ingegaan op de verschillende bestemmingen en aanduidingen met de voor de natuurontwikkeling toepasselijke regels.

Bestemming ‘Natuur’ Bij het veranderen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden’ naar ‘Natuur’ wordt artikel 14 Natuur van toepassing. De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn specifiek bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuurwaarde en/of ecologische waarde. De waarden worden beschreven bij het beoogde natuurdoeltype. Bij de inrichting tot natuur moet rekening worden gehouden met het behouden, herstellen en ontwikkelen van de waarden van de overige bestemmingen en aanduidingen. Deze worden in de volgende paragrafen behandeld. Ook dient er bij deze omzetting rekening te worden gehouden met landschappelijke waarden. Dit zijn bijzondere landschappelijke kenmerken van het gebied in de zin van aantrekkelijkheid, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang.

Bestemming ‘Waarde - Natte natuur’ Bij de voor ‘Natte natuur’ aangewezen gronden moet er aandacht zijn voor het behoud en de versterking van de aanwezige specifieke bodemopbouw en specifieke waarden, de voorkomende natuurwaarden en ecologische waarden. Daar sluit de nieuwe ontwikkeling geheel op aan.

54

Bestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ Het plangebied heeft een indicatie ‘zeer hoge archeologische waarde’ (Archeologie 4). Het terrein heeft met name een hoge verwachting voor de periode Neolithicum (ca. 11.000 v.Chr.) tot de Middeleeuwen (1500 n. Chr.) Het begrip ‘archeologische waarde’ is de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden. Het begrip ‘archeologische verwachtingswaarde’ is de aan een gebied toegekende waarden, welke kunnen bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, welke als zodanig van wetenschappelijk belang kunnen zijn en het cultuurhistorisch erfgoed kunnen vertegenwoordigen.

Figuur 46. Indicatieve kaart archeologische waarden

Concreet betekent dit dat de opdrachtgever verplicht is op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden te beschermen en te behouden. Uitzonderingen hierop zijn beschreven in artikel 31.4 behorend bij het Bestemmingsplan. Voor ingrepen die gelijk of groter zijn dan 100 m² en dieper dan 0,5 meter hoeft geen Omgevingsvergunning worden aangevraagd. In de praktijk wordt dit criterium vaak geïnterpreteerd in kubieke meters en kan tot 50 m3 worden afgraven ongeacht de diepte. De opdrachtgever heeft aan de gemeente gevraagd of van artikel 34.1 hiervan kan worden afgeweken. De reden hiervoor is dat slechts een deel van de bouwvoor wordt afgegraven en het de kans klein is dat archeologische waarden zullen worden beschadigd of vernietigd. Door (mechanische) grondbewerking in het verleden is deze bodem op alle bodemmonsterlocaties geroerd tot minimaal 50 cm beneden maaiveld en zijn eventuele archeologische waarden al vernietigd, beschadigd of op andere plekken in de bodem beland dan de oorspronkelijke plek waardoor eventuele sporen moeilijk zijn toe te wijzen aan een specifieke periode. Het is de verwachting dat eventuele archeologische waarden zich dieper in de bodem bevinden.

55

De gemeente heeft aangegeven dat voor deze specifieke ontgronding geen archeologisch vooronderzoek hoeft te worden uitgevoerd zolang er niet dieper dan 50 cm wordt afgegraven. Als voorwaarde voor deze toestemming is het wel vereist dat de plaatselijke heemkundevereniging toezicht houdt tijdens de ontgraving om te controleren of er daadwerkelijk geen archeologische waarden worden aangetroffen.

Bestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ De voor ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ aangewezen gronden zijn mede bestemd als inundatiegebied en voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende waterberging. Door de ontgronding zal het waterbergend vermogen aanzienlijk toenemen.

Figuur 47.Beschermde gebieden. Bron: Waterschap de Dommel

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een Omgevingsvergunning gronden op te hogen en kaden aan te brengen en te wijzigen. Het bouwperceel dat wordt opgehoogd ten behoeve van de realisatie van een woning valt echter net buiten het beschermd gebied waterhuishouding en het waterbergingsgebied.

Figuur 48. Overstromingsrisico's. Het waterschap De Dommel berekent, met behulp van overstromingsmodellen, de kans op overstroming van beken en sloten die zij zelf in beheer hebben. Hierbij is te zien dat ook het perceel waar de woning op wordt gerealiseerd niet zal overstromen.

56

Aanduiding ‘Beekdal’ Het plangebied heeft de aanduiding 'Beekdal'. Hiermee wordt de landschappelijke begrenzing van een beekdal bedoeld waarbinnen ontwikkelingen met betrekking tot het watersysteem, de natuur, het landschap en extensieve recreatievormen plaatsvinden. De beekdalen bevatten ook de kwelgebieden in de AHS (agrarische hoofdstructuur) die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheergebied van het waterschap gerekend kunnen worden. Bij ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de waarden van het beekdalsysteem en deze dienen te worden behouden, hersteld of ontwikkeld. Het valt echter uit te sluiten dat de geplande omvorming een negatief effect zal hebben op het beekdal aangezien de voorgenomen inrichtingsmaatregelen erop zijn gericht het beekdal te versterken.

Aanduiding ‘Beschermingsgebied natte natuurparel’ Natte natuurparels zijn de waterafhankelijke delen van het NNB (Natuur Netwerk Brabant) die behoren tot een samenhangend complex van natuurgebieden die sterk afhankelijk zijn van hoge grondwaterstanden of kwel. Er is een beschermingszone van gemiddeld 500 meter rondom de "natte natuurparels" welke is bedoeld om te voorkomen dat de natte natuurparels verder verdrogen en het behoud van de aanwezige specifieke bodemopbouw en specifieke hydrologische karakteristieken te waarborgen. Het plangebied valt binnen het beschermingsgebied van de natte natuurparel De Dommel. De inrichtingsmaatregelen zijn erop gericht om het gebied te vernatten. Echter, verlaging van het maaiveld kan ook in sommige situaties een verdrogend effect hebben. Volgens de toets van het Waterschap De Dommel zal dat hier echter niet aan de orde zijn.

Aanduiding ‘Historisch landschappelijk gebied’ Het plangebied is aangeduid als ‘Historisch landschappelijk gebied’. Dit houdt in dat men rekening dient te houden met het historische occupatiepatroon en ruimtelijke aspecten van het occupatiepatroon moet behouden en herstellen. Vaak zijn deze cultuurhistorische waarden verbonden met de abiotische waarden (bodemtypologie, geomorfologie en watersysteem). Er dient nadrukkelijk aandacht te zijn voor het bestaande occupatiepatroon: •

Bij vergraven van het perceel dient het bestaande occupatiepatroon zoveel mogelijk te worden gerespecteerd.

•

Een beeldkwaliteitsplan moet in deze situaties duidelijk maken hoe de cultuurhistorische waarden worden behouden en waar mogelijk versterkt. De mogelijkheid om aan de genoemde randvoorwaarde te voldoen verschilt per type gebied.

57

Figuur 49. Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: https://www.brabant.nl/dossiers/dossiers-op-thema/cultuur/erfgoeden-monumenten/cultuurhistorische-waarden-in-Brabant

Kijkend naar de historische kaarten zijn er geen duidelijke karakteristieke occupatiepatronen rond het perceel. De huidige patronen (verkaveling en slotenpatroon) blijven na de ingreep nog steeds zichtbaar in het landschap. Volgens de cultuurhistorische waardenkaart (zie figuur 49) behoort het landschap tot Het Groene Woud. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige Middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen, buitenplaatsen en watermolens. Van belang is het behoud van de kleinschalige karakteristieken. Er worden speciale eisen gesteld aan de uitbreidingen van dorpskernen en economische dragers worden afgestemd op de cultuurhistorische identiteit van Het Groene Woud. Er is extra aandacht voor het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving. Hier zal de ontwikkeling van een soortenrijk grasland in het beekdal zeker aan bijdragen.

Aanduiding ‘Leefgebied van dassen’ Het gebied is gekenmerkt als ‘Leefgebied van dassen’ Met een wildcamera is vastgesteld dat dassen daadwerkelijk gebruik maken van het perceel als foerageergebied. De handhaving van bestaansvoorwaarden van de das dienen daarom te zijn gewaarborgd. Dit betekent dat burchten met rust worden gelaten, de dassen kunnen foerageren en er voldoende landschappelijke structuren als houtwallen, begroeide slootkanten, vochtige graslanden en dergelijke aanwezig zijn.

58

Op het perceel zelf is geen burcht aangetroffen. Mogelijk dat direct naast het perceel een (bij)burcht aanwezig is in een deel met dicht braamstruweel. Herinrichting van het perceel zal de functie van het perceel als foerageergebied tijdelijk als gevolg van de inrichtingsmaatregelen. Echter, gezien de grote oppervlakte aan geschikt foerageergebied in de directe omgeving is het uit te sluiten dat het plangebied een essentieel leefgebied vormt. De inrichting zal dus geen tijdelijke negatieve effecten hebben. Bij de herinrichting is de opdrachtgever voornemens om het leefgebied voor de das te verbeteren. Langs de waterloop aan de noord- en westzijde, als langs het fietspad in biedt struweel mogelijkheden voor dekking en zorgen ervoor dat ze zich veilig door het landschap kunnen verplaatsen. Hiervan zullen ook andere soorten profiteren zoals bijvoorbeeld ook kleine marterachtigen. Daarnaast zal er met een deel van de vrijgekomen grond een verhoging in het landschap worden gemaakt die gebruikt zou kunnen worden om een bijburcht te bouwen. Door het vernatten van de percelen is het ook de verwachting dat de hoeveelheid regenwormen zal toenemen in de bovenste laag en dan met name in het perceel dat een agrarische blijft houden. Hierdoor zal over het geheel gezien de voedselsituatie minimaal gelijk blijven.

Figuur 50. Das waargenomen op perceel 366

Aanduiding ‘Reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ Het extensiveringsgebied is het ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. Deze aanduiding is niet van toepassing op de geplande activiteiten van de opdrachtgever en zal dus niet verder worden toegelicht.

59

9. Flora en fauna en toetsing aan de Wet natuurbescherming.

Omdat bij de realisatie van nieuwe natuur op voorhand niet kan worden uitgesloten dat er schadelijke effecten zijn te verwachten op beschermde dier- en plantensoorten of beschermde natuurgebieden is het, ook in het geval van natuurontwikkeling, noodzakelijk hier ecologisch onderzoek naar te laten verrichten. Volgens de Wet natuurbescherming mogen handelingen binnen een initiatief namelijk: •

geen negatief effect hebben op soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd, anders is een vergunning nodig; en

•

niet leiden tot het overtreden van de verbodsbepalingen van beschermde dier- en plantensoorten, anders is een ontheffing nodig.

Een oriënterend ecologisch onderzoek (quickscan) is meestal voldoende om vast te stellen wat de schadelijke effecten van de handeling op de beschermde natuurwaarden zijn en welke maatregelen mogelijk en nodig zijn om die effecten te voorkomen.

Soortbescherming Wet natuurbescherming Op basis van meerdere veldbezoeken, de aangetroffen aanwezige habitats en de actuele verspreidingsgegevens van soorten is de (potentieel) aanwezige flora en fauna in kaart gebracht. Daarbij is ook gelet op de functies die bepaalde delen van het terrein (kunnen) vervullen voor soorten. Hierbij valt te denken aan vaste rust-, voortplantings- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van checklijsten waarmee de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten en functies van het plangebied worden ingeschat. Daarnaast is beoordeeld of de voorgenomen inrichtingsmaatregelen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

9.1.1. Zoogdieren De percelen vormen voor een aantal soorten een geschikt terrein om te foerageren en te verblijven. De vele muizenholen en molshopen tonen aan dat het een aantrekkelijk terrein is voor muizen en mollen. Duidelijke dassenwissels in het weiland tonen de aanwezigheid van dassen aan. Er is enkele weken een wildcamera geplaatst waarmee getracht is ook de aanwezigheid van kleine marterachtigen aan te tonen, maar deze lieten zich niet zien. De wildcamera registreerde dat das, vos, konijn en haas gebruik maken van het perceel. Van de vos zijn ook uitwerpselen gevonden. In tabel 6 op de volgende pagina is een overzicht te vinden van de aanwezige en mogelijk aanwezige zoogdieren.

60

61

Tabel 6. Indicatie van aanwezigheid of mogelijke aanwezigheid van zoogdieren op de percelen van de familie . De met een asterisk (*) gemarkeerde soorten zijn wettelijk beschermd. De overige soorten zijn ‘vrijgestelde’ soorten volgens de WNB (art 3.20, 3.26, 3.30 of de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant (artikel 2.2 en bijlage 3). Soorten

Status

Functie

Opmerking

Das *

Aanwezig

Foerageergebied

Zie paragraaf 8.8 voor meer achtergrondinformatie

Vos

Aanwezig

Foerageergebied

Vrijgesteld

Mol

Aanwezig

Vrijgesteld

Bruine rat, veldmuis

Aanwezig

Konijn, haas

Aanwezig

Ree

Zeer waarschijnlijk Zeer waarschijnlijk

Vaste rust en verblijfplaats en Foerageergebied Vaste rust en verblijfplaats en Foerageergebied Vaste rust en verblijfplaats en Foerageergebied Foerageergebied

Aardmuis, Bosmuis, Dwergmuis, Gewone bosspitsmuis, Huisspitsmuis, Ondergrondse woelmuis, Tweekleurige bosspitsmuis, Veldmuis. Rosse woelmuis, zwarte rat

Vaste rust en verblijfplaats en Foerageergebied

Waarschijnlijk afwezig

Vrijgesteld

Vrijgesteld

Vrijgesteld Vrijgesteld

De rosse woelmuis leeft bij voorkeur in loof- en gemengd bos

Vleermuizen (algemeen) *

Aanwezig

Foerageergebied

Wezel, hermelijn, bunzing *

Foerageergebied

Steenmarter, boommarter *

Mogelijk aanwezig Afwezig

Otter en bever *

Afwezig

Bever wel in directe omgeving (De Dommel) aanwezig

Eekhoorn

Afwezig

Eekhoorn wel in directe omgeving (Kentalisterrein) aanwezig

Egel

Mogelijk

Vaste rust en verblijfplaats en Foerageergebied

Gebied bevat geen mogelijke verblijfplaatsen (bomen en of gebouwen) of essentiële vliegroutes. Een essentiële vliegroute bevindt zich wel direct naast het fietspad De Bleeke op het Kentalis terrein

Vrijgesteld

62

63

De volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen in en rondom het gebied: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, franjestaart en watervleermuis. Aangezien er zich geen bomen of gebouwen op het terrein bevinden, is het uitgesloten dat verblijfplaatsen of essentiële vliegroutes kunnen worden aangetast door inrichtings- of beheermaatregelen. Als bij de omvorming van het perceel tijdelijk een lager aanbod aan insecten is, dan is er nog ruim voldoende geschikt foerageerhabitat aanwezig in de directe omgeving.

9.1.2. Vogels Het terrein is zeer frequent bezocht en ligt op een vaste fietsroute van de onderzoeker. Hierdoor is een zeer goed beeld ontstaan van de aanwezige (broed)vogels. Weidevogels zijn ondanks een grote oppervlakte aan grasland geheel afwezig. Ook in de naastgelegen percelen zijn geen weidevogels geconstateerd. Akkervogels ontbreken ook geheel. Spotvogel, grasmus, winterkoning en roodborsttapuit broeden in het struweel dat net naast perceel 366 ligt. In het struweel dat zich bevindt rond de toekomstige woning broedt een zwartkop. Verder wordt het perceel regelmatig bezocht door algemene vogels uit de directe omgeving als pimpelmees, vink, merel, zanglijster, zwarte kraai, kauw, roek, boerenzwaluw en houtduif. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aanwezig in of direct rondom de percelen. Tabel 7. Functie van het perceel voor verschillende vogelgroepen.

Soortgroep

Status

Functie

Weide- en akkervogels

Afwezig

Foerageer en voortplantingsgebied

Struweelvogels

Aanwezig

Foerageer en voortplantingsgebied

Opmerking

Zwartkop (Sylvia atricapilla) Spotvogel (Hippolais icterina) Winterkoning (Troglodytes troglodytes) Grasmus (Sylvia communis) Roodborsttapuit (Saxicola torquata)

Roofvogels

Aanwezig

Foerageergebied

Buizerd (Buteo buteo) en torenvalk (Falco tinnunculus) foerageren met name in de naastgelegen percelen van het Brabants landschap. Uilen zijn niet waargenomen maar het is te verwachten dat soorten als kerkuil (Tyto alba) en ransuil (Asio otus) ook kunnen foerageren op de percelen vanwege de aanwezigheid van muizen.

64

9.1.3. Flora Het gebied is een aantal maal in de maanden april en mei geïnventariseerd op planten. Hierbij zijn twee verschillende methoden gehanteerd. Voor het perceel met de bestemming ‘wonen’ en het gedeelte van het perceel dat de bestemming ‘agrarisch’ blijft houden is onderzocht welke plantensoorten daar voorkomen. In het perceel dat wordt omgevormd tot natuur is op 15 mei 2019 een aantal vegetatieopnames gemaakt. Hierbij zijn plots uitzet van 16m2 en is volgens de Braun-Blanquet methode een vegetatieopname gemaakt. De reden hiervoor was dat op basis van deze opnames in het programma Synbiosis een abiotische analyse kon worden gemaakt. Hierbij kon een indicatie worden gegeven van een aantal ecologische parameters zoals voedselrijkdom, zuurgraad en vocht toestand. De uitkomsten hiervan waren reden om via bodemchemisch onderzoek een veel nauwkeurigere indicatie te verkrijgen van deze parameters. Omdat de resultaten uit het bodemchemisch onderzoek veel nauwkeuriger zijn, wordt de abiotische analyse van de vegetatieopname achterwege gelaten. Er zijn in beide percelen geen rode lijst of beschermde plantensoorten aangetroffen. Een volledige lijst met aangetroffen plantensoorten is te vinden in bijlage 15.3.

9.1.4. Vissen, amfibieën en zoetwaterweekdieren Omdat de watergangen door de droogte in 2018 en 2019 bijna het gehele jaar droog stonden en doordat de watergangen geheel waren dichtgegroeid, waren de omstandigheden om te inventariseren slecht. Beschermde amfibieën, vissen en zoetwaterweekdieren zijn niet waargenomen. Wel is het zeer aannemelijk dat algemeen voorkomende amfibieën als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander aanwezig zullen zijn in en rond de watergangen.

9.1.5. Reptielen Reptielen ontbreken geheel binnen de gemeente Sint-Michielsgestel en zijn op basis van lokale verspreiding, ecologie en ecotopen niet te verwachten in het perceel of de watergangen.

9.1.6. Libellen en dagvlinders Beschermde libellen en dagvlinders zijn op basis van lokale verspreiding, ecologie en ecotopen niet te verwachten in het perceel of de watergangen.

9.1.7. Overige insecten en landweekdieren Beschermde soorten uit overige insectensoortgroepen zoals kevers en landweekdieren zijn niet waargenomen en op basis van lokale verspreiding, ecologie en ecotopen ook niet te verwachten in het perceel of de watergangen.

65

66

Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Dit gebied ligt hemelsbreed op 3,4 kilometer van de planlocatie. ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ ligt op 8,1 kilometer en de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op 8,8 kilometer. Er is geoordeeld door het waterschap dat de ingreep geen verdrogend effect heeft op de directe omgeving. Negatieve effecten op de doestellingen van deze Natura 2000-gebieden zijn daarom uitgesloten.

Figuur 51. Ligging van natura 2000 gebieden ten opzichte van het plangebied.

Naam Natura 2000-gebied

Afstand vanaf plangebied in kilometers

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Kampina & Oisterwijkse Vennen

3,4

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

8,8

8,1

67

68

Effecten van de ingreep en toetsing aan de Wet natuurbescherming De ingreep van het perceel betreft een ontgronding van 35 cm. Hierbij zal met zwaar materieel grond worden verwijderd en afgevoerd. Een deel van de grond zal weer worden opgebracht op het woonperceel. Dieren die een verblijfplaats hebben in deze grond of dieren die leven direct grenzend aan de ingreep zullen hiervan negatieve effecten ondervinden.

9.3.1. Effecten op de flora en fauna. Vaatplanten en mossen De gesloten grasmat zal geheel worden verwijderd. Op het deel van het perceel dat tot 35 cm wordt afgegraven zal ook de oevervegetatie worden afgegraven. Hierdoor zal het V-profiel veranderen in een meer natuurlijke oever. De sloten zelf blijven ongemoeid. Er zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen op of rond het perceel. Een overtreding van de Wet natuurbescherming is daarom uitgesloten. Vogels Werkzaamheden die worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot verstoring van broedgevallen van vogels in het struweel in of direct naast de percelen. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli maar er zijn soorten die buiten deze periode broeden. Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen activiteiten tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen zal uitvoering buiten het broedseizoen noodzakelijk zijn. Amfibieën Er zullen geen werkzaamheden plaatsvinden in de sloten. Negatieve effecten op dieren die in de sloten leven zijn daarmee uitgesloten.

Wel kunnen er negatieve effecten optreden voor amfibieën die zich begeven of hebben ingegraven in de slootkanten die ook zullen worden verlaagd. De te verwachten soorten (bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker) zijn echter landelijk of provinciaal vrijgestelde soorten, dus van een overtreding van de Wet natuurbescherming is geen sprake. Wel is de zorgplicht van toepassing. Hierdoor is de opdrachtgever verplicht om negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken. Dit kan bijvoorbeeld door voorafgaand aan de werkzaamheden de slootkanten te controleren op de aanwezigheid van amfibieën. Dieren die niet in staat zijn om te vluchten kunnen worden gevangen en worden overgezet naar de andere zijde van de sloot of een aangrenzende sloot.

69

Zoogdieren De ontgronding zal verblijfplaatsen vernietigen van zoogdieren die (deels) onder de grond leven en er bestaat een grote kans dat dieren hierbij worden gedood of verwond. Dit zijn diverse muizensoorten, mol en eventueel konijn. Al deze soorten zijn echter landelijk of provinciaal vrijgestelde soorten, dus van een overtreding van de Wet natuurbescherming is geen sprake. Wel is de zorgplicht van toepassing. Hierdoor is de opdrachtgever verplicht om negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken. Dit kan door bij de graafwerkzaamheden één kant op te werken zodat soorten de gelegenheid krijgen om te vluchten. Ook kunnen mollen die worden aangetroffen worden overgezet naar naburige percelen. Dassen zien een deel van hun foerageergebied (tijdelijk) verdwijnen. Het zal enige tijd duren voordat het bodemleven is hersteld. De totale biomassa zal hoogstwaarschijnlijk lager liggen dan voorheen omdat de bodem veel minder voedselrijk is. Er is echter geen sprake van het verlies van essentieel foerageergebied. In de directe omgeving blijft meer dan genoeg geschikt foerageerhabitat voor dassen over. Wellicht dat door het vernatten van de percelen de beschikbaarheid en bereikbaarheid van prooidieren als wormen in delen zullen verbeteren.

Figuur 52. Een deel van de verruigde oever zal worden afgegraven. Hierdoor ontstaat aan deze zijde een meer natuurlijke oever. Na de inrichting zal hier door natuurlijke successie op een aantal plaatsen ruimte komen voor struweel.

Vissen, insecten, land- en zoetwaterweekdieren

Er zullen geen werkzaamheden plaatsvinden in de sloten. Negatieve effecten op dieren die in de sloten leven (vissen, zoetwaterweekdieren, libellen en juffers) zijn daarmee uitgesloten. Overige beschermde insecten en landweekdieren zijn niet aangetroffen en daarmee zijn negatieve effecten ook uitgesloten.

70

10.

Subsidies en vergunningen

In dit hoofdstuk worden kort de subsidiemogelijkheden beschreven die kunnen worden aangevraagd voor de omvorming van het perceel naar natuur en het daaropvolgende natuurbeheer. Omdat opdrachtgever bij de inrichting van het perceel de intentie heeft om meerdere ingrepen uit te voeren die vergunningsplichtig zijn, wordt daarnaast aangegeven welke vergunningen moeten worden aangevraagd. De kosten voor deze vergunningen komen in hoofdstuk 12 aan bod.

Subsidie voor functiewijziging agrarisch naar natuur Subsidie wordt verleend voor de functiewijziging van agrarische grond binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB, voorheen EHS) naar natuur. De subsidie compenseert de waardedaling wanneer landbouwgrond wordt omzet naar natuur. Via een kwalitatieve verplichting (KV) (Notariële akte) wordt geborgd dat inrichting en gebruik van de percelen blijvend wordt aangepast met het oog op de doelstellingen van het NNB. De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld, nadat de kwalitatieve verplichting is ingeschreven in de openbare registers. Het perceel M 366 is geheel gelegen binnen het Rijks Natuurnetwerk en derhalve bedraagt de subsidie voor functiewijziging naar natuur 85% van de getaxeerde waarde. Er wordt vanuit gegaan dat het perceel de resterende 15% van de waarde houdt na omzetting naar natuur.

Inrichtingssubsidie Tegelijkertijd met de aanvraag voor functiewijziging wordt een aanvraag gedaan voor subsidie voor inrichting van het perceel. Inrichting vindt plaats overeenkomstig het natuurbeheertype op de ambitiekaart van het provinciaal Natuurbeheerplan. Het GOB verleent een subsidie op basis van de normkosten voor inrichting zoals opgenomen in bijlage 3 van het Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant. De subsidie voor inrichting bedraagt 50% van de normkosten. Tabel 8 geeft een indicatie van de subsidiehoogte voor de percelen die worden omgezet in natuur (2,6 hectare). Het subsidiebedrag is afhankelijk van het uiteindelijke natuurdoeltype. In paragraaf 6.1 heeft de opdrachtgever aangegeven te verzoeken om af te wijken van het beoogde natuurdoeltype ‘N10.02 Vochtig hooiland’ en in plaats daarvan natuurdoeltype 'N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland' te realiseren. Tabel 8. Bijlage 2 Inrichtingskosten inclusief BTW per hectare per natuurbeheertype Bron: Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant

Beheertype

Oppervlakte Subsidietarief/ha (100%)

'N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland'

2,6 ha

€ 5.582 -

Subsidietarief/ 2,6 ha (100%) € 14.153 -

Subsidietarief/ 2,6 ha (100%) 7.256

71

Ongeacht de hoogte van de daadwerkelijke kosten, wordt de subsidie op basis van de normbedragen vastgesteld. Dit betekent dat de subsidie niet lager wordt vastgesteld als de werkelijk gemaakte kosten lager zijn dan de hierboven aangegeven normkosten. De opdrachtgever moet op verzoek wel een administratie kunnen overleggen van de werkelijk gemaakte kosten. Het Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant geeft geen beperking aan de kosten die de opdrachtgever mag opvoeren ten behoeve van de inrichting. Zowel fysieke inrichtingskosten als planvormings- en onderzoekskosten kunnen daarom worden opgevoerd.

Subsidie voor het beheer Voor natuurbeheerders geldt een algemene beheerverplichting. Dit betekent dat de beheerder het beheertype in stand moet houden. De manier waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. De jaarvergoeding voor het begrotingsjaar 2020 natuurbeheertype ‘'N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland' is weergegeven in tabel 9. Tabel 9. Jaarvergoeding voor het begrotingsjaar 2019 voor verschillende natuurbeheertypen voor beheer en monitoring. De vergoeding kan jaarlijks wijzigen en bedraagt 75% van de standaardkostprijs. Bron: Bij12.

Beheertype

Oppervlakte

N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland

2,6 ha

Subsidietarief/ha

€ 291,82

Subsidietarief monitoring/ha

Totale subsidie / 2,6 ha €5,17

€ 487,66

Voor de periode na inrichting van de nieuwe natuur is het onderdeel natuurbeheer geen onderdeel van de subsidiering van het GOB. Het beheer is namelijk door de provincie Noord-Brabant ondergebracht bij RVO.nl. Vanaf 1 januari 2017 moet iedere natuurbeheerder gecertificeerd zijn vóór de subsidieaanvraag natuurbeheer van het SNL (Subsidiestelsel Natuur en Landschap). Om voor SNL-subsidie in aanmerking te komen gelden bepaalde eisen. Hierdoor zijn particulieren genoodzaakt zich aan te sluiten bij een collectief. De opdrachtgever zal zich daarom aansluiten bij het ‘Natuurcollectief Brabant’ (http://www.natuurcollectieven.nl/natuurcollectief-brabant). Het Natuurcollectief Brabant verzorgt voor de deelnemers aan het collectief de aanvraag en afhandeling van de beheervergoeding. Zij werken nauw samen met Part-Ner (http://part-ner.nl). Het collectief dient voor haar deelnemers ook wijzigingsverzoeken in van de natuurbeheerplankaart.

72

Tabel 10. Schatting kosten lidmaatschap Tarieven Part-Ner 2020 en Natuurcollectief Noord-Brabant (NCB) en de bijkomende kosten voor het uitbesteden van de SNL-subsidie aanvraag. De werkelijke kosten zijn gebaseerd op de hoogte van de uiteindelijke beschikking en niet het aangevraagde subsidiebedrag zoals bij de bosgroepen.

Jaarlijkse deelnemer bijdrage Part-Ner: 2,5% van beheersubsidie (per 6 jaar)

Subsidie per 2,6 ha / jaar

Subsidie per 2,6 ha / 6 jaar

Totaal

€ 487,66

€ 2.995,94

€ 73,15

€ 487,66

€ 2.995,94

€ 87,78

(Minimum bijdrage € 90,75)

NCB 3 % van beheersubsidie (per 6 jaar) (Minimum bijdrage € 50)

Totale kosten per jaar

€ 178,53

Aanvraag certificaat via Part-Ner. (Bijdrage eerste jaar)

€ 151,25

Omgevingsvergunning Voor het afgraven en ophogen van percelen is een Omgevingsvergunning noodzakelijk indien de volgende bestemmingen of aanduidingen gelden: • • • • •

Archeologische waarde Beschermingsgebied natte natuurparel Beekdal Leefgebied van dassen Waterstaat – Waterbergingsgebied

In de aanvraag van de Omgevingsvergunning dienen de geplande inrichtingsmaatregelen dus ook te worden opgenomen, omdat de bovenvermelde bestemmingen en aanduidingen van toepassing zijn op het plangebied.

73

Aanlegvergunning. In het een bestemmingsplan van Sint-Michielsgestel is ook het aanlegvergunningenstelstel opgenomen. Hierin is bepaald dat het verboden is binnen een (bij het plan aan te geven) gebied bepaalde werkzaamheden uit te voeren zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders. Het betreft onder andere de volgende werkzaamheden die invloed hebben op de bodem: • • • •

Afgraven (verlagen) Ophogen Aanbrengen van stuwen Aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten en greppels

Al deze activiteiten zullen tijdens het inrichtingsproces worden uitgevoerd. Een aanlegvergunning zal daarom moeten worden aangevraagd.

Ontgrondingsvergunning Iedereen die de bodem gaat afgraven voor bijvoorbeeld de aanleg van een vijver of de winning van zand, klei of grind voor de bouw heeft een ontgrondingsvergunning nodig. Ontgronding betekent dat men de bodem afgraaft en daardoor verlaagt. Dit geldt voor land (het maaiveld) en de waterbodem. Een ontgrondingsvergunning moet bij de Provincie Noord-Brabant digitaal worden aangevraagd op de volgende locatie: https://www.brabant.nl/applicaties/producten/ontgrondingsvergunning_5899. Om een ontgrondingvergunning te verkrijgen moet aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan en moet de relevante informatie voor de beoordeling tijdig zijn verstrekt. De Provincie Noord-Brabant neemt binnen 26 weken een besluit over de aanvraag, waarna eventueel binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt tegen de beslissing.

Watervergunning Het inrichtingsplan omvat verschillende ingrepen waarvoor een watervergunning aangevraagd moet worden. De volgende maatregelen zijn vergunningsplichtig op grond van de Keur: -

Dempen van de B-watergangen OWL20459, OWL20460 en OWL20462. Aanleggen van een natuurvriendelijke oever langs een B-watergang binnen ‘Beschermd gebied waterhuishouding’.

Voor het plaatsen van stuwen in B-watergangen geldt op grond van de Algemene regels behorende bij de Keur een vrijstelling van de vergunningplicht (zie artikel 9 van de Algemene regels voor de geldende voorschriften).

74

11. Planning De gehele inrichting zal ongeveer 1,5 jaar in beslag nemen. Het vergunningsverlenings- en bestemmingsplantraject is reeds gestart en het is de verwachting dat dit voor het einde van 2020 is afgerond. Er is rekening gehouden met een eventuele uitloop naar juli 2021.

Activiteit

Jan

Feb Maa

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug Sep

Okt

Nov Dec

2020 Teelt wintergerst Vergunningverlenings- en bestemmingsplantrajecten 2021 Teelt wintergerst Vergunningverlenings- en bestemmingsplantrajecten Maaien/frezen vals zaaibed Ontgronding en dempen greppels Eenmalig bekalken (2000 kg Dolokal/ha) Opbrengen maaisel uit referentiegebied Poten beplantingsmateriaal Plaatsen stuwen

Figuur 53. Globale tijdsplanning.

75

12. Financiën In tabel 11 is de begroting van het project opgenomen.

Tabel 11. Begroting ontwikkeling nieuwe natuur

Inrichting Kostenelement

Bedrag (€)

BTW

Bedrag incl. BTW

Ecologische onderzoek + aanvraag GOB

900

189

1.089

Bodemchemisch onderzoek B-ware en uitmijnadvies Louis Bolk instituut

3.071

645

3.716

3.971

834

4.805

Onderzoekskosten

Subtotaal Vergunningen Ontgrondingsvergunning Aanlegvergunning Subtotaal

3.553

3.553

186

186

3.739

3.739

Inrichtingskosten Tussenteelt van wintergerst

1.100

231

1.331

Graafwerkzaamheden

5.289

1.111

6.400

0

0

0

Beplantingsmateriaal

720

151

871

Beplanten perceel

600

126

726

Dolokal 5% MgO poeder 2000 kg (eenmalig)

328

69

397

Dolokal opbrengen (eenmalig)

275

58

333

Opbrengen gebiedsvreemd maaisel

840

176

1.016

9.152

1.922

11.074

16.862

2.756

19.618

Aanbrengen stuwen (gratis)

Subtotaal Totale inrichtingskosten Totaal aangevraagd subsidiebedrag GOB

7.257

Eigen bijdrage van de aanvrager

12.361

Door de forse ontgronding en de onderzoekskosten zal de inrichtingssubsidie niet toereikend zijn om de totale kosten te dekken voor de inrichting. Het tekort valt nog relatief laag uit omdat de ontgronding tegen lagere tarieven kan worden uitgevoerd. Hiervoor is dus geen marktconforme prijs gehanteerd. Het tekort zal door een eigen bijdrage van de opdrachtgever worden aangevuld. Voor het beheer zal een SNL-subsidie die zal worden aangevraagd. Deze subsidie lijkt voldoende om het beheer te bekostigen.

76

Tabel 12. Beheerskosten per jaar en subsidiebedragen.

Beheerkosten per jaar Kostenelement Maaien, oprapen en afvoeren maaisel (1-2x per jaar)

Bedrag (€)

BTW Bedrag incl. BTW

275

58

333

0

0

0

Jaarlijkse bijdrage Part-ner en NCB

148

31

179

Totale beheerkosten

423

89

511

Beheer struweel en zoom (eigen beheer)

SNL subsidie

474

Eigen bijdrage van de aanvrager

37

Eindtotaal

511

77

13. Risico’s

Er zijn een aantal risico’s waar rekening mee moet worden gehouden bij de inrichting van het kruidenen faunarijk grasland'. Deze worden hieronder beschreven.

Archeologische vondsten tijdens ontgrondingswerkzaamheden

Er is een kans aanwezig dat tijdens het ontgronden archeologische sporen worden aangetroffen. In dat geval zal de ontgronding moeten worden stilgelegd en zal er verder archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. Afhankelijk van de waarde van de vondst en het benodigde archeologisch onderzoek is de kans groot dat het ontgronden pas één of enkele jaren later kan worden hervat. De kans dat er archeologische sporen worden aangetroffen is overigens uiterst laag omdat feitelijk alleen de bouwvoor wordt ontgrond. Deze is in het verleden al vele malen geroerd. De verdere archeologische afhandeling en bijbehorende financiële risico’s zullen bij de gemeente liggen. Het stopzetten van de ontgronding zelf zal geen financiële consequenties hebben, omdat de ontgronding door de familie zelf zal worden uitgevoerd.

Ongewenste vegetatieontwikkeling

Er is een kans dat na het ontgronden de vegetatieontwikkeling een ongewenst beeld laat zien, bijvoorbeeld door de massale opkomst van ongewenste soorten. Het risico hierop wil de opdrachtgever beperken door het maairegime aan te passen op het tegengaan van probleemsoorten. Bij witboldominantie kan dan gedacht worden aan zo vroeg mogelijk in het seizoen te maaien. Hardnekkige onkruiden zoals Ridderzuring, Akkerdistel en Jakobskruiskruid worden voorkomen door de aanleg van een vals zaaibed na de teelt van wintergerst. Eventueel kunnen soorten indien nodig ook met de hand worden bestreden door deze uit te steken. Het is de verwachting dat pitrus goed zal gedijen. Daarom zullen er vanaf de start van het beheer maatregelen moeten worden genomen om massale uitbreiding te voorkomen. Pitrus gedijt goed onder de volgende omstandigheden: -

pH tussen 3.7 en 4.8 wisselende en hoge waterstanden geen ‘greppel- en slootkant’ onderhoud zodat het zure regenwater blijft staan. vertrapping van de bodem door vee zodat kiemplekken ontstaan

Pitrus is moeilijk te bestrijden en er geldt ‘voorkomen is beter dan genezen’. Maatregelen die genomen kunnen worden zijn:

78

-

14.

Voorkom verdichting van de bodem voorkomen van zaadvorming door voor zaadzetting pitrushaarden te maaien Maaien in de periode vanaf 1 november is het meest geschikt om de hergroei van pitrus in het voorjaar te beperken. Verhogen van de zuurgraad te door de eerste twee jaar het perceel te bekalken.

Communicatie

De omvorming van het perceel van agrarisch naar natuur en de bouw van een woning op het aangrenzende perceel aan de Theersestraat is reeds met omwonenden, de Natuurgroep Gestel, de gemeente Sint-Michielsgestel, het Brabants Landschap en het Waterschap De Dommel besproken. De communicatie naar diverse externe partijen is door de gemeente Sint-Michielsgestel als eis neergelegd om via inspraak zoveel mogelijk draagkracht te krijgen voor het plan. Tot nu toe hebben alle partijen positief gereageerd op de ontwikkeling van nieuwe natuur. Voor het hele plan wordt een Omgevingsvergunning aangevraagd en via deze procedure wordt het project kenbaar gemaakt aan inwoners van Sint-Michielsgestel. Door de Natuurgroep Gestel zal het plan ook nog meer in detail worden gepresenteerd aan haar leden via het verenigingsblad ‘Gestel Groen’.

79

15. Bijlagen

Bodemprofielen uit bodemonderzoek Profielbeschrijvingen conform NEN5104 van de boorlocaties in het gebied. Profielbeschrijvingen zijn opgesteld door het Veldwerkbureau (Jan Vermeer).

Legenda

80

81

Resultaten bodemchemisch onderzoek

Org. stof

Al-t

Ca-t

Ca-z

Fe-t

P-z

NO3-z

%

mmol/l

mmol/l

µmol/l

mmol/l

µmol/l

µmol/l

Maaien en afvoeren (M) jaren

<5

<150

<10

<4000

<20

<1

<50

0

voldoende P-arm

6-10

151-250

10-20

4001-8000

21-50

2-5

51-100

<10

kansrijk voor verschraling d.m.v. maaien en afvoeren

11-25

251-400

21-30

8001-15000

51-100

6-10

101-200

11-40

matig kansrijk voor verschraling d.m.v. maaien en afvoeren

26-50

401-750

31-50 15001-25000

101-150

11-30

201-400

41-80

kansrijk voor verschraling d.m.v. uitmijnen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=1d7d2f90-b5aa-4fdb-9cf1-65e4a120487f