11.f - Bijlage 5 - Aanvraag subsidie Realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant (1263012)
Tekst van het document
>50
>750
51-80 25001-40000
151-300
31-50
401-800
81-200
matig tot beperkt kansrijk voor verschraling d.m.v. uitmijnen
>300
51-100
801-1200
201-400
ongeschikt voor verschraling I
>100
>1200
>400
ongeschikt voor verschraling II
>80
Nr Diepte
>40000
Grondsoort
HZT OS V MV Ols-P P-t Al-t Ca-t Fe-t K-t
1 0-20
zand, kleiig, matig humeus, bv
AP
20-30
zand, kleiig, matig humeus, bv
AP
30-40
zand, sterk siltig, matig humeus
A
40-50
zand, sterk siltig, matig humeus
A
2 0-20
MgS-t Al-z Ca-z K-z Mg-z pH-z BV P-z NO3-z NH4-z M5 M8 M12 t
5
11 1,3 3933 29,6 147
20
154
5
14
9
161 147 129
4
13 1,1 1526 13,5 210
23
152
5
18
8
28
52
zand, kleiig, matig humeus, bv
AP
5
6 1,1 5712 24,2
94
10
20-30
zand, matig siltig en humeus, insp.
B
5
9 1,2 3522 20,5 213
14
30-40
zand, matig siltig en humeus, insp.
B
40-50
zand, matig siltig, humusinsp.
BC
3
8 1,4 1276 8,5
254
3 0-25
zand, kleiig, matig humeus, bv
AP
9
12 0,9 3800 20,5
83
25-45
zand, kleiig, matig humeus, bv
AP
5
45-55
zand, sterk siltig, rom.
BC
3
55-65
zand, sterk siltig, rom.
BC
4 0-20
zand, kleiig, matig humeus, bv
AP
20-30
zand, kleiig, matig humeus, bv
AP
30-40
zand, matig siltig, humusinsp.
BC
40-50
zand, matig siltig, humusinsp.
BC
5 0-20
zand, kleiig, matig humeus, bv
20-30
zand, matig siltig en humeus, insp.
30-40
zand, matig siltig en humeus, insp.
B
40-50
zand, matig siltig en humeus, insp.
B
20
9
4
7
7
382 3629 756 1428
4,2
85
25
143
134 133 130 120
87
4
8
7
511 4982 935 1607
4,5
87
7
104
114
10
83
5
12
4
25
45
5
12
10
29
5,3
98
18
28
135 136 126 109
18 1,1 1100 11,8 143 30 16 1,3 329 4,0 179 18
81
4
16
9
40
20
0
73
5
15
4
0
0
0
6
10 1,0 3955 23,4 102
15
68
4
10
9
127 116 101
AP
5
12 1,0 3044 19,9
3
8
8
4
93 15 13 1,2 2654 18,8 142 17
51
B
56
4
9
6
22
9361 286 2607
7799 413 2091
5,3
99
2
142
44
55
49
42
16
10
1
103 91
75
47
32
41
Figuur 54. Overzicht van de bodemchemische parameters (per liter versgewicht) op verschillende diepten (in cm onder maaiveld) op de locaties in loovelden.; OS = organisch stofpercentage; V = vochtpercentage; MV = massavolume in kg droge bodem per liter verse bodem; Ols-P = Olsen-P; -t = totale concentratie, -z = zoutuitwisselbare concentraties, BV = indicatieve basenverzadiging, M5 = berekende verschralingsduur (in jaren) via maaien en afvoeren tot een streefconcentratie van 500 μmol Olsen-P/l bodem (totaal-P > 3mmol/l), M8/M12: idem, tot een streefconcentratie van 800 en 1200 μmol Olsen-P/l bodem (totaal-P > 3 mmol/l). Let op: voor het berekenen van de totale verschralingsduur op een bepaalde diepte moeten, in verband met de worteldiepte van planten, de verschralingsduren van een bodempakket van 25 cm bij elkaar worden opgeteld. De Olsen-P en zoutuitwisselbare concentraties zijn weergegeven in μmol/l verse bodem, de overige concentraties in mmol/l verse bodem. De volgende kleurarceringen zijn in de tabel gebruikt:
82
Waargenomen plantensoorten
Woonperceel
Struweel en waterlopen
Grasland
Akkerdistel
Klein kaasjeskruid
Amerikaanse vogelkers
Engels raaigras
Akkerhoornbloem
Klein kruiskruid
Echte valeriaan
Gestreepte witbol
Akkermelkdistel
Klein tasjeskruid
Gewone hondsroos
Grote vossenstaart
Akkervergeet-mij-nietje Kraailook
Glanshaver
Ridderzuring
Boerenwormkruid
Kruipende boterbloem
Grauwe wilg
Ruw beemdgras
Braam
Madeliefje
Holpijp
Timotheegras
Canadese fijnstraal
Melganzevoet
Hondsdraf
Veldereprijs
Dagkoekoeksbloem
Paardenbloem spec
Kleine lisdodde
Vogelmuur
Draadereprijs
Paarse dovenetel
Pinksterbloem
Zachte dravik
Duizendblad
Ridderzuring
Pitrus
Gewoon reukgras
Engels raaigras
Ringelwikke
Reukgras
Hondsdraf
Fluitenkruid
Robertskruid
Rietgras
Pinksterbloem
Geknikte vossenstaart
Schapenzuring
Ruwe berk
Pitrus
Gestreepte witbol
Schijfkamille
Scherpe boterbloem
Scherpe boterbloem
Gewone
Slaapbol
Waterzuring
Witte klaver
Gewone berenklauw
Smalle weegbree
Zomereik
Gewone engelwortel
Speerdistel
Zwart tandzaad
Gewone melkdistel
Stinkende gouwe
Gewone reigersbek
Straatgras
Gewone vlier
Timotheegras
Gewoon biggenkruid
Tweestijlige meidoorn
Glanshaver
Varkensgras
Grote brandnetel
Veldereprijs
Grote vossenstaart
Vogelmuur
Grote weegbree
Winterpostelein
Harig knopkruid
Witte dovenetel
Heermoes
Zachte dravik
Herderstasje
Zachte ooievaarsbek
Jakobskruiskruid
Zachte ooievaarsbek
Kamille
Zevenblad
Kleefkruid
83
Wet- en regelgeving
15.4.1. Inleiding in de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is in Nederland op 1 januari 2017 in werking getreden. In deze wet staan de beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Vanwege de inwerkingtreding van deze wet zijn de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet komen te vervallen. De Wet natuurbescherming geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn die zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming op Europees niveau regelen. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Dit betekent in de praktijk dat het bij ruimtelijke ingrepen gaat om het effect van activiteiten op beschermde soorten en gebieden. Als activiteiten zodanig worden uitgevoerd zodat er geen schade wordt toebracht, dan is toetsing aan de Wet natuurbescherming niet nodig. Soms is het echter onvermijdelijk of onduidelijk dat schade wordt toegebracht. In die situaties is het noodzakelijk om ecologisch onderzoek te laten uitvoeren en te bepalen of er een vrijstelling geldt voor de activiteiten of dat een ontheffing moet worden aangevraagd. De gemeente is het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning.
De bevoegdheid om te toetsen aan de Wet natuurbescherming ligt in de meeste gevallen bij de provincie.
15.4.2.
Soortbescherming in de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming kent drie verschillende beschermingsregimes om soorten te beschermen: 1. 2. 3.
soorten van de Vogelrichtlijn; soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; soorten die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden.
Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen mogen niet overtreden worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’). De belangrijkste staan vermeld in tabel 12.
84
Tabel 13. Overzicht belangrijkste verbondsbepalingen uit de Wet natuurbescherming
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het Art 3.5 lid 1 Het is verboden wild levende vogels opzettelijk soorten in hun natuurlijke te doden of te vangen. verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Niet van toepassing
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten is voldaan, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. 85
15.4.3.
Gebiedsbescherming in de Wet natuurbescherming
Binnen de Wet natuurbescherming worden ook natuurgebieden en de daarin voorkomende natuurlijke waarden en wezenlijke kenmerken beschermd. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen, bijzondere nationale natuurgebieden en de nationale parken. Deze gebieden zijn geselecteerd op grond van in deze gebieden voorkomende bijzondere natuurwaarden of om een samenhangend ecologisch netwerk te creëren. De natura2000 gebieden worden direct beschermd via de Wnb, de overige gebieden via het besluit algemene regels ruimtelijke ordening en provinciale verordeningen. Als er naar aanleiding van een initiatief mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuurgebieden zijn vergunningsplichtig. Binnen deze ecologische quickscan wordt daarom bepaald of het initiatief mogelijk negatieve effecten heeft op de doestellingen van Natura 2000-gebieden en overige beschermde gebieden. Dit wordt ook wel de voortoets genoemd. Als er sprake is van negatieve effecten dan kan vervolgens een verslechteringstoets worden uitgevoerd. Zijn deze effecten mogelijk significant dan moet er een passende beoordeling worden opgesteld.
15.4.4.
Zorgplicht voor dieren en planten
De Wet natuurbescherming kent een zorgplicht (artikel 1.11). Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving. Of dier- en plantensoorten en gebieden nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen die redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn of haar handelen nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt, laat deze handelingen achterwege, neemt maatregelen om die te voorkomen of probeert deze zoveel mogelijke te beperken of ongedaan te maken.
15.4.5.
Houtopstanden in de Wet natuurbescherming
Naast het soortenbeschermingsregime en gebiedsbeschermingsregime zijn in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming ook de bepalingen ter bescherming van houtopstanden opgenomen. Onder houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 a of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Als een houtopstand moet worden gekapt dan moet de initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag en moet er herplant plaatsvinden. Het bevoegd gezag kan een kapverbod opleggen ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
86
15.4.6.
Vrijgestelde soorten
Nederlandse naam Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker (of bastaardkikker) Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wild zwijn Woelrat
Wetenschappelijke naam Rana temporaria Bufo bufo Lissotriton vulgaris Rana ridibunda Rana esculenta
Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Micromys minutus Sorex minutus Erinaceus europeus Sorex araneus Lepus europeus Crocidura russula Oryctolagus cuniculus Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Vulpes vulpes Sus scrofa Arvicola terrestris
Tabel 14. Vrijgestelde soorten uit bijlage 3 behorende bij de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant.
Nederlandse naam Vogels
Wetenschappelijke naam
Canadese gans
Branta canadensis
Houtduif
Columba palumbus
Kauw
Coloeus monedula
Zwarte kraai
Corvus corone
Zoogdieren Bruine rat
Rattus norvegicus
Egel
Erinaceus europaeus
Gewone bosspitsmuis
Sorex araneus
Huismuis
Mus musculus
Konijn
Oryctolagus cuniculus
Mol
Talpa europaea
Tabel 15. Landelijk vrijgestelde diersoorten volgens Besluit Wnb artikel 3.1
87