11.e - Bijlage 5 - Bijlagen regels Hooghei
Tekst van het document
Vochtige zone
De laaggelegen zone in het zuiden van het plangebied wordt omgevormd naar een vochtige zone. Door middel van het lokaal afgraven of plaggen van de bovenste bodemlaag worden op kleine schaal nat-droog gradiënten ontwikkeld en worden enkele nattere plekken gecreëerd, waar waterstagnatie plaats kan vinden. Verder worden in deze zone pleksgewijs struiken en bomen aangeplant en ontstaat er op deze manier een halfopen boslandschap met geleidelijke overgangen tussen de bosstrook op de zuidelijke en westelijke grens van het plangebied naar het
15
Inrichtings- en beheerplan
Figuur 18. Padenkaart natuurbegraafplaats Hooghei
Natuurbegraafplaats Hooghei
16
4.4.3.
Bosparkeerplaats
Op de bosparkeerplaats wordt tussen landschappelijke beplanting en bestaande bomen geparkeerd. De parkeerplaats krijgt een oppervlakte van 2.000 m2 en zal plaats bieden aan 60 auto’s. Deze aantallen zijn gebaseerd op ervaringen op natuurbegraafplaats Heidepol en hiermee wordt ruim voldaan aan het in het verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng geadviseerde minimum aantal parkeerplaatsen van 441. 4.4.4.
Halfverharde padenstructuur
Door het gehele plangebied zal in de vorm van halfverharde hoofd- en slingerpaden een doorlopende padenstructuur komen te liggen (zie figuur 18). De paden worden aangelegd met een toplaag van Achterhoeks padvast, waardoor ze een terughoudend karakter hebben. Achterhoeks padvast is een 100% schoon en natuurlijk, waterdoorlatend materiaal. Er worden geen bomen verwijderd voor de aanleg ervan. In totaal wordt circa 2.150 meter aan nieuwe paden aangelegd. De slingerpaden hebben een breedte van 2 meter, de hoofdpaden een breedte van 3 meter. 4.4.5.
Figuur 19. Sfeerbeeld halfverharde padenstructuur (Bron: B. van der Aa)
Ophogen gronden
Om natuurbegraven binnen het natuurgebied mogelijk te maken is het nodig circa 4,5 hectare van het plangebied op te hogen (totaal op te hogen terrein circa 12.500 m3). Het ophogen gebeurt zoveel mogelijk met gebiedseigen materiaal. Grond die vrijkomt bij het aanleggen van de vochtige zone en de twee vennen wordt gebruikt voor het ophogen van andere delen van het plangebied. Bij de ophoging wordt een natuurlijke uitgangsituatie nagebootst waarop zich een zomereiken-berkenbos of een droog schraalland kan gaan ontwikkelen. Hiermee wordt getracht een bijdrage te leveren aan het herstel van de mineralenbalans van de bodem. Op figuur 20 is te zien welke delen van het plangebied opgehoogd worden. 4.4.6.
Aantal natuurgraven
In het kader van de functie natuurbegraven worden verspreid over het plangebied natuurgraven gerealiseerd. Als borging dat Natuurbegraven een tijdelijke functie betreft en daarmee eindig als actieve natuurbegraafplaats, kiest Natuurbegraven Nederland ervoor om maximaal 10% van de natuurbegraafplaats daadwerkelijk te gebruiken voor natuurbegraven. Dit houdt in dat maximaal 1,08 ha van het gebied daadwerkelijk gebruikt kan worden voor de aanleg van natuurgraven. Dit is vastgelegd in de planregels.
Figuur 20. Ophoogkaart natuurbegraafplaats Hooghei
1 Goudappel Coffeng, 2020 Verkeersonderzoek natuurbegraafplaats ‘Hooghei’
17
Inrichtings- en beheerplan
5. Natuurbeheer
5.1.
Algemeen
5.3.
Het natuurbeheer is er zowel tijdens de gebruiksfase van de natuurbegraafplaats als daarna op gericht de ecologische waarden van het gebied te verhogen en deze waarden beter beleefbaar te maken. Het natuurbeheer op de natuurbegraafplaats bestaat in de eerste 10-15 jaren uit een omvormingsbeheer en gaat uiteindelijk over in een eindbeheer. Er wordt bij het uitvoeren van het natuurbeheer gewerkt aan de hand van een ecologisch werkprotocol, om negatieve effecten op de vegetatie en overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
Op plekken die worden ingericht als halfopen, schrale natuur zal eerst heideplagsel en/of maaisel aangebracht worden om de vegetatieontwikkeling op gang te brengen. Het reguliere graslandbeheer bestaat uit een extensief maai- en afvoerbeheer, inclusief bosrandenbeheer. Op kansrijke plekken worden heidevegetaties ontwikkeld. De uitvoer van de beheermaatregelen wordt gespreid in tijd en ruimte, zodat een mozaïek van jonge en oudere grazige vegetaties ontstaat. Markante bomen zoals vliegdennen of solitaire inheemse loofboomsoorten blijven in het grasland staan en dragen zo ook bij aan een verhoogde belevingswaarde.
Naast het natuurbeheer binnen het natuurgebied met natuurbegraafplaats wordt de toegankelijkheid van het gebied gewaarborgd door onderhoud van de aanwezige padenstructuur en de veiligheid geborgd door boomveiligheidscontroles en aanvullend snoeien en dunnen van bomen langs paden. Deze vormen van beheer grijpen niet in op de natuurontwikkeling.
5.4.
Vennen
De gegraven vennen en de natste gedeelten van de vochtige zone worden periodiek geschoond door jaarlijks een deel van de oevervegetatie te maaien en houtige beplanting te verwijderen. Richtlijn is dat hierbij circa 25% van de oevers begroeid blijven met houtige beplanting.
Per natuurtype wordt hieronder beschreven welk beheer er gevoerd wordt.
5.2.
Grasland
Bos
Bosbeheer Het bosbeheer op de natuurbegraafplaats is gebaseerd op het bosbeleid van Natuurmonumenten. Door middel van groepenkap worden kleine open plekken gemaakt waaruit een gesloten bosopstand met variatie in leeftijd en structuur kan ontstaan. Markante loofbomen die kunnen dienen als zaadbron worden hierbij gespaard. Open plekken groeien binnen drie tot zes jaar dicht met spontane verjonging of worden beplant met inheems plantmateriaal die passend zijn bij de lokale groeiplaatsomstandigheden zoals winterlinde, hazelaar, ruwe berk, zoete kers, boswilg, wintereik, zomereik en beuk. Op deze manier worden in een periode van 10 jaar circa 10% van de opstanden verjongd. Ook in de gedeelten van het bos waar geen groepenkap plaatsvindt worden extra struiken en bomen aangeplant, ter verbetering van de bosstructuur.
Bosrandenbeheer Met bosrandenbeheer wordt het creëren van structuurrijke bosranden met een geleidelijke overgang van open naar gesloten terrein bedoeld. Dit gebeurt door de ontwikkeling van zoom- en mantelvegetaties door eens in de 2-10 jaar de houtige beplanting te maaien en af te zetten. Door te variëren in beheerintensiteit wordt een gradiënt gecreëerd vanaf de open plekken (intensief beheer) tot de bossen (extensief beheer), met grote verschillen in licht- en warmteverhoudingen, verticale structuur en voorkomen van verschillende plantensoorten.
Natuurbegraafplaats Hooghei
Figuur 21. Schematische weergave mantel- en zoomvegetaties
18
5.5.
Overige natuurbeheermaatregelen
In de strijd tegen de effecten van verzuring is het gewenst in het gehele gebied te streven naar een herstelde nutriëntenbalans van de bodem. Onderzocht wordt of mineraalaanrijking substantieel kan worden verbeterd door bodemvermenging als gevolg van natuurbegraven, waarbij mineraalrijk zand uit de diepere grondlagen tot op zekere hoogte naar boven wordt gehaald. Daarnaast wordt het belang van hout als bron voor belangrijke voedingsmineralen zoals fosfaat, calcium en kalium onderschreven. Dikke dode loofbomen zijn een belangrijke mineralenbron en deel van de voedselketen van het bos. Er wordt daarom in het gehele natuurgebied gestreefd naar een aandeel van minimaal 10 dode of stervende (staande of liggende) bomen met een diameter van 30cm of meer per hectare. Ook tak- en tophout en stobben die verwijderd worden tijdens natuurbeheermaatregelen blijven in het gebied, ten behoeve van het verminderen van de effecten van verzuring.
19
Inrichtings- en beheerplan
6. Samenvatting
Natuurbegraven Nederland heeft het voornemen een natuurgebied met mogelijkheid tot natuurbegraven van 10,8 hectare te realiseren aan de Hooghei in Berlicum.
De natuurbegraafplaats aan de Hooghei wordt zo ingericht en beheerd, dat het past binnen het natuurbeleid van provincie Noord-Brabant en de natuurambities voor het gebied. Binnen deze kaders maakt Natuurbegraven Nederland in de toekomst natuurbegraven mogelijk in het plangebied. De openheid die ontstaat door de bosomvormingsmaatregelen, het vrijstellen van natuurtoekomstbomen en de omvorming van circa 4,2 hectare naaldbos naar heischraal grasland, worden benut voor natuurbegraven. Natuurbegraven Nederland kiest ervoor om maximaal 10% van de natuurbegraafplaats, en daarmee 1,08 hectare daadwerkelijk te gebruiken voor natuurgraven. Het ecologisch werkprotocol bepaalt uiteindelijk waar op de natuurbegraafplaats natuurgraven gerealiseerd kunnen worden.
Het plangebied maakt deel uit van het heideontginningslandschap van de Hooge Heide. Het plangebied heeft lage natuurwaarden, door het ontbreken van een goed ontwikkelde kruid- en struiklaag en een eentonige, vlak dekkende boomlaag van met name uitheemse naaldhoutsoorten. Het hoogteverschil binnen het terrein biedt kansen voor geleidelijke overgangen van droog en schraal naar vochtige en voedselrijkere omstandigheden. Natuurbegraven Nederland wil de natuurwaarden en beleefbaarheid van het plangebied verhogen. Het is de ambitie van Natuurbegraven Nederland om in het plangebied hoogwaardige natuur te realiseren die kenmerkend is voor het halfopen heideontginningslandschap van de Hooge Heide. Daarnaast wordt gestreefd naar het herstel van de mineralenbalans van de bodem en wordt het gebied opengesteld voor recreanten.
Natuurbegraven is een tijdelijke functie. Na de laatste natuurbegrafenis op natuurbegraafplaats Hooghei verdwijnt de functie natuurbegraven en blijft het een opengesteld natuurgebied. Van ieder verkocht graf wordt een fonds gevuld dat het natuurbeheer voor het plangebied voor minimaal 100 jaar borgt. Daarnaast wordt een fonds gevuld voor de aanleg van nieuwe natuur in de omgeving van de natuurbegraafplaats.
De natuurontwikkelingsmaatregelen bestaan uit: · · · · · ·
bosomvorming van circa 2,5 hectare bestaand structuurarm naaldbos naar structuurrijk gemengd bos met vooral inheemse boom- en struiksoorten, door beheermaatregelen; omvorming van circa 4,2 hectare structuurarm naaldbos voor ontwikkeling van heischraal grasland; bosomvorming van circa 2,2 hectare open gebied (ontstaan na ophoging) naar structuurrijk bos met vooral inheemse boom- en struiksoorten, door kap en aanplant; omvorming van zuidelijke, laaggelegen bosperceel naar halfopen, vochtige zone (circa 0,8 hectare); omvorming van de bestaande poel naar een zwak-gebufferd ven met een oppervlakte van circa 1.000 m2; graven van een zwak gebufferd ven van circa 2.100 m2.
Om natuurbegraven mogelijk te maken worden de volgende inrichtingsmaatregelen genomen: · · · · ·
bouw van een ceremonieruimte/informatieruimte (inclusief werkschuur, omvang gebouw van maximaal 500 m2, bouwvlak 750 m2); aanleg van een bosparkeerplaats met plaats voor 60 auto’s (oppervlakte 2.000 m2); aanleg halfverharde padenstructuur (totale lengte circa 2.150 m); ophogen gronden (circa 4,5 hectare, 12.500 m3).
Natuurbegraafplaats Hooghei
20
Ecologische werkprotocol Natuurbegraafplaats Hooghei te Berlicum Werkprotocol natuurbegraven en natuurbeheer conform de Wet Natuurbescherming
I. Hille Ris Lambers E.J.F. de Boer
Ecologische werkprotocol Natuurbegraafplaats Hooghei te Berlicum Werkprotocol natuurbegraven en natuurbeheer conform de Wet Natuurbescherming
drs. ing. I. Hille Ris Lambers, ir. E.J.F. de Boer Status uitgave: definitief Rapportnummer:
18-0019
Projectnummer:
18-0025
Datum uitgave:
maart 2021
Foto's omslag:
Bureau Waardenburg bv
Projectleider:
ir. E.J.F. de Boer
Naam en adres opdrachtgever:
Natuurbegraven Nederland Koningsweg 2, 5211 BL, ‘s-Hertogenbosch
Referentie opdrachtgever:
opdracht per mail dd. 12 januari 2018
Akkoord voor uitgave:
drs. D. Emond
Paraaf:
Graag citeren als: Hille Ris Lambers, I,. & E.J.F. de Boer 2021. Ecologisch werkprotocol Natuurbegraafplaats Hooghei te Berlicum, Werkprotocol natuurbegraven en natuurbeheer conform de Wet Natuurbescherming. Bureau Waardenburg Rapportnr. 18-0019 Bureau Waardenburg, Culemborg. Trefwoorden: natuurbegraafplaats, natuurbegraven, ecologisch werkprotocol, natuurbeheer, Hooghei Bureau Waardenburg bv is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Waardenburg bv. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Bureau Waardenburg bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Bureau Waardenburg bv / Natuurbegraven Nederland Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau Waardenburg bv, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg bv is door CERTIKED gecertificeerd overeenkomstig ISO 9001:2008.
1
2
Voorwoord Voor het natuurbegraven op en het beheren van het nog te realiseren natuurbegraafplaats Hooghei langs de openbare weg tussen Wamberg en Kaathoven, ten noordoosten van Berlicum is een werkprotocol benodigd. Waar mogelijk wordt gewerkt aan de hand van bestaande gedagscodes voor natuurbeheer. Onderhavig rapport voorziet in een ondersteunend werkprotocol en beschrijft hoe rekening gehouden wordt met (mogelijk) aanwezige beschermde natuurwaarden. Verantwoording Aan de totstandkoming van dit rapport werkten mee: drs. ing. I. Hille Ris Lambers rapportage ir. E.J.F. de Boer projectleiding Zowel Edward als Ingrid is door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hun uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Bureau Waardenburg. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg is ISO gecertificeerd. Vanuit Natuurbegraven Nederland is de opdracht begeleid door de heren R. Fleury (ecoloog Natuurbegraven Nederland) en W. Peters. Wij danken hen voor de prettige samenwerking.
3
4
Inhoud Voorwoord .................................................................................................................................... 3 1
2
Reikwijdte ............................................................................................................................. 7 1.1
Kader en doel ........................................................................................................... 7
1.2
Wettelijk kader begraven ......................................................................................... 8
1.3
Uitgangspunten algemeen ...................................................................................... 9
Gebruik: natuurbegraven en ceremonies ........................................................................ 14 2.1
2.2 3
4
Procedure natuurbegraven.................................................................................... 14 2.1.1
Locaties .................................................................................................... 14
2.1.2
Delven van een natuurgraf ...................................................................... 14
2.1.3
Beschermingszones natuurwaarden...................................................... 15
Ceremonie .............................................................................................................. 17
Natuurbeheer ..................................................................................................................... 18 3.1
Algemeen ............................................................................................................... 18
3.2
Bosbeheer .............................................................................................................. 19
3.3
Beheer van gras- en kruidenvegetaties ................................................................ 20
3.4
Beheer van vennen................................................................................................ 21
3.5
Beheer gebouw(en) ............................................................................................... 22
3.6
Wegen en paden.................................................................................................... 22
3.7
Calamiteiten, overig ............................................................................................... 23
Literatuur ............................................................................................................................ 25
Bijlage 1 Kader Wet natuurbescherming .................................................................................. 27 Bijlage 2 Waarnemingenformulier Natuurbegraafplaats Hooghei .......................................... 31 Bijlage 3 Calamiteitenformulier.................................................................................................. 33
5
6
1 Reikwijdte 1.1
Kader en doel Voor het gebruik en beheren van de natuurbegraafplaats Hooghei is een werkprotocol aan de orde. Het voorliggende werkprotocol moet er naast toepassing van bestaande gedragscodes voor natuurbeheer op toezien dat het reguliere beheer en het gebruik van de natuurbegraafplaats plaatsvindt conform de vereisten uit de Wet Natuurbescherming (kortweg Wnb). In 2017 heeft onderzoek plaatsgevonden naar de huidige natuurwaarden op het terrein Hooghei (Brandjes & De Boer 2017). Dit onderzoek is in 2020 geactualiseerd (De Boer & Verhoek, 2020). Samengevat zijn de volgende beschermde natuurwaarden aanwezig: vogels met jaarrond beschermd nest: vooralsnog (2020) geen in gebruik zijnde nesten aangetroffen, maar broedgevallen van buizerd, sperwer, havik, boomvalk, ransuil zijn niet uitgesloten in de toekomst (§ 3.1 Wnb). Binnen het plangebied is één haviksnest aanwezig, dat op het moment van veldbezoek (2020) niet in gebruik was. algemeen voorkomende broedvogels kunnen tot broeden komen met name in de periode half maart- half augustus (§ 3.1 Wnb). zoogdieren: verblijfplaatsen van muizensoorten zoals de bosmuis, konijn, wezel, mol. Het plangebied vormt onderdeel van leefgebied van vos, das en eekhoorn (§ 3.3 Wnb) maar de twee laatstgenoemde soorten hebben er geen verblijfplaatsen.
amfibieën: kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker en mogelijk in de toekomst na aanpassing van de bosvijver ook Alpenwatersalamander (§ 3.3 Wnb). reptielen: de levendbarende hagedis (§ 3.3 Wnb) komt hooguit incidenteel voor en heeft geen verblijfplaatsen. Na inrichting zal het gebied meer geschikt worden voor de levendbarende hagedis. vleermuizen: hooguit één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de recreatiewoning en mogelijk (paar)verblijfplaatsen van boombewonende soorten in bomen met holten (§ 3.2 Wnb). Zorgplicht ten aanzien van: koepelnesten van de kale rode bosmier en de behaarde rode bosmier; Ontwikkeling van natuurwaarden is een belangrijk aspect voor de natuurbegraafplaats. Het beheer en het gebruik is afgestemd op het realiseren van de potenties van het gebied. Indien in de toekomst beschermde planten- en/of andere beschermde diersoorten worden aangetroffen in het plangebied, worden de omgangsregels aangevuld.
7
Doel Het doel van voorliggend rapport is om te voorkomen dat beheer en gebruik van de natuurbegraafplaats direct of indirect leidt tot overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming. Voor het beheer en gebruik is in dat geval geen ontheffing van de Wet Natuurbescherming nodig. Onderhavig rapport is geen beheerplan voor natuurbeheer, maar een handleiding hoe beheer kan worden uitgevoerd zonder overtreding van verbodsbepalingen. Hetzelfde geldt voor het verzorgen van natuurbegrafenissen (natuurbegraven) op het terrein. Wet Natuurbescherming De volgende beschermingsregimes zijn van toepassing: - Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Wnb § 3.1) - Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Wnb § 3.2) - Beschermingsregime andere soorten (Wnb § 3.3). Voor soorten vallend onder ‘Beschermingsregime andere soorten’ kan de Provincie Noord-Brabant een vrijstelling verlenen voor handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (Art 3.10 lid 2a). In dit rapport wordt onderscheid gemaakt in ‘vogels’ (Wnb § 3.1), ‘Habitatrichtlijnsoorten’ (Wnb § 3.2) en ‘andere soorten’ (Wnb § 3.3). In Bijlage 1 is een korte uitleg opgenomen van de Wet Natuurbescherming.
1.2
Wettelijk kader begraven Wet op de Lijkbezorging In gevolge van artikel 41 van de Wet op de Lijkbezorging is voor het in gebruik nemen van een bijzondere begraafplaats of van een deel daarvan de toestemming van burgemeester en wethouders nodig. Deze toestemming wordt slechts geweigerd, indien niet aan de wettelijke voorschriften is voldaan. Deze wettelijke voorschriften volgen uit de het Besluit op de Lijkbezorging en dan meer in het bijzonder op basis van paragraaf 4 artikel 5 en 6 van voornoemd besluit: Paragraaf 4. De inrichting van een graf en de afstand tussen de graven onderling Artikel 5 1. De afstand tussen de graven onderling bedraagt ten minste dertig centimeter. 2. Boven de kist of het omhulsel bevindt zich een laag grond van ten minste vijfenzestig centimeter. 3. Ten hoogste drie lijken mogen boven elkaar worden begraven, mits boven elke kist of ander omhulsel een laag grond van ten minste dertig centimeter dikte wordt aangebracht, die bij een volgende begraving niet mag worden geroerd. Ten aanzien van de bovenste kist of het bovenste omhulsel is het tweede lid van toepassing. 4. De graven bevinden zich ten minste dertig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand. 5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op bestaande graven. Artikel 6 1.
De afstand van een graf tot de erfscheiding van de begraafplaats bedraagt ten minste één meter.
8
Vertaling van de Wet op de Lijkbezorging naar werkwijze Natuurbegraven Op een Natuurbegraafplaats van Natuurbegraven Nederland (NBN) zal te allen tijde de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften nageleefd worden. De natuurgraven liggen op minimaal dertig centimeter afstand van elkaar. Natuurgraven worden exact ingemeten en vastgelegd met GPS. In § 1.3 wordt hier verder op ingegaan. Op de natuurbegraafplaats wordt het natuurbegraven in een kist of wade toegestaan, evenals urnen. Uitstrooien van as is niet toegestaan. Voorts is in onderstaande tekening schetsmatig de benodigde ontwateringsdiepte voor natuurbegraven weergegeven waaraan het natuurgraf dient te voldoen.
Figuur 1.1.
1.3
Schematische weergave van de ontwateringsdiepte voor natuurbegraven. Bron: Natuurbegraven Nederland.
Uitgangspunten algemeen Natuur als uitgangspunt Voor NBN prevaleert natuur te allen tijde. Dat houdt bijvoorbeeld in dat als een vogel broedt in de nabijheid van het natuurgraf, dat daar nadrukkelijk rekening mee wordt gehouden door het kwetsbare gedeelte af te zetten. En als er bijvoorbeeld een dassenburcht aanwezig zijn, dan is die plek niet meer beschikbaar voor natuurbegraven
9
en wordt voor daar gedachte natuurgraven een andere plek uitgezocht. Het ecologisch werkprotocol bepaalt hoe hiermee wordt omgegaan, zodat er geen verstoring en / of schade kan ontstaan aan kwetsbare flora en fauna. De beheerder kan een maximum stellen aan het aantal personen dat wordt toegelaten bij de ter aarde stelling ter bescherming van aanwezige kwetsbare flora en fauna. Overige nabestaanden / aanwezigen wordt verzocht om op de paden te blijven. NBN heeft als uitgangspunt de eeuwigdurende grafrust in een natuurgebied. Natuurgraven worden eenmalig geopend en weer gesloten. Natuurgraven zullen nooit worden geruimd, ook niet nadat alle natuurgraven vergeven zijn. Natuurbegraafplaats Hooghei blijft een natuurgebied. Het beheer en het gebruik zullen dus gericht zijn op het behoud van de bestaande (beschermde) natuurwaarden, toename van biodiversiteit en het ontwikkelen van nieuwe natuur. De natuurwaarden worden gemonitord middels periodiek inventarisatie-onderzoek. In Hoofdstuk 2 zijn de uitgangspunten en beperkingen uitgewerkt. Beheer volgens het Inrichtings- en Beheerplan Voor het bosbeheer geeft het Inrichtings- en Beheerplan het volgende aan (Van Limpt, 2021): Algemeen Het natuurbeheer is er zowel in de gebruiksfase van de natuurbegraafplaats als in de periode daarna op gericht de ecologische waarden van het gebied te verhogen en deze waarden beter beleefbaar te maken.
Het natuurbeheer op de natuurbegraafplaats bestaat in de eerste 10-20 jaren uit een omvormings- en ontwikkelingsbeheer en gaat uiteindelijk over in een eindbeheer. Er wordt bij het uitvoeren van het natuurbeheer gewerkt aan de hand van een ecologisch werkprotocol, om negatieve effecten op de vegetatie zoveel mogelijk te voorkomen. Naast het natuurbeheer op de natuurbegraafplaats wordt de toegankelijkheid van de natuurbegraafplaats gewaarborgd door onderhoud van de aanwezige padenstructuur en de veiligheid geborgd door boomveiligheidscontroles en aanvullend snoeien en dunnen van bomen langs paden. Deze vormen van beheer conflicteren niet met beheer dat gericht is op de hieronder beschreven natuurwaarden Bos Het bosbeheer op de natuurbegraafplaats is gebaseerd op het bosbeleid van Natuurmonumenten. Er worden door middel van groepenkap kleine open plekken gemaakt waaruit een gesloten bosopstand met variatie in leeftijd en structuur kan ontstaan. Open plekken groeien binnen drie tot zes jaar dicht met spontane verjon- ging of worden beplant met inheems plantmateriaal die passend zijn bij de lokale groeiplaatsomstandigheden zoals winterlinde, hazelaar, ruwe berk, zoete kers, boswilg, wintereik, zomereik en beuk. Op deze manier worden in een periode van 10 jaar circa 10% van de opstanden verjongd. Ook in de gedeelten van het bos waar geen
10
groepenkap plaatsvindt worden extra struiken en bomen aangeplant, ter verbetering van de bosstructuur. Met betrekking tot de verzuring van de bodem wordt nagegaan of het toepassen van steenmeel een optie is om die verzuring tegen te gaan en daarmee de condities voor bosontwikkeling te verbeteren Bosrandenbeheer Met bosrandenbeheer wordt het creëren van structuurrijke bosranden met een geleidelijke overgang van open naar gesloten terrein bedoeld. Dit gebeurt door de ontwikkeling van zoom- en mantelvegetaties door eens in de 2-10 jaar het maaien en afzetten van houtige beplanting. Door te variëren in beheerintensiteit wordt een gradiënt gecreëerd vanaf de open plek (intensief beheer) tot in het bos (extensief beheer) met grote verschillen in licht- en warmteverhoudingen, verticale structuur en aanwezigheid van verschillende plantensoorten. Grasland Op plekken die worden ingericht als halfopen, schrale natuur zal eerst heideplagsel en/of maaisel aangebracht worden om de vegetatieontwikkeling op gang te brengen. Het reguliere graslandbeheer bestaat uit een extensief maai- en afvoerbeheer, inclusief bosrandenbeheer. Op kansrijke plekken worden heidevegetaties ontwikkeld. De uitvoering van de beheermaatregelen wordt gespreid in tijd en ruimte, zodat een mozaïek van jonge en oudere grazige vegetaties ontstaat.
Vennen De gegraven vennen en de natste gedeelten van de vochtige zone worden periodiek geschoond door jaarlijks een deel van de oevervegetatie te maaien en houtige beplanting te verwijderen. Richtlijn is dat hierbij circa 25% van de oevers begroeid blijven met houtige beplanting. Overige natuurbeheermaatregelen Het belang van hout als bron voor belangrijke voedingsmineralen zoals fosfaat, calcium en kalium wordt onderschreven. Dikke dode loofbomen zijn een belangrijke mineralenbron en deel van de voedselketen van het bos. Er wordt daarom op de gehele natuurbegraafplaats op termijn gestreefd naar een aandeel van minimaal 10 dode of stervende (staande of liggende) bomen met een diameter van 30 cm of meer per hectare. Ook tak- en tophout die verwijderd worden tijdens natuurbeheermaatregelen, blijven in het gebied, ten behoeve van het verminderen van de effecten van verzuring. (Mee) te begraven materialen - Een te begraven kist moet uit onbehandeld en volledig te vergaan natuurlijk materiaal bestaan. Dit geldt ook wanneer een lichaam in bijvoorbeeld een lijkwade wordt begraven of als er een urn wordt begraven. - Het meebegraven van persoonlijke materialen die niet vergaan is niet toegestaan. - Het meebegraven van milieu belastende materialen is verboden.
11
-
-
-
-
Er worden geen grafstenen of andere permanente gedenktekens geplaatst. Het plaatsen van onvergankelijke geschenken door bezoekers op de natuurgraven is niet toegestaan in het kader van het natuurlijke karakter van de natuurbegraafplaats. Het leggen van kransen van snijbloemen door bezoekers na de ceremonie, is toegestaan. Binnen twee weken worden deze door de beheerder van het natuurgraf verwijderd en in bewaring gesteld. Vergankelijke en dus tijdelijke grafmarkeringen zijn in de vorm van een houten schijf toegestaan. Deze schijf wordt door NBN gefaciliteerd . De beheerder zal niet toegestane materialen of planten direct verwijderen. Persoonlijke gedenktekens worden drie maanden bewaard en kunnen nabestaanden ophalen bij de beheerder. Zie Huisregels Natuurbegraafplaats Hooghei voor nadere details.
Operationele beperkingen en voorwaarden (toolbox) - Een exemplaar van het voorliggende rapport is (tenminste) digitaal beschikbaar op het kantoor van Natuurbegraafplaats Hooghei. - Het rapport wordt ter beschikking gesteld aan in te schakelen derden die belast zijn met het beheer van het terrein. - De beheerder van de natuurbegraafplaats dient kennis te hebben van het rapport en waar deze te vinden is en stelt overige uitvoerenden daar van het werkprotocol op de hoogte. - Bij afwijking van dit werkplan bestaat de kans op het overtreden van de Wet Natuurbescherming. Bij afwijking dient altijd te worden overlegd met een (externe) ter zake kundige (beheerder of ecoloog). - Controles op de natuurbegraafplaats in het kader van natuurbegraven en beheer worden uitgevoerd door een ter zake kundige (beheerder of ecoloog) of door iemand die vooraf is geïnstrueerd door een ter zake kundige om de bepaalde natuurwaarden te herkennen. - In sommige situaties kan een externe ter zake kundige1 worden geraadpleegd. Een ecologisch dossier wordt bijgehouden op het kantoor van Hooghei. - Waarnemingenformulieren worden ingevuld indien buiten monitoringsonderzoeken waarnemingen van beschermde of bedreigde soorten worden gedaan (zie Bijlage 2). Deze worden aan het ecologisch dossier toegevoegd.
- De wijze van afhandeling en evaluatie van eventuele calamiteiten (zie paragraaf 3.5) worden geregistreerd in het ecologisch dossier. - Het voorliggende werkprotocol zal periodiek op volledigheid en actualiteit moeten worden gescreend. Indien nodig wordt het werkprotocol geactualiseerd (zie paragraaf 1.2). Vooralsnog wordt elke twee jaar een evaluatiemoment voorzien, tenzij aanleiding bestaat dit eerder uit te voeren. - De natuurbegraafplaats wordt periodiek gemonitord op aanwezige natuurwaarden. Dit kan initieel jaarlijks zijn en daarna aflopen naar maximaal eenmaal per vijf jaar. Ter zake kundige externe ecoloog 1
Onder een ter zake kundige wordt door bevoegd gezag verstaan: een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare
12
Indien afgestemd dient te worden met een ter zake kundig ecoloog, kan voor Hooghei contact worden opgenomen met: Bureau Waardenburg mw. I. Hille Ris Lambers, dhr. G.J. Brandjes of dhr. E.J.F. de Boer Postbus 365 4100 AJ Culemborg 0345-512710
13
2 Gebruik: natuurbegraven en ceremonies 2.1
Procedure natuurbegraven Natuurbegraven Nederland stelt een aantal voorwaarden en beperkingen aan een natuurbegrafenis, onder andere gebaseerd op de Wet op de Lijkbezorging (zie § 1.2), vanuit de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet Natuurbescherming en het te voeren natuurbeheer ten gunste van de instandhouding en vergroten van de (algemene) natuurwaarden. Daarnaast heeft het een aantal eigen regels die het stelt aan natuurbegraven (zie § 1.3) Bij natuurbegraven zijn drie punten belangrijk bij de fysieke aanleg van een natuurgraf: 1. de locatie; 2. het delven; 3. beschermde of bedreigde natuurwaarden. In de onderstaande paragraaf wordt hier stapsgewijs toegelicht welke voorwaarden per onderdeel aan de orde zijn.
2.1.1
Locaties Bij de selectie van een locatie zijn de volgende uitgangspunten aan de orde: - Er kan in de nabijheid van bomen worden begraven, mits dit buiten het wortelstelsel van de bomen is. Er worden geen bomen gekapt2 om een toekomstig natuurgraf te realiseren. - Struiken of struweel worden ontzien. - Er gelden beperkingen voor natuurbegraven in de directe nabijheid van (verblijfplaatsen) van beschermde of ernstig bedreigde soorten (zie paragraaf 2.1.3). In voorkomende gevallen worden maatregelen getroffen om soorten te beschermen en in uiterste gevallen wordt uitgeweken naar een andere plek. Dit betekent dat een locatie altijd vooraf volgens vastgestelde richtlijnen wordt gecontroleerd en beoordeeld op het kunnen gebruiken. Zie hiervoor de hierna volgende paragrafen.
2.1.2
Delven van een natuurgraf Bij het delven een natuurgraf zijn de volgende uitgangspunten aan de orde: - Voorafgaand aan het delven van een natuurgraf vindt een controle plaats op aanwezige (verblijfplaatsen3 van) beschermde soorten: o ter plaatse met een zone van 20 meter er omheen, o in het ecologisch dossier (natuurwaardenonderzoek en latere monitoringsverslaglegging van periodieke inventarisatieonderzoek)
2 3
14
Bomen worden alleen gekapt indien nodig voor regulier beheer en onderhoud. Vogelnesten en mierenhopen. In de toekomst kunnen bijvoorbeeld dassenburchten aan de orde zijn.
-
-
-
-
-
-
2.1.3
Bij het aantreffen van nieuwe (verblijfplaatsen van) beschermde soorten wordt de locatie (bij voorkeur digitaal) vastgelegd in het ecologisch dossier. Hiertoe kan het formulier in Bijlage 2 (als hulpmiddel) worden ingevuld. Bij het aantreffen van (verblijfplaatsen van) beschermde soorten wordt bepaald door de terreinbeheerder: o of het voorziene natuurgraf kan worden aangelegd zonder maatregelen o of het voorziene natuurgraf kan worden aangelegd met maatregelen o of dat moet worden uitgeweken vanwege aanwezige te beschermen natuurwaarden. o indien nodig wordt afgestemd met een ter zake kundige ecoloog. Bij het delven van het natuurgraf (voor een lichaam 2,7 m2 en voor een urn 0,5 m2) wordt de onderstaande werkvolgorde aangehouden: o de bestaande paden worden zoveel mogelijk gebruikt voor transport van materieel en materiaal. o de toplaag (humus- en strooisellaag) van de bodem wordt voorzichtig afgeschept: dit heeft een dikte van circa 5 tot 15 cm. o de toplaag van de bodem wordt op platen gelegd. De toplaag blijft maximaal 2 dagen in depot en wordt afhankelijk van omstandigheden en eigen kennis zo goed mogelijk bewaard. o de bij delving vrijgekomen grond wordt tijdelijk op platen bewaard. o het natuurgraf wordt afgedekt met beplating (zodat dieren niet per ongeluk in het natuurgraf kunnen vallen).
o nadat het lichaam of kist is geplaatst, wordt de tijdelijk opzij gelegde vrijgekomen grond weer in het natuurgraf gebracht (dezelfde dag als de teraardebestelling). o de toplaag wordt weer voorzichtig teruggelegd. Indien bij het afscheppen van de toplaag van de bodem een overwinterend amfibie of reptiel wordt aangetroffen, dan wordt deze direct verplaatst naar een vergelijkbare locatie in de nabije omgeving (op minimaal 25 meter afstand) van het te graven natuurgraf. Indien bij het afscheppen van de toplaag van de bodem een amfibie of reptiel wordt aangetroffen buiten de overwinteringsperiode, dan zal dit dier zelf een veilig heenkomen zoeken. Indien nodig wordt het dier gevangen en direct verplaatst naar een vergelijkbaar biotoop op minimaal 25 meter afstand. Laagtes die kunnen ontstaan na het vergaan van een kist kunnen als dat wenselijk is worden opgevuld volgens de werkwijze van het dichten van een natuurgraf, dus enkel met gebiedseigen materiaal en het terugzetten van de toplaag van de bodem.
Beschermingszones natuurwaarden Om onbedoelde schade en verstoring van groei- of verblijfplaatsen van beschermde of bedreigde soorten te voorkomen, gelden beschermingszones rond deze aanwezige natuurwaarden. Binnen dergelijke beschermingszones worden enkel natuurgraven gedolven indien vooraf vast is gesteld dat dit niet nadelig is voor de betreffende soort(en). Omdat natuur dynamisch is, kunnen deze groei- en verblijfplaatsen op lange termijn, jaarlijks of zelfs per seizoen wisselen en kan de localtie in een later stadium
15
zonder probleem worden benut voor het delven van natuurgraven. Periodiek vindt daarom monitoring plaats van aanwezige natuurwaarden. Kwetsbare situaties (groeiplaatsen en nestplaatsen) worden ten tijde van de ceremonie met lint afgezet of uitgerasterd, zodat geen betreding of verstoring plaatsvindt. Wettelijk beschermde soorten - Er geldt een beschermingszone van vijf meter bij plantensoorten die beschermd zijn conform § 3.2 Wet Natuurbescherming. Dergelijke soorten komen momenteel niet voor binnen het plangebied. - Er geldt een beschermingszone van twee meter bij koepelnesten van bosmieren. Indien wenselijk kan deze afstand worden vergroot, ter voorkoming van overlast tijdens een ceremonie. - Momenteel zijn geen burchten van dassen bekend binnen de begrenzing van het plangebied voor de natuurbegraafplaats. Indien in de toekomst de das een (bij)burcht graaft op de natuurbegraafplaats, wordt tenminste aangesloten op de vereisten van de meest actuele versie van het Kennisdocument Das (BIJ12, 2017), waarbij ook een ter zake kundig ecoloog het voorliggende protocol op de situatie zal aanvullen. Als basis wordt een beschermingszone van minimaal 20 meter aangehouden vanaf de buitenste pijp van de (bij)burcht. - Er geldt een beschermingszone van 20 meter voor vogelnesten op de (bos)bodem, gedurende de periode dat dit nest in gebruik is.
In de praktijk valt het broedseizoen globaal tussen maart en augustus. - Er geldt een beschermingszone van 10 meter voor vogelnesten in struweel, gedurende de periode dat dit nest in gebruik is. In de praktijk valt het broedseizoen globaal tussen maart en augustus. - Er geldt een beschermingszone van 20 meter bij bomen met roofvogelhorsten, gedurende de periode dat het nest in gebruik is. In de praktijk valt het broedseizoen globaal tussen maart en augustus. Hierbij wordt aangesloten op de omgang met nesten zoals beschreven voor de buizerd in Kennisdocument Buizerd (Bij12, 2017). De meest recente uitgave van het Kennisdocument Buizerd vormt een losse bijlage bij onderhavig werkprotocol - Verlichting kan verstorende effecten hebben op bijvoorbeeld vleermuizen en andere zoogdieren. Indien op het terrein aanvullend op de huidige situatie verlichting noodzakelijk is wordt met een ter zake kundige ecoloog afgestemd op welke wijze dit kan plaatsvinden. Bedreigde soorten, zonder wettelijk beschermde status - Er geldt een beschermingszone van twee meter bij eventueel aanwezige plantensoorten die een Rode lijst status ‘gevoelig’ of ‘kwetsbaar’ hebben. - Er geldt een beschermingszone van tien meter bij eventueel aanwezige plantensoorten die een Rode lijst status ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’ hebben.
16
Zorgplicht De zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer in alle redelijkheid maatregelen treft welke voorkomen dat flora en fauna onnodig nadelig effect (vernieling, verstoring, doden) ondervinden. Maatregelen in dit kader zijn: - Aanwezige planten en dieren worden voorafgaand aan het delven van een natuurgraf opzij gezet, en eventueel na dichten van het natuurgraf weer teruggeplaatst. - Plekken die niet betreden mogen worden, worden aangeduid / uitgerasterd. Eventuele aanwezige zoogdieren, reptielen en amfibieën worden voorafgaand aan natuurbegrafenis van de plek verwijderd en verplaatst naar een geschikte plek in de nabijheid (conform de richtlijnen in onderhavig protocol).
2.2
Ceremonie Voor het gedeelte van de ceremonie dat buiten plaatsvindt gelden de volgende uitgangspunten: - de ceremonie heeft een ingetogen karakter met respect voor de natuurlijke omgeving: - er vinden geen ceremonies plaats tussen zonsondergang en zonsopgang; - bezoekers lopen zoveel mogelijk over de bestaande paden; - bezoekers blijven buiten de vooraf afgezette zones om schade of verstoring aan kwetsbare (beschermde of bedreigde) natuurwaarden te voorkomen, zoals een dassenburcht. De beschermde zones worden wanneer nodig afgezet met natuurlijk materiaal passend bij NBN; - er worden geen auto’s van bezoekers op het terrein toegestaan anders dan op de parkeerplaats en de toerit daarvan; - het geluidsniveau zal ingetogen zijn, hiervoor is vooraf afstemming met de organisatie van de natuurbegrafenis; - ceremonies kunnen jaarrond plaatsvinden.
17
3 Natuurbeheer 3.1
Algemeen Op de Natuurbegraafplaats Hooghei zijn de onderstaande typen beheer (en onderhoud) aan de orde (Van Limpt, 2021): beheer van bos; beheer van bosranden; beheer van grasland; beheer van vennen. Het Inrichtings- en Beheerplan is leidend voor waar welk natuurtype wordt ontwikkeld. Toolbox meeting Periodiek wordt een toolbox-meeting gehouden met de uitvoerenden door de beheerder of een ter zake kundige. Een dergelijke toolboxmeeting: - vindt minimaal twee keer per jaar plaats; - wordt gehouden wanneer het voorliggende werkprotocol een wezenlijke wijziging heeft ondergaan; - wordt gehouden wanneer sprake is van een nieuwe beheerder op het terrein; - wordt gehouden wanneer er een calamiteit is opgetreden waarop acute beheersmaatregelen noodzakelijk zijn. Voorzorgsmaatregelen - Periodiek vindt monitoring plaats om locaties van (onder andere) koepelnesten, eekhoornnesten, dassenburchten en roofvogelhorsten in kaart te brengen. - Er wordt gewerkt buiten het broedseizoen en buiten de kwetsbare perioden van beschermde soorten tenzij: o middels controle of inventarisatie is gebleken dat op de locatie of in de boom waar beheer wordt uitgevoerd geen in gebruik zijnde nesten of andere voortplantingslocaties of overwinterende dieren aanwezig zijn. o een ontheffing Wnb verkregen is.
- Bij werkzaamheden in de winterperiode wordt gecontroleerd op eventuele overwinterende dieren zoals egels en amfibieën onder opgehoopt blad (en takkenhopen) op de werklocatie. Wanneer de reikwijdte van de voorziene werkzaamheden niet aangepast kan worden en daarmee het welzijn van het dier niet gegarandeerd kan worden, zal het dier worden verplaatst naar een gelijkwaardige overwinteringsplaats op de natuurbegraafplaats. - Bij werkzaamheden wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande wegen, paden en sporen. - Bij groeiplaatsen, vaste nestplaatsen4 of andere vaste verblijfplaatsen van beschermde soorten in de nabijheid van de werkzaamheden, wordt een 4
Op grond van door het ministerie van LNV verstrekte handreikingen worden nesten van de volgende soorten als jaarrond beschermde nestplaatsen beschouwd: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele
18
-
-
3.2
beschermingszone in acht genomen, zoals beschreven staat in paragraaf 2.1.3, tenzij de uit te voeren werkzaamheden bedoeld zijn voor het duurzaam kunnen voortbestaan van de betreffende groeiplaats of soort op de natuurbegraafplaats. Werkzaamheden worden altijd zoveel mogelijk in een aaneengesloten periode uitgevoerd, zodat de doorlooptijd zo kort mogelijk is. Het uitslepen van gevelde (delen van) bomen vindt (indien noodzakelijk) aansluitend plaats op de velling. Werkzaamheden worden gefaseerd uitgevoerd wanneer dit vanwege het voortbestaan of minimaliseren van (indirecte) negatieve effecten op een beschermde of bedreigde soort nodig is.
Bosbeheer Het uitvoeren van beheer in bospercelen betreft het verwijderen van bomen en struiken en het (periodiek) afzetten van houtige beplantingen, zoals braamstruwelen. Uitgangspunten en beperkingen - Elke dag wordt voorafgaand aan boswerkzaamheden waarbij gemotoriseerd materiaal wordt ingezet, door de beheerder of hoofduitvoerder afgestemd of een natuurbegrafenis ceremonie is voorzien op de natuurbegraafplaats. Gedurende de ceremonie wordt bij beheersmaatregelen geen luidruchtig materieel gebruikt. - (Dode) bomen met holten, spleten en loshangende bast worden ontzien van kap, vanwege de (potentiële) functie voor broedvogels, vleermuizen en andere boombewonende zoogdieren (zoals eekhoorn, momenteel niet aanwezig). - (Dode) bomen met holten, spleten en loshangende bast worden alleen gekapt indien dit voor de veiligheid van de bezoekers van de natuurbegraafplaats nodig is. Het te hanteren bosbeleid (Conform bosbeleid Natuurmonumenten) geeft de ambitie dat er minimaal 10 dode of stervende bomen met een diameter van > 30 cm per ha aanwezig moeten zijn wanneer deze opstanden met desbetreffende diameter aanwezig zijn in het gebied.. - Indien bomen met holten, spleten en loshangende bast worden gekapt, wordt voorafgaand gecontroleerd door een ter zake kundig persoon of er beschermde soorten gebruik maken van de betreffende boom of bomen. Zo ja, dan wordt kap tijdelijk uitgesteld.
Een ter zake kundig ecoloog zal bepalen wanneer kap wel doorgang kan vinden of dat ontheffing van de Wnb nodig is. - Indien bomen met holten, spleten en loshangende bast worden gekapt, wordt bepaald of er aanvullend (tijdelijke) kunstmatige vervanging van boomholten voor vleermuizen nodig is. - Bij vestiging van das op of direct nabij de natuurbegraafplaats zullen werkzaamheden niet op en / of nabij eventuele dassenburchten plaatsvinden, tenzij dit om veiligheidsredenen nodig is of wanneer het gaat om afzetten van exoten. Vewijdering van exoten vindt dan enkel plaats buiten de verstoringsgevoelige periode (voortplantingsperiode). Er wordt in dat geval gebruik gemaakt van
kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief, zwarte wouw.
19
-
aangepast (lichtgewicht) materieel om schade aan de burcht te voorkomen of te minimaliseren. Bij de werkzaamheden in de directe omgeving van een burcht wordt gehandeld conform het meest recente Kennisdocument Das (nu Bij12, 2017). De valrichting van te kappen bomen is altijd van groei- en (vaste) nest- en rustplaatsen afgekeerd. Koepelnesten van mieren worden ontzien waarbij een beschermingszone van twee meter wordt gehanteerd. Te kappen bomen kunnen (deels) blijven liggen als in het kader van biodiversiteit. Dood hout is voor veel planten en dieren aantrekkelijk. Er wordt geen hout versnipperd en op de bosbodem achtergelaten. Houtsnippers kunnen wel gebruikt worden als halfverharding van (bos)paden. Alle paden worden onderhouden als wandelroute.
Kalender Voor de bovenstaande werkzaamheden in het kader van het voorziene kleinschalige bosbeheer en beheer langs paden gelden de onderstaande indicatieve perioden waarbinnen het werk kan worden uitgevoerd Weersomstandigheden kunnen variëren en daarmee de actieve of inactieve perioden van beschermde soorten beïnvloeden. Bij twijfel wordt een ter zake kundig ecoloog ingeschakeld.
3.3
Beheer van gras- en kruidenvegetaties Het uitvoeren van beheer van gras- en kruidvegetaties op de natuurbegraafplaats betreft het periodiek maaien en afvoeren van het maaisel. Uitgangspunten en beperkingen - Elke dag wordt voorafgaand aan werkzaamheden waarbij gemotoriseerd materiaal wordt ingezet, door de beheerder of hoofduitvoerder afgestemd of een natuurbegrafenis ceremonie is voorzien op de natuurbegraafplaats. Gedurende de ceremonie wordt bij beheersmaatregelen geen luidruchtig materieel gebruikt. - Het maaibeheer zal gefaseerd worden uitgevoerd. Niet meer dan de helft van de gras- en kruidvegetaties wordt per keer gemaaid. Er zit minimaal twee weken tussen maaimomenten. Voor schraal graslandvegetaties dient circa 10% jaarlijks niet te worden gemaaid. Voor uitvoering van het maaibeheer wordt verder verwezen naar de gedragscode Natuurbeheer 2016-2021 (VBNE). Doel is dat voor kleine
20
-
-
-
zoogdieren, amfibieën en reptielen altijd voldoende dekking aanwezig is, voor insecten altijd bloeiende planten beschikbaar zijn en plantensoorten zoveel mogelijk tot zaadzetting kunnen komen. Voorafgaand aan de maaiactiviteit wordt gecontroleerd op aanwezige nesten, (bodembroeders), burchten en beschermde plantensoorten. Van burchten wordt minimaal 10 m afstand gehouden. Bosranden en randen langs struwelen worden gecontroleerd op aanwezige (zonnende) amfibieën en reptielen. Bij aantreffen van beschermde diersoorten of broedende vogels in de te maaien vegetatie wordt bepaald of er gemaaid wordt, waar gemaaid wordt (beschermingszones nodig) of dat het werk tijdelijk wordt uitgesteld. Bij twijfel wordt een ter zake kundig ecoloog geraadpleegd. Het maaien van vegetaties met beschermde of bedreigde plantensoorten vindt plaats na de zaadzetting en rijping van de zaden. Het moment dat gemaaid kan worden is afhankelijk van de betreffende plantensoort. Koepelnesten van mieren worden ontzien. Hierbij wordt een beschermingszone van twee meter gehanteerd.
Kalender Voor de bovenstaande werkzaamheden in het kader van maaiwerkzaamheden gelden de onderstaande indicatieve perioden waarbinnen het werk kan worden uitgevoerd. Weersomstandigheden kunnen variëren en daarmee de activiteit van beschermde diersoorten en het groeiseizoen van planten beïnvloeden. Bij twijfel wordt een ter zake kundig ecoloog ingeschakeld.
3.4
Beheer van vennen De gegraven vennen en de natste gedeelten van de vochtige zone worden periodiek geschoond door jaarlijks een deel van de oevervegetatie te maaien en houtige beplanting te verwijderen. Richtlijn is dat hierbij circa 25% van de oevers begroeid blijven met houtige beplanting. Kalender Voor de bovenstaande werkzaamheden in het kader van onderhoud aan de vennen gelden de onderstaande indicatieve perioden waarbinnen het werk kan worden uitgevoerd. Weersomstandigheden kunnen variëren en daarmee de activiteit van
21
beschermde diersoorten en het groeiseizoen van planten beïnvloeden. Bij twijfel wordt een ter zake kundig ecoloog ingeschakeld.
3.5
Beheer gebouw(en) Het uitvoeren van beheer van gebouwen op de natuurbegraafplaats betreft het regulier onderhoud van het ceremoniegebouw en de werkruimten, zoals schilderwerk, dakgoten reinigen en schoonmaken. Uitgangspunten en beperkingen - Voorafgaand aan regulier onderhoud wordt gecontroleerd op aanwezigheid van broedvogels en vleermuizen. Indien in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn, worden verstorende werkzaamheden uitgesteld. Kalender Voor de bovenstaande werkzaamheden in het kader van onderhoud van gebouwen gelden de onderstaande indicatieve perioden waarbinnen het werk kan worden uitgevoerd. Uitgangspunten hierbij is controle op aanwezigheid van beschermde soorten en uitvoering van verstorende werkzaamheden bij afwezigheid van beschermde soorten. Weersomstandigheden kunnen variëren en daarmee de activiteit van beschermde diersoorten beïnvloeden. Bij twijfel wordt een ter zake kundig ecoloog ingeschakeld.
3.6
Wegen en paden Onderstaande richtlijnen hebben betrekking op beheer van bermen en onverharde paden.
22
Het beheer van wegen en paden is erop gericht deze in goede staat te houden en overgroeien te voorkomen. Ook draagt het beheer bij aan het voorkomen van oplopen van letsel indien gebruik gemaakt wordt van de wegen en paden. - Voor beheer boomopstanden langs wegen en paden zie regels genoemd in § 3.2. - Voorafgaand aan uitvoering van beheermaatregelen in bermen en op onverharde paden wordt door de beheerder eerst gecontroleerd op het voorkomen flora en fauna. - Aanwezige amfibieën en reptielen worden daarbij verplaatst naar een plek buiten de invloed van de beheermaatregel. - Verblijfplaatsen van zoogdieren en nesten van vogels worden gemarkeerd en bij uitvoering van beheermaatregel ontzien. - Bijzondere flora die niet aangepast is aan de uit te voeren beheermaatregel wordt verplaatst naar een andere geschikte groeiplaats binnen het terrein. - Bij sneeuwval worden wegen en paden waar mogelijk mechanisch begaanbaar gehouden. Kalender Voor de bovenstaande werkzaamheden in het kader van onderhoud van wegen en paden gelden de onderstaande indicatieve perioden waarbinnen het werk kan worden uitgevoerd. Uitgangspunten hierbij is controle op aanwezigheid van beschermde soorten en uitvoering van verstorende werkzaamheden bij afwezigheid van beschermde soorten.
3.7
Calamiteiten, overig Calamiteiten Er zijn twee typen calamiteiten te benoemen voor Hooghei: 1. een calamiteit waarbij door werkzaamheden de zorgplicht of verbodsbepalingen van de Wnb worden overtreden; 2. een calamiteit zoals stormschade, waardoor bomen dreigen om te vallen of grote zware takken dreigen af te breken of los hangen, waardoor de veiligheid van de bezoekers van de natuurbegraafplaats in het geding dreigen te brengen. Een calamiteit in het kader van het overtreden van de zorgplicht en/of overtreden van verbodsbepalingen van de Wnb en het in gevaar brengen van de leefomgeving van soorten die beschermd zijn conform de paragraven 3.1, 3.2 en 3.3 Wnb is een
23
ongewenste gebeurtenis die leidt of had kunnen leiden tot ongewenste schade aan beschermde planten en dieren. Dit kan ook gelden voor bedreigde plantensoorten die een Rode lijststatus ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’ hebben. Als gevolg van bijvoorbeeld stormschade kunnen bomen dusdanig scheef komen te staan dat daadwerkelijk omvallen slechts een kwestie van tijd is. Ook kunnen grote zware takken (half) zijn afgebroken of los in de boomkroon hangen. Bij dergelijk dreigend gevaar voor de bezoekers van de natuurbegraafplaats worden de bomen of takken verwijderd die het directe gevaar opleveren. Voorafgaand aan het verwijderen wordt de boom in kwestie zo goed als mogelijk is geïnspecteerd op eventueel aanwezige beschermde diersoorten, zoals vleermuizen. Ondanks voorzorgsmaatregelen is het optreden van calamiteiten niet geheel uit te sluiten. Het is verplicht om calamiteiten te melden bij de beheerder zodat deze geanalyseerd en geëvalueerd kunnen worden. Dit om de juiste maatregelen te nemen om soortgelijke gebeurtenissen in de toekomst te voorkomen. Het formulier opgenomen in Bijlage 3 wordt ingevuld als onderdeel van de procedure. Overige zaken Indien een exemplaar van groot wild (zoals ree) dood wordt aangetroffen op de natuurbegraafplaats, wordt een geschikte plek aangewezen waar het dier naar verplaatst wordt. Dit zal buiten de begrenzing van de natuurbegraafplaats zijn.
24
4 Literatuur Bij12, 2017a. Kennisdocument Levendbarende hagedis, versie 1.0. Bij12, 2017b. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0. Bij12, 2017c. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis, versie 1.0. Bij12, 2017d. Kennisdocument Buizerd, versie 1.0. Brana,
2015. Gedragscode voor leden Natuurbegraafplaatsen Nederland.
van
de
Branche
Vereniging
voor
De Boer, E.J.F. & L. Verhoek. 2021. Effecten ontwikkeling Natuurbegraafplaats Hooghei te Berlicum. Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Bureau Waardenburg Rapportnr. 20-181. Bureau Waardenburg, Culemborg.Het Bosschap, 2016. Gedragscode beheer 2016 – 2021. Het Bosschap, 2010. Gedragscode bosbeheer 2010 – 2015. RVO, 2016. Brief met kenmerk RVO/2016/377. Besluit tijdelijke verlenging gedragscode. Van Limpt, P., 2021. Natuurbegraafplaats Hooghei. Inrichtings- en Beheerplan. VBNE, 2015. Gedragscode Natuurbeheer 2016-2021. Concept. Inclusief concept goedkeuringsbesluit dd. 18-02-2016 RVO. Vogelbescherming Nederland & Het Bosschap, 2015. Gedragscode zorgvuldig bosbeheer.
25
26
Bijlage 1 Kader Wet natuurbescherming 1.1
Inleiding Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (kortweg: Wnb) in werking. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Met de inwerkingtreding van de Wnb zijn de provincies het bevoegde gezag voor de ontheffing- en vergunningverlening voor plannen en projecten en voor het vaststellen van vrijstellingsregelingen. Bij provincie overschrijdende projecten is dit de minister van EZ. Deze bijlage vat het wettelijk kader samen voor toetsing van ruimtelijke ingrepen en andere handelingen. In paragraaf 1.2 komen algemene bepalingen van de wet aan de orde. Gebiedsbescherming is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 2 Natura 2000gebieden’ en is hier samengevat in paragraaf 1.3. De bescherming van soorten is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 3 Soorten’ en in deze bijlage samengevat in paragraaf 1.4. De bescherming van bomen en bos is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 4 Houtopstanden, hout en houtproducten’. Dit laatste hoofdstuk en andere onderdelen van de Wnb zoals jacht, schadebestrijding, overlastbestrijding, faunabeheer en omgang met exoten maken geen deel uit van deze bijlage.
1.2
Algemene bepalingen Art 1.10 De Wet natuurbescherming is gericht op:
•
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en • het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Art 1.11 Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht houdt in elk geval in dat handelingen waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat ze nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten achterwege blijven, dan wel dat noodzakelijke maatregelen worden getroffen om negatieve gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen ze beperkt of ongedaan worden gemaakt. Art 1.12 Gedeputeerde staten van de provincies dragen zorg voor: • het nemen van de nodige maatregelen voor de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden in voldoende gevarieerdheid voor alle van
27
•
•
nature in het wild levende vogelsoorten en planten en dieren en hun habitats van bijlagen II, IV en V bij de Habitatrichtlijn en habitattypen van bijlage I van de Habitatrichtlijn; het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende van nature in het wild voorkomende dier- en plantensoorten; de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland.
Gedeputeerde staten kunnen gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en ‘bijzondere provinciale landschappen’.
1.3
Natura 2000-gebieden De Natuurbegraafplaats Hooghei ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Ook de directe omgeving maakt geen deel uit van Natura 2000-gebied. Aangezien in de natuurtoets geen effect op Nattura 2000-gebied wordt voorzien is dit onderdeel van de Wnb in dit geval niet van belang en wordt daarom niet behandeld
1.4
Soorten Verbodsbepalingen De Wnb onderscheid bij de bescherming van soorten drie beschermingsregimes: Art. 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk in het wild levende vogels (VR artikel 1) te doden of te vangen.
2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder 1 te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
3.
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld onder 1 te rapen en deze onder zich te hebben.
4.
Het is verboden vogels als bedoeld onder 1 opzettelijk te storen.
5.
Het verbod, opzettelijk storen, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het ministerie heeft een lijst gemaakt van soorten vogels die hun nest doorgaans het hele jaar door of telkens opnieuw gebruiken. Deze nesten zijn jaarrond beschermd5. Voor andere soorten geldt dat de nesten alleen beschermd zijn wanneer zij (in het broedseizoen) in gebruik zijn.
5
Zie de Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingrepen, ministerie van LNV, augustus 2009.