CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

11.a - Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Hooghei te Berlicum

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 26 januari 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: 11 Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Hooghei38.155 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 65/100

natuurbegraafplaats zal zoveel mogelijk gebiedseigen grond worden toegepast. Grond die vrijkomt door het realiseren van een natte zone en twee vennen zal worden gebruikt voor de ophogingen in het gebied. Afvalwater De informatie/ceremonieruimte wordt voorzien van een toilet en keuken en zal zodoende afvalwater opleveren. Voor het afvoeren van het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande riool of dit wordt binnen het plangebied verwerkt via een hydrofilter. Hierdoor wordt het vuile water gescheiden van het schone hemelwater. Op basis van een gelijktijdigheid van 1 in de worst-case situatie (een hotel/restaurant heeft een gelijktijdigheid van 0.7) is 4,44 l/s capaciteit nodig om het afvalwater voor de natuurbegraafplaats in een piek na een ceremonie op te vangen. Bij een gelijktijdigheid van 0.7 is dit 3,11 l/s (buisdiameter 125). Op basis van deze informatie zijn geen capaciteitsproblemen te verwachten als het gaat om de aansluiting op het bestaande riool. Over de aanlegkosten van de riolering of hydrofilter heeft de gemeente Sint-Michielsgestel afspraken gemaakt met Natuurbegraven Nederland.

Hemelwater Zoals in het Inrichtings- en beheerplan (bijlage 6 Regels) is beschreven, wordt een bosparkeerplaats met toegangsweg van circa 2.000 m² halfverharding aangelegd en wordt in het bouwvlak van 750 m² een gebouw van 500 m² ten behoeve van een informatiecentrum met ceremonieruimte en opslag voor de natuurbegraafplaats gerealiseerd. De overige 250 m² kan in erfverharding worden aangelegd. Daar tegenover staat dat de recreatiewoning van 400 m² centraal gelegen in het plangebied aan verharding wordt weggehaald uit het gebied. Dit wordt gebruikt ter compensatie, waardoor verhard oppervlak zal toenemen met 350 m². Hiervoor geldt vrijstelling voor artikel 3.6 van de Keur. Daarnaast wordt ongeveer 5.600 m² aan halfverharde paden aangelegd. Totaal komt dit neer op een toename van circa 7.600 m² halfverharding en maximaal 350 m² verharding binnen het plangebied. De paden en parkeerplaats worden uitgevoerd in een natuurlijk waterdoorlatende halfverharding van onsamenhangend materiaal dat meer draagkracht levert dan de originele grond en waarlangs het hemelwater kan infiltreren in de bodem. Uit de analyse grondwaterpeilen (bijlage 15 bij de Toelichting) is gebleken dat er sprake is van een zeer zandige bodemopbouw zonder slecht waterdoorlatende lagen die het infiltreren van regenwater zouden kunnen belemmeren.

NBN zal de halfverharding uitvoeren in gebiedseigen materiaal, zoals bijvoorbeeld Achterhoekse padvast. De beperkte toename aan (half)verharding zal niet leiden tot een (versnelde) afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater. Het gaat hier om een open natuurgebied van 10,8 hectare waar het water goed kan infiltreren in de bodem en waardoor een relatief klein oppervlakte aan (half)verharding geen overlast zal veroorzaken. Wateroverlastvrij bestemmen Het plangebied bestaat momenteel grotendeels uit bos. Met de realisatie van dit plan wordt 750 m² aan nieuwe verharding toegevoegd en wordt 400 m2 aan mogelijke verharding wegbestemd. De toename van verhard oppervlak komt daarmee neer op maximaal 350 m². Daarnaast wordt circa 7.600 m² aan halfverharding aangelegd. Deze halfverharding wordt uitgevoerd in een natuurlijk waterdoorlatende halfverharding van onsamenhangend materiaal dat meer draagkracht levert dan de originele grond en waarlangs het hemelwater kan infiltreren in de bodem. Het hemelwater kan zodoende goed infiltreren in het natuurgebied van 10,8 hectare en waardoor een relatief klein oppervlakte aan (half)verharding geen overlast zal veroorzaken. Hemelwater dat neerkomt op de halfverharding kan grotendeels door de halfverharding heen infiltreren in de bodem. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van hydrologisch neutraal ontwikkelen.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 66/100

Toetsing ontwateringsnorm De ontwateringsnorm infrastructuur en bebouwing is in Nederland vastgelegd in de Leidraad Riolering (C1000). Afhankelijk van de functie en inrichting van het gebied zijn de volgende richtlijnen beschikbaar met betrekking tot de toelaatbare grondwaterstanden: Functie:

Toelaatbare grondwaterstand

Woningen met kruipruimte *

0.70 m – kruin weg

Woningen zonder kruipruimte *

0.30 m – kruin weg

Tuinen en openbare groenvoorziening

0.50 m – kruin weg

Primaire wegen

0.90 – 1.00 m – kruin weg

Secundaire wegen + woonstraten

0.70 m – kruin weg

* Uitgangspunt: vloerpeil van woningen 0.2 tot 0.3 m + maaiveld. De grondwaterstanden in deze tabel mogen gemiddeld enkele dagen per jaar voorkomen.

Tabel: Toelaatbare grondwater in relatie tot de functie van de grond (bron: Leidraad Riolering)

De locatie voor de informatie/ceremonieruimte is gelegen op 5,20 m + NAP en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt op deze locatie 0,85 meter onder maaiveld. De GHG is dan gelegen op 4,35 m + NAP. Het toekomstige bouwpeil dient dan minimaal 4,65 m + NAP te bedragen (uitgaande van woningen zonder kruipruimte). Het huidige maaiveldniveau bedraagt 5,20 m + NAP. Dit is voldoende om aan de norm te voldoen. Landslide milieu-adviesbureau heeft in maart 2021, aanvullend op het rapport van Alterra uit 2013, een kaartstudie uitgevoerd en aansluitend veldwerkzaamheden uitgevoerd. De belangrijkste resultaten worden hieronder gedeeld. De rapportage is toegevoegd als bijlage 15. Het doel van het uitgevoerde onderzoek is tweeledig. Het eerste deel van het uitgevoerde onderzoek is specifiek gericht op het vaststellen van eventueel slecht(er) doorlatende bodemlagen, die voor de waterhuishouding en bij het delven van natuurgraven voor belemmeringen zouden kunnen zorgen. Het tweede deel van het onderzoek was gericht op het vaststellen van het actuele grondwaterpeil en op het maken van een zo betrouwbaar mogelijke inschatting van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) op locatie. De uitkomst hiervan bepaalt op welke delen van het terrein zonder aanpassingen begraven mag worden en op welke delen van het terrein aanpassingen nodig zijn •

De eerder door Alterra uitgevoerde analyse met de daarin aangegeven bandbreedte van GHG sluit aan bij de bevindingen op basis van het recentelijk opnieuw uitgevoerde onderzoek (2021). Dit betekent dat de gegevens voor de ophogingen etc. die zijn gebaseerd op het onderzoek uit 2013 nog steeds kunnen worden aangehouden. • De bodemopbouw vormt geen belemmering voor natuurbegraven. • Op een deel van de dekzandrug is natuurbegraven zonder extra ingrepen mogelijk (wat betreft de vereiste ophoging). Andere terreindelen dienen in meer of mindere mate te worden opgehoogd om de vereiste ophoging te kunnen realiseren. Daarmee voldoet de beoogde inrichting ter plekke van de geplande locatie voor natuurbegraven aan de inrichtingseisen uit de Wet op de lijkbezorging en de bijbehorende inspectierichtlijnen. Hiermee worden eventuele milieueffecten door natuurbegraven voorkomen. Op basis van bovenstaande randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht voor de bestemmingswijziging.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 67/100

Beoordeling en conclusie opvanghuis Aan de zuidzijde van het opvanghuis wordt de bestaande situatie vastgelegd. De hemelwaterafvoer van deze oppervlakteverharding wordt afgevoerd op het bestaande rioleringsstelsel. Het noordelijk deel van de toe te voegen maatschappelijke bestemming is enkel gericht op mogelijke buitenactiviteiten voor in de toekomst. Ter plaatse verandert er niets in het verharde oppervlak. 5.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart met globale plangrens (bron: provincie Noord-Brabant, 2019)

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 68/100

Beoordeling en conclusie Uit een beoordeling van de Cultuurhistorische Waardenkaart (zie de figuur hiervoor) blijkt dat onderhavig plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden omvat. Ook de in de naaste omgeving zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden, elementen of structuren aanwezig welke met de ontwikkeling van onderhavig plangebied aangetast zouden kunnen worden. 5.5

Archeologie

Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Beoordeling en conclusie recreatiepark In oktober 2014 is door Econsultancy een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 11). Bij veertien boringen in het plangebied is het bodemprofiel dermate diep verstoord (40-100 cm –mv) dat de gehele podzol is verdwenen. Bij vijf boringen in het plangebied is een nog geheel intact podzolprofiel aangetroffen. Bij vier boringen is een gedeeltelijk afgetopt podzolprofiel waargenomen. Uit de ruimtelijke spreiding van de boringen blijkt dat de boringen onder de grasvelden en weilanden nog grotendeels intact zijn. Alle boringen in bebost gebied zijn echter tot in de C-horizont verstoord. Vermoedelijk zijn deze verstoringen ontstaan door de bosbouw in het gebied (met name bij het rooien van bomen). Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan de gespecificeerde archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag voor alle perioden voor het noordoostelijke deelgebied en het zuidelijk deelgebied uitgezonderd de grasvelden. Voor de grasvelden in het zuidelijke deelgebied en het gehele noordwestelijke deelgebied blijft de gespecificeerde archeologische verwachting zoals opgesteld in het bureauonderzoek staan. Op basis van het behoud van een middelhoge trefkans voor een deel van het plangebied blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn.

Daar waar het bodemprofiel is verstoord, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het noordwestelijke deelgebied en het noordelijke deel van het zuidelijke deelgebied nader te onderzoeken door middel van een karterend booronderzoek gericht op het opsporen van nederzettingen met overwegend aardewerk. Binnen de overige delen van het plangebied, waar het bodemprofiel is verstoord en waar dus geen archeologische waarden worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Met archeologisch veldonderzoek is aangetoond dat de kans op archeologische sporen klein is. De resultaten van het archeologisch onderzoek zijn door het bevoegd gezag beoordeeld. Het bevoegd gezag heeft, in een

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 69/100

selectiebesluit in afwijking van het advies van Econsultancy, in een selectiebesluit van december 2015 besloten dat: • In het noordoostelijk deelgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ wordt gehandhaafd. Indien bodemingrepen in deze deelgebieden plaatsvinden die onderzoeksplichtig zijn, wordt onderzoek gedaan voorafgaan de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen. • De archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 4’ op het noordwestelijk en zuidwestelijk deelgebied kan van de verbeelding worden verwijderd. • In de overige gebieden die niet onderzocht zijn door Econsultancy is een gebiedsaanduiding ‘overige zone – archeologische verwachtingswaarde 1’ en ‘overige zone – archeologische verwachtingswaarde 2’ van toepassing bij het doen van ingrepen in de bodem met een bepaalde oppervlakte en tot een bepaalde diepte (aanlegvergunningstelsel). Dit aanlegvergunningstelsel blijft gehandhaafd. Archeologische verwachtingswaarden worden gerespecteerd. Het initiatief is aanvaardbaar met betrekking tot het aspect archeologie. Beoordeling en conclusie natuurbegraafplaats Voor dit deelgebied is in het kader van dezelfde ontwikkeling in 2009 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Thijs 2009, zie bijlage 16).

In 2021 is door KSP Archeologie een adviesnotitie geschreven om te bepalen in hoeverre het reeds uitgevoerde onderzoek uit 2009 nog van toepassing is en. Ook zijn de selectieadviezen n.a.v. dit onderzoek door de regioarcheoloog (Genabeek 2013 en Bosman 2015) meegenomen in dit advies. Deze adviesnotitie is toegevoegd als bijlage 17. De resultaten van dit advies worden hieronder beschouwd. Op basis van het onderzoek uit 2009 heeft een deel van de natuurbegraafplaats een middelhoge archeologische verwachting/ trefkans. Het rapport van dit onderzoek is door de regio-archeoloog (Senior Archeoloog van de gemeente ‘s -Hertogenbosch) beoordeeld in 2013 en er is aangegeven dat “vanwege de extensieve verstoringen voor natuurbegravingen geen nader archeologisch onderzoek nodig is, maar dat bij grote ingrepen die dieper gaan dan de bouwvoor verder archeologisch onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek nodig is”. In 2015 heeft de regio-archeoloog dit gespecifieerd naar het opnemen van een archeologische dubbelbestemming waarbij archeologisch onderzoek nodig is bij bodemingrepen dieper dan 0,5 m over een oppervlak groter dan 100 m² binnen de zones met en middelhoge trefkans.

Geconcludeerd wordt dat op advies van de regio-archeoloog in de zones met een middelhoge trefkans een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen kan worden waarbij de aanleg van natuurgraven uitgezonderd is van de archeologische onderzoeksplicht. Geconcludeerd wordt dat op advies van eerder onderzoek door Thijs en door de regio-archeoloog in de zones met een middelhoge trefkans een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ (in plaats van gebiedsaanduiding ‘overige zone – archeologische verwachtingswaarde 1’) opgenomen kan worden, met het voorschrift dat voor grote ingrepen een vervolgonderzoek nodig is. De aanleg van natuurgraven is uitgezonderd van de archeologische onderzoeksplicht. Bij waarde archeologie 4 hoort wel een iets strengere onderzoeksplicht dan de gebiedsaanduiding 'overige zone - archeologische verwachtingswaarde 1' (vanaf 100 m2 en 50 cm diepte, in plaats vanaf 100 cm diepte). Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en de selectieadviezen kan de gebiedsaanduiding ‘overige zone archeologische verwachtingswaarde 2’ in het zuiden komen te vervallen. Deze aanduiding mag dan ook uit de

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 70/100

verbeelding en de regels worden weggehaald (voor een lage verwachtingswaarde is een aanduiding niet nodig; bovendien geldt hier geen onderzoeksplicht). Het karterend booronderzoek als vervolgstap is in het verleden (2013 en 2015) afgeraden door de regioarcheologen. Voor het opsporen van archeologische vindplaatsen uit de periode Neolithicum t/m de Nieuwe Tijd is een proefsleuvenonderzoek een betere onderzoeksmethode: "Vanwege de (paleo)landschappelijke ligging is een karterend booronderzoek niet meest geëigende methode voor vervolgonderzoek. Vanwege de extensieve verstoring van het gebied (en de dichte begroeiing) is het uitvoeren van een traditioneel waarderend proefsleuvenonderzoek echter ook weinig zinvol. Een uitzondering vormen echter grotere grondingrepen zoals bijvoorbeeld waterpoelen die zich in de zones met een middelhoge verwachting bevinden en die dieper dan de bouwvoor worden uitgevoerd. Voor dergelijke ingrepen geldt dat eerst een proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd”. Dit vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd voor grote grondingrepen > 100 m2 en dieper dan 0,50 cm worden uitgevoerd binnen de gebieden met archeologische verwachtingswaarde 4. Het archeologisch onderzoek heeft geleid tot aanpassingen in de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan.

In het deelgebied van de natuurbegraafplaats wordt een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ gelegd op de gronden waarvoor de archeologische verwachtingswaarde middelhoog is. Gebieden waar een lage trefkans van toepassing is, worden vrijgesteld van verder archeologisch onderzoek. Het initiatief is aanvaardbaar met betrekking tot het aspect archeologie. Beoordeling en conclusie opvanghuis Voor de ontwikkelingen rondom het opvanghuis is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk aangezien er geen grondwerkzaamheden uitgevoerd worden en er dus ook geen sprake is van een eventuele aantasting van mogelijk aanwezige archeologische waarden. 5.6

Ecologie: Natura-2000

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling en conclusie Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek is gelegen op een afstand van 7.4 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Bureau Waardenburg heeft een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor alle drie de initiatieven samen.

Ondanks dat de bijgebouwen bij het opvanghuis reeds gerealiseerd zijn, is de bouw en het gebruik van twee bijgebouwen van het Opvanghuis Berlicum meegenomen in de AERIUS-berekening om een beeld te krijgen van de eventuele effecten in de worst case scenario.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 71/100

Bureau Waardenburg concludeert dat bij de te beschermen gebieden geen relevante bijdrage (0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie berekend wordt. Aangezien geen significante negatieve effecten mogen worden verwacht, vormt stikstofdepositie geen belemmering voor de planrealisatie. De rapportage inclusief berekeningsresultaten is toegevoegd als bijlage 21 van de toelichting. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten ten aanzien van gebiedsbescherming. 5.7

Ecologie: soortenbescherming

Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling en conclusie recreatiepark In het kader van de uitbreiding van het recreatiepark is in januari 2021 een quickscan flora & fauna uitgevoerd. Daarvoor is een veldbezoek uitgevoerd aan het plangebied. Deze rapportage is toegevoegd als bijlage 5. Econsultancy heeft al eerder op de onderzoekslocatie een quickscan flora en fauna (2014) en een actualisatie quickscan flora en fauna (2017) uitgevoerd.

Onderhavige quickscan is aangevraagd naar aanleiding van de datering van de voorgaande quickscan. Voor de aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in navolgende tabel. Op basis van onderhavige quickscan wordt geen verstoring van streng beschermde dieren en of planten verwacht. Er wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep op eventuele vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen. Voorwaarde daarbij is wel dat de bosranden, wegen en de laanbomen onverlicht blijven. De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving van Berlicum. Het uitbreidingsgebied bestaat uit weides en is ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor dassen door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden. Mogelijk hebben de weides een functie als foerageergebied voor dassen, het betreft echter geen essentieel foerageergebied aangezien er voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving aanwezig is. In 2014, 2017 en tijdens het veldbezoek in 2020 is de eerste 50 meter van de bossen rondom het uitbreidingsgebied onderzocht op de aanwezigheid van dassenburchten. Tijdens alle veldbezoeken zijn oude, vervallen dassenpijpen aangetroffen in het naaldbosje direct ten zuiden van de weide waarop de camping wil uitbreiden.

Deze locatie is niet meer in gebruik door dassen; er zijn geen sporen aangetroffen. Verstoring ten aanzien van de das kan worden uitgesloten.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 72/100

Resultaten quickscan flora en fauna (bron: Econsultancy, januari 2021)

Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Wanneer het aanwezige groen op de planlocatie in het broedseizoen moeten worden verwijderd, wordt geadviseerd voor de start van de werkzaamheden een broedvogelinspectie uit te laten voeren. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Het plan voldoet aan de Wet natuurbescherming. Beoordeling en conclusie natuurbegraafplaats In het kader van de realisatie van de natuurbegraafplaats is in april 2021 een natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek omvat een update van eerdere natuurtoetsen uit 2013 en 2018 naar de effecten van deze ontwikkeling op beschermde soorten en het Natuur Netwerk Brabant. Onderdeel van deze actualisatie was nieuw veldonderzoek. De natuurtoets is toegevoegd als bijlage 12. De inrichtingsschets die voor Natuurbegraafplaats Hooghei is opgesteld is in overeenstemming met de ambitiekaart voor de natuurdoeltypen binnen het NNB. De natuurambitie van Natuurbegraven Nederland voor het gebied is door de provincie Noord-Brabant overgenomen in het natuurbeheerplan.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 73/100

In de natuurtoets wordt geconcludeerd dat de huidige waarde van het bos relatief laag is. Het bos is arm van structuur en een goed ontwikkelde struiklaag ontbreekt. Ook is er nauwelijks ondergroei aanwezig, wat voor een groot deel te wijten is aan de begrazing op het terrein door een roedel damherten in het verleden. Bij voortzetting van het huidige beheer zijn de potenties eveneens gematigd. Met realisatie van de door de inrichting en het beoogde beheer op termijn te verwachten nieuwe beheertypen zal de diversiteit in het gebied toenemen. Dit biedt meer soorten een leefgebied en standplaats in het gebied. Bestaande waarden worden niet aangetast maar vergroot. De natuurlijke (ecologische) en landschappelijke diversiteit zal in de loop van de tijd aanzienlijk toenemen ten opzichte van de huidige situatie. In de omgeving van het plangebied komt de das algemeen voor. Bij het veldbezoek in 2020 is het gehele terrein doorzocht. Hierbij is geen dassenburcht aangetroffen. De aanwezigheid van een burcht kan op basis hiervan worden uitgesloten. In 2016 (en in 2013) zijn nergens wissels, mestputjes of andere sporen van das aangetroffen. In 2020 is binnen het plangebied wel een latrine van das aangetroffen. Andere sporen van das zijn binnen het plangebied in 2020 niet aangetroffen.

Uit de natuurtoets blijkt dat de ontwikkeling en het gebruik van de natuurbegraafplaats niet leidt tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten. Er wordt geen negatief effect voorzien op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Daarnaast zijn voor de inrichting en het gebruik en beheer van de natuurbegraafplaats werkprotocollen aan de orde. Deze moeten er naast toepassing van bestaande gedragscodes voor natuurbeheer op toezien dat het reguliere beheer en het gebruik van de natuurbegraafplaats plaatsvindt conform de vereisten uit de Wet Natuurbescherming (kortweg Wnb). Door het volgen van de werkprotocollen zijn negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden uit te sluiten. Door de voorgenomen ontwikkeling verbeterd de geschiktheid van het plangebied als (onderdeel van) het leefgebied van vele soorten. Om bij sloop van de bestaande recreatiewoning uitsluitsel te kunnen geven over de betekenis van de recreatiewoning als verblijfsplaats voor vleermuizen, is nader onderzoek nodig. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in het najaar van 2021 en in het voorjaar van 2022.

De conclusie is dat de recreatiewoning geen essentiële betekenis heeft voor vleermuizen (geen kraamkolonie, geen regelmatig gebruikt zomerverblijf, geen paarplaats, geen overwinteringsobject) en dat op basis daarvan geen effecten van sloop op vleermuizen aan de orde zijn. Bij sloop worden geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Er is dus ook geen ontheffing van de Wet natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis of enig andere beschermde soort nodig. Beoordeling en conclusie opvanghuis Voor het Opvanghuis Berlicum wordt de bestaande situatie gelegaliseerd. Er vinden geen fysieke ingrepen plaats. Effecten op flora en fauna zijn op voorhand uitgesloten. 5.8

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 74/100

•

functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling en conclusie totale ontwikkeling Een opvanghuis is in het kader van de Wet geluidhinder een ‘ander geluidsgevoelig gebouw’ (psychiatrische inrichting). Dit opvanghuis is echter een bestaand gebouw en het wordt niet uitgebreid met gevoelige verblijfsruimtes zoals genoemd in art. 1.1. lid 1 onder d Bgh. De fietsenstalling en de berging zijn geen gevoelige verblijfsruimtes. Recreatiewoningen zijn niet geluidsgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder.

De Raad van State heeft hier enkele uitspraken over gedaan in de jurisprudentie. Vakantiewoningen die naar hun aard niet bestemd zijn voor bewoning in de zin van de Wet geluidhinder doch voor recreatief verblijf, hoeven niet bij de besluitvorming te worden betrokken (ECLI:NL:RVS:2000:1724, r..o. 2 t/m 12.8). ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek wegverkeer niet aan de orde, de recreatiewoningen worden op een afstand van ongeveer 80 meter vanaf de weg Hooghei gerealiseerd en tussen de weg en het recreatiepark is voldoende begroeiing en bebouwing opgericht. Alle objecten die niet als ‘woning’, noch als ‘ander geluidsgevoelig gebouw’ worden gecategoriseerd, zijn op basis van de Wet geluidhinder niet beschermd tegen geluidhinder. Een ceremoniegebouw wordt niet als een geluidsgevoelig gebouw genoemd. Met onderhavig plan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies gerealiseerd. Derhalve is het plan in lijn met de Wet geluidhinder.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 75/100

5.9

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). In de VNG-publicatie worden afstanden genoemd die van toepassing zijn op een rustige woonomgeving, maar er kan ook sprake zijn van een gemengd gebied. Deze gebieden worden gekenmerkt door milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Ten slotte kan er sprake zijn van een functiemengingsgebied. Dit zijn locaties waar functiemenging beleidsmatig wordt beoogd. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, winkelgebieden en stads/ dorpscentra.

Beoordeling gebiedstype en meten Nabij het plangebied komen, afgezien van woningen, natuur en landbouwgebied, nauwelijks andere functies voor. Tevens is het gebied gelegen in een rustig gebied, ver van drukke verkeersaders. Het gebied is duidelijk ingericht volgens het principe van functiescheiding. In onderstaande tabel staan de richtafstanden die gehanteerd worden in een rustig buitengebied. Milieucategorie

Richtafstand rustig buitengebied

1 2

10 m 30 m

3.1 3.2

50 m 100 m

4.1 4.2

200 m 300 m

5.1 5.2

500 m 700 m

5.3 6

1.000 m 1.500 m

Richtafstanden milieuzonering (bron: VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’)

Gemeten is tussen enerzijds de grens van de bestemming die milieubelastende functies toelaat (opvanghuis, recreatiebedrijf, natuurbegraafplaats), en anderzijds de uiterste situering van de gevel van woningen die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Beoordeling en conclusie recreatiepark Conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ kan een camping ingedeeld worden als een categorie 3.1 bedrijf met een richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid (SBI 2008 code 552/553). De dichtstbij gelegen gevoelige objecten zijn de woningen gelegen ten noorden - en opvanghuis Berlicum ten oosten van het recreatiebedrijf Camping De Hooghe Heide. De woningen zijn op ongeveer 30 tot 40 meter gesitueerd van de

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 76/100

grenzen van het recreatiepark. De afstand van het recreatiepark tot opvanghuis Berlicum bedraagt 35 meter. Op basis hiervan kan gesteld worden dat er niet voldaan kan worden aan de richtafstand van 50 meter. Derhalve is gekozen voor een maatwerkoplossing waarbij berekend is welke (geluids)productie er verwacht kan worden vanuit het recreatiepark. De uitgevoerde berekeningen zijn te vinden in het akoestisch onderzoek industrielawaai van Econsultancy (3 september 2021) welke als bijlage 4 is bijgevoegd aan de toelichting. Onderstaand worden de resultaten een maatregelen besproken. Uitgangspunt voor de berekening is het inrichtingsplan van Aveco de Bondt bv. Hierin zijn alle bestaande - en toekomstige geluidsbronnen op het recreatiepark meegenomen, waaronder onder andere; personenwagens, vrachtwagens, speelvelden, het zwembad, buitenruimte bij centrale voorzieningengebouw en het terras bij het pannenkoekenhuis. Vervolgens zijn alle geluidgevoelige bestemmingen in de directe omgeving in kaart gebracht en is de geluidsbelasting op toetspunten van deze gevoelige bestemmingen gemeten. Bij toetsing aan de VNG-publicatie treedt ter plaatse van twee woningen in de avondperiode een overschrijding van de richtwaarde uit stap 2 op. Het betreft overschrijdigen gedurende de avondperiode ter hoogte van de Hooghei 50 (4 dB) en Hooghei 36 (2 dB).

De overschrijding op Hooghei 50 is volledig te wijden aan de bestaande planologische mogelijkheden van het recreatiepark en worden veroorzaakt door hondengeblaf. De overschrijdingen ter plaatse van Hooghei 36 worden veroorzaakt door stemgeluid vanaf de verblijfsaccommodaties. Omdat bij beide woningen wel wordt voldaan aan de richtwaarde uit stap 3 én de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit, wordt geconcludeerd dat hier sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij toetsing aan de VNG-publicatie treedt ter plaatse van twee woningen in de dagperiode een overschrijding van de richtwaarde uit stap 2 op. Aan de richtwaarde uit stap 3 wordt wel voldaan. In de avondperiode treedt ter plaatse van 6 woningen een overschrijding van de richtwaarde uit stap 2 op, waarbij ook de richtwaarde uit stap 3 wordt overschreden ter plaatse van twee woningen. Bij toetsing aan het Activiteitenbesluit wordt in de avondperiode ter plaatse van 1 woning de grenswaarde overschreden (maar dit is in de bestaande planologische situatie reeds het geval). Vanwege de overschrijdingen van de richtwaarden volgens stap 3 uit de VNG-publicatie heeft een afweging van geluidreducerende maatregelen plaatsgevonden.

Door middel van een 3 meter hoog en 55 meter lang geluidsscherm is het mogelijk om de maximale geluidniveaus te beperken tot de richtwaarden van stap 3 en de grenswaarde van het Activiteitenbesluit. In onderstaande figuur is met de blauwe lijn de situering van het geluidsscherm weergegeven. Het geluidsscherm wordt geborgd in de planregels.

Situering geluidsscherm (met blauw aangegeven). (bron: Econsultancy, Onderzoek industrielawaai recreatiepark Camping De Hooghe Heide, 2021)

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 77/100

De berekende overschrijdingen van zowel de maximale geluidniveaus kunnen op basis van de maatregelenafweging en de aanvullende motivering door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht. In het akoestisch onderzoek van Econsultancy wordt een geluidbelasting ten gevolge van indirecte hinder van ten hoogste 54 dB(A) etmaalwaarde ter hoogte van de woning aan Werstkant 15 berekend. Gezien het bouwjaar van de woning kan niet zomaar worden volstaan met de standaard te realiseren karakteristieke geluidwering van minimaal 20 dB uit het Bouwbesluit voor nieuwbouwwoningen en dient een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels plaats te vinden. Uit de resultaten blijkt dat het binnenniveau bij het hanteren van de bestaande standaard gevelelementen ten hoogste 35 dB(A) bedraagt. Er is geen aanbod met aanvullende gevelmaatregelen richting de bewoners van Werstkant 15 noodzakelijk. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning ten behoeve van de uitbreiding van het recreatiepark gelden geen akoestische belemmeringen. De volledige rapportage is achterin bijlage 4 van de toelichting opgenomen. Geur De nieuwe recreatiewoningen zijn gevoelige objecten volgens de Wet geurhinder en veehouderij. Aan de Hooghei 39, op 104 meter afstand van de op te richten recreatiebestemming, is een niet - grondgebonden agrarisch bedrijf aanwezig.

Dit bedrijf is gedefinieerd als een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend plaatsvindt in gebouwen of los van het voortbrengend vermogen van de open grond, niet zijnde een intensieve veehouderij. De te respecteren richtafstand tot dit bedrijf bedraagt 100 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Ter plaatse van de recreatiewoningen zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het agrarisch bedrijf zal niet belemmerd worden in ontwikkelmogelijkheden, mede omdat er geurgevoelige objecten reeds dichterbij en tussen het agrarisch bedrijf en het recreatiepark gesitueerd zijn. Beoordeling en conclusie natuurbegraafplaats Afstanden bedrijven t.o.v. natuurbegraafplaats De gevoelige bestemming binnen het plangebied; de ceremonieruimte, wordt op grote afstand aangelegd ten opzichte van omliggende milieu inrichtingen (> 100 m). Voor de omliggende milieu-inrichtingen geldt een richtafstand van 50 meter of kleiner dan 50 meter. Dichtstbijzijnde inrichtingen zijn Opvanghuis Berlicum (ongeveer 200 meter) en recreatiepark Camping De Hooghe Heide (ongeveer 100 meter). De natuurbegraafplaats is op een grotere afstand gelegen van 100 meter van deze inrichtingen, waardoor belangen van deze inrichtingen in voldoende mate zijn beschermd. Omgekeerd is ter plaatse van de ceremonieruimte sprake van een goed woonen leefklimaat Afstanden natuurbegraafplaats t.o.v.

woningen In de publicatie bedrijven en milieuzonering kan voor een natuurbegraafplaats worden aangesloten bij de categorie begraafplaats (sbi-1). De grootste richtafstand bedraagt voor geluid 10 meter. De afstand van de natuurbegraafplaats tot aan omliggende woningen is groter dan 10 meter en op de natuurbegraafplaats wordt een piëteitszone in acht genomen van 10 meter waarin geen activiteiten met betrekking tot begraven zullen plaatsvinden. In de Inspectierichtlijn lijkbezorging (zie paragraaf 3.1) is opgenomen dat een richtafstand van 20 tot 30 meter tot woningen gehanteerd moet worden en dat er erfafscheiding dient te zijn die de privacy op de natuurbegraafplaats waarborgt. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op een grotere afstand dan 30 meter van de natuurgraven en door middel van een piëteitszone rondom de natuurbegraafplaats met een dichte begroeiing wordt voorzien in een erfafscheiding die de privacy op de natuurbegraafplaats waarborgt. De piëteitszone is in de buurt van deze woning een stuk breder dan op de overige delen van de natuurbegraafplaats. Daarmee is bij de woningen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. Een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van de rond het plangebied gelegen woningen wordt in voldoende mate geborgd.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 78/100

Beoordeling en conclusie opvanghuis De uitbreiding van het bouwvlak is enkel gericht op een juridische borging van de bijgebouwen en een parkeerterrein. Tevens is uitbreiding van het bestemmingsvlak gericht op mogelijkheden om de gronden te gebruiken voor buitenactiviteiten voor de cliënten. Het bestemmingsvlak wordt uitgebreid, maar het bouwvlak blijft qua omvang gelijk. Een opvanghuis kan worden gecategoriseerd als ‘dagverblijf’ in de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’ (SBI 2008 code 8623). Voor deze inrichtingen geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Het recreatiepark wordt op basis van de VNG-uitgave beschouwd als bedrijf met milieucategorie 3.1. Op basis hiervan geldt een richtafstand van 50 meter ten opzichte van geluidgevoelige functies voor het aspect geluid. Afstanden bedrijven t.o.v. opvanghuis Indien vanuit omliggende bedrijven wordt gemeten tot het Opvanghuis Berlicum, Hooghei 50, wordt niet voldaan aan de richtafstand. De afstand tussen recreatiepark De Hooghe Heide en het opvanghuis bedraagt ongeveer 35 meter. De richtafstand voor een recreatiepark wordt niet gehaald. Met de aanleg van een aarden wal met streekeigen beplanting wordt mogelijke geluidsoverlast van de camping op het opvanghuis dusdanig beperkt, dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het opvanghuis.

Aannemelijk is dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat bestaat. Afstanden opvanghuis t.o.v. woningen Indien vanuit het opvanghuis wordt gemeten tot omliggende gevoelige objecten (woningen), wordt eveneens voldaan aan de richtafstand. De afstand tussen Opvanghuis Berlicum, Hooghei 50 en de woning aan de Hooghei 48 bedraagt ongeveer 75 meter. Ook in dezen wordt voldaan aan de richtafstand, welke in de nieuwe situatie gelijk blijft. Het opvanghuis zorgt niet voor onevenredige hinder op omliggende woningen. 5.10 Externe veiligheid 5.10.1

Inrichtingen en externe veiligheid

Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling en conclusie totale ontwikkeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Op basis van de risicokaart is geconstateerd dat op het bestaande recreatiepark een propaantank gelegen is. Voor deze tank geldt een veiligheidscontour van 25 meter vanaf het vulpunt. Als bij het (beperkt)kwetsbare object zelf een propaan of propeen tank aanwezig is, is de afstand minimaal de helft van de afstand (12,5 meter).

Binnen het plangebied worden beperkt kwetsbare objecten opgericht. Deze worden op grotere afstand dan 12,5 meter gepland. Risico’s met betrekking tot de propaantank zijn uit te sluiten. Verder zijn er ten noorden van het plangebied een tweetal relevante inrichtingen aanwezig aan de Weteringstraat 1 en 5. Dit betreft in beide gevallen inrichtingen met een propaantank zonder een hindercontour.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 79/100

Hindercontour van 12,5 meter

Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl, 2021)

5.10.2

Transport en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 80/100

Beoordeling en conclusie totale ontwikkeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. Het plangebied is op ruimte afstand gelegen van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De A2 ligt op ongeveer 2km afstand. De N279 ligt op ongeveer 3km afstand. Gelet op deze afstanden is het plangebied niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van deze infrastructuur. Ook is het plangebied niet gelegen binnen een plasbrandaandachtsgebied. Vanwege de ligging buiten de 200 meter zone van de Rijksweg behoeft het groepsrisico eveneens niet onderzocht te worden. 5.10.3

Buisleidingen en externe veiligheid

Toetsingskader Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de werkdruk. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b.

het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden; d. indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. Beoordeling en conclusie totale ontwikkeling Op 800 meter afstand ten zuidwesten van het plangebied ligt een buisleiding van de Gasunie. Vanwege de grote afstand kan gesteld worden dat er geen risico’s bestaan met betrekking tot de aangegeven leiding. 5.11 Parkeren Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en/ of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen.

In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 81/100

De gemeente Sint-Michielsgestel heeft eigen parkeernormen vastgesteld op 27 september 2016. Deze zijn verwoord in het document ‘Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel’. In dit beleid zijn de gebruiksregels vastgesteld met betrekking tot het werken met CROW kencijfers uit publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (CROW, december 2012). Ook voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van de uitgangspunten uit het gemeentelijke parkeerbeleid ten aanzien van het werken met CROW kencijfers. De uitgangspunten uit het gemeentelijke beleid en overige uitgangspunten zijn hieronder weergegeven: • De gemeente Sint-Michielsgestel valt in de categorie ‘niet stedelijk’ bij het raadplegen van de CROW kencijfers. Dit omdat de omgevingsadressendichtheid kleiner is dan 500 adressen per km2; • Bij het raadplegen van de CROW kencijfers maakt de gemeente onderscheid in ‘stedelijke zone’. Afhankelijk van de locatie zijn er verschillende parkeerkencijfers. In een centrumgebied hanteert de gemeente een andere parkeernorm dan in het buitengebied.

Dit plan heeft betrekking op zone ‘buitengebied’; • De gemeente adviseert het gemiddelde van het maximale- en minimale CROW parkeerkencijfer te gebruiken; Parkeerbalans recreatiepark Het onderhavige plan voor het recreatiepark betreft de uitbreiding van het aantal huisjes en campingplaatsen met diverse ondersteunende functies, zoals een receptie, campingwinkel en diverse recreatievoorzieningen. Parkeren voor personeel is inbegrepen bij de CROW-kencijfers. In de navolgende tabel is de parkeerbalans voor de nieuwe situatie in beeld gebracht. Hierbij is gebruik gemaakt van CROW-kencijfers en de richtlijnen voor het gebruik ervan, zoals gesteld in ‘Beleidsregels parkeernormen SintMichielsgestel’. Invoergegevens zijn gebaseerd op fase 3 (eindsituatie) in de tabel in paragraaf 3.2.5 van onderhavig plan. In de ‘Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel’ geldt voor onderhavige locatie, gelegen in het buitengebied in een niet stedelijke gemeente een gemiddelde parkeernorm van 1,1 voor één toeristische standplaats en 2,0 voor één recreatiewoning/ verhuurchalet. Het bestaande restaurant ‘Pannenkoekenhuis De Pimpernel’ is meegenomen in parkeerbalans, omdat dit restaurant niet uitsluitend voor de bezoekers van het recreatiepark is opengesteld.

Ondersteunende voorzieningen op het recreatiepark, zoals de minigolf en het zwembad, zijn niet meegerekend, omdat deze uitsluitend door gasten van het recreatiepark worden gebruikt. Voor bed & breakfast kamers is een inschatting gemaakt (1,0 per b&b kamer). Ook voor de trekkershutten (klein vakantieverblijf) is een inschatting gemaakt van 1,0 per trekkershut. Parkeerbalans Aantal/oppervlakte

Parkeernorm

Aantal parkeerplaatsen

Vakantiewoningen en verhuurchalets (huisjescomplex)

106

2,0 pp/ huisje

212,0 pp

Trekkershutten (klein huisje)

5

1,0 pp/ huisje

5,0 pp

Camping (kampeerterrein)

34

1,1 pp/ plaats

37,4 pp

Bed & breakfast kamers

5

1,0 pp/ b&b

5,0 pp

Restaurant*

200 m2

15 pp/ 100 m2

30,0 pp

Totaal

289,4 pp

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 82/100

Met de parkeerbalans is inzichtelijk gemaakt dat er 290 plaatsen zijn benodigd, wanneer het recreatiepark de planologische uitbreidingsmogelijkheden volledig benut. Met gedetailleerde digitale foto’s (bron: Globespotter Cyclomedia, 2021) is het aantal parkeerplaatsen op de bestaande parkeerplaats geregistreerd. Er zijn 56 parkeerplaatsen aanwezig bij de bestaande recreatiewoningen en 54 parkeerplaatsen in de zuidwesthoek van het recreatiepark. Er worden 197 nieuwe parkeerplaatsen toegevoegd voor de uitbreiding. In totaal worden 307 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee voldaan wordt aan de CROW-normen in combinatie met de gemeentelijke richtlijnen. Geprojecteerde parkeerplaatsen parkeerplaats bestaande deel

54,0 pp

parkeerplaats uitbreiding

197,0 pp

Parkeren bij bestaande bungalows/chalets (1 per huisje)

56,0 pp

*Er kan niet geparkeerd worden bij chalets en boslodges in de zone ‘Avondrood’ Totaal

307 pp

In de regels van onderhavig bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Gezien de reservering van voldoende oppervlakte voor parkeren zal dit geen probleem vormen. Parkeerbalans natuurbegraafplaats Goudappel Coffeng heeft in juni 2020 een actueel verkeersonderzoek gedaan naar de parkeerbehoefte van de natuurbegraafplaats. De rapportage ‘verkeersonderzoek Natuurbegraafplaats Hooghei’ is toegevoegd als bijlage 18. De resultaten van de parkeerbalans worden hieronder behandeld. Zoals beschreven in de uitgangspunten, zal er op de toekomstige natuurbegraafplaats één (en in enkele gevallen uiterlijk twee) plechtigheid per dag plaatsvinden. Om de parkeervraag in deze situatie op te kunnen vangen zijn afgerond 37 auto parkeerplaatsen en 8 fietsparkeerplaatsen benodigd. In de eerste 10 jaar behoefte is er aan minimaal 5 auto parkeerplaatsen voor het reguliere bezoek. Op basis van praktijkervaringen op de huidige natuurbegraafplaats ‘Heidepol’ zal incidenteel de situatie voorkomen dat ook in de eerste 10 jaar de parkeervraag meer is dan berekend conform de CROW kencijfers voor plechtigheden en de berekening voor de reguliere bezoekers. Om die reden wordt geadviseerd om uit te gaan van 15 extra autoparkeerplaatsen en 8 fietsparkeerplaatsen voor de reguliere bezoekers.

Daarmee is de natuurbegraafplaats qua parkeren voorbereid op de toekomst en kunnen in de huidige situatie eventuele pieken op dezelfde locatie worden opgevangen. Gebaseerd op bovenstaande, zullen bij de ‘Hooghei’ minimaal 52 (37+15) autoparkeer-plaatsen en 16 (8+8) fietsparkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. In een extreme situatie (hoogstens 1x per jaar) is het dan mogelijk om te parkeren langs de oprijlaan naar de parkeerplaats en op de verbindingswegen tussen de parkeerlocaties. In het plan voor de ontwikkeling van een natuurbegraafplaats zijn in het noorden van het plan 60 parkeerplaatsen voorzien voor de auto en ca. 16 voor de fiets.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 83/100

Gelet op de parkeervraag voor de natuurbegraafplaats (maximaal 52 autoparkeerplaatsen en 16 fietsparkeerplaatsen) en het parkeeraanbod (60 autoparkeerplaatsen en 16 fiets-parkeerplaatsen) in het ontwerp, moet worden geconstateerd dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig zal zijn. Parkeerbalans opvanghuis De bestaande situatie van het opvanghuis wordt juridisch-planologisch vastgelegd. Er zijn geen effecten te verwachten op het parkeren. 5.12 Verkeersgeneratie Toetsingskader verkeersgeneratie In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient al bij vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor planologisch afwijken inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs de te verwachten verkeersgeneratie op een duurzame wijze kan worden begeleid. Een belangrijk uitgangspunt is dat overlast voor omwonenden zo veel mogelijk wordt beperkt en de veiligheid van weggebruikers wordt gewaarborgd. Mogelijk zijn daarvoor verkeersonderzoek en additioneel verkeerskundige aanpassingen benodigd. Een landelijk geaccepteerd toetsingskader voor het aspect verkeersgeneratie is het CROW. Daarin worden kencijfers voor verkeersgeneratie bij realisatie van velerlei functies worden genoemd. Deze cijfers gelden voor één etmaal. Daarbij is onderscheid gemaakt naar stedelijkheidsgraad en naar ligging in de stedelijke zone.

Weergegeven kencijfers zijn inclusief verkeersgeneratie door bezoekers. Beoordeling en conclusie recreatiepark Het plangebied ligt in het ‘buitengebied’ en in een ‘niet stedelijke zone’. Met deze gegevens is de verkeersgeneratie van het recreatiepark bepaald. In navolgende tabel is inzichtelijk gemaakt wat de bestaande en nieuwe verkeersgeneratie is, uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden in de nieuwe situatie. Voor bed & breakfast en restaurant zijn geen normen beschikbaar. Voor deze functies is een inschatting van de verkeersgeneratie gemaakt. Verkeersgeneratie norm

Bestaande situatie

Mvt/etmaal

Nieuwe situatie

Mvt/etmaal

Bungalowpark (huisjescomplex)

2,7 mvt/etmaal

71

191,7

111

299,7

Bed & breakfast

2,0 mvt/etmaal

0

0,0

5

10,0

Camping (kampeerterrein)

0,4 mvt/standplaats

70

28,0

70

28,0

Restaurant

30 mvt/etmaal per 100 m2

200 m2

60,0

200 m2

60,0

Totalen

280,0

398,0

Indien de maximale planologische mogelijkheden worden benut, neemt het jaargemiddelde aantal verkeersbewegingen toe met 118 verkeersbewegingen van 280 naar 398 per etmaal. Het recreatiepark wordt via de Werstkant ontsloten op de Hooghei. De capaciteit van een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom is maximaal 6.000 motorvoertuigen per etmaal, afhankelijk van de wegbreedte. Wanneer de verkeersintensiteit beneden de grenswaarde blijft, past de beoogde functie bij het gebruik van de weg. Aangenomen mag worden dat de Werstkant, die op het smalste stuk bij benadering 4 meter breed is, een

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 84/100

grenswaarde geldt van 575 motorvoertuigbewegingen per etmaal (bron: CROW-publicatie 317). De Werstkant is een bestemmingsweg welke nauwelijks gebruikt wordt voor doorgaand verkeer. De verwachting is dat de verkeersgeneratie op de Werstkant ook na de toename (tot maximaal 398 mvt/etmaal) kan worden verwerkt. Het recreatiepark wordt ontsloten via twee entrees vanaf de Werstkant. Verkeersbewegingen worden met de nieuwe entree beter verdeeld over het gebied. Het aantal motorvoertuigbewegingen op het recreatiepark zelf wordt zodoende tot een minimum beperkt. Dit garandeert de gasten een rustig verblijf en de omgeving zo min mogelijk geluidsoverlast. Verkeersgeneratie natuurbegraafplaats Goudappel Coffeng heeft in juni 2020 een actueel verkeersonderzoek gedaan naar de parkeerbehoefte en verkeersintensiteiten van de natuurbegraafplaats. De rapportage ‘verkeersonderzoek Natuurbegraafplaats Hooghei’ is toegevoegd als bijlage 18. De resultaten van de verkeersgeneratie worden hieronder behandeld. In het basisjaar (2015) rijden er op de Hooghei (richting Loosbroek) ca. 1.800 motorvoertuigen. In de toekomstige situatie loopt dat aantal op naar ca. 2.000 motorvoertuigen per etmaal. In de richting van Den Bosch rijden er in de huidige situatie ca. 2.200 motorvoertuigen en in de toekomstige situatie ca. 2.300 motorvoertuigen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=3da90dbe-4ab2-413e-98ad-3bd3065d4262