CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

11.a - Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Hooghei te Berlicum

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 26 januari 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: 11 Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Hooghei38.155 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Deze toename is het gevolg van planontwikkelingen en infrastructurele wijzigingen (in de omgeving) die in de toekomst worden uitgevoerd. Deze aantallen blijven onder de grenswaarde van 4.000 motorvoertuigen. Het aantal verkeersbewegingen van de natuurbegraafplaats ‘Hooghei’ is gekoppeld aan het aantal voertuigen dat de natuurbegraafplaats bezoekt bij een plechtigheid. In het worst-case scenario zijn 52 parkeerplaatsen voor de auto benodigd. Wanneer er 52 voertuigen van en naar de parkeerplaatsen bij de natuurbegraafplaats rijden, betekent dat maximaal 104 verkeersbewegingen per plechtigheid per dag, uitgaande van één plechtigheid (inclusief regulier bezoek). Het CROW geeft aan om per plechtigheid uit te gaan van maximaal 51,4 verkeersbewegingen. Het is echter mogelijk dat er twee plechtigheden per dag plaatsvinden (niet tegelijkertijd). Om die reden wordt uitgegaan van 208 (104x2) verkeersbewegingen per etmaal. Om het effect op de omgeving te bepalen is een inschatting gemaakt van de oriëntatie van het verkeer. Het heeft de voorkeur om al het verkeer van en naar de natuurbegraaf-plaats via de Coppensedijk/Graafsebaan/A59 en Loofaert/Berlicumseweg/A59 af te wikkelen (op-/afrit nr. 48 en 50). Daardoor ontstaat geen toename van het verkeer in de kern van bijvoorbeeld Berlicum.

In de communicatie naar de bezoekers en in de keuze voor de bewegwijzering zal dat ook aangegeven moeten worden. Het is de verwachting dat het grootste deel (75%) van de bezoekers ook daadwerkelijk via de voorkeurroutes van/naar de natuurbegraafplaats rijdt. Verkeersgeneratie opvanghuis De bestaande situatie van het opvanghuis wordt juridisch-planologisch vastgelegd. Er zijn geen effecten te verwachten op de verkeersgeneratie.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 85/100

5.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; • 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 86/100

Beoordeling en conclusie opvanghuis De ontwikkelingen rondom het opvanghuis zorgen niet voor een extra verkeersaantrekkende werking en hebben derhalve geen invloed op de luchtkwaliteit. Beoordeling en conclusie recreatiepark Op basis van kengetallen is in het kader van akoestisch onderzoek bepaald dat er door toedoen van de uitbreiding van het recreatiepark naar verwachting sprake zal zijn van een toename van circa 118 motorvoertuigbewegingen per etmaal (herleid van gegevens paragraaf 5.12). In vergelijking met de verkeersgeneratie die de op basis de wettelijke ondergrens voor de bouw van woningen of kantoren zouden ontstaan, kan worden gesteld dat de toename van 118 mvt/etmaal beschouwd kan worden als een ontwikkeling met een ‘Niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit. Beoordeling en conclusie natuurbegraafplaats In het verkeersonderzoek natuurbegraafplaats ‘Hooghei’ is berekend dat wanneer er 2 uitvaarten per dag plaatsvinden, de verkeersgeneratie met 208 mvt/etmaal toeneemt (herleid via CROW-publicatie 317). In vergelijking met de verkeersgeneratie die op basis van de wettelijke ondergrens voor de bouw van woningen of kantoren zouden ontstaan, kan worden gesteld dat de toename van 208 mvt/etmaal beschouwd kan worden als een ontwikkeling met een ‘Niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit.

Beoordeling en conclusie luchtkwaliteit totale ontwikkeling De verkeersgeneratie van de ontwikkelingen samen leidt tot 326 motorvoertuigen per etmaal extra. De NIBM tool is ingevuld, dit betreft een worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Uit de resultaten van de berekening blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer van de ontwikkelingen samen niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek naar de effecten van de plannen op luchtkwaliteit is niet nodig.

Tabel: worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 87/100

5.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer2. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 3. Beoordeling en conclusie totale ontwikkeling Binnen het plangebied en in de nabije omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Bij de aanleg van de ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met ondergrondse kabels en leidingen. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal daarom een KLIC-melding worden gedaan. Indien daartoe aanleiding bestaat, dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

5.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd.

De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig 2 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én

leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 3 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 88/100

is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Gevoelig gebied In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto art. 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat onderhavig plangebied deels in het Natuur Netwerk Brabant ligt. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.

Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Bèlvéderegebied. Beoordeling recreatiepark De uitbreiding van het recreatiepark dient getoetst te worden aan activiteit D 10 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een permanent kampeer- en caravanterrein. In het geval van een dergelijk project is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit betrekking heeft op meer dan 250.000 bezoekers per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer heeft of een oppervlakte van 10 hectare of meer heeft in een gevoelig gebied. In totaal omvat het recreatiepark, inclusief de uitbreidingen ten behoeve van recreatiewoningen, een oppervlak van circa 7,7 hectare. Hiermee is het recreatiepark kleiner dan de gestelde ondergrens van 10 hectare. Noemenswaardig, is dat de feitelijke uitbreiding van het recreatiepark circa 2,7 hectare omvat. Op het bestaande recreatiepark vindt enkel een interne herstructurering plaats. Uit het uitgevoerde onderzoek (zie bijlage 6) naar de effecten van de uitbreiding van het recreatiepark op het NNB, blijkt dat er geen nadelige invloeden zijn. In dit hoofdstuk zijn tevens overige milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling inderdaad geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.

Beoordeling natuurbegraafplaats Een (natuur)begraafplaats wordt niet genoemd in de activiteitenlijst van het Besluit m.e.r., derhalve kan geconcludeerd worden dat een ten aanzien van deze ontwikkeling uit onderhavig plan geen verdere toetsing noodzakelijk is. Beoordeling opvanghuis In het plangebied wordt de juridische basis verkregen voor de reeds aangelegde parkeervoorzieningen, fietsenstalling en berging ter plaatse van het opvanghuis. Deze ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 89/100

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ter plaatse van het opvanghuis ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling, gebaseerd op de beoordeling van alle milieuaspecten in de toelichting, volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 90/100

6

Juridische plantoelichting

6.1

Inleiding

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 6.2

Opbouw van de regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 6.3

Regels

6.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 91/100

6.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Bestemmingen Artikel 3 ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ Een deel van het plangebied krijgt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’. Binnen deze bestemming zijn qua agrarische activiteiten uitsluitend agrarische bodemexploitatie en hobbymatige beweiding van dieren toegestaan. Overige regels strekken zich tot natuur- en landschapsbeheer. Het bouwen van gebouwen wordt uitgesloten. Artikel 4 ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ De bestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ is bedoeld voor de uitvoering en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan van het recreatiepark. Artikel 5 ‘Maatschappelijk’ Voor het opvanghuis wordt de bestaande bestemming gehandhaafd.

De gronden met de bestemming maatschappelijk zijn bedoeld voor activiteiten gericht op sociaal en educatief gebied. De ontvangstruimte bij de natuurbegraafplaats wordt mogelijk gemaakt met een aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – ontvangstruimte’. Het gebouw krijgt een maximale oppervlakte van 500 m2 en een maximum goot- en bouwhoogte van 7/10 meter. Artikel 6 ‘’Natuur’ ‘Natuur’ is bestemd voor de instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van natuur. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur - natuurbegraafplaats’ is natuurbegraven toegestaan. Parkeren is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ (p). Als borging dat Natuurbegraven een tijdelijke functie betreft en daarmee eindig als actieve natuurbegraafplaats, kiest Natuurbegraven Nederland ervoor om maximaal 10% van de gronden binnen het plangebied daadwerkelijk te gebruiken voor natuurbegraven. Dit houdt in dat maximaal 1,08 ha van het gebied daadwerkelijk gebruikt kan worden voor natuurgraven. Dit wil niet zeggen dat er ook daadwerkelijk op 1.08 ha van het gebied begraven zal worden. Het borgt dat natuurbegraven daadwerkelijk een tijdelijke functie is, aangezien de grafrechten voor onbepaalde tijd worden uitgegeven en dat het ten alle tijden onderschikt blijft aan de hoofdbestemming natuur.

Voor de inrichting van de natuurbegraafplaats heeft Natuurbegraven Nederland een inrichtings- en beheerplan opgenomen als bijlage 4 bij de regels. Inrichting en beheer dient te worden uitgevoerd conform paragraaf 4.2, 4.3 en 4.4 van dat inrichtings- en beheerplan.

datum referentie

20 oktober 2022 132307_AdB_RAP_0001_v4.0

P 92/100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=3da90dbe-4ab2-413e-98ad-3bd3065d4262