CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

07.6 - Planregels VAST Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode 281022

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 15 december 2022, gemeente boxtelBij agendapunt: 7 Raadsvoorstel Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Berlicum en Middelrode19.791 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd bij vrijstaande/niet-inpandige bedrijfswoningen;

j.

de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² bedragen;

k. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen; l.

de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 6 m bedragen.

9.2.6 Erkers Voor het bouwen van uitbouwen in de vorm van erkers bij de op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de diepte van een erker mag niet meer bedragen dan 1,5 m; b. de erker mag over ten hoogste 50% van de breedte van de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; 34

c. de bouwhoogte van de erker moet ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag + 0,25 m van het hoofdgebouw. 9.2.7 Ondergronds bouwen Voor het ondergronds bouwen geldt de volgende bepaling: a. ondergronds bouwen mag uitsluitend binnen het bouwvlak dan wel onder bijbehorende bouwwerken met dien verstande dat minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd dient te worden. 9.2.8 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 6 m.

35

Artikel 10

-

Gemengd

10.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. detailhandel in volumineuze goederen conform de expliciete limitatieve opsomming in begripsbepaling 1.37 met een bruto vloeroppervlakte van ten hoogste 5.000 m2, met dien verstande dat van deze oppervlakte ten hoogste 1.540 m2 tevens mag worden gebruikt voor detailhandel in agrarische hulpmaterialen, diervoeders en tuininrichting alsmede detailhandel in dierbenodigdheden, waarbij tevens de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk is toegestaan; b. zakelijke en medische dienstverlening; c. verkoop van medicijnen op recept (apotheek) tezamen met hieraan verbonden detailhandel op ondergeschikte wijze; d. een decorbouwbedrijf en een keuken-/badkamerzaak met timmerwerkplaats; e. bedrijven anderszins die zijn genoemd in de bijgevoegde Bedrijvenlijst (bijlage 3), met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen; f.

productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedingsen genotmiddelen (hieronder wordt tevens verstaan de op het moment van ter inzage leggen van het ontwerp van dit bestemmingsplan bestaande detailhandel ten behoeve van de keuken-/badkamerzaak mét timmerwerkplaats);

g. ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’: de aanleg en instandhouding van tenminste 194 parkeerplaatsen ten behoeve van de genoemde voormelde functies en ontsluitingswegen en paden; h. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – cultuur’ de instandhouding en bescherming van een rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden, zoals bedoeld in Bijlage 2. met daaraan ondergeschikt; i.

ontsluitingswegen en paden;

j.

(open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

k. groen en groenvoorzieningen; l.

parkeervoorzieningen.

10.2 Bouwregels 10.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken: Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. gebouwen ten behoeve van het bepaalde in 10.1 onder a t/m h;

36

2. bijbehorende bouwwerken; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. buiten het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 10.2.2 Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, gebouwen zijnde Voor het bouwen ten behoeve van de in 10.1 onder a t/m h bedoelde functies gelden de volgende bepalingen: a. een hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk, een gebouw zijnde, mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen overal zijn toegestaan; b. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan; c. het bebouwingspercentage mag per bouwperceel niet meer dan het op de verbeelding aangegeven percentage bedragen, te berekenen over de gronden van het bouwperceel, voor zover gelegen binnen het bouwvlak; d. de goothoogte van een gebouw mag niet meer dan de op de verbeelding in het bouwvlak aangegeven hoogte bedragen; e. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer dan de op de verbeelding in het bouwvlak aangegeven hoogte bedragen. f.

de maximale hoogtes van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen bedragen 3 m en het maximale oppervlak 15 m²;

g. de zijwanden van de bedrijfsgebouwen moeten in geval van brand in elkaar zakken of naar binnen vallen. 10.2.3 Ondergronds bouwen Voor het ondergronds bouwen gelden de volgende bepalingen: a. ondergronds bouwen mag uitsluitend binnen het bouwvlak; b. de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk mag niet meer dan 3,5 m beneden peil bedragen. 10.2.4 Bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; b. de hoogte voor van lichtmasten mag niet meer dan 8 m bedragen; c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 6 m bedragen; d. bij een bedrijfswoning mag één carport worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. de voorgevellijn niet mag worden overschreden; 37

2. de carport uitsluitend mag worden gebouwd met een plat dak; 3. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m; 4. de carport heeft maximaal 1 wand. 10.3 Specifieke gebruiksregels 10.3.1 Algemeen Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met deze bestemming. 10.3.2 Verboden gebruik Onder verboden gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en/of opstallen binnen deze bestemming ten behoeve van: a. een opslagplaats voor vaten, kisten, oude en nieuwe (bouw)-materialen, afval, puin, grind, brandstoffen, bagger, en grondspecie; b. uitstalling buiten de opstallen; c. uitstallings- opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan; d. bedrijven anders dan die welke zijn bedoeld in 10.1.1; e. detailhandel, anders dan bedoeld in 10.1.1; f.

een seksinrichting.

Onder verboden gebruik wordt niet begrepen het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en/of opstallen binnen deze bestemming ten behoeve van het opslaan van (bouw)materialen, afval, puin, grind, bagger en grondspecie in verband met normaal onderhoud, dan wel ter verwezenlijking van de bestemming; 10.3.3 Afwijken van de gebruiksregels a. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning, met inachtneming van de milieusituatie, afwijken van het bepaalde in 10.1.1 en 10.3.2 onder d. en toestaan dat tevens bedrijven worden gevestigd, die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in bijlage 3 onder categorie 2, mits het geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen betreft. b. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.3.2 onder b. en toestaan dat voor de gronden met de aanduiding ‘Specifieke vorm van gemengd – uitstalling’ de mogelijkheid wordt geboden om, ten behoeve van de toegestane specifieke detailhandel, buiten de opstallen goederen uit te stallen, mits de toegankelijkheid van het gebouw voor alle gebruikers gewaarborgd blijft. Concreet heeft deze aanduiding c.q. deze afwijkingsmogelijkheid betrekking op een zone van 1,5 m gelegen voor de 38

bestaande circa 2,5 m terugliggende voorgevel(rooilijn) in het midden van het totale pand.

39

Artikel 11

-

Groen

11.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groen en groenvoorzieningen; b. speelvoorzieningen; c. nutsvoorzieningen; d. hondenuitlaatvoorzieningen; e. straatmeubilair; f.

kunstobjecten

g. ondergrondse afvalcontainers; h. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – cultuur’ de instandhouding en bescherming van een rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden, zoals bedoeld in Bijlage 2; i.

ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een explosieaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s;

met daaraan ondergeschikt; j.

ontsluitingswegen en paden;

k. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; l.

parkeervoorzieningen.

11.2 Bouwregels 11.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken: Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken geldt dat alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan. 11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 12 m; b. de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m. 11.3 Specifieke gebruiksregels Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een explosieaandachtsgebied van een activiteit met externe 40

veiligheidsrisico’s. Het is niet toegestaan om ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2’: a. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen te bouwen of in gebruik te nemen; b. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub a, met dien verstande dat de argumenten veiligheids-gerelateerd zijn. De argumenten richten zich erop om slachtoffers in de groep zeer kwetsbare personen door een warme BLEVE te voorkomen. 11.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de activiteit met externe veiligheidsrisico’s is beëindigd of een wijziging in regelgeving of vergunningverlening daartoe aanleiding geeft.

41

Artikel 12

-

Horeca

12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. horeca uit ten hoogste categorie 2 van de bij deze regels behorende Staat van horeca-activiteiten, zoals opgenomen in Bijlage 5; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuur' de instandhouding en bescherming van een rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden, zoals bedoeld in Bijlage 2; c. bestaande bedrijfswoningen, zoals opgenomen in bijlage 4 met daaraan ondergeschikt; d. ontsluitingswegen en paden; e. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f.

groen en groenvoorzieningen;

g. parkeervoorzieningen. 12.2 Bouwregels 12.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken: Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. gebouwen ten behoeve van het bepaalde in 12.1 onder a t/m c; 2. bijbehorende bouwwerken; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. buiten het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. bijbehorende bouwwerken; 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. het aantal wooneenheden mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is aangegeven; d. het aantal (bedrijfs)woningen mag niet worden uitgebreid. 12.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: g. een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van bijbehorende bouwwerken, die ook buiten het bouwvlak gebouwd mogen worden; h. het bebouwingspercentage en de goot- en bouwhoogte mag per bouwvlak niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduidingen 'maximale goothoogte,

42

maximum bouwhoogte (m)’ en ‘maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. 12.2.3 Bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen en bijgebouwen) Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: j.

de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw mag, voor zover deze worden gebouwd buiten het bouwvlak: 1. op bouwpercelen tot 300 m² niet meer bedragen dan 65 m²; 2. op percelen gelijk aan of groter dan 300 m² niet meer bedragen dan 65 m², vermeerderd met 10% van het aantal vierkante meters dat het perceel groter is dan 300 m², met dien verstande dat de totale bebouwde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 250 m² mag bedragen;

k. de goothoogte van een bijbehorende bouwwerk mag niet meer dan 3 m bedragen; l.

de bouwhoogte van een bijbehorende bouwwerk mag niet meer dan 5,5 m bedragen.

12.2.4 Bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen: m. nieuwbouw van bedrijfswoningen is niet toegestaan, uitgezonderd vervangende nieuwbouw; n. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer dan 750 m³ bedragen; o. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 6 m bedragen; p. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 10 m bedragen. 12.2.5 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen Voor het bouwen bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen: m. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd bij vrijstaande/niet-inpandige bedrijfswoningen; n. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² bedragen; o. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen; p. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 6 m bedragen. 12.2.6 Erkers Voor het bouwen van uitbouwen in de vorm van erkers bij de op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

43

a. de diepte van een erker mag niet meer bedragen dan 1,5 m; b. de erker mag over ten hoogste 50% van de breedte van de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; c. de bouwhoogte van de erker moet ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag + 0,25 m van het hoofdgebouw. 12.2.7 Ondergronds bouwen Voor het ondergronds bouwen geldt de volgende bepaling: a. ondergronds bouwen mag uitsluitend binnen het bouwvlak dan wel onder bijbehorende bouwwerken met dien verstande dat minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd dient te worden. 12.2.8 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer dan 1 m mag bedragen; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 6 m. 12.4 Wijzigingsbevoegdheid 12.4.1 Wijzigingsbevoegdheid voor Dienstverlening Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Horeca’ te wijzigen in de bestemming 'Dienstverlening', met inachtneming van de volgende bepalingen: a. planwijziging is toegestaan na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse; b.

aangetoond dient te zijn dat er kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid; c. er mag geen sprake zijn van milieu-hygiënische belemmeringen; d. planwijziging mag geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor de gebruiksen bouwmogelijkheden van aangrenzende percelen.

44

Artikel 13

-

Maatschappelijk

13.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. bestaande woningen al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep; c. bestaande bedrijfswoningen, zoals opgenomen in bijlage 4; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuur' de instandhouding en bescherming van een rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden zoals bedoeld in Bijlage 2; met daaraan ondergeschikt; e. horeca ten behoeve van de onder a genoemde voorzieningen, onder voorwaarde dat maximaal 30% van de vloeropperrvlakte van het gebouw hiervoor gebruikt kan worden; f.

ontsluitingswegen en paden;

g. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h. groen en groenvoorzieningen; i.

parkeervoorzieningen.

13.2 Bouwregels 13.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken: Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. gebouwen ten behoeve van het bepaalde in 13.1 onder a t/m d; 2. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van bedrijfswoningen; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. buiten het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. bijbehorende bouwwerken; 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. het aantal wooneenheden mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is aangegeven; d. het aantal (bedrijfs)woningen mag niet worden uitgebreid. 13.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

45

i.

een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van bijbehorende bouwwerken, die ook buiten het bouwvlak gebouwd mogen worden;

j.

het bebouwingspercentage en de goot- en bouwhoogte mag per bouwvlak niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduidingen 'maximale goothoogte, maximum bouwhoogte (m)’ en ‘maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven.

13.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. het aantal mag niet meer dan 2 bedragen; b. de oppervlakte mag niet meer dan 30 m² bedragen per bijbehorende bouwwerken; c. de bouwhoogte mag niet meer dan 4 m bedragen. 13.2.4 Bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen: a. nieuwbouw van bedrijfswoningen is niet toegestaan, uitgezonderd vervangende nieuwbouw; b. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer dan 750 m³ bedragen; c. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 6 m bedragen; d. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 10 m bedragen. 13.2.5 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen buiten het bouwvlak Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd bij vrijstaande/niet-inpandige bedrijfswoningen; b. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² bedragen; c. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen; d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 6 m bedragen.

13.2.6 Erkers Voor het bouwen van uitbouwen in de vorm van erkers bij de op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de diepte van een erker mag niet meer bedragen dan 1,5 m; b. de erker mag over ten hoogste 50% van de breedte van de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; 46

c. de bouwhoogte van de erker moet ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag + 0,25 m van het hoofdgebouw. 13.2.7 Ondergronds bouwen Voor het ondergronds bouwen geldt de volgende bepaling: a. ondergronds bouwen mag uitsluitend binnen het bouwvlak dan wel onder bijbehorende bouwwerken met dien verstande dat minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd dient te worden. 13.2.8 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 6 m.

47

Artikel 14

-

Sport

14.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Sport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. sport-, spel- en scoutingvoorzieningen met daarbij behorende (sport)terreinen en tribunes; b. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – cultuur’ de instandhouding en bescherming van een rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden, zoals bedoeld in Bijlage 2; met daaraan ondergeschikt; c. horeca ten behoeve van de onder a genoemde voorzieningen, onder voorwaarde dat maximaal 30% van de vloeropperrvlakte van het gebouw hiervoor gebruikt kan worden; d. ontsluitingswegen en paden; e. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f.

groen en groenvoorzieningen;

g. parkeervoorzieningen; h. lichtmasten; i.

signalerings-/telecommunicatiemasten;

j.

kunstobjecten;

k. ondergrondse afvalcontainers; l.

nutsvoorzieningen;

m. speelvoorzieningen. 14.2 Bouwregels 14.2.1 Toelaatbaarheid Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. zowel ter plaatse van het bouwvlak als daarbuiten mag worden gebouwd: 1. gebouwen ten behoeve van het bepaalde in 14.1 onder a en b; 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 14.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; b. de goot- en bouwhoogte van een gebouw binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ c.q. de aanduiding 'maximale bouwhoogte'; 48

c. binnen het bouwvlak met een maximale bouwhoogte van 5 meter is een tribune toegestaan, met dien verstande dat de tribune maximaal 10 meter in noordelijk c.q. zuidelijke richting mag worden opgeschoven. 14.2.3 Gebouwen buiten bouwvlak Buiten het bouwvlak zijn gebouwen toegestaan met dien verstande dat: a. de totale oppervlakte aan gebouwen gelegen buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 100 m² per sportvoorziening; b. de bouwhoogte van een gebouw niet meer dan 4 meter mag bedragen. 14.2.4 Ondergronds bouwen Voor het ondergronds bouwen gelden de volgende bepalingen: a. ondergronds bouwen mag uitsluitend binnen het bouwvlak met dien verstande dat minimaal 1 meter uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd dient te worden; b. de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk mag niet meer dan 3,5 meter beneden peil bedragen. 14.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 meter; b. de bouwhoogte van ballenvangers mag niet meer bedragen dan 7,5 meter; c. de bouwhoogte van schietbomen mag niet meer bedragen dan 18 meter; d. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 18 meter; e. de bouwhoogte van signalerings-, telecommunicatie-, en zendmasten mag niet meer bedragen dan 40 meter; f.

de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter;

g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - schietboom buks' is een kogelvanger toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 6 meter; h. de bouwhoogte van een 'wattenbak' mag maximaal 15 meter bedragen; i.

de minimale bouwhoogte van de geluidsschermen nabij de tennisvelden bedraagt 2,7 meter. Deze bouwhoogte mag met maximaal 0,5 meter worden verhoogd;

j.

de minimale bouwhoogte van het geluidsscherm bij de schietboom voor buksen bedraagt 3 meter bij een schietboom met een hoogte van 14 meter. Indien de schietboom 0,5 meter verdiept wordt aangelegd bedraagt de minimale hoogte van het geluidsscherm 2,5 meter. De minimale hoogten mogen met maximaal 0,5 meter worden verhoogd;

k. de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 meter.

49

Artikel 15

-

Tuin

15.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; b. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – cultuur’ de instandhouding en bescherming van een rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden, zoals bedoeld in Bijlage 2; c. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 1' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een brandaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s; d. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een explosieaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s; met daaraan ondergeschikt: e. ontsluitingswegen en paden; f.

(open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

g. groen en groenvoorzieningen; h. parkeervoorzieningen; 15.2 Bouwregels 15.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken: Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. uitbouwen bij op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend als erfafscheidingen. 15.2.2 Gebouwen Op of in deze gronden mogen uitsluitend uitbouwen in de vorm van erkers bij de op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen worden gebouwd, met dien verstande dat: a. de diepte van een erker niet meer dan 1,5 m bedraagt; b. de erker over ten hoogste 50% van de breedte van de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd; c. de bouwhoogte van de erker ten hoogste gelijk is aan de hoogte van de eerste bouwlaag + 0,25 m van het hoofdgebouw. 50

15.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn c.q. voorgevel niet meer dan 1 m mag bedragen. 15.3 Specifieke gebruiksregels 'veiligheidszone – LPG 1' Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 1' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een brandaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Het is niet toegestaan om ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 1’: a. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen te bouwen of in gebruik te nemen; b. Nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties te bouwen of in gebruik te nemen; c. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub a en sub b, met dien verstande dat de argumenten veiligheids-gerelateerd zijn. De argumenten voor (beperkt) kwetsbare objecten richten zich erop slachtoffers door een fakkelbrand te voorkomen. De argumenten voor zeer kwetsbare objecten richten zich erop slachtoffers door een fakkelbrand te voorkomen.

15.4 Specifieke gebruiksregels 'veiligheidszone – LPG 2' Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een explosieaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Het is niet toegestaan om ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2’: a. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen te bouwen of in gebruik te nemen; b. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub a, met dien verstande dat de argumenten veiligheids-gerelateerd zijn. De argumenten richten zich erop om slachtoffers in de groep zeer kwetsbare personen door een warme BLEVE te voorkomen. 15.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de activiteit met externe veiligheidsrisico’s is beëindigd of een wijziging in regelgeving of vergunningverlening daartoe aanleiding geeft.

51

Artikel 16

-

Verkeer - Verblijfsgebied

16.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en ontsluitingswegen; b. infrastructurele voorzieningen; c. parkeervoorzieningen; d. ondergrondse afvalcontainers; e. kunstobjecten; f.

groen en groenvoorzieningen;

g. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h. nutsvoorzieningen; i.

speelvoorzieningen;

j.

straatmeubilair;

k. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – cultuur’ de instandhouding en bescherming van een rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden, zoals bedoeld in Bijlage 2; l.

ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een explosieaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s.

16.2 Bouwregels 16.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken: Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen ten behoeve van het bepaalde in 16.1 onder h en k; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 12 m; b. de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m; c. de bouwhoogte van signalerings- en telecommunicatiemasten mag niet meer bedragen dan 40 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m. 52

16.3 Specifieke gebruiksregels Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een explosieaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Het is niet toegestaan om ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2’: a. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen te bouwen of in gebruik te nemen; b. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub a, met dien verstande dat de argumenten veiligheids-gerelateerd zijn. De argumenten richten zich erop om slachtoffers in de groep zeer kwetsbare personen door een warme BLEVE te voorkomen. 16.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de activiteit met externe veiligheidsrisico’s is beëindigd of een wijziging in regelgeving of vergunningverlening daartoe aanleiding geeft.

53

Artikel 17

-

Water

17.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen(, waaronder onderhoudspaden); b. waterberging; c. groen en groenvoorzieningen; d. infrastructurele voorzieningen; met daaraan ondergeschikt; e. ontsluitingswegen en paden. 17.2 Bouwregels 17.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken: Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 17.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m.

54

Artikel 18

-

Wonen

18.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in woningen al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep, inclusief tuinen en erven; b. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – sociale huurwoningen’ zijn sociale huurwoningen toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – liberale huurwoningen’ zijn liberale huurwoningen toegestaan; d. ter plaatse van de aanduiding ‘dienstverlening’ zijn dienstverlenende bedrijven/instellingen toegestaan; e. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf’ is een bedrijf toegestaan in de categorie 1 dan wel 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in Bijlage 1 dan wel bestaande bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in Bijlage 4; f.

bed & breakfast tot een maximum van 2 tweepersoonskamers in de woning;

g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuur' de instandhouding en bescherming van een rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden, zoals bedoeld in Bijlage 2; h. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een explosieaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s; met daaraan ondergeschikt: i.

ontsluitingswegen en paden;

j.

(open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

k. groen en groenvoorzieningen; l.

parkeervoorzieningen;

18.2 Bouwregels 18.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken: Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. gebouwen ten behoeve van het bepaalde in 18.1 onder a t/m g; 2. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de in 18.1 onder a t/m g bedoelde doeleinden; 3. carports, veranda's en overkappingen; 55

4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. buiten het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de in 18.1 bedoelde doeleinden; 2. carports, veranda's en overkappingen; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. c. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is aangegeven; d. het aantal woningen mag niet worden uitgebreid. 18.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. nieuwbouw van woningen is niet toegestaan met uitzondering van vervangende nieuwbouw; b. ter plaatse van de aanduiding: 1. 'aaneengebouwd'; 2. ‘gestapeld’; 3. 'twee-aan-een'; 4. 'vrijstaand'; mogen de hoofdgebouwen uitsluitend in het aangegeven bebouwingstype worden gebouwd; c. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mag het aantal woningen niet meer dan 1 bedragen per bouwvlak, tenzij ter plaatse met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' een ander aantal is weergegeven; d. de goot- en bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte, maximum bouwhoogte' is aangegeven; e. voor de dakhelling gelden de volgende bepalingen: vanaf de maximaal toegestane goothoogte dienen de gebouwen te worden afgedekt met hellende dakvlakken, waarvan de helling niet meer mag bedragen dan 60o, met dien verstande dat: 1.

tussen de aldus bepaalde (denkbeeldige) maximale contouren van het dak ook platte afdekkingen, dakvlakken met een helling van meer dan 60o en rechtopgaande gevelconstructies, waaronder ook topgevels, zijn toegestaan; 2. overschrijding van de (denkbeeldige) 60o -lijn is toegestaan voor dakkapellen, schoorstenen en andere uitstekende bouwdelen van ondergeschikte betekenis. Bij dakvlakken, met uitzondering van dakvlakken die van de weg af zijn gekeerd, wordt een overschrijding daarbij in ieder geval als 'niet ondergeschikt' aangemerkt, wanneer de 56

uitstekende bouwdelen meer dan de helft van de breedte van het dakvlak beslaan; f.

de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen voor hoofdgebouwen in de vorm van: 1. vrijstaande woningen mag aan beide zijden niet minder dan 3 m bedragen; 2. twee-aaneen gebouwde woningen mag aan één zijde niet minder dan 3 m bedragen; 3. Indien de bestaande afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minder bedraagt dan de voorgeschreven afstand, dan dient deze bestaande afstand als minimale afstand te worden aangehouden.

g. de voorgevel moet worden gesitueerd in de voorgevellijn of op een afstand van niet meer dan 3 m daarachter. 18.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw mag, voor zover deze worden gebouwd buiten het bouwvlak: 1. op bouwpercelen tot 300 m² niet meer bedragen dan 65 m²; 2. op bouwpercelen gelijk aan of groter dan 300 m² niet meer bedragen dan 65 m², vermeerderd met 10% van het aantal vierkante meters dat het bouwperceel groter is dan 300 m², met dien verstande dat de totale bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken niet meer dan 250 m² mag bedragen; c. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen; d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 6 m bedragen. 18.2.4 Erkers Voor het bouwen van uitbouwen in de vorm van erkers bij de op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: d. de diepte van een erker mag niet meer bedragen dan 1,5 m; e. de erker mag over ten hoogste 50% van de breedte van de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; f.

de bouwhoogte van de erker moet ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag + 0,25 m van het hoofdgebouw.

18.2.5 Ondergronds bouwen Voor het ondergronds bouwen geldt de volgende bepaling:

57

a. ondergronds bouwen mag uitsluitend binnen het bouwvlak dan wel onder bijbehorende bouwwerken met dien verstande dat minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd dient te worden. 18.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: b. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn c.q. voorgevel niet meer dan 1 m mag bedragen; c. bij een woonhuis mag één carport, veranda of overkapping worden gebouwd, met dien verstande dat: ▪

de voorgevellijn niet mag worden overschreden;

▪

de carport uitsluitend mag worden gebouwd met een plat dak;

▪

de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m;

▪

de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 25 m2;

d. een zwembad dient 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens te worden aangelegd; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 4 meter bedragen. 18.3 Afwijken van de bouwregels 18.3.1 Mogelijkheden tot afwijken Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in sub 18.2.3 onder a voor het oprichten van bijgebouwen en/of bijbehorende bouwwerken op een afstand van minder dan 3 meter van de voorgevel van het hoofdgebouw, mits: a. het bijgebouw en/of bijbehorende bouwwerken past wat betreft situering en afmetingen in de stedenbouwkundige opzet van het gebied; b. door de bouw van het bijgebouw en/of bijbehorende bouwwerken vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Dit betekent onder andere dat de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen percelen niet onevenredig mogen worden geschaad. 18.3.2 Voorwaarden voor afwijking De in lid 18.3.1 genoemde afwijkingen kunnen slechts worden verleend, indien het onderstaande in acht wordt genomen: a. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; b. er mogen geen onevenredig nadelige gevolgen ontstaan voor het woonmilieu; c. de ruimtelijke situatie is planologisch en stedenbouwkundig aanvaardbaar. 18.4 Specifieke gebruiksregels

58

Binnen de bestemming ‘Wonen’ is de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van: 1. 45 m² bij bouwpercelen tot 750 m²; 2. 60 m² bij bouwpercelen van 750 tot 1.500 m²; 3. 75 m² bij bouwpercelen vanaf 1.500 m²; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; c. detailhandel en horeca is niet toegestaan; d. buitenopslag is niet toegestaan; e. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner; f.

de activiteit moet milieuhygiënisch inpasbaar zijn in de omgeving.

18.5 Specifieke gebruiksregels Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een explosieaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Het is niet toegestaan om ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2’: a. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen te bouwen of in gebruik te nemen; b. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub a, met dien verstande dat de argumenten veiligheids-gerelateerd zijn. De argumenten richten zich erop om slachtoffers in de groep zeer kwetsbare personen door een warme BLEVE te voorkomen. 18.6 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de activiteit met externe veiligheidsrisico’s is beëindigd of een wijziging in regelgeving of vergunningverlening daartoe aanleiding geeft.

59

Artikel 19

-

Leiding – Gas

19.1 Bestemmingsomschrijving a. De op de verbeelding als Leding – Gas aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse hoge druk gastransportleidingen (inclusief voorzieningen) met de daarbij behorende belemmeringenstroken; b. De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt. 19.2 Bouwregels 19.2.1 Algemeen In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, geldt dat op of in de in 19.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de leiding(en) mogen worden gebouwd. Overige gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan uit oogpunt van externe veiligheid en energieleveringszekerheid. 19.3 Afwijking van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.

19.4 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: het opslaan van goederen, met uitzondering het opslaan van goederen t.b.v. van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding. 19.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 19.5.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding – Gas zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. 19.5.2 Uitzonderingen Het verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden: a. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; b. die het normale onderhoud ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;

60

c. zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten; d. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 19.5.3 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kan worden verleend indien de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet schaden. 19.5.4 Leidingbeheerder Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in 19.5.1, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de leiding niet worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.

61

Artikel 20

-

Leiding – Riool

20.1 Bestemmingsomschrijving a. De op de verbeelding als Leding – Riool aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse rioolleiding (inclusief voorzieningen) met de daarbij behorende belemmeringenstroken; b. De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt. 20.2 Bouwregels 20.2.1 Algemeen In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, geldt dat op of in de in 20.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de leiding(en) mogen worden gebouwd. Overige gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan. 20.3 Afwijking van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten. 20.4 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: het opslaan van goederen, met uitzondering het opslaan van goederen t.b.v. van inspectie en onderhoud van de leiding.

20.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden 20.5.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Riool zonder in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; e. diepploegen; f.

het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en daarmee verband houdende constructies;

g. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen. 20.5.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

62

Het verbod van 20.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die: a. werken en/of werkzaamheden die niet dieper gaan dan -0,4 meter beneden maaiveld; b. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; d. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 20.5.3 Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden Werken of werkzaamheden als bedoeld in 20.5.2 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

63

Artikel 21

-

Waarde – Archeologie 1

21.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. 21.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 50 m² en dieper dan 0,3 meter; c. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; d. bouwen binnen het bouwvlak, tenzij er sprake is van vastgestelde archeologische resten of dat er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object of monument. 21.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een afwijking verlenen van het bepaalde in 21.2 en toestaan dat in de andere bestemmingen gebouwen worden gebouwd mits wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning blijkens archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; b.

de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van de burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologische deskundige.

64

21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten ingeval het gaat om ingrepen buiten het bouwvlak of ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van vastgestelde archeologische resten of als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument of ingrepen die gelijk of groter zijn dan 30 m² en dieper dan 0,3 meter: e. afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren, indrijven; f.

draineren, onderbemalen, stuwen, graven sloten;

g. planten, omzetten grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt; h. verharden oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen; i.

aanleg tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

21.4.2 Uitzonderingen Het in lid 21.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: d. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; e. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; f.

mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

21.4.3 Toelaatbaarheid De in lid 21.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien: d. werken en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis dan wel die behoren tot het op de bestemming van de gronden gerichte normale onderhoud en beheer; e. werken en werkzaamheden, die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

65

Artikel 22

-

Waarde – Archeologie 4

22.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. 22.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 100 m² en dieper dan 0,5 meter c. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; d. bouwen binnen het bouwvlak, tenzij er sprake is van vastgestelde archeologische resten of dat er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object of monument. 22.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een afwijking verlenen van het bepaalde in 22.2 en toestaan dat in de andere bestemmingen gebouwen worden gebouwd mits wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning blijkens archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; b.

de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van de burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige.

66

22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten ingeval het gaat om ingrepen buiten het bouwvlak en/of ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van vastgestelde archeologische resten of als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument en/of ingrepen die gelijk of groter zijn dan 100 m² en dieper dan 0,5 meter: a. afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren, indrijven; b. draineren, onderbemalen, stuwen, graven sloten; c. planten, omzetten grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt; d. verharden oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen; e. aanleg tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. 22.4.2 Uitzonderingen Het in lid 22.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 22.4.3 Toelaatbaarheid De in lid 22.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien: a.

werken en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis dan wel die behoren tot het op de bestemming van de gronden gerichte normale onderhoud en beheer; b. werken en werkzaamheden, die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

67

HOOFDSTUK 3 - ALGEMENE REGELS Artikel 23

-

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 24

-

Algemene bouwregels

24.1 Bestaande maten en afstanden 24.1.1 Maximale maatvoering In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet verleende omgevingsvergunning dan wel verleende omgevingsvergunning , op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden onverminderd het bepaalde in artikel 26.1. 24.1.2 Minimale maatvoering In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet verleende omgevingsvergunning dan wel verleende omgevingsvergunning , op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. 24.1.3 Heroprichting In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 24.1.1 en 24.1.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. Artikel 25

-

Algemene gebruiksregels

25.1 Parkeren - Gebruik 25.1.1 Algemeen a. Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden - al dan niet gecombineerd - , waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. b. Bij een omgevingsvergunning, dan wel bij de beoordeling of het gebruik in overeenstemming is met het bestemmingsplan wordt aan de hand van de d.d. 27 september 2016 door burgemeester en wethouders vastgestelde "Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel" bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Indien gedurende de planperiode nieuwe parkeernormen worden vastgesteld door de gemeente, dient rekening gehouden te worden met deze wijziging nadat dit nieuwe beleid is vastgesteld.

68

c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in onder a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie. 25.1.2 Afwijken van de gebruiksregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van ger bepaalde in artikel 25.1.1 mits: a. de ontwikkeling niet een zodanige verkeersaantrekkende activiteit betreft die kan leiden tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte, en; b. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; c. op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien; d. voor zover het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. 25.2 Strijdig gebruik Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met hetgeen is bepaald in hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan. 25.2.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 25.2 wordt in ieder geval verstaan: a. gronden te gebruiken of laten gebruiken als: 1. opslagplaats voor vaten, kisten, oude en nieuwe (bouw)materialen, afval, puin, grind, brandstoffen, bagger, en grondspecie en dergelijke; 2. uitstallings-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen;. 3. een seksinrichting, prostitutie en dergelijke; b.

gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te gebruiken of laten gebruiken voor: 1. seksinrichtingen, prostitutie en dergelijke; 2. (inrichtingen ten behoeve van) het verstrekken van verdovende middelen, vallende onder de Opiumwet; 3. pick up points, met uitzonderingen van het bepaalde in artikel 8.4; c. bijgebouwen te gebruiken of laten gebruiken voor: 1. zelfstandige bewoning. 25.2.2 Geen strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan: a. het opslaan van (bouw)materialen, afval, puin, grind, bagger en grondspecie en dergelijke in verband met normaal onderhoud, dan wel ter verwezenlijking van de bestemming, mits dit gebeurd op de bij de bestemming behorende grond; b. de stalling van ten hoogste één toercaravan en/of boot op de bij een woonhuis behorende grond.

69

25.2.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘waardevolle boom’ alsmede ter plaatse van de in bijlage 6 (lijst met beschermde en monumentale bomen in Berlicum en Middelrode) opgenomen adressen/bomen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e. f.

wegnemen takken, behalve normaal beheer en onderhoud; afkappen wortels dikker dan 5 cm; wegnemen van grond (in situ); aanbrengen van verharding; verdichten van de ondergrond; opslag van materialen, zoals bijvoorbeeld bouwmaterialen, grond en zand, afval of afvalcontainers, tijdelijke toilet, materieel; g. wijzigen van de grondwaterstand door bronnering of anderszins. 25.3 Afwijking gebruiksverbod 25.3.1 Mantelzorg a. Het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 25.2.1 onder c en toestaan dat een (vrijstaand) bijgebouw bij een woning gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, mits: 1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is uit het oogpunt van mantelzorg; 2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; 3. de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen, aan- en uitbouwen wordt ingepast met een maximale vloeroppervlakte van 80 m²; 4. het (vrijstaande) bijgebouw is gelegen op een afstand van maximaal 25 m van het woonhuis of de bedrijfswoning. b. Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in, verleend op grond van het gestelde 25.3.1 onder a, indien de bestaande noodzaak voor de zorgbehoevende vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is. Artikel 26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=89f17440-18ba-4745-8191-112b4b03de62