2021-R-549a Toelichting ontwerpbestemmingsplan ’t Hulder
Tekst van het document
Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit alle archeologische perioden, waarbij nederzettingssporen zijn aangetroffen uit de perioden Vroege-Ijzertijd en Middeleeuwen (12e-13e eeuw). In het hele plangebied kunnen dus archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodemopbouw in het grootste deel van het plangebied zwaar verstoord is. Eén boring is geïnterpreteerd als de enige enigszins intacte boring in het plangebied. De rest van de boringen zijn zwaar verstoord tot 45 centimeter (twee boringen) en 70 centimeter (drie boringen) onder het maaiveld. De boorpunten zijn weergegeven in figuur 6.1.1.
39/83
Figuur 6.1.1: Boorpunten (Bron: Econsultancy) Conclusie Op basis van de waargenomen bodem verstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureau onderzoek, is door het booronderzoek geheel bijgesteld naar laag voor alle perioden. 6.1.2
Cultuurhistorie
Beoordeling Het plangebied ligt in het cultuurhistorische landschap Maasterrassen. Het gebied van de Maasterrassen is van bijzondere cultuurhistorische betekenis door de opbouw van het landschap in drie niveaus, die verschillen in
40/83
inrichting en in het gebruik dat men er vanouds van heeft gemaakt. Op het laagterras liggen graslanden en de karakteristieke Maasheggen. Op het middenterras ligt het kralensnoer van dorpen. Hier zijn ook de doorgaande wegen en de grote akkercomplexen gesitueerd. Op het hoogterras lagen vroeger de heidevelden, thans vindt men er bossen en jonge landbouwontginningen. De ontwikkelingsstrategie is behoud en herstel van de Maasheggen en open akkers; versterken van contract tussen gesloten Maasheggen tegenover de open terrasrug. De compacte dorpen tegenover de open akkers; de waterbergingsopgave afstemmen op de historisch landschappelijke waarden als heggen, micro-reliëf en padenstructuur; eisen stellen aan dorps- en staduitbreidingen; de economische dragers afstemmen op cultuurhistorische identiteit Maasvallei; het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving. De beoogde ontwikkeling voorziet in een compacte invulling van een open plek in het dorp. Door het aanleggen van wadi's wordt expliciet rekening gehouden met de waterbergingsopgave in dit gebied. Het beoogde fietspad aan de zuidkant van het plangebied brengt het compacte binnenhof in het dorp direct in contact met de open akkers via het fietspad aan de achterkant van de percelen aan de Vlasakker. Dit fietspad kijkt over de akkers uit op het riviertje de Molenbeek.
Conclusie Met het ontwerp voor de woningen en het groen wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden.
6.2
Water
Waterbeheer en watertoets Onderdeel van het rijksbeleid is de invoering van de watertoets. De watertoets dient te worden toegepast op nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. Als een gemeente een ruimtelijk plan wil opstellen, stelt zij de waterbeheerder vroegtijdig op de hoogte van dit voornemen. De waterbeheerders stellen dan een zogenaamd wateradvies op. Het ruimtelijk plan geeft in de waterparagraaf aan hoe is omgegaan met dit wateradvies. De initiatiefnemer van een planontwikkeling dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
41/83
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Interim omgevingsverordening Beleid provincie Noord-Brabant Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021. Het plan staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het document vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbend (water)partijen in Brabant. Beleid waterschap Aa en Maas Het waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om onderhavig plangebied. Het waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels staan in de Keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap Aa en Maas. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast.
Voor wat betreft de aanwijzing van de gebieden waarvoor een vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is vereist is, is dit ook een taak van het waterschap. In het Waterbeheerplan 2016-2021 staan de doelen die het waterschap wil bereiken, hoe ze dat willen doen en met welke partners. Dit zijn gemeenten, industriële en agrarische ondernemers, natuurverenigingen, de provincie en het Rijk. De hoogste prioriteit van het waterschap is om vanuit hun verantwoordelijkheid bij te dragen aan de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de inwoners in de regio. Daarnaast staan zij voor innovatief en duurzaam waterbeheer. Bij dit waterbeheer laat het waterschap zich continu leiden door zijn missie: "Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten". Naast de bijdrage aan een duurzame leefomgeving met de aanwezigheid van een goed functionerend watersysteem, draagt het waterschap ook bij aan bredere maatschappelijke thema's: water in bebouwd gebied; kennisontwikkeling en innovatie; energiegebruik en grondstofvoorziening; internationale samenwerking; water en ruimte.
42/83
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's c.q. speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een verordening; de Keur en de Legger. De Brabantse waterschappen hebben een gezamenlijke Keur opgesteld, genaamd de Brabantkeur. Deze bevat zoals reeds vermeld gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. In de Brabantkeur staat weergegeven dat het verboden is om zonder vergunning van het waterschap hemelwater, afkomstig van verhard oppervlak met een totaal oppervlakte van 500 m² of meer, op het oppervlaktewater te lozen. Het waterschap toetst een waterparagraaf op onder andere op onderstaande punten: 1. voorkomen van vervuiling; 2. wateroverlastvrij bestemmen; 3.
hydrologisch neutraal Ontwikkelen (HNO); 4. vuil water en hemelwater scheiden; 5. afvoer schoon hemelwater volgens de stappen: hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Keur De 'Keur Waterschap Aa en Maas 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater, die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap Aa en Maas. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. De Keur van het waterschap is onder andere van toepassing wanneer direct of indirect wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam. De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², en meer dan 500 m² (sinds de keur aanpassing op 1 april 2021). Wanneer de toename van het verhard oppervlak minder is dan 500 m²
43/83
is er vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. In deze gevallen is de gemeente het bevoegd gezag. Bergingscapaciteit: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06' Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Watertoets De volgende randvoorwaarden en uitgangspunten uit de Handreiking watertoets van waterschap Aa en Maas zijn van toepassing op eventuele nieuwe ontwikkelingen of ver(nieuw)bouw binnen het plangebied. Voor hemelwater vraagt het waterschap om onderstaande voorkeursvolgorde toe te passen, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren 3. bergen en afvoeren; 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect); 5. afvoeren naar de riolering. De initiatiefnemer dient deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater/riolering mogelijk.
In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid eisen aan de afvoer van hemelwater. Voor hemelwaterafvoer naar oppervlaktewater gelden de bepalingen uit de Keur 2015 van het Waterschap; artikel 15 van de Algemene regels respectievelijk artikel 13 van de Beleidsregels. In de waterparagraaf dient duidelijk te worden welk type infiltratie- en/of bergings- voorziening wordt toegepast. Middels een tekening kan inzicht worden gegeven in de locatie en het ruimtebeslag van de voorziening(en). Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de leegloop en overstort van de voorziening. Tevens dient inzichtelijk te worden gemaakt dat door de nieuwe ontwikkeling geen problemen elders worden veroorzaakt. Bij de inrichting, bouw en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de waterkwaliteitstrits: (1) schoonhouden (2) scheiden (3) zuiveren, dienen de mogelijkheden voor bronmaatregelen (schoonhouden) te worden onderzocht.
Daarbij kan gedacht worden aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen), geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater en een verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer). Huidige situatie
44/83
Het plangebied 't Hulder ligt in het zuidoostelijke deel van de bebouwde kom van Vierlingsbeek. Aan de westzijde grenst het gebied aan de kruising van de Hulder en Beekstraat, aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Hulder. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onbebouwd. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermings- of waterwingebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de grond in de omgeving van het plangebied uit enkeerdgronden; fijn zand. Met betrekking tot grondwater is in het plangebied sprake van grondwatertrap VIII. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 140 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 160 centimeter onder maaiveld. Waterkwantiteit en waterkeringen Binnen het plangebied is géén oppervlaktewater aanwezig en het plangebied bevindt zich hiermee ook niet in een beschermingszone. In figuur 6.2.1 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie beschikbaar via de Legger van het waterschap Aa en Maas.
Uitsnede Legger Oppervlakterwateren waterschap Aa en Maas
Figuur 6.2.1:
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszones zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering
45/83
Het plangebied is momenteel onbebouwd en niet aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden maximaal 13 woningen gerealiseerd. Waterkwantiteit en compensatie Met de ontwikkeling zal circa 3.900 m² aan percelen uitgegeven worden. Omdat het om vrijstaande, geschakelde en twee-aan-een woningen gaat, is uitgegaan van 65% aan verharding. Wat betreft de woningen is de toename aan verharding derhalve 2.535 m². Daarnaast vindt er ook toename aan verharding plaats door onder andere de aanleg van wegen. Deze oppervlakte betreft circa 1.400 m². Hiermee komt de totale toename aan verharding op 3.935 m². Omdat de verharding meer dan 500 m2 bedraagt, is er vanuit het waterschap een compensatieverplichting. Per m2 verharding dient 60 mm waterberging aangelegd te worden waarvan 45 mm in een voorziening en 15 mm op de verharding. De compensatie komt dan neer op 3.935 m² * 45 mm = 177 m³ en 3.935 m² * 15 mm = 59 m³. Ten behoeve van de bergingscompensatie zullen wadi's in het plangebied aangelegd worden met een inhoud van 164 m³. In het inrichtingsplan zullen de wadi's definitief vormgegeven worden waarbij zal worden voldaan aan de compensatie-eis. In de ontwikkeling is tevens voorzien in 718 m² oppervlakte aan groen.
Hemelwater kan hierdoor ook in het groen infiltreren en ter plaatse opgevangen worden waardoor dit niet afgevoerd hoeft te worden. In de uiteindelijke realisatie van het plan kunnen de exacte inhoudsmaten verschillen, desalniettemin zal voldaan worden aan de compensatieopgave. Waterveiligheid De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (lood, zink en zacht PVC) kunnen deze stoffen zich ophopen in het water(bodem)systeem. Hierdoor kan het gebruik hiervan een zeer nadelige invloed hebben op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. De ontwikkeling zal aangesloten worden op het gemengde rioolstelsel in de Grotestraat.
46/83
Conclusie Het plangebied bevindt zich niet in een beschermingszone van een watergang of waterkering. Er is sprake van een toename aan verharding die de ondergrens van 500 m2 ruim overschrijdt. Compensatie zal plaatsvinden door middel van de aanleg van wadi's, groen en infiltratie systemen op straatniveau met voldoende bergingscapaciteit. Hiermee heeft de ontwikkeling géén negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
6.3
Bodem
Algemeen De tijd dat elke vervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen. Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten "ernstige vervuilingen" in meer of mindere mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie. Regelgeving Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit.
Omdat er wel een signaalfunctie van het onderzoek uit kan gaan, wordt een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem in het plangebied uitgevoerd. Voor locaties waar nieuwe (woning)bouwmogelijkheden zijn opgenomen, is een bodemonderzoek (conform NEN 5740) nodig om eventuele bodem- en/of grondwater- verontreinigingen in kaart te brengen. Wanneer een ontwikkeling geen bestemmings- wijziging tot gevolg heeft, is geen bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan nodig; de bodem wordt in dat geval geschikt geacht voor de toegestane functie. Het bodemonderzoek wordt in die gevallen uitgevoerd in het kader van de omgevings- vergunning voor het bouwen. Onderzoek Doordat de bestemming wijzigt is een bodemonderzoek noodzakelijk. In augustus 2018 is er een milieukundig en civieltechnisch bodemonderzoek uitgevoerd voor het verkrijgen van inzicht in de opbouw van de wegconstructie/bodem, en de milieuhygiënische kwaliteit/hergebruiksmogelijkheden van de tijdens de reconstructie vrijkomende materiaalstromen en of er belemmeringen zijn voor de voorgenomen herontwikkeling. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3.
47/83
Wegconstructie onderzoek Uit de onderzoeksresultaten blijkt, dat de oppervlaktebehandeling aan het maaiveld van de asfaltverharding geheel teerhoudend is. Uit de onderzoeksresultaten blijkt verder dat, ondanks het licht verhoogde PAK gehalte door een mogelijke kleeflaag, de onderlaag van de asfaltverharding niet teerhoudend is. Geadviseerd wordt om het vrijkomende asfalt als teerhoudend te beschouwen en af te voeren naar een erkende verwerker. Bodemkundig onderzoek civieltechnische herbruikbaarheid De matig siltige, zeer fijne zandlagen op deellocatie A (Plangebied) die vanaf 0,5 m –mv voorkomen zijn geanalyseerd en voldoen aan geen van de eisen voor "zand in aanvulling of ophoging", "draineerzand", "zand in zandbed" en/of "straatzand". De zwak siltige, matig fijne tot matig grove zandlagen op deellocatie B (Wegvlak) die vanaf 1,0 m –mv voorkomen zijn geanalyseerd en voldoen aan de eisen voor "zand in aanvulling of ophoging" en "zand in zandbed", maar niet voor de eisen voor "draineerzand" en "straatzand". Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De eisen van het Besluit Bodemkwaliteit en de regels van het Besluit Uniforme Sanering (BUS) zijn hierop mogelijk van toepassing.
Milieukundig bodemonderzoek Geadviseerd wordt om in het kader van de Wet bodembescherming een nader onderzoek te laten instellen naar de aard en de omvang van de geconstateerde verontreinigingen met PAK. In het nader onderzoek zal onder andere een gevalsbepaling worden gedaan om vast te stellen of de aangetroffen verontreiniging met PAK vóór of na 1 januari 1987 is ontstaan om mede afhankelijk van de grootte van de sterke verontreiniging te bepalen of hier een plan van aanpak, BUS-melding of bodemsaneringsplan noodzakelijk/mogelijk is. In verband met het aantreffen van puin in de bovengrond van deellocatie A (ter plaatse van boringen A11, A14 en A15) en baksteen in de bovengrond van deellocatie B (ter plaatse van boringen B03 en B04) om een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 te laten uitvoeren. In oktober 2018 is er een verkennend onderzoek asbest in de bodem uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen in bijlage 4. Hierbij zijn er op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem is zowel zintuiglijk als analytisch géén hechtgebonden en/of niet-hechtgebonden asbest geconstateerd. Asbest vormt geen milieuhygiënische belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoeks- locatie. Daarnaast is er geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin.
Er hoeven dus geen specifieke maatregelen te worden getroffen wanneer grondwerkzaamheden op e locatie worden uitgevoerd. Conclusie Het milieuaspect bodem staat de beoogde ontwikkeling hiermee niet in de weg.
6.4
Natuur en ecologie (flora en fauna)
Regelgeving De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet
48/83
Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Gebiedsbescherming Het hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" heeft betrekking op de Natura 2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Hierbij wordt het ‘Nee, tenzij’ principe gebruikt. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Figuur 6.4.1: Overzicht Natura synbiosys.alterra.nl/natura2000)
2000-gebied
ten
opzichte
van
het
plangebied
(ster)
(Bron:
Voor de Natura 2000-gebieden zijn vanuit het Rijk instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincie dient voor deze Natura 2000-gebieden een Natuurbeheerplan op te stellen. De provincie
49/83
Noord-Brabant heeft dit gedaan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor ontwikkeling en beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Daarnaast staan in het beheerplan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Als door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Het netwerk laat natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; grotere wateren: meren, rivieren, de kustlijn van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. De verantwoordelijkheid van het natuurnetwerk ligt bij de provincies. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europese Ecologische Netwerk (Peen) vormen. Het Nationaal Natuurnetwerk van het Rijk (geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ 1990) is op provinciaal niveau vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Brabant.
50/83
Figuur 6.4.2: Ligging plangebied met rondom Natuur Netwerk Brabant (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
Soortenbescherming Het hoofdstuk "Soorten" heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden boven op de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: vogels met een jaarrond beschermde nestplaats; overige inheemse broedvogels;
51/83
soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling; nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen.
Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Het beoogde plan mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Met het programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. De nieuwbouw zal niet worden aangesloten op het gasnet. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De benodigde gegevens voor de gebruiksfase zijn berekend aan de hand van CROW-kengetallen en aangevuld op basis van de in AERIUS Calculator opgenomen kengetallen.
De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie. De gemeente Boxmeer is conform de demografisch kencijfers van het CBS, aan te merken als een weinig stedelijke gemeente. De locatie van het plan is gelegen in de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’. Omdat de uiteindelijke planinrichting nog niet vast staat is in dit onderzoek van Econsultancy uitgegaan van een verkeersgeneratie behorende bij vrijstaande koopwoningen, welke de hoogste verkeersgeneratie hebben. Uitgaande van de maximale bandbreedte genereert het totale plan 129 verkeersbewegingen per weekdag. Hiervan zijn, als worstcase scenario, 6 bewegingen als middelzwaar vrachtverkeer gemodelleerd. Via het onderhavig onderzoek is een volledige ontsluiting over de Hulder vanaf en tot de Grotestraat
52/83
gehanteerd. In het programma AERIUS is het verkeer door middel van een lijnbron gemodelleerd. Omdat de Hulder een één-richtingsweg is, is in AERIUS 1 lijn gemodelleerd met de helft van het aantal verkeersbewegingen. Omdat de lijn zowel naar als van het plan weg gaat is alsnog in totaal rekening gehouden met het aantal verkeersbewegingen. In figuur 6.4.3 is de emissiebron voor het verkeer (bron 1) globaal weergegeven.
Figuur 6.4.3: Emissiebron gebruiksfase (Bron: rapport Econsultancy) De AERIUS berekeningen hebben geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j opgeleverd. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. De AERIUS berekeningen zijn terug te vinden in de bijlage 6, 7 en 8. Om te bepalen of de beoogde ontwikkeling van het bouwrijp maken van de locatie 't Hulder impact heeft op de habitats van verschillende soorten en soorten groepen is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, bijgevoegd in bijlage 9. In figuur 6.4.4 is een een tabel samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. Daarnaast is aangegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
53/83
Figuur 6.4.4: Overzichtstabel geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen (Bron: Actualisatie quickscan Wet natuurbescherming Hulder door Econsultancy) Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voor de uitvoering van de werkzaamheden duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor steenuil en das. De benodigd aanvullende ecologische onderzoeken naar steenuil en das zijn al uitgevoerd door/onder uitvoering van Econsultancy. Voor de das is een andere plek gevonden waar in de winter van 2021 een nieuwe burcht is aangelegd. De das heeft deze nieuwe woonplek op dit moment nog niet betrokken. Voor de steenuil diende bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan meerdere randvoorwaarden ten aanzien van type en omvang van het groen in het openbaar gebied gehanteerd te worden waardoor het woongebied ook als foerageergebied behouden blijft. Een minimaal benodigde hoeveelheid groenoppervlak (gras, wadi en struweel) aangevuld met 1 m brede en 1 m hoge hagen en minimaal 5 verschillende soorten hoogstam fruitbomen bepalen voor een groot deel de inrichting van het openbaar gebied. Gelet op de woonboerderij grenzend aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie en bomenrij en bosschages
54/83
grenzend aan de zuidkant van de onderzoekslocatie, is overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen als potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes functioneel en behouden blijven. Hiervoor wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen en te voorkomen dat licht uit zal stralen in de richting van de woonboerderij. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld om verstoring door verlichting te voorkomen. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de toekomstige situatie ter plaatse wordt ten aanzien van eekhoorn voorgesteld te werken conform een ecologisch werkprotocol. Overtreding ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden op de onderzoekslocatie buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden, is een broedvogelinspectie voorafgaand aan de start van de werkzaamheden benodigd. Geadviseerd wordt om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Voor beschermde soorten behorende tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde.
Wel dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. Conclusie Zowel vanuit de Wet natuurbescherming als vanuit de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden vanuit het aspect gebiedsbescherming. Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits een omgevingscheck voorafgaand aan de werkzaamheden wordt uitgevoerd en de voorgestelde voorzorgsmaatregelen voor onder andere de das en de steenuil worden uitgevoerd/toegepast.
6.5
Verkeer en parkeren
6.5.1 Verkeer Ontsluiting van het plangebied De beperkte omvang van de locatie en de ingesloten ligging maken dat het plangebied ontsloten kan worden met één auto-ontsluiting vanaf de T-splitsing Beekstraat-Hulder aan de westzijde van de locatie, zie paarse pijl in figuur 6.5. Er wordt daarnaast voorzien in een voet-/fietspad naar het zuidelijke deel van de Hulder die tevens direct aansluit op het pad achter de percelen aan de Vlasakker en langs het beekdal van de Molenbeek, zie blauwe pijl in figuur 6.5.
55/83
Figuur 6.5: Uitsnede plangebied met ontsluiting op de Hulder richting Laurentiusstraat Verkeersgeneratie en - afwikkeling De totale verkeersgeneratie voor de planontwikkeling in het plangebied is berekend op basis van de kencijfers in de CROW-publicatie 381, waarbij is uitgegaan van een gemiddelde tussen de bandbreedte: Stedelijkheidsgraad Vierlingsbeek: weinig stedelijk Ligging plangebied: Alle overige kernen buiten de kern van Boxmeer vallen onder het gebied 'rest bebouwde kom'. Voor het aantal woningen per woningtype wordt uitgegaan van het huidige stedenbouwkundige plan met in totaal 13 levensloopbestendige/-geschikte woningen: Aantal woningen (koop vrijstaand): 7 met een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal Aantal woningen (koop twee-onder-een-kap): 6 met een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen per etmaal
56/83
Woningtypen Koop vrijstaand Koop 2-onder-1-kap
Aantal (totaal 13) 7 6
Norm 8,2 7,8
Verkeersgeneratie weekdag 57,4 46,8
Verkeersgeneratie werkdag (x 1,11) 63,7 51,9 116
Gemotoriseerd verkeer De woningen worden ontsloten via de Hulder en de Laurentiusstraat. De verkeersgeneratie van in totaal 116 verkeersbewegingen per werkdag is dusdanig laag dat deze opgaat in de dagelijkse fluctuatie van het huidige verkeer. Openbaar vervoer In het centrum op circa 350 meter afstand is een bushalte voor de lijn 255. Op 1,4 kilometer afstand van het plangebied ligt het treinstation van Vierlingsbeek. Langzaam verkeer Met de fiets en te voet is het centrumgebied van Vierlingsbeek binnen enkele minuten te bereiken. Conclusie De toename van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling kan goed afgewikkeld worden via de Hulder naar de Laurentiusstraat richting de Grotestraat. De bereikbaarheid van de planlocatie is voor alle verkeersmodaliteiten goed. Het aspect verkeer vormt hierdoor geen belemmering voor de beoogde projectontwikkeling in het plangebied en het omliggende gebied. 6.5.2 Parkeren Bestaande situatie In de bestaande situatie is het plangebied een braakliggend terrein waar geen auto's komen, er zijn geen bestaande parkeerplaatsen gesitueerd. Parkeerbehoefte nieuwe situatie De totale parkeerbehoefte voor de planontwikkeling in het plangebied is berekend op basis van de kencijfers in de Nota Parkeernormen Boxmeer 2015.
De parkeernormen in deze nota zijn gebaseerd op de kencijfers uit CROW-publicatie 317: Stedelijkheidsgraad Vierlingsbeek: weinig stedelijk Ligging plangebied: Alle overige kernen buiten de kern van Boxmeer vallen onder het gebied 'rest bebouwde kom'. Voor het aantal woningen per woningtype gaan we uit van het huidige stedenbouwkundige plan met in totaal 13 levensloopbestendige/-geschikte woningen: Aantal woningen (koop vrijstaand): 7 met parkeernorm 2,3 Aantal woningen (koop twee-onder-een-kap): 6 met parkeernorm 2,2 Woningtypen Koop vrijstaand
57/83
Aantal (totaal 13) 7
norm 2,3
Parkeerbehoefte 16,1
Koop 2-onder-1-kap
6
2,2
13,2 29
Parkeerinvulling In het beoogde plan is er één parkeerplek op het eigen terrein van elke woning voorzien. Bij de woning in het zuiden direct aan de Hulder dienen twee parkeerplekken op eigen terrein aangelegd te worden. Met het beoogde aantal van 13 woningen komt dit uit op 14 parkeerplekken. Rondom de wadi in het midden van het plangebied zijn 15 parkeerplekken beoogd. Dit komt in totaal uit op 29. Hiermee kan er precies invulling gegeven worden aan de totale parkeerbehoefte.
Figuur 6.5.2: Huidig stedenbouwkundig plan met 13 woningen en 29 parkeerplekken (Bron: gemeente Boxmeer) Aanvullende opties Het is niet wenselijk dat er buiten het plangebied wordt geparkeerd. Conclusie De parkeerbehoefte behorende bij de planontwikkeling kan volledig opgevangen worden binnen de grenzen van het plangebied. Hiermee vormt het aspect parkeren géén belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. De definitieve parkeertoets en daadwerkelijke invulling vindt plaats aan de hand van de ingediende omgevingsvergunningaanvraag die getoetst wordt aan het gemeentelijke parkeer(normen)beleid.
58/83
6.6
Geluid
Algemeen Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal gevallen wordt de gezondheid beïnvloed door geluid. Hoge geluidsniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld. Regelgeving De Wet geluidhinder, de Luchtvaartwet en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de situatie met betrekking tot geluid in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk: wegverkeerslawaai; spoorlawaai; industrielawaai; vliegtuiglawaai. Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet.
Spoorlawaai, industrielawaai en vliegtuiglawaai Er liggen geen geluidszones van het spoorlawaai, industrielawaai en vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd worden. Wegverkeerslawaai Voor het wegverkeerslawaai is de Wet geluidhinder (Wgh) het wettelijke kader. In deze wet is onder ander vastgelegd welke geluidniveaus op de gevel van nieuwe woningen, ten gevolge van wegverkeer, maximaal toelaatbaar zijn. In beginsel geldt dat de geluidsbelasting op nieuwe woningen niet meer mag bedragen dan de voorkeurs- grenswaarde (48 dB). Op basis van artikel 76a van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken de waarden als bedoeld in de artikelen 82, 83, 85, 100 en 100a van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie.
59/83
De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74, lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74, lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Onderzoek In juni 2020 is het akoestisch onderzoek uitgevoerd, dit rapport is bijgevoegd als bijlage 10 en 11. De nieuwe woningen liggen in het gebied C van de gebiedstypekaart van de gemeente Boxmeer. Voor dit gebied geldt een ambitiewaarde van 43 dB Lden. De berekeningen tonen aan dat in 2030 de geluidbijdrage vanwege wegverkeerslawaai maximaal 43 dB Lden bedraagt na toepassen van de aftrek van artikel 110g van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat voldaan wordt aan de ambitiewaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Volgens het gemeentelijk beleid is er dan geen nader onderzoek naar mogelijk te treffen voorzieningen nodig. Uit het onderzoek blijkt ook dat het plan niet ligt binnen een zone van een weg zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Conclusie Het plan kan dus worden gerealiseerd. Het voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet Geluidhinder en bij de nieuwe woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat als gevolg van wegverkeerslawaai.
6.7
Luchtkwaliteit
Algemeen Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. Regelgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het beleid en de normstelling voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaaren daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 6.5: grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie
60/83
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. AMvB - "niet in betekenende mate"(nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 ( = 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. De reden hiervoor is dat er in het NSL voldoende maatregelen zijn opgenomen om de bijdrage van deze projecten aan verslechtering van de luchtkwaliteit te compenseren. Projecten die wel “in betekende mate” (ibm) bijdragen zijn vaak al opgenomen in het NSL. Het NSL is er op gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daartoe is een pakket aan maatregelen opgenomen in het NSL, zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatie specifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Als een project ibm is en niet is opgenomen in het NSL, kan projectsaldering worden toegepast. Dit is uitgewerkt in de ministeriële regeling “projectsaldering luchtkwaliteit 2007”.
Dit betekent dat bij het project zogenoemde 'onlosmakelijke maatregelen' worden genomen die de luchtkwaliteit verbeteren/niet verslechteren, of projectsaldering wordt toegepast. Saldering dient dan plaats te vinden in een gebied dat een functionele of geografische relatie heeft met het plangebied. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied worden 13 woningen gerealiseerd. Een dergelijke separate projectontwikkeling valt volgens het Besluit niet in betekenende mate onder de hierboven vrijgestelde situaties. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
61/83
Figuur 6.7.1: luchtkwaliteit volgens NSL-monitoringstool (Bron: nsl-monitoring.nl) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven (zie afbeelding 6.7.1). Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Grotestraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden liggen en onder maximaal toelaatbaar aantal overschrijdijdings- dagen PM10. Bij rekenpunt 15531283 bedraagt de uitstoot voor NO2 (14,431), PM10 (17,31) en PM2,5 (10,694) en het maximaal overschrijdingsdagen 6,09. Hierdoor is er ter plaatste van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar verblijf- en leefklimaat. NIBM tool De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is vanuit een worst-case benadering bepaald op 107 motorvoertuigen mvt/etmaal (107 bewegingen voor personenwagens en maximaal 0% voor vrachtverkeer). Uit de berekeningen (NIBM-tool) met realisatiejaar 2022 blijkt dat de bijdrage NO2 0,072 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,016 µg/m³.
Daarmee is aangetoond dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bij draagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. In afbeelding 6.7.2 is de berekening in de NIBM-tool weergegeven.
62/83
Figuur 6.7.2: bijdrage verkeer NIBM-tool Op grond van deze overwegingen kan zonder luchtkwaliteitsonderzoek worden vastgesteld dat het bestemmingsplan voldoet aan de in de Wet milieubeheer vastgelegde luchtkwaliteits- eisen. De wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg. Conclusie De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 13 woningen. De ontwikkeling draagt hiermee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er is ook geen sprake van negatieve gevolgen omtrent het aspect lucht in relatie tot gezondheid. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit dan ook geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
6.8
Milieuhygiënische aspecten bedrijven
Algemeen De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Regelgeving Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden.
63/83
In de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: Categorie 1 grootste afstanden 0 en 10 meter; Categorie 2 grootste afstand 30 meter; Categorie 3 grootste afstanden 50 en 100 meter; Categorie 4 grootste afstanden 200 en 300 meter; Categorie 5 grootste afstanden 500, 700 en 1.000 meter. De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten bovendien als indicatief gezien worden. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer. Omgevingstype In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk 'rustige woonwijk'/'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.
De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied). De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een 'rustige woonwijk'. Voor woningen in een 'gemengd gebied' mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een matige of sterke functiemenging waarbij naast woningen andere functies voorkomen, zoals bedrijven. Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.
Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. Beoordeling De directe omgeving kan getypeerd worden met het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Ten aanzien van het garanderen van een goed woon- en leefklimaat is de omgeving van het plangebied bekeken op het voorkomen van milieuhinderlijke bedrijvigheid. Milieuhinder kan veroorzaakt worden door geluid, geur, gevaar en stof.
64/83
Geluidhinder Een woning is een geluidgevoelig object in het kader van geluidhinder. Het plangebied is niet gelegen binnen een 50 dB(A) contour die op basis van de Wet geluidhinder rondom gezoneerde bedrijventerreinen is gelegen. Benzinestation, zelfservice Op circa 60 meter afstand ten oosten van het plangebied ligt een benzinestation met zelfservice. In de handleiding van de VNG wordt voor 'benzineservicestation zonder LPG' een minimale richtafstand van 30 meter aangegeven ten behoeve van geur en geluid. Het bedrijf ligt op voldoende afstand van het plangebied. Dakdekkersbedrijf Op circa 70 meter afstand ten oosten van het plangebied ligt een dakdekkersbedrijf. In de handleiding van de VNG wordt voor 'aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m²' een minimale richtafstand van 30 meter aangegeven ten behoeve van geluid. Het bedrijf ligt op voldoende afstand van het plangebied. Glasbewerkingsbedrijf Op circa 170 meter afstand ten noorden van het plangebied ligt een glasbewerkingsbedrijf. In de handleiding van de VNG wordt voor 'glasbewerkingsbedrijven' een minimale richtafstand van 50 meter aangegeven ten behoeve van geluid. Het bedrijf ligt op voldoende afstand van het plangebied. Horeca Op circa 170 meter afstand tegenover het glasbewerkingsbedrijf zat een horecazaak. Dit gebouw wordt tegenwoordig alleen als woning gebruikt, maar heeft nog wel een horeca bestemming.
Voor zulke horecapanden wordt een richtafstand van 10 meter gehanteerd ten behoeve van geur en geluid. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.
65/83
Figuur 6.8: omgeving plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) Geurhinder Een woning is een geurgevoelig object in het kader van geurhinder. Het plangebied is niet gelegen in geurcontouren van veehouderijen die op basis van de Wet geurhinder en veehouderij gelden. Gevaar In de nabijheid van het plangebied liggen twee risicobronnen: de vaarweg Maas en de provinciale weg N551. In paragraaf 6.9 zijn de groepsrisico's beschreven. Stof Geitenhouderijen Binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied is geen geitenhouderij aanwezig. Het geitenmoratorium vormt dus geen belemmering. Conclusie Voor het plangebied gelden er geen beperkingen door omliggende bedrijven met milieuzoneringen voor het oprichten van woningen. Er heerst een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
66/83
6.9
Externe veiligheid
Algemeen In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Regelgeving Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar, dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit, dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.