2021-R-549a Toelichting ontwerpbestemmingsplan ’t Hulder
Tekst van het document
Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR. Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.
67/83
Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb moet zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Beoordeling De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de nationale risicokaart geïnventariseerd. Uit onderstaande figuur 6.9 blijkt, dat in de omgeving van het plangebied diverse risicobronnen aanwezig zijn. Het betreft: Vaarweg Maas Provinciale weg N551 De risicocontouren van overige risicobronnen in de omgeving reiken niet over het plangebied.
De ligging van het plangebied is groen omcirkeld.
Figuur 6.9: uitsnede risicokaart Vaarweg Maas Ten oosten van het plangebied ligt de vaarweg Maas. Deze rijksvaarweg is opgenomen als een route voor het transport van gevaarlijke stoffen in de Regeling Basisnet (Maascorridor). In de bijlage 3 van de Regeling Basisnet zijn voor de rijksvaarweg risicoplafonds opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Voor het groepsrisico zijn geen risicoplafonds opgenomen in deze bijlage. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn
68/83
artikelen opgenomen ten aanzien van de veiligheid van de scheepvaart op vaarwegen (vrijwaringszone). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van de rijksvaarweg de Maas is gelegen op de vaarweg zelf2 en vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Groepsrisico In artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) is opgenomen, wanneer en hoe het groepsrisico van een transportroute bij een ruimtelijk plan of een omgevings- vergunning verantwoord moet worden. In lid 1 van dit artikel staat dat, indien het plangebied is gelegen binnen de 200 meter-zone, een complete verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Het plangebied is gelegen op ca. 800 meter van de rivier de Maas. Een complete verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk. Indien het plangebied is gelegen buiten de 200 meter-zone, maar binnen het invloedsgebied van de rijksvaarweg, dan dient op grond van artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de rijksvaarweg Maas (stofcategorie GT3, invloedsgebied 1070 meter). Er dient dus een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.
Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op: de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Een beperkte verantwoording voor de rijksvaarweg Maas vindt u in bijlage 12. De veiligheidsregio is op grond van artikel 9 van het Bevt om advies gevraagd over bovenstaande twee punten (zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid). Dit advies is meegenomen in de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Vrijwaringszone Het plangebied is niet gelegen binnen de vrijwaringszone van de rivier de Maas. Provinciale weg N551 De provinciale weg N551 ligt aan de oostzijde van het plangebied op ca. 50 meter. De provinciale weg is niet opgenomen als een route voor het transport van gevaarlijke stoffen in de Regeling Basisnet1. Op de nationale risicokaart worden de aantallen transporten van gevaarlijke stoffen voor deze weg weergegeven. Hieruit blijkt dat per jaar 244 transporten met vloeibare gevaarlijke stoffen (LF1) over de weg plaatsvinden. Andere stoffen worden niet over de weg vervoerd. Het maatgevende rampscenario hiervoor is een vloeistofbrand.
Plaatsgebonden risico Uit de risicokaart blijkt tevens, dat de provinciale weg N551 geen plaatsgebonden risico heeft. Het plaatsgebonden risico vormt derhalve geen belemmering voor het plan. Groepsrisico Het plangebied bevindt zich binnen de 200-meter zone, waarvoor een complete verantwoording van het
69/83
groepsrisico wordt vereist (artikel 8, lid 1, Bevt). Van een complete verantwoording van het groepsrisico kan worden afgezien indien: het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of het groepsrisico met niet meer dan tien procent toeneemt, en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Bepaling van de hoogte van het groepsrisico kan in eerste instantie indicatief bepaald worden met behulp van de vuistregels uit het HART (achtergronddocument). Indien 0,1 maal de oriënterende waarde voor het groepsrisico wordt overschreden, dan moet het groepsrisico berekend worden met behulp van het rekenprogramma RBMII . Bij de bepaling van de hoogte van het groepsrisico wordt uitgegaan van de maximale bestemmingsplancapaciteit. Het maatgevende scenario voor de berekening van het groepsrisico is voor de weg een BLEVE van een tankwagen GF3 (licht ontvlambaar gas). Om te bepalen of het groepsrisico groter is dan 0,1 maal de oriënterende waarde (ook wel 10% van de oriënterende waarde genoemd), is gebruik gemaakt van de vuistregels uit het achtergronddocument van het HART3. Voor de toetsing van 0,1 maal de oriënterende waarde zijn de volgende vuistregels van belang: Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagen (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT54 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.
Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 3 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 4 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is de stof GF3 maatgevend, omdat deze stoffen in betrekkelijk grote hoeveelheden over de weg vervoerd worden. Met deze stof dient dan ook het groepsrisico bepaald te worden. Voor de bepaling van het groepsrisico worden de stoffen LT3, GT4 en GT5 buiten beschouwing gelaten, omdat deze stoffen nauwelijks vervoerd worden over de Nederlandse wegen. Vuistregel 1 wordt dus buiten beschouwing gelaten. Het maximale effect gebied van GF3 is 355 meter. Uit de gegevens van de risicokaart blijkt, dat over de provinciale weg N551 geen transportbewegingen met tankwagens GF3 plaatsvinden. Vuistregel 2 kan derhalve ook buiten beschouwing gelaten worden. Met voorgaande is aannemelijk gemaakt, dat voldaan kan worden aan de voorwaarden uit artikel 8, lid 2 van het Bevt. Een complete verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. Wel moet in het kader van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) aandacht besteed worden aan de zelfredzaamheid van personen en de bestrijdbaarheid van een ramp binnen het invloedsgebied van de wegen (beperkte verantwoording groepsrisico).
Een beperkte verantwoording voor de Provinciale weg N551 vindt u in bijlage 12. De veiligheidsregio is op grond van artikel 9 van het Bevt om advies gevraagd over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Dit advies is meegenomen in de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Beleidsvisie externe veiligheid Het plan past daarnaast binnen de aanvullende kaders, zoals die zijn vastgelegd in de beleidsvisie externe veiligheid voor de gemeente Boxmeer (Land van Cuijk 2012-2015). Veiligheidsregio
70/83
De Veiligheidsregio heeft in een brief op 18 april 2018, weergegeven in bijlage 13, laten weten dat het geen reden ziet voor het maken van op- of aanmerkingen op het Advies externe veiligheid 't Hulder, Vierlingsbeek gemeente Boxmeer, welke te vinden is in bijlage 12. De zelfredzaamheid wordt door de ontwikkeling niet negatief beïnvloed. Conclusie Externe veiligheid vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
6.10 Kabels en leidingen Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. De planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Beoordeling Er zijn geen kabels en leidingen gesitueerd in of in de directe nabijheid van het plangebied die een mogelijke belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
6.11 M.e.r.-beoordeling Regelgeving In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en
71/83
2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2) Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is nergens gedefinieerd. Uit de toelichting op het Besluit m.e.r. en jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang, locatie en de milieugevolgen van de voorziene ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt nader ingegaan op deze aspecten. Beoordeling De woningbouwontwikkeling in het plangebied past goed in het aanwezige stedelijke milieu en blijft ruim onder de drempelwaarde. De beoogde nieuwe functie is enerzijds in de omgeving in ruime mate aanwezig en daarmee vergelijkbaar met de bestaande effecten op de omgeving en anderzijds treedt er geen verslechtering op ten aanzien van de impact voortvloeiende uit de bestaande planologisch gebruikssituatie 'Bedrijf' op de omgeving. De planlocatie is bovendien ontsloten op de bestaande infrastructuur en is goed bereikbaar. De bestaande infrastructuur kan de huidige en de toekomstige verkeerscapaciteit en parkeerbehoefte in voldoende mate opvangen.
Het planvoornemen voldoet daarnaast aan de wettelijke normen wat betreft ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodem, natuur en waterhuishouding. Zie hiervoor de beschreven milieuaspecten in dit hoofdstuk van dit plan. Dit betekent dat afgezien kan worden van een vormvrij m.e.r. beoordeling, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Conclusie Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten is er geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het besluit MER en behoeft er geen m.e.r.-procedure of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen te worden.
72/83
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische regeling
Algemeen
Algemeen Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied. De wijze waarop deze regeling juridisch kan worden vormgegeven, wordt door de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening, en door het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, zoals deze per 1 oktober 2012 in werking is getreden. Daarnaast wordt, aanvullend op de landelijke standaarden, gebruik gemaakt van de bestemmingsplan- systematiek die binnen de gemeente Boxmeer wordt gehanteerd. De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de bestemmingsplansystematiek van Boxmeer, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de gemeente Boxmeer is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening).
Het bestemmingsplan bestaat formeel uit twee juridische onderdelen: een verbeelding (een digitaal GML-bestand met een specifiek nummer), die samenhang met de planregels dient te worden gelezen; regels; deze regels zijn in de SVBP2012 zoveel mogelijk gestandaardiseerd (o.a. volgorde, indeling, benaming, begripsbepalingen, overgangsbepalingen en slotbepaling). Verbeelding De informatie die is vastgelegd in het plan moet in elektronische vorm volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Dit wordt de digitale verbeelding genoemd. De digitale verbeelding is de verbeelding van het bestemmingsplan in een interactieve raadpleegomgeving, waarin alle relevante bestemmingsplaninformatie wordt getoond: de combinatie van (plan)kaart en regels met de toelichting. De verbeelding voor plangebied 't Hulder is weergegeven in figuur 7.1 en bijlage 14. Op de verbeelding zijn, met bijbehorende verklaringen, de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven. De verklaringen leggen een verbinding tussen de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en de regels. De verbeelding is opgebouwd volgens de landelijke richtlijn SVBP2012 en is getekend op schaal 1:1000.
73/83
Figuur 7.1: Verbeelding plangebied 't Hulder (Bron: Rho Adviseurs voor leefruimte) Regels De inrichting van de planregels is deels voorgeschreven door de SVBP2012. De groepering van de planregels, de naamgeving van een aantal planregels en zelf de inrichting van bestemmingen is deels bepaald door de ministeriële regeling. Een aantal planregels is zelfs geheel voorgeschreven: het overgangsrecht, de anti-dubbeltelregel en de slotregel. De regels zijn standaard ingedeeld in vier hoofdstukken. De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels en bestaat uit twee artikelen. Artikel 1 geeft een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen. Artikel 2 geeft aan hoe bepaalde afstanden, maten, oppervlakte en inhoud gemeten moeten worden. In hoofdstuk 2 zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Per bestemming wordt aangegeven welke functies en doeleinden op de gronden toelaatbaar zijn en wat er hoe mag worden gebouwd. Ook dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. In hoofdstuk 3 worden de algemene regels behandeld, waarbij onder andere gedacht moet worden aan de anti-dubbeltelbepaling en de algemene afwijkingsregels. Hoofdstuk 4 bevat regels met betrekking tot het overgangsrecht en de slotregel.
74/83
Toelichting Een bestemmingsplan gaat voorts vergezeld van een toelichting, waarin een onderbouwing is opgenomen van de gemaakte beleidskeuzen inzake het bestemmingsplan. De toelichting betreft een niet-juridisch bindend deel uit van het bestemmingsplan.
7.2
Artikelsgewijze toelichting regels
In de volgende paragrafen is een toelichting opgenomen van de in de regels opgenomen bestemmingen. 7.2.1
Inleidende regels
Artikel 1 - Begrippen In dit artikel worden de begrippen nader omschreven die gebruikt worden in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Bouwperceel In feite is het bouwperceel het stuk grond, dat bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden aangemerkt als behorende bij de aangevraagde bebouwing. Het begrip 'bouwperceel' kan nodig zijn om het toelaatbare bebouwingsareaal rechtvaardig per wooneenheid te verdelen. Een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde bestemming kan in bepaalde gevallen meerdere bouwpercelen omvatten. Voorgevelrooilijn De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die op 1 oktober 2010 in werking is getreden, regelt een groot aantal omgevingsvergunningsvrije bouwwerken. Om te bepalen of een bepaald bouwwerk vergunningsvrij is, wordt in een aantal gevallen gebruik gemaakt van het begrip voorgevelrooilijn. De wet voorziet echter niet in een begripsbepaling, maar verwijst hierbij onder andere naar het bestemmingsplan. Daarom is het begrip voorgevelrooilijn opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Het bestemmingsplan maakt gebruik van een bouwvlak, waarbinnen de hoofdbebouwing met bijbehorende bouwwerken gerealiseerd mag worden.
De voorgevelrooilijn wordt gevormd door de grens van het bouwvlak die is gericht naar het openbaar gebied (bijvoorbeeld een weg) en het verlengde van die grens. Voorgevellijn Dit betreft de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen. Artikel 2 - Wijze van meten In dit artikel wordt beschreven op welke wijze de in de regels voorgeschreven maatvoeringen gemeten moeten worden. Goothoogte en bouwhoogte van een gebouw Het reguleren van bouwvolumes kan op verschillende manieren plaatsvinden. In de bestemmingsplansystematiek wordt naast de goothoogte ook een maximale bouwhoogte opgenomen. Met
75/83
name het begrip goothoogte behoeft enige toelichting. De onderliggende gedachte bij het begrip goothoogte is een stapeling van bouwmassa's in een hoofdvolume (basismassa) met daarop mogelijk een secundair volume in de vorm van een kapconstructie of daarmee vergelijkbare dakafdekking. Vaak is het onderscheid tussen beide bouwmassa's niet voor de volle honderd procent eenduidig. Met de goothoogte wordt beoogd de maximale hoogte van de basismassa te reguleren. De te toetsen hoogte moet dan ook plaatsvinden aan de hand van de goothoogte die representatief kan worden geacht voor de basismassa. Bij bijbehorende bouwwerken geldt in principe dezelfde filosofie. Verder wordt daarbij aanvullend een maximale dakhelling voorgeschreven om het éénlaagse karakter te benadrukken, mede om de belendende (woon-)percelen een bescherming in hun woon- en/of gebruiksgenot te bieden. De regels in verband met de bestemmingen kennen een min of meer gelijke opbouw en bestaan in ieder geval uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Voor een aantal bestemmingen zijn daarbij specifieke gebruiksregels opgenomen en/of een afwijkingsbevoegdheid. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin de functies worden benoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan (het gebruik).
In een aantal gevallen is een specificering opgenomen van de toegestane functie, die correspondeert met een functieaanduiding op de verbeelding. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen. 7.2.2 Bestemmingen In dit bestemmingsplan worden de volgende bestemmingen gebruikt: Artikel 3 - Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: groenvoorzieningen, (gebouwen voor) openbare, nutsen verkeersvoorzieningen, speelvoorzieningen, paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen, waaronder mede begrepen wadi's. Ter regulering van de toegelaten bebouwing zijn inhouds- en hoogtematen opgenomen. Artikel 4 - Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: (gebouwen voor) openbare, nuts- en verkeersvoorzieningen, wegen en paden, voet- en rijwielpaden, parkeer- voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en water- partijen, alsmede waterbergings- en infiltratievoorzieningen. Ter regulering van de toegelaten bebouwing zijn inhouds- en hoogtematen opgenomen. Artikel 5 - Wonen Hoofdgebouwen
76/83
De hoofdbebouwing dient gerealiseerd te worden binnen het bouwvlak en mag uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – hoofdgebouw’ worden gebouwd (situeringseis). Daarnaast is de maatvoering en typologie (bouwwijze) van de hoofdgebouwen vastgelegd. Ook het maximum aantal woningen dat binnen de bestemming is toegestaan is in de planregeling aangegeven. De maximale bouwhoogte van het hoofdgebouw is in de regels aangegeven. Daarbij gelden afhankelijk van de situering van het hoofdgebouw verschillende maximale hoogte- bepalingen. Voor 't Hulder geldt een specifiek aan te houden maximale bouwhoogte binnen een nader aangeduide zone op de verbeelding ter waarborging van de privacy van omwonenden. Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken dienen binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd, behoudens een klein deel van de bebouwing (bijvoorbeeld erker) die voor de voorvelrooilijn mag worden gebouwd. Ten aanzien van de maatvoering (hoogte en omvang) en situering van de bouwwerken zijn in de regels bepalingen opgenomen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Erfafscheidingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak gerealiseerd worden. De maximale bouwhoogte voor deze bouwwerken is opgenomen in de regels. Daarbij gelden afhankelijk van de situering van de bouwwerken op het bouwperceel verschillende hoogtebepalingen.
In de planregeling is tevens een bevoegdheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in specifiek ommeschreven omstandigheden nadere eisen te stellen ten aanzien van: de situering en/of afmetingen van bouwwerken; de kapvorm van gebouwen; de aanleg en omvang van parkeergelegenheid op eigen terrein. 7.2.3 Algemene regels In dit hoofdstuk zijn de aanvullende, algemene regels opgenomen. Artikel 6 - Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat de bepaling om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Het artikel is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en is daaruit overgenomen. Artikel 7 - Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Zo is bijvoorbeeld geregeld dat ondergronds bouwen onder bepaalde voorwaarden is toegestaan. In artikel 7.2 is opgenomen, dat ondergeschikte bouwdelen bij het meten buiten beschouwing worden gelaten, mits aan een tweetal voorwaarden wordt voldaan. Er is een niet-limitatieve opsomming gegeven van ondergeschikte bouwdelen. De reden van "buiten beschouwing laten" is gebaseerd op de volgende feiten. Om de contouren van de stedenbouwkundige massa te toetsen, zijn ondergeschikte bouwdelen die niet representatief zijn voor de massa en verschijningsvorm van een gebouw, van mindere betekenis.
In deze context is het niet gerechtvaardigd om in de gegeven situatie van een maatoverschrijding te spreken die niet tolerabel
77/83
is. Tot openbare ruimten worden de openbare weg en openbaar groen gerekend. Voor het garanderen van veiligheid dienen maatafwijkingen hier apart in beschouwing te worden genomen; een directe toelaatbaarheid is in deze gevallen minder gewenst. Artikel 8 - Algemene gebruiksregels Een aantal algemene gebruiksactiviteiten worden door middel van een algemene gebruiksregel uitgesloten. Bijvoorbeeld seksinrichtingen, kamerverhuur en woningsplitsing. Artikel 9 - Algemene afwijkingsregels In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het bevoegd gezag kan hierbij tevens nadere eisen stellen. De belangen van waaruit die eisen worden gesteld, zijn ook nader opgesomd in dit artikel. Op deze algemene afwijkingsregels kan een beroep gedaan worden, waar het gaat om bijvoorbeeld bepaalde overschrijdingen met 10%, voor het oprichten van bouwwerken ter wering van geluidhinder, voor gebouwtjes ten dienste van het verkeer of openbaar nut, voor antennes en zendmasten en voor bepaalde bouwwerken op of direct nabij de openbare weg.
Artikel 10 - Algemene wijzigingsregels Op deze algemene wijzigingsregels kan een beroep gedaan worden, waar het gaat om bijvoorbeeld bepaalde overschrijdingen met 10%, voor de in het plan aangegeven bestemmingsgrens, van het beloop of het profiel van een weg, alsmede van de vorm van bouwvlakken voor zover zulks bij de definitieve uitmeting, bij de verkaveling of bij de nadere detaillering noodzakelijk en/of wenselijk is. Artikel 11 - Algemene procedureregels In dit artikel is de procedure opgenomen die gevolgd moet worden bij het stellen van nadere eisen. Artikel 12 - Overige regels In dit artikel is een regeling ten aanzien van parkeren en laden en lossen op het perceel opgenomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de oprichting of uitbreiding van een gebouw. Er dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Van toepassing zijn de gemeentelijke normen zoals opgenomen in het parkeerbeleid van gemeente. 7.2.4
Overgangs- en slotregels
Artikel 13 - Overgangsrecht De tekst uit dit artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Het betreft een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het bestemmingsplan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.
78/83
Artikel 14 - Slotregel In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
79/83
Hoofdstuk 8 8.1
Uitvoeringsaspecten
Handhaving
Een van de uitgangspunten bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan is dat het plan handhaafbaar dient te zijn. De begrippen toezicht en handhaving definiëren wij als "elke handeling van de gemeente die er op is gericht de naleving van rechtsregels te bevorderen of een overtreding daarvan te beëindigen". Handhaving van het ruimtelijke beleid is een voorwaarde voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.1 Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders zorgdragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wro. Uitvoering van de bestuursrechtelijke handhaving geschiedt conform de gemeentelijke handhavingsstrategie, die opgenomen is in het handhavingsbeleidsplan. Daarnaast vallen overtredingen van het bestemmingsplan onder de Wet op de economische delicten. Het betreft hier de activiteiten die in de planregels worden genoemd onder gebruiksverbod en bouwverbod. Deze strafrechtelijke handhaving is in het leven geroepen om ernstige onomkeerbare gevolgen, zoals het afbreken van monumentale panden, te voorkomen. Als een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld en op termijn een ander ruimtelijk rechtsregiem gaat gelden, dient de gemeente op een bepaald ijkmoment inzicht te hebben, wat er feitelijk aan bouwwerken in een gebied aanwezig is, hoe deze en de onbebouwde omgeving worden gebruikt.
Dit wordt bij het opstellen van het bestemmingsplan geïnventariseerd. Reeds bij de totstandkoming van een bestemmingsplan dient terdege aandacht te worden besteed aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Om een goed handhavingsbeleid mogelijk te maken moeten doelstellingen duidelijk aangegeven worden. Op basis van een risicoanalyse en aandachtspunten worden prioriteiten gesteld en wordt de handhavingsorganisatie zodanig ingericht dat gestelde doelen bereikt kunnen worden. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. Met het oog hierop heeft de wet in de bestemmingsplanprocedure in ieder geval een aantal verplichte inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende draagvlak voor het beleid en de regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van het bestemmingsplan. Uiteraard kan niet eenieder zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk. 3. Inzichtelijke en realistische regeling. Een juridische regeling dient inzichtelijk en realistisch te zijn.
Dit houdt in: helder van opzet, niet onnodig beperkend of inflexibel en goed controleerbaar. De regels behoren dan ook niet meer dan noodzakelijk is te regelen. 4. Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de
80/83
regels worden overtreden. Indien deze maatregelen achterwege blijven, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. De rechtssituatie gaat specifiek een rol spelen als in het kader van toezicht en handhaving teruggegrepen moet worden op het overgangsrecht, zoals dat in het geldend bestemmingsplan is beschreven. Op grond van het overgangsrecht is met objectieve feiten vast te stellen hoe de rechtssituatie is en of er bouw- en of gebruiksregels worden overtreden. Door een inzichtelijk plan te maken is zoveel mogelijk evenwicht gezocht tussen de zeer diverse waarden die beschermd moeten worden, de verschillende ontwikkelingen die mogelijk zouden moeten zijn, de voorwaarden die daarbij dan gesteld moeten worden, en de afstemming met de beleidslijnen van bijvoorbeeld waterschap, provincie, etc. Handhaving van gebruiks- en aanlegregels wordt algemeen als knelpunt ervaren. Teneinde de handhaafbaarheid te bevorderen worden de aanwezige kwaliteiten zo specifiek mogelijk op de verbeelding weergegeven.
8.2
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Doordat de gemeente de gronden in eigendom heeft en zelf ontwikkelt voor woningbouw, houdt de gemeente een grondexploitatie bij. Dit is een balans van kosten en opbrengsten ten aanzien van de ontwikkeling van de planlocatie. Het openen, wijzigen en sluiten van een grondexploitatie is een bevoegdheid van de gemeenteraad. De grondexploitatie laat een negatief resultaat zien. Voor het negatieve resultaat is een voorziening getroffen. De economische uitvoerbaarheid is hiermee verzekerd. Conclusie Op basis van de voorliggende grondexploitatie is het plan economisch uitvoerbaar.
81/83
Hoofdstuk 9
9.1
Burgerparticipatie en overleg
Burgerparticipatie
9.1.1 Omgevingsdialoog In 2019 heeft de gemeente het gebied aangemerkt als pilot locatie voor een intensievere betrokkenheid van potentieel geïnteresseerden en omwonenden bij het opstellen van het plan. Het aspect 'pilot' heeft betrekking op het gelijktijdig uitzoeken welke werkwijze het beste zou kunnen worden gehanteerd bij verschillende projecten om geïnteresseerden meer betrokkenheid bij het plan te geven en in een eerder stadium dan een concept stedenbouwkundig plan inbreng te hebben. Participatie is een belangrijke pijler van de op 1 juli 2022 in werking tredende Omgevingswet. Omwonenden en potentieel geïnteresseerde kavelkopers zijn gevraagd om te participeren in het project door mee te denken vanaf de initiatieffase. Voor beide doelgroepen zijn in 2020 ateliers georganiseerd waarin uitgangspunten en keuzemogelijkheden zijn gepresenteerd. Naar aanleiding van de ateliers konden de deelnemers voorkeuren kenbaar maken door het inleveren van voorkeursformulieren. Dit zijn formulieren waarop voorkeuren aangegeven konden worden voor onder andere type en massa van de woningen en omvang van de percelen en de gewenste mate van een vastgestelde beeldkwaliteit enerzijds en anderzijds de inrichting met trottoirs, rabbatstroken, langs- en haaksparkeren en boom- en groenposities. Deze voorkeuren zijn bij de uitwerking van het concept stedenbouwkundig plan betrokken.
Ook konden zij aangeven of zij mogelijk een kavel willen afnemen indien het project tot uitgifte komt. Afgesproken is dat zij geïnformeerd worden over en betrokken worden bij de verdere planuitwerking. Er kan aan een groot aantal voorkeuren worden voldaan. Het college van B&W heeft recent het concept stedenbouwkundig plan vastgesteld. Het concept stedenbouwkundig plan voorziet in 13 bouwkavels voor levensloopbestendige woningen. Het stedenbouwkundig plan is op 8 april 2021 's avonds via een, in verband met COVID-19, digitale bijeenkomst gepresenteerd. In bijlage 15 is de presentatie van de bijeenkomst op 8 april 2021 opgenomen. 9.1.2 Inspraak Op 7 januari en 10 april 2013 hebben omwonenden inspraakreacties aangeleverd op het bestemmingsplan 'Vierlingsbeek' dat op 25 april 2013 is vastgesteld. Toen is aan de omwonenden toegezegd dat max. 8 meter hoog gebouwd mag worden op de planlocatie. Het concept stedenbouwkundig plan heeft vanaf 8 april 2021 gedurende twee weken ter inzage gelegen bij de publieksbalie in het gemeentehuis aan het Raadhuisplein 1 in Boxmeer. De planuitwerking is vanaf toen eveneens digitaal te raadplegen geweest via www.boxmeer.nl/bekendmakingen. Tot en met 21 april 2021 kon schriftelijk of per e-mail een reactie kenbaar worden gemaakt bij het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer.
82/83
Op 18 april 2021 is er een inspraakreactie ingediend door omwonenden tegen het concept stedenbouwkundig plan zoals gepresenteerd op 8 april 2021. Met de bezwaarpunten is in de uitwerking van het stedenbouwkundig plan zo ver als mogelijk rekening gehouden.
9.2
Wettelijk vooroverleg
9.2.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieueffectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op (PM) gepubliceerd in het Gemeenteblad. 9.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Aangezien met deze ontwikkeling geen provinciale en rijksbelangen concept-ontwerpbestemmingsplan niet ingebracht in het vooroverleg.
9.3
zijn
gemoeid
is
het
Procedure
9.3.1 Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan heeft van (PM) tot en met (PM) ter inzage gelegen. Tijdens deze genoemde periode zijn (PM) schriftelijk of mondeling zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan ingediend. 9.3.2 Vast te stellen bestemmingsplan Op (PM) is het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad van Boxmeer.
83/83