2021-R-549a Toelichting ontwerpbestemmingsplan ’t Hulder
Tekst van het document
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
6
1.1
Aanleiding en doel
6
1.2
Plankarakter
7
1.3
Leeswijzer
7
Hoofdstuk 2
Plangebied
8
2.1
Situering
8
2.2
Bestaande juridische regeling
9
Planologisch kader
11
3.1
Rijksbeleid
11
3.2
Provinciaal beleid
20
3.3
Regionaal beleid
25
3.4
Gemeentelijk beleid
26
Hoofdstuk 4
Bestaande situatie
28
4.1
Ruimtelijke en functionele kwaliteit
28
4.2
Historische kwaliteit
31
Hoofdstuk 5
Planbeschrijving
36
5.1
Ruimtelijke structuur
36
5.2
Functionele structuur
37
Fysieke omgevingswaarden en omgevingsaspecten
39
6.1
Historische kwaliteit
39
6.2
Water
41
6.3
Bodem
47
6.4
Natuur en ecologie (flora en fauna)
48
6.5
Verkeer en parkeren
55
6.6
Geluid
59
6.7
Luchtkwaliteit
60
6.8
Milieuhygiënische aspecten bedrijven
63
6.9
Externe veiligheid
67
6.10
Kabels en leidingen
71
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 6
3/83
6.11
M.e.r.-beoordeling
71
Hoofdstuk 7
Juridische regeling
73
7.1
Algemeen
73
7.2
Artikelsgewijze toelichting regels
75
Uitvoeringsaspecten
80
8.1
Handhaving
80
8.2
Economische uitvoerbaarheid
81
Hoofdstuk 9
Burgerparticipatie en overleg
82
9.1
Burgerparticipatie
82
9.2
Wettelijk vooroverleg
83
9.3
Procedure
83
Hoofdstuk 8
4/83
Toelichting
5/83
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Sinds het voornemen tot ontmanteling van de voormalige gemeentewerf van de voormalige gemeente Vierlingsbeek is deze planlocatie bestempeld als een mogelijke inbreidingslocatie in de bebouwde kom van Vierlingsbeek om te voorzien in de behoefte aan nieuwe woningen. De ruimtelijk-functionele mogelijkheden zijn in de loop der tijd verkend en dit heeft geresulteerd in een actueel stedenbouwkundig plan.
Figuur 1: Luchtfoto met plangebied oranje omlijnd (Bron: Concept Stedenbouwkundig plan 't Hulder, Vierlingsbeek) Het voorliggende stedenbouwkundig plan voorziet in een ontwikkeling van het plangebied met 13 bouwkavels met levensloopbestendige en/of levensloopgeschikte woningen met een duurzaam woonmilieu. Met de
6/83
beoogde woningbouwinvulling kan worden voorzien in een behoefte die actueel is binnen de gemeente Boxmeer in het algemeen en de kern Vierlingsbeek in het bijzonder. De locatie zal extern worden ontsloten met één auto-ontsluitingsweg aan de westzijde en één voet-/fietspad aan de zuidzijde. De interne wegstructuur in het binnengebied bestaat uit twee doodlopende straatjes rondom een groene ruimte met daarin opgenomen een wadi. Sinds de sloop van de opstallen in 2013 is het terrein met gras ingezaaid. In 2020 is de beoogde woningbouwlocatie met een gedeelte van de achtertuin van de Grotestraat 100 uitgebreid teneinde de locatie een meer rechthoekige vorm te geven om een meer logische en fraaiere invulling met nieuwe woonpercelen mogelijk te maken. Met de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt de beoogde herontwikkeling mogelijk gemaakt. In de toelichting van het plan wordt uitvoerbaarheid van het plan verantwoord. De toelichting geeft aan waarom de beoogde planontwikkeling past in het gebied en geeft kaders aan waarbinnen de planuitwerking op perceelniveau zou kunnen plaatsvinden. Op basis hiervan kan de concrete bouwplanuitvoering ten uitvoer worden gebracht. Hierna zal nader ingegaan worden op de plaatselijke situatie en de wijze waarop de planontwikkeling stedenbouwkundig vormgegeven wordt passend binnen het beleid dat de gemeente voorstaat.
De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer. Zie hiervoor de opgenomen informatie in hoofdstuk 7.
1.2
Plankarakter
Dit bestemmingsplan is een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan. De bestaande juridisch-planologische rechten komen daarmee te vervallen. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, verbeelding en regels. De regels en verbeelding vormen samen het nieuwe juridisch-planologische kader. Het bestemmingsplan sluit qua systematiek zoveel mogelijk aan bij de standaard die de gemeente hanteert voor bestemmingsplannen in de gemeente Boxmeer.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de situering van het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft inzicht in het relevante beleidskader voor het bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving van de huidige situatie van het plangebied gegeven en in hoofdstuk 5 de beoogde planontwikkeling. Hierbij gaat het zowel om de ruimtelijke structuur als de aanwezige functies. In hoofdstuk 6 wordt inzicht gegeven in de fysieke omgevingswaarden met onder meer de milieutechnische randvoorwaarden en de historische kwaliteiten. Hoofdstuk 7 bevat de juridische planopzet en daarbij behorende planregeling. De uitvoeringsaspecten handhaving en de economische uitvoerbaarheid worden besproken in hoofdstuk 8. Als laatste komt in hoofdstuk 9 de burgerparticipatie en het plaatsgevonden (voor)overleg aan bod alsmede de procedure tot totstandkoming van het bestemmingsplan.
7/83
Hoofdstuk 2 2.1
Plangebied
Situering
Het plangebied 't Hulder ligt in het zuidoostelijke deel van de bebouwde kom van Vierlingsbeek, bijna volledig omgegeven door achterkanten van woningen gesitueerd aan de Grotestraat en de Hulder. Aan de westzijde grenst het gebied aan de kruising van de Hulder en Beekstraat, hier komt de ontsluitingsweg voor auto's. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Hulder, hier zal een woning worden gebouwd en een voet- en fietspad worden aangelegd.
Figuur 2.1: Plangebied oranje omrand (Bron: Rho Adviseurs voor leefruimte) Het plangebied betreft twee percelen in eigendom van de gemeente Boxmeer, kadastraal bekend als VLB00 sectie C - nummer 3150 en aan de noordzijde perceel VLB00 - sectie C - nummer 3168. Dit perceel is zoals eerder vermeld later toegevoegd aan de woningbouwlocatie, die als een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan 'Vierlingsbeek' is opgenomen.
8/83
Figuur 2.2: Plangebied met kadastrale omlijningen (Bron: Rho Adviseurs voor leefruimte)
2.2
Bestaande juridische regeling
Dit bestemmingsplan vervangt op de planlocatie het bestemmingsplan 'Vierlingsbeek', vastgesteld op 25 april 2013 door de gemeenteraad en onherroepelijk. Op het plangebied is van toepassing de bestemming 'Bedrijf' (paars) met twee bouwvlakken en de bestemming 'Wonen' (perceel 3168 in het geel). Zie hiervoor figuur 2.3. Op het deel met de bestemming 'bedrijf' ligt de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 4'. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' en de bouw van maximaal 20 woningen mogelijk te maken. Hierbij moet voldaan worden aan de voorwaarden dat de woningen passen binnen het gemeentelijke volkshuisvestigingsbeleid, er onderzoek verricht wordt naar omgevingsaspecten en dat er op het eigen terrein voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Op het aangekochte perceel VLB00-C -3168 met de bestemming 'Wonen' ontbreekt de mogelijkheid om nieuwe woningen toe te voegen.
9/83
Figuur 2.3: Uitsnede van vigerende planverbeelding met bestemming 'Bedrijf' en 'Wonen' (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) De beoogde ontwikkeling van maximaal 13 levensloopbestendige/levensloopgeschikte koopwoningen met daarbij behorende parkeer- en groenvoorzieningen en een ontsluiting op de Hulder kan niet ten volle gerealiseerd worden op basis van de planregels van het vigerende bestemmingsplan. Er dient dientengevolge ter plaatse van het plangebied een planherziening doorgevoerd te worden om de beoogde planontwikkelingen zowel wat betreft het functioneel gebruik als wat betreft bebouwing mogelijk te maken.
10/83
Hoofdstuk 3
Planologisch kader
Het beleid van de gemeente Boxmeer vormt het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkelingen van de kom van Boxmeer worden vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor dit bestemmingsplan worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid toegelicht.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050? Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem- verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de mede overheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
11/83
Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Nationale keuzes De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel voor Nederland; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. om deze prioriteiten na te leven zijn beleidskeuzes gemaakt. Voor dit project relevante beleidskeuzes zijn: Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een onderscheidend en aantrekkelijk vestigingsklimaat; Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio, toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op ruimte- en mobiliteitsefficiënte wijze ingepast. Het woningaanbod in de regio's sluit daarbij aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse.
We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad in een samenhangende aanpak van de stedelijke groenstructuur. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt. De opgave is om ontwikkeling samen te laten gaan met versterking van te beschermen waarden als cultuur, landschap, gezondheid of milieukwaliteit: ontwikkeling en kwaliteit van de leefomgeving zijn twee kanten van dezelfde medaille. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling past bij de nationale belangen en beleidskeuzes. Er zal zorg worden gedragen voor een zorgvuldige afweging en een transparante besluitvorming. Het beleid van het Rijk wordt geëffectueerd door het Barro en het Rarro. 3.1.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) vloeit voort uit de NOVI. Om de nationale belangen uit de NOVI door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden is naast de NOVI het Barro in werking getreden. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het gaat daarbij om het beschermen van de nationale belangen.
Deze algemene regels, vastgelegd in het Barro, werken zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Als directe doorwerking niet
12/83
mogelijk is, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Defensie - radarverstoringsgebied Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 meter boven NAP binnen 15 nautische mijl (= 27,8 kilometer) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is.
Hiervoor dient door TNO een radarhinderonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek beoordeelt Defensie de aanvaardbaarheid van de verstoring.
13/83
Afbeelding 3.1.1: Radarverstoringsgebied Volkel Beoordeling Het projectvoornemen is niet gesitueerd in het beperkingengebied behorende bij het radarstation Volkel. Bovendien heeft het projectvoornemen géén betrekking op het oprichten van een windturbine. Conclusie Op de projectlocatie levert het nationale belang defensie zoals bedoeld in het Barro géén belemmering op voor de planontwikkeling. Verder zijn er géén regels uit het Barro van toepassing op de planontwikkeling. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, is in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening een 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder vormt daarmee een bindend toetsingskader voor alle gemeentelijke bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen en provinciale ruimtelijke verordeningen. Tot 1 juli 2017 kende de in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegde ladder drie treden, waarmee achtereenvolgens werd
14/83
beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorzag in een actuele regionale behoefte, in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kon worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, dan wel indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kon plaatsvinden, in hoeverre werd voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6. lid 2 Bro gewijzigd en komen te luiden als volgt : “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd en dat eerst als dat niet mogelijk is wordt gemotiveerd waarom die ontwikkeling niet in bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.
Dit betekent dat alleen bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een nadrukkelijke motivering nodig is. De verwachting is dat de Ladder daarmee beter hanteerbaar zal zijn en tot minder onderzoekslasten zal leiden. De eerste vraag die -ook onder de werking van de nieuwe ladder- aan de orde is, is -op basis van planvergelijking- of het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij is van belang wat het voorgaande bestemmingsplan reeds aan ruimtelijke mogelijkheden bood en in hoeverre het nieuwe bestemmingsplan hierop een toevoeging of wijziging mogelijk maakt. In het Bro (artikel 1.1.1, lid 1, onder i) is voor stedelijke ontwikkeling een definitie opgenomen: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Als een bestemmingsplan voorziet in functiewijziging en nieuwbouw van een zekere omvang dan is in beginsel sprake van een “stedelijke ontwikkeling” als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder i Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Consequentie daarvan is dat dan de plantoelichting een verantwoording aan de Ladder moet bevatten (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
Zeer kleinschalige bebouwingsmogelijkheden of functiewijzigingen “sec” die niet voorzien in een toename van het ruimtebeslag kwalificeert men niet als een stedelijke ontwikkeling. In dat geval hoeft de Ladder niet te worden toegepast. Het voorafgaande betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing. Voorliggend bestemmingsplan maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve aan de orde. Beoordeling De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het
15/83
Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving c.q. of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Op het plangebied met de bestemming 'Bedrijf' kunnen al maximaal 20 woningen worden gerealiseerd via de wijzigingsbevoegdheid. Dit geldt alleen niet voor het aangekochte perceel met de bestemming 'Wonen'. Aangezien er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd, is er volgens de definitie van het Bro 'in beginsel' sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Het plangebied is gelegen op een binnenstedelijke locatie en wordt daarom aangemerkt als 'bestaand stedelijk gebied'. Er ligt in de komende jaren een grote woningbouwopgave in de gemeente Boxmeer en de noodzaak om voldoende te bouwen in de verschillende kernen is groot.
Om de woningbehoefte voor de komende jaren te bepalen maakt de gemeente gebruik van de provinciale bevolkings- en huishoudens prognose. Deze is recent geactualiseerd en zijn naar kernniveau doorvertaald. Het marktonderzoek is bijgevoegd in Bijlage 1. In de gemeente Boxmeer is van 2020 tot 2030 behoefte aan 1.200 nieuwe woningen. De woningbehoefte ligt daarmee beduidend hoger dan uit de vorige prognose naar voren kwam. Voor de periode 2030-2040 geldt een aanvullende behoefte van 400 woningen. Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat gezorgd wordt voor voldoende woningaanbod in alle kernen en dat grootschalige woningbouwprogrammering plaatsvindt in kernen met een hoger voorzieningenniveau (Boxmeer, Overloon, Vierlingsbeek) en kernen die daar vlakbij liggen (Sambeek en Beugen). In de kleinere kernen is de vraag kleiner en meer diffuus en dit vraagt om maatwerk in de woningbouwprogrammering. In deze kernen geldt dan ook het principe van ondernemerschap en 'goede plannen'. Deze uitgangspunten zijn gebruikt voor een vertaling van de woningbehoefte op kernniveau. Voor de kern Vierlingsbeek bedraagt deze woningbehoefte in totaal 110 woningen tot 2040, zie figuur 3.1.2. Deze raming is gebaseerd op de huidige grootte van het dorp en de verwachte instroom van buiten de gemeente.
Daarbij geldt dat rekening houdende met planvertraging en planuitval gestuurd wordt op een planvoorraad van + 30% = afgerond ruim 140 woningen, zie figuur 3.1.3.
16/83
Figuur 3.1.2: Indicatieve woningbehoefte per kern, 2021-2040 (Bron: Marktscan in- en uitbreidingslocaties Gemeente Boxmeer) De huidige harde plancapaciteit (reeds met een bestemmingsplan mogelijk gemaakt) bedraagt 32 woningen en zachte plancapaciteit (locaties waar visievorming gestart is of wijzigingsbevoegdheden) voor Vierlingsbeek bedraagt indicatief 78 woningen. Hiervan zijn maximaal 13 woningen voor de planlocatie 't Hulder beoogd.
Figuur 3.1.3: Behoefte versus plancapaciteit (Bron: Marktscan in- en uitbreidingslocaties Gemeente Boxmeer) In de regionale woningmarktstrategie van het Land van Cuijk (2018) wordt voorzien dat het aantal oudere huishoudens toeneemt en het aantal jonge huishoudens afneemt, waarbij het aandeel gezinnen groot blijft. Oudere huishoudens met een verhuiswens zoeken over het algemeen een woning die geschikt is voor mensen met lichamelijke beperkingen, zoals een kleine gelijkvloerse grondgebonden woning, de levensloopgeschikte woningen. Dit vraagt enerzijds om het aanpassen van bestaande woningen, maar ook om nieuwbouw. Gezinnen
17/83
met kinderen zoeken relatief vaak een koop eengezinswoning, met name tot € 275.000,-. Dit zorgt er mede voor dat op korte termijn de behoefte aan koop eengezinswoningen in het Land van Cuijk onverminderd groot blijft. Op korte termijn is er dan ook vooral behoefte aan een toevoeging van koop eengezinswoningen, met name in de segmenten tot €275.000,-. De realisatie van deels vrijstaande, twee-onder-een kap en geschakelde woningen met een perceeloppervlakte van 200 tot 440 m2, waarbij de woningen deels uit maximaal één bouwlaag bestaan en deels zijn voorzien van een opbouw, voorziet in de woningbehoefte van gezinnen of ouderen bewoners. Deze locatie is al vanaf de beëindiging van het gebruik als gemeentewerf beoogd als woningbouwlocatie. Door de jaren heen zijn verschillende plannen daarvoor uitgewerkt, voor een deel ook samen met de woningcorporatie Wonen Vierlingsbeek. Geen van de plannen werd om verschillende redenen ver genoeg uitgewerkt en gerealiseerd. Vooruitlopend daarop werd op de gemeentewerf locatie in het bestemmingsplan Vierlingsbeek wel al een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming 'Wonen' opgenomen waarin maximaal 20 woningen werden toegestaan.
De toegenomen forse bouwopgave van de gemeente Boxmeer en de steeds weer opkomende interesse van verschillende inwoners van Vierlingsbeek om op deze locatie te kunnen gaan wonen, heeft de locatie als woningbouwlocatie steeds onder de aandacht gehouden. Andere inbreidingslocaties voor de bouw van levensloopbestendige woningen met een vergelijkbare woonmilieukwaliteit in Vierlingsbeek zijn even hard nodig om aan de grote opgave te kunnen voldoen. Er zijn dus geen alternatieve locaties voor de ontwikkeling op 't Hulder. De realisatie van maximaal 13 levensloopbestendige en/of levensloopgeschikte woningen in het plangebied 't Hulder, draagt bij aan de woningbehoefte. Enerzijds qua aantal, maar anderzijds ook vanuit de te realiseren woningbouwtypologie (levensloopbestendig/ levensloopgeschikt), waar vraag naar is op dit moment maar ook naar de toekomst toe. Conclusie De beoogde woningbouwontwikkeling ziet op het realiseren van woningen, die gelet op de te bereiken specifieke doelgroep, passen binnen de provinciale c.q. lokale/regionale woningbouwafspraken. De voorgenomen ontwikkeling voldoet derhalve aan de eisen van artikel 3.1.6. lid 2 Bro. Dit vanwege het gegeven dat er voorzien wordt in de behoefte (kwantitatief en kwalitatief) aan woningen voor een specifieke doelgroep binnen bestaand stedelijk gebied.
3.1.4 Waterbeleid Kaderrichtlijn water Een belangrijk onderwerp in het rijksbeleid is duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is, speelt hierbij een belangrijke rol. De richtlijn moet er immers voor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Dit betekent dat de rijksoverheid streeft naar een watersysteem dat zoveel mogelijk de natuurlijke situatie (zonder ingrepen van de mens) benadert. Het streven is onder andere gericht op het behouden en vergroten van de ruimte voor water, waar mogelijk vasthouden van water en verbetering van de waterkwaliteit. De waterbeheerders spelen hierbij een belangrijke rol. In de ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, wordt een waterparagraaf opgenomen. In deze toelichting wordt op het aspect waterhuishouding nader ingegaan in paragraaf 6.2.
18/83
Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota’s waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan bevat tevens de stroomgebiedbeheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens structuurvisie. De grondgedachte voor duurzaam waterbeheer wordt ‘meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten’. Voor een duurzaam en integraal waterbeleid is het belangrijk om waar nodig en mogelijk water de ruimte te geven en mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals dit bijvoorbeeld wordt toegepast bij Ruimte voor de Rivier. Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -maatregelen maximaal wordt meegekoppeld met andere opgaven en maatregelen en dat problemen zo min mogelijk worden afgewenteld.
3.1.5 Wet milieubeheer Op de grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm), in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), moet bij de initiatieven voor bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmerplichtig, projectmerplichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten. In deze toelichting wordt op het aspect m.e.r.-beoordeling nader ingegaan in paragraaf 6.11. 3.1.6 Overig wettelijk kader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is diverse (milieu)wetgeving van toepassing, waaronder de Wet luchtkwaliteitseisen, Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), de Natuurbeschermingswet, Besluit externe veiligheid, Wet geluidhinder, etc. Op deze aspecten zal in hoofdstuk 6 nader worden ingegaan.
19/83
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening In 2010 hebben Provinciale Staten de Structuurvisie ruimtelijke ordening (Svro) vastgesteld. De Svro is in 2014 partieel herzien, waarbij onder andere het gewijzigde beleid op het gebied van natuur (realisering van het natuurnetwerk) en veehouderij (transitie naar zorgvuldige veehouderij) zijn verwerkt. De Svro 2014 is in werking getreden op 19 maart 2014. De Svro bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Eén van deze instrumenten is de Verordening ruimte, waarin de kaderstellende elementen uit de Svro zijn vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Svro gaat in op de ruimtelijke kwaliteiten van de provincie Noord-Brabant. Mens, markt en milieu zijn binnen de provincie in evenwicht. Daarom kiest de provincie in haar ruimtelijk beleid tot 2025 voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en voor een kennisinnovatieve economie met als basis een klimaatbestendig en duurzaam Brabant.
Het principe van behoud en ontwikkeling van het landschap is in de structuurvisie de 'rode' draad die de ruimtelijke ontwikkelingen stuurt. De provincie wil het contrastrijke Brabantse landschap herkenbaar houden en verder versterken. Daarom wordt ingezet op de ontwikkeling van robuuste landschappen, een beleefbaar landschap vanaf het hoofdwegennet en behoud en versterking van aanwezige landschapskwaliteiten. Binnen de stedelijke structuur worden 2 ontwikkelingsperspectieven onderscheiden: Stedelijk concentratiegebied (stedelijke regio's): in het stedelijk concentratiegebied, inclusief de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, wordt de bovenlokale verstedelijkingsbehoefte opgevangen. Enerzijds om de steden voldoende draagvlak te geven voor hun functie als economische en culturele motor, anderzijds om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Overig stedelijk gebied (landelijke regio's): het overig stedelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorziet in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte. Ontwikkelingen voor wonen, werken en voorzieningen zijn in dit gebied gericht op de eigen behoefte. De provincie ziet de stedelijke concentratiegebieden en de daarbij behorende zoekgebieden als ruimtelijk samenhangende verstedelijkte gebieden. Binnen deze gebieden liggen mogelijkheden voor verdere verstedelijking.
Bij de begrenzing van de concentratiegebieden is aangesloten op bestaande, veelal historisch gegroeide, grote stedelijke concentraties alsmede de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Daarnaast is de ligging aan belangrijke wegen, spoorwegen en vaarwater van belang omdat de stedelijke concentraties ook in de toekomst goed bereikbaar moeten zijn. Het provinciale uitgangspunt van zorgvuldig ruimtegebruik is dat de ruimte binnen het bestaand stedelijk gebied zo goed mogelijk wordt benut. Als er toch nieuw ruimtebeslag nodig is dan kan dit in de ‘zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling ('stedelijk afweegbaar'). Deze zoekgebieden zijn gebieden waar, gelet op de ruimtelijke kwaliteiten, in beginsel verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden liggen. Er wordt ingezet op zorgvuldig ruimtegebruik door de ruimte zo goed mogelijk te benutten. Hierbij dient
20/83
rekening te worden gehouden met de gebiedskenmerken en kwaliteiten van de omgeving. Gemeenten en de provincie voeren in regionaal verband overleg om te komen tot een goede afstemming van de stedelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) binnen de regio. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de door de provincie vastgelegde ruimtelijke belangen 'concentratie van verstedelijking' en 'sterk stedelijk netwerk' (Structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014). Bij de opgave voor wonen ligt het accent op de herstructurering en transformatie in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is geheel gelegen in het door de provincie aangewezen 'bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied' en voorziet in de mogelijkheid tot woningbouw- ontwikkeling rekening houdende met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en in de naaste omgeving. 3.2.2 Brabantse omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit.
Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken? Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma's. Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen. De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden. De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen. De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te
21/83
beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten. 3.2.3 Interim omgevingsverordening Brabant Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning vanaf 01-01-2021) echt klaar te zijn, is er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. De provincie heeft deze Interim omgevingsverordening geconsolideerd op 8 december 2020, waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd in één verordening. Het betreft de regels van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuur- bescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is relatief beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen (beleidsarm) zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, zal de definitieve omgevingsverordening vastgesteld worden. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht.
In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. De Omgevingsverordening zal bestaan uit omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waar een gemeente rekening mee moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten). Volgens de interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen in een landelijke kern. Zie hiervoor figuur 3.2. Afdeling 3.5 Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit Voor stedelijke ontwikkeling zijn er twee werkingsgebieden opgenomen: 1. Stedelijk gebied met een onderverdeling in a. stedelijk concentratiegebied b. kernen in landelijk gebied 2. Verstedelijking afweegbaar Er is een basisregeling geformuleerd voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. Uitgangspunt daarbij is dat eerst de mogelijkheden in Stedelijk gebied worden benut of de mogelijkheden in leegkomend of leegstaand erfgoed elders in de gemeente. Als daarbinnen vanuit kwalitatieve- of kwantitatieve overwegingen geen ruimte beschikbaar is, kan een afweging worden gemaakt voor nieuw ruimtebeslag in Verstedelijking afweegbaar. Bij stedelijke ontwikkelingen is de relatie gelegd met de afspraken die in het regionaal overleg zijn gemaakt.
Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Dit artikel geeft aan dat een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen wordt gesitueerd binnen 'Stedelijk gebied 'en een onderbouwing bevat dat:
22/83
de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken (Regionaal samenwerken); het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
Figuur 3.2: Ligging plangebied (rode marker) in 'Landelijke kern' (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) Toepassingsbereik Uit de rechtstreeks werkende regels voor activiteiten (hoofdstuk 2) en de instructieregels aan gemeenten (hoofdstuk 3), die gelden vanwege de van toepassing zijnde structuur en aanduidingen, en artikel 3.1 'Toepassingsbereik' van de 'Interim verordening Noord-Brabant' blijkt dat de Interim verordening Ruimte Noord-Brabant toegepast moet worden. Artikel 3.1 Toepassingsbereik Lid 1 : Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bestemmingsplan tevens begrepen: a. een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, Wet ruimtelijke ordening; b. een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 Wet ruimtelijke ordening; c. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken;
23/83
d. een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 Crisis- en herstelwet. Beoordeling De planlocatie betreft een open, sinds jaren ongebruikte, binnenruimte met een op deze plak ongewenste bedrijfsbestemming, dat in het kader van een zorgvuldig gebruik van de ruimte om een herontwikkeling vraagt. De planlocatie vormt nu, na de sloop van de voorheen aanwezige gemeentewerf, een leeg gat in de landelijke kern Vierlingsbeek. Met de beoogde ontwikkeling wordt het aanwezige ruimtebeslag optimaal binnenstedelijk benut. Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is in deze toelichting op het bestemmingsplan een verantwoording opgenomen, waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen en de naastliggende gronden, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, waterhuishouding, archeologische en cultuurhistorische waarden en ecologische waarden, Daarnaast is, gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, de omvang van de ruimtelijke ontwikkeling ingepast in de omgeving, met name wat betreft de milieuaspecten en volksgezondheid. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 6.
Hieruit is gebleken dat deze aspecten niet zorgen voor belemmeringen inzake de beoogde planontwikkeling. 3.2.4 Brabantse Agenda Wonen De Brabantse Agenda Wonen geeft aan wat er de komende jaren van de provincie verwacht mag worden op de Brabantse woningmarkt. Hiermee wil de provincie concreet en stevig bijdragen aan het oplossen van een aantal maatschappelijke knelpunten, zoals verduurzaming en transformatie van leegstaand vastgoed. Maar tegelijkertijd doet de provincie – al doende lerend en experimenterend - kennis en ervaring op met een nieuwe manier van werken, die interessante inzichten oplevert voor de Brabantse Omgevingsvisie en de implementatie van de Omgevingswet. In de Brabantse Agenda Wonen zijn de volgende actielijnen opgesteld: 1. Accent op duurzame verstedelijking 2. Meer nadruk op de bestaande woningvoorraad 3. Inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woon- vormen 4. Versterken van de regionale samenwerking en vernieuwen van regionale woningbouwafspraken Dit zijn de richtinggevende principes: 1. Het woningbouwprogramma zet optimaal in op (toekomstige) binnenstedelijke locaties – inbreiden, herstructureren, transformeren – en op het herbestemmen van leegstaand en leeg komend kantoor-, winkel- en ander vastgoed, met als uitgangspunt dat zorgvuldig ruimtegebruik voor zuinig ruimtegebruik gaat; 2.
We geven ruim baan voor ‘goede woningbouwplannen’ binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen: woningbouw op geschikte inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties en in leegstaand vastgoed, die aansluit op een actuele vraag en snel in aanbouw kan worden genomen 3. We leggen in Brabant meer nadruk op de bestaande woningvoorraad, met specifieke aandacht voor herstructurerings- en transformatieopgaven, verduurzaming van de voorraad en het geschikt maken van woningen en de woonomgeving voor mensen met een zorgvraag;
24/83
4. We ontwikkelen in Brabant vraaggerichte woningbouwplannen, die aansluiten op de vraag van huishoudens en met oog voor nieuwe, flexibele en tijdelijke woonvormen en strategische toevoegingen aan de bestaande woningvoorraad; 5. Om tijdig en adequaat in te kunnen spelen op de dynamiek op de woningmarkt, veranderende woonwensen en onvoorziene ruimtelijke ontwikkelingen zorgen we voor realisme en flexibiliteit in de regionale en gemeentelijke woningbouwplanning en -programmering; 6. We versterken in Brabant de samenwerking op de regionale woningmarkt, met de gemeenten als eerste aan zet. We vernieuwen de regionale woningbouwafspraken, met een groter accent op de kwalitatieve samenstelling van het planaanbod en de inzet van het woningbouwprogramma voor bredere, vaak ruimtelijk-kwalitatieve doelen en met specifiek aandacht voor de regionale afweging van de meer grootschalige gebiedsontwikkelingen en uitbreidingslocaties'. Beoordeling De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 13 woningen deels op een voormalig bedrijfsperceel waarvan de bebouwing al is gesloopt en de verharding is verwijderd en deels op een deel van een grote achtertuin van een woning gelegen aan de Grotestraat. Doordat het gelegen is achter de woonpercelen is de locatie een echte inbreidingslocatie.
Hierdoor past het binnen de richtgevende principes die de provincie in haar Brabantse Agenda Wonen heeft opgesteld. De bedrijfsbestemming weer in gebruik nemen wordt als niet wenselijk beschouwd richting de omwonenden. Conclusie Er zijn géén provinciale belangen die een belemmering opleveren ten aanzien van de voorgestane planontwikkeling.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Regionale Woningmarktstrategie van het Land van Cuijk 2018 In het voorjaar van 2018 is de Regionale Woningmarktstrategie van de regio het Land van Cuijk vastgesteld. De vijf gemeentebesturen hebben samen met woonpartners zes ankers geïdentificeerd die de kern vormen van deze strategie: Een vitale regio, met als doel om tot 2030 nog met 3.000 tot 4.000 extra woningen te groeien; Een gezonde woningmarkt, met als doel om met gezond verstand optimaal in te spelen op de woonwensen van mensen. Gemeenten moeten lokaal sturen en met de regio afstemmen; De juiste woning op de juiste plek in dit 'land van kernen', met als doel om het Land van Cuijk recht te laten doen aan de eigenheid en vitaliteit van de kernen, waarin verschil wordt gemaakt in de wijze van gebiedsontwikkeling tussen grotere en kleinere kernen; Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal, met als doel om de kwaliteit van de bestaande voorraad aan woningen van goed naar excellent te ontwikkelen; Een levensloopvriendelijke regio, met als doel om kwetsbare inwoners met lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen zoveel mogelijk in hun eigen leefomgeving te laten wonen en wanneer dat niet mogelijk is een goede woonzorginfrastructuur in de grotere kernen te bieden; Een duurzame regio, met als doel om vanaf 2050 alle woningen (bestaande en nieuwe) grotendeels
25/83
energieneutraal te maken. De vijf gemeenten in het Land van Cuijk zorgen voor een gelijk speelveld. Beoordeling De beoogde ontwikkeling in het plangebied voorziet in mogelijkheid om 13 nieuwe levensloopbestendige woningen te bouwen, wat bijdraagt aan de levensloopvriendelijke regio.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Boxmeer 2030 De structuurvisie Boxmeer 2030 geeft het toekomstgerichte functioneel, ruimtelijke ontwikkelingskader aan voor het gehele grondgebied van de gemeente Boxmeer. Gemaakte beleidskeuzes zijn verweven in de visie, met ontwikkelingen op de korte en lange termijn. Het is goed wonen in Boxmeer. Het aanbod van woningen is divers en sluit goed aan op enerzijds de omgeving en anderzijds de vraag. Aansluitend op het woningaanbod zijn de basisvoorzieningen binnen handbereik en worden deze door samenwerking, clustering en ondernemerschap duurzaam op peil gehouden. De visie 'Wonen' is weergegeven in figuur 3.3. In de kernen is het van belang dat in de kernen gezocht wordt naar een goede ruimtelijke inpassing van kleinschalige ontwikkelingen. De lokale karakteristiek is hierbij het uitgangspunt. Verweving van wonen en overige functies is hierbij van belang. De gemeente verleent voorrang aan projecten op gemeentelijke gronden, waarbij bestaande toezeggingen en afspraken gerespecteerd zullen worden.
26/83
Figuur 3.3: Structuurvisie 'Wonen', plangebied aangegeven met gele stip (Bron: Structuurvisie Boxmeer 2030) Beoordeling Met 13 levensloopbestendige woningen vormt de beoogde ontwikkeling op het ongebruikte binnenterrein van de voormalige gemeentewerf een kleinschalige ontwikkeling met een goede ruimtelijke inpassing.
27/83
Hoofdstuk 4
Bestaande situatie
Voor nader onderzoek naar de bestaande situatie is nagegaan welke ruimtelijke en functionele kwaliteit in het plangebied aanwezig is. Daarnaast is gekeken naar de aspecten die met de fysieke milieuwaarden samenhangen. Verder wordt in dit hoofdstuk de historische kwaliteit beschreven, waarbij archeologie, cultuurhistorie en eventueel aanwezige monumenten aan bod komen.
4.1
Ruimtelijke en functionele kwaliteit
4.1.1 Bestaande ruimtelijke kwaliteit Op 1 januari 2020 had de kern Vierlingsbeek 2.559 inwoners, dit maakt het na Boxmeer en Overloon de grootste kern van de gemeente Boxmeer. Het plangebied is gelegen aan de Hulder aan de zuidoost kant van het dorp. De verharde toegang naar het plangebied ligt aan de T-splitsing Beekstraat-Hulder. Deze toegang is te zien op figuur 4.1.
28/83
Figuur 4.1: Toegang plangebied vanaf T-splitsing Beekstraat-Hulder (Bron: Google Maps, 2019) Aan de zuidkant ligt het plangebied direct aan de Hulder, hier is de straat een stuk smaller. Deze straat wordt tegelijk met de realisatie van de woningen ook verbeterd. De figuren 4.2 en 4.3 geven een impressie. Rondom het terrein liggen de achtertuinen van de woningen aan de Grotestraat en aan de Hulder.
Figuur 4.2: Ligging plangebied aan Hulder (Bron: Google Maps, 2019)
Figuur 4.3: Smalle gedeelte van de Hulder aan zuidkant van plangebied (Bron: Google Maps, 2019) Via de Hulder en de Laurentiusstraat vindt het verkeer aansluiting op de Grotestraat die Vierlingsbeek verbindt met de andere kernen in de gemeente Boxmeer.
29/83
In noordelijke richting gaat de Hulder over in de Pastoor Jansenstraat uitkomend in het dorpscentrum van Vierlingsbeek, het Vrijthof. Hier ligt de karakteristieke R.K. Heilige Laurentius Kerk, weergegeven in figuur 4.4.
Figuur 4.4: R.K. Heilige Laurentius Kerk in het dorpscentrum van Vierlingsbeek (Bron: Reliplan) 4.1.2 Bestaande functionele kwaliteit In functioneel opzicht is het plangebied gesitueerd tussen overwegend woonbebouwing, een woning met een tandartspraktijk en een strook groen waar achter de percelen aan de Vlasakker een pad loopt dat langs het beekdal van de Molenbeek gaat. Vanaf het plangebied is het slechts 5 minuten lopen naar het dorpscentrum, hier bevinden zich een supermarkt, een bibliotheek, twee horecagelegenheden, een kapper, een sportschool en een basisschool. Het plangebied zelf is op dit moment een open binnenterrein zonder bebouwing. Deze locatie heeft in 1998 bij de samenvoeging van de gemeente Vierlingsbeek met de gemeente Boxmeer haar functie als gemeentewerf verloren. Sinds de sloop van de opstallen in 2013 is het terrein met gras ingezaaid. In 2020 is de woningbouwlocatie uitgebreid met een gedeelte van de achtertuin van Grotestraat 100, perceel VLB00 - sectie C - nummer 3168 (zie hiervoor figuur 2.2), ten einde de locatie een meer rechthoekige vorm te geven en een meer logische en fraaiere invulling met nieuwe woonpercelen mogelijk te maken.
30/83
4.2
Historische kwaliteit
Omdat Vierlingsbeek aan de Romeinse heerbaan van Nijmegen naar Maastricht lag, is de invloed van de Romeinen hier aanwezig. Op de dekzandrug tussen Vierlingsbeek en Maashees zijn urnen en munten uit de Gallo-Romeinse tijd gevonden. Aangetoond is dat Vierlingsbeek al in de Late Bronstijd bestond circa 1100-800 jaar voor Christus. En er in de 12de-13de eeuw wederom bebouwing aanwezig is. Vierlingsbeek is dus ouder dan gedacht. De gehele regio rondom Vierlingsbeek is daarom ook aangeduid als 'Cultuur- historisch waardevol gebied' met 'Cultuurhistorisch landschappen' en 'Archeologische landschappen'. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn er in Vierlingsbeek geen complexen van cultuurhistorisch belang gevestigd. Het plangebied is in figuur 4.5 aangegeven met een ster.
Figuur 4.5: Cultuurhistorische waarden in en rondom Vierlingsbeek (Bron: Historische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant) In de Middeleeuwen behoorde Vierlingsbeek tot het overambt van het Land van Cuijk. Op 7 mei 1308 verleende Jan I van Cuijk gemeenterechten aan het dorp Vierlingsbeek. De gemene gronden lagen in de Vredepeel. Op 28 maart 1757 heeft in het dorp een grote brand gewoed. In 1813 telde men 1012 inwoners, omstreeks 1850 waren dat er 1424, in 1900: 1364 en in 1941: 1881. Vierlingsbeek was zeer geliefd bij koning Willem I, die in de hervormde pastorie op bezoek kwam. Van 1850 tot 1852 werd de weg van Venray via Vierlingsbeek naar Grave verhard. Tijdens de bevrijding had ook Vierlingsbeek te maken met de Slag om Overloon. Er werden vernielingen aangericht, maar eind oktober 1944 werd het dorp bevrijd. In figuur 4.6 t/m 4.8 staat het plangebied met een ster aangegeven op de historische kaarten van Vierlingsbeek. Tussen 1900 en 1950 is het lint aan de Grotestraat, aan de zuidkant van het dorp in de richting van Op den Bosch,
31/83
ontstaan. Pas na 1950 is de ruimte tussen de Hulder en de Laurentiusstraat volgebouwd.
Figuur 4.6: Historische kaart van Vierlingsbeek uit 1850 (Bron: topotijdreis.nl)
32/83
Figuur 4.7: Historische kaart van Vierlingsbeek uit 1900 (Bron: topotijdreis.nl)
33/83
Figuur 4.8: Historische kaart van Vierlingsbeek uit 1975 (Bron: topotijdreis.nl) In de dorpskern van Vierlingsbeek bevinden zich twee Rijksmonumenten: Huis aan de Spoorstraat 9, onder dwars zadeldak tussen in- en uitgezwenkte topgevels, die horizontale uitgemetselde banden vertonen en korfboogvormige venstertogen. In de voorgevel jaarankers 1756. Voormalige synagoge.
34/83
Aan de zuidelijke zijde van de Spoorstraat, in de kom van Vierlingsbeek, staat de hervormde kerk, uit 1843. Het in ambachtelijk-traditionele stijl met neo-classicistische elementen opgetrokken kerkgebouw ligt enigszins terug in de rooilijn en wordt omgeven door een buiten de bescherming vallende begraafplaats.
35/83
Hoofdstuk 5 5.1
Planbeschrijving
Ruimtelijke structuur
De locatie aan de Hulder betreft een groot onbebouwd binnenterrein, maar met planologische bebouwings- en gebruiksmogelijkheden voor een bedrijf, achter het bestaande lint aan de Hulder. De beperkte omvang van de locatie en de ingesloten ligging maken dat het gebied ontsloten kan worden met één auto-ontsluiting vanaf de T-splitsing Beekstraat-Hulder aan de westzijde van de locatie. Er wordt daarnaast voorzien in een voet-/fietspad naar het zuidelijke deel van de Hulder die tevens direct aansluit op het pad achter de percelen aan de Vlasakker en langs het beekdal van de Molenbeek. De ontsluiting van de percelen bestaat uit twee doodlopende straatjes. Straatprofiel en parkeren Vooralsnog is in het plan gekozen voor een trottoir met oplopende en daardoor overrijdbare trottoirband. Voor het aantal parkeerplaatsen zijn de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn vastgesteld in de Parkeernota Boxmeer 2015. Dat betekent voor vrijstaande woningen een norm van 2,3 parkeerplaatsen en voor halfvrijstaande woningen een norm van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Bij elke woning dient daarbij 1 parkeerplaats op eigen terrein aangelegd en in stand gehouden te worden. Om de woonstraatjes niet te veel te belasten met een kerende of achteruit rijdende vuilniswagen is ervoor gekozen om voor het meest oostelijke straatje een centraal vuilinzamelingspunt te maken.
Water en groen Het stedenbouwkundig plan bevat centraal in het gebied een groene ruimte met wadi voor de hemelwateropvang en een ontmoetingsplek. Deze groene ruimte is verder ingericht met groenelementen van gras, struweel, hagen en (fruit)bomen. Hiermee wordt voldaan aan de te nemen mitigerende maatregelen voor de steenuil. Langs het voet-/fietspad en de woning Hulder 7 is een groene scheg opgenomen die deze verbinding een meer open sfeer geeft en aanvullend ingericht is voor hemelwateropvang en groenelementen voor onder andere de steenuil. Een bijzonder groenelement vormt de behouden ‘Fagus sylvatica’, een beuk, die rond 1940 geplant is op de zuidelijke zijdelingse perceelsgrens van Grotestraat 100. Bij een eerste bovengronds onderzoek is deze boom behoudenswaardig bevonden. Bij de verdere uitwerking zal bekeken worden of deze boom ook ondergronds voldoende gerespecteerd kan worden (denk aan conflicten tussen riool en leidingen en de bestaande boomwortels) zodat deze boom daadwerkelijk behouden kan worden. De wadi’s vormen een robuuste duurzame hemelwateropvang voor zowel het openbaar gebied als voor de woonpercelen. Ook voor het groene deel van de openbare ruimte zal het een en ander verder gedimensioneerd worden bij de civieltechnische uitwerking waarin ook de keuze voor de beplantingssoorten gemaakt zal worden.
36/83
Figuur 5.1: Stedenbouwkundig plan 't Hulder in vogelvlucht met bebouwingssuggestie
5.2
Functionele structuur
De nieuw te realiseren woningen staan met de achterkanten naar de achterkant van de bestaande (omliggende) woningen. Mede op basis van voorkeursformulieren, die zijn opgesteld in het kader van coproductie van het stedenbouwkundig plan, ingevuld door een aantal geïnteresseerden die hun gewenste perceeloppervlakten hebben aangegeven en de ateliers sessies met omwonenden worden in het thans voorliggende schetsplan 13 levensloopbestendige en/of levensloopgeschikte woningen in het plangebied voorzien. Bestemmingsplanmatig is een planregeling opgenomen waarbij ten hoogste ook 13 woningen in het plangebied gerealiseerd kunnen worden. Bij dit aantal kan voldoende parkeergelegenheid worden gerealiseerd. De woningen hebben een minimaal 3 meter diepe voortuin met uitzondering van de westelijke woningen die een voortuin diepte van minimaal 2 meter hebben. De voortuinen verzorgen niet alleen de privacy in de woningen doordat voorbijgangers op afstand van het voorraam worden gehouden. Het zou ten zeerste gewenst worden als de voortuinen met een groene inrichting ook een bijdrage leveren aan de groene woonsfeer in deze nieuwe straat. De woningen kunnen deels uit maximaal één bouwlaag bestaan en deels kunnen een aantal woningen worden voorzien van een opbouw. De mogelijkheid voor een opbouw is afhankelijk van de diepte van het perceel.
Uitgangspunt is namelijk dat de verdieping van het hoofdgebouw uit privacy-oogpunt op minimaal 10 meter van de perceelsgrens met een bestaand woonperceel staat. Op verschillende percelen kan deze afstand van 10 meter niet gehaald worden ten opzichte van de achterste perceelsgrens of de zijdelingse perceelsgrens en dus is op die percelen alleen een één-laagse bebouwing zonder opbouw mogelijk. De maximale bouwhoogte is vastgelegd op 8 meter.
37/83
De woningtypen vrijstaand, geschakeld en twee-aan-een worden mogelijk geacht in het stedenbouwkundig plan. Parkeren in langsrichting in de voortuin wordt niet gewenst. Qua beeldkwaliteit blijkt uit de voorkeursformulieren dat een meerderheid van de potentieel gegadigden de woningen minimaal “familie” van elkaar wenst te laten zijn. De bouwstijl dient nog nader bepaald te worden. De aanwezige geïnteresseerden hebben in een atelier sessie aangegeven dat het een mix zou kunnen zijn van 'eigentijds' met kap/lessenaars daken en 'modern' met platte daken.
Figuur 5.2: Schets plangebied 't Hulder van bovenaf 5.2.1 Beeldkwaliteit Het schetsontwerp zal na stedenbouwkundige goedkeuring nog verder architectonisch uitgewerkt worden. De stedenbouwkundige aspecten die ten grondslag liggen aan de planontwikkeling zijn juridisch-planologisch geborgd in onderhavig bestemmingsplan. De uitwerking op perceel en gebouw niveau vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Een welstandstoetsing vindt in dat kader plaats.
38/83
Hoofdstuk 6
Fysieke omgevingswaarden en omgevingsaspecten
6.1
Historische kwaliteit
6.1.1
Archeologie
Regelgeving Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en in 1998 geratificeerd. Het Verdrag van Malta (ook wel Verdrag van Valletta genoemd) is geïmplementeerd in de Monumentenwet. De wet op de archeologische monumentenzorg is in april 2006 door de Tweede Kamer aangenomen en in december van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. Op 1 september 2007 is de wet als onderdeel van de monumentenwet in werking getreden. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. Dit was in de voorgaande periode reeds een gebruikelijke praktijk. Onderzoek Op 25 mei 2018 is archeologisch onderzoek uitgevoerd, beschreven in bijlage 2. Gespecificeerde archeologische verwachting bureau onderzoek Uit de landschappelijke ligging op een iets hogere rug aan de noordzijde van het dal van de Molen-beek, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers.