7.1 Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022 ontwerp bestemmingsplan
Tekst van het document
De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 4.3.2
Onderzoek
Bescherming gebieden Het plangebied is in de directe nabijheid van de binnenkant van de Westerscheldedijk op circa 220 meter gelegen. De Westerschelde is aangewezen als Natura2000-gebied. Hoewel geconcludeerd kan worden, dat vanuit een recreatieve voorziening waar zelfstandige horeca is toegestaan een zekere onrust vrij zal komen door met name lawaai gedurende de dag en avond, zal door de hoge zeedijk die onrust grotendeels keren. Daardoor zal het plangebied geen of nauwelijks onrust toevoegen aan de activiteiten die reeds op het terrein voor verblijfsrecreatie “Park de Remise' en in het haventerrein van 'De Val' zelf plaatsvinden; de bestaande bebouwing, functies en wegen vormen een (reeds verstorende) buffer. Wel is de Westerschelde stikstofgevoelig. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van mei 2019 over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de vernieuwde Aeriuscalculator (d.d. 24 januari 2022) is derhalve voor dit plan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan het Natura 2000-gebied berekend. In Bijlage 4 is deze berekening opgenomen. Op basis van de Aerius-berekening kan worden geconcludeerd, dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.
Er is geen vergunning op grond van de wet Natuurbescherming nodig en er geldt ook geen 'aanhaakplicht' in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning. Door Econsultancy is in 2022 een 'Onderzoek stikstofdepositie' uitgevoerd. In de onderstaande tekst is een samenvatting van de rapportage weergeven. In Bijlage 4 is het gehele onderzoek opgenomen.
28
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
Daarnaast ligt het plangebied in de directe invloedsfeer van een strook grond die door de provincie in september 2020 (5e herziening) is aangewezen als bestaande natuur (binnendijks) alsmede over een beperkte oppervlakte naast een gebied dat in het NNZ aangewezen is als Agrarisch gebied van ecologische betekenis. Daarmee vinden de beoogde ontwikkelingen plaats buiten de NNZ, maar wel binnen de afwegingszone ter bescherming van de NNZ. Verwezen wordt naar par. 2.2 waar dit nader wordt onderbouwd. Uitgangspunt is dat deze zones door de planvorming niet verdergaand worden verstoord. Beschermde soorten Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de flora en fauna. Het terrein waar de ontwikkelingen zijn voorzien, is reeds als recreatieve voorziening in gebruik, grotendeels verhard en wordt regelmatig gemaaid. Het gebruik van de gronden is de afgelopen jaren onveranderd geweest. Daardoor is het plangebied waar ontwikkelingen zijn voorzien niet geschikt als leefgebied voor (beschermde) dier- en plantsoorten. Verder is als gevolg van het continueren van het huidige gebruik van de bijhorende gronden geen aantasting van de huidige waarden.
Een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht, maar er geldt altijd een algemene zorgplicht voor beschermde en onbeschermde soorten. Verder zijn de gronden waar de (overloop)parkeervoorzieningen zijn beoogd reeds al dusdanig in gebruik; zodat ook daar geen belemmeringen vanuit de soortenbescherming worden verwacht. 4.3.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.4
Cultuurhistorisch Hoofd Structuur
4.4.1
Wettelijk kader
Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is de Bro per 1 januari 2012 (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Voor een herziening van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.4.2
Onderzoek
Op de kaart van de cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) voor Zeeland is de spoorlijn Goes-Borsele, gelegen direct ten oosten van het plangebied als cultuurhistorisch waardevol aangewezen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft de spoorbaan langs het plangebied aangewezen als monument. Het heeft zowel cultuurhistorische en
29
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
ensemblewaarden als waarde vanwege herkenbaarheid en zeldzaamheid. Indien sprake is van rijksmonumenten zijn beschermende regels in het bestemmingsplan niet noodzakelijk omdat de Monumentenwet in bescherming voorziet. Nu de spoorweg is aangewezen als Rijksmonument is een nadere regeling in onderhavig bestemmingsplan niet vereist. 4.4.3
Conclusie
Cultuurhistorisch gezien sluit de voorgenomen ontwikkeling aan bij het waardevolle, monumentale karakter van de spoorbaan. Er wordt dan ook, zij het middels nieuwe toevoegingen, een versterking van het cultuurhistorische beeld beoogd. 4.5
Archeologie
4.5.1
Wettelijk kader
Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Wamz behelzen o.a. het integreren van archeologie in de RO-procedures (zoals vergunningen en projectbesluiten) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen (art. 38 en 41 Wamz). Met een goede archeologisch-wetenschappelijke motivatie en onderbouwing kunnen gemeenten ervoor kiezen niet al het aanwezige archeologisch erfgoed onder alle omstandigheden te beschermen: gemeenten kunnen een eigen vrijstellingsbeleid vaststellen en gebruik maken van de afwijkingsbevoegdheid. De gemeente Borsele beschikt over een eigen beleidskader voor archeologie. Het archeologiebeleid bestaat uit twee delen; deel a 'beleidsnota archeologie' en deel B 'archeologische beleidskaart'. Er wordt een onderscheid gemaakt in 8 categorieën waaraan archeologische waarden zijn gekoppeld: Categorie 1: Wettelijk beschermd monument waarbij altijd een monumentenvergunning. Categorie 2: Terrein met archeologische waarde waarbij met een oppervlak minder dan 50 m2 geen onderzoeksplicht geldt.
Categorie 3: Stads- en dorpskernen van specifieke archeologische verwachting waarbij met een oppervlak minder dan 50 m2 geen onderzoeksplicht geldt. Categorie 4: Hoge verwachting voor archeologische vondsten waarbij met een oppervlak minder dan 250 m2 geen onderzoeksplicht geldt.Categorie 5: Gematigde verwachtingwaarde voor archeologische vondsten waarbij met een oppervlak minder dan 500 m2 geen onderzoeksplicht geldt. Categorie 6: Lage verwachtingswaarde voor archeologische vondsten waarbij met een oppervlak minder dan 2.500 m2 geen onderzoeksplicht geldt. Categorie 7: Verwachte maritieme waarde waarbij overleg met Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verplicht is. Categorie 8: Geen verwachtingswaarde voor archeologische vondsten. Voor alle categorieën, met uitzondering van categorie 1, geldt een vrijstelling van 40 cm. Bij de vaststelling van het archeologiebeleid is afgesproken dat het beleid na een periode van vijf jaar zou worden geëvalueerd. Eind 2016 is een evaluatierapport gereedgekomen. De gemeenteraad heeft op 6 april 2017 ingestemd met het doorvoeren van de adviezen en
30
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
aanbevelingen uit deze rapportage in bestemmingsplannen of omgevingsplan. Het betreft de volgende adviezen en aanbevelingen: De tijdens de evaluatie vervaardigde kaart(laag) met uitgevoerde onderzoeken en geclassificeerde adviezen dient vervolledigd te worden. Op deze manier kan voorkomen worden dat archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd waar dat al eerder heeft plaatsgevonden en daarmee onnodig vertraging in de vergunningverlening veroorzaakt. Deze kaart dient met regelmaat (jaarlijks) bijgewerkt te worden. Uit de evaluatie is gebleken dat er zeer weinig onderzoek wordt uitgevoerd in categorie 6 (lage verwachting/vrijstelling tot 2.500 m²), vanwege het grote oppervlakte en dat het uitgevoerde onderzoek nooit heeft geleid tot vervolgonderzoek. Gebieden die vallen binnen categorie 6 worden daarom van archeologisch onderzoek vrijgesteld, door hier geen beschermende maatregelen meer voor op te nemen in bestemmingsplannen of omgevingsplan. De onderzoeksthema's en aanvullende criteria dienen samen met de nationale en provinciale onderzoeksagenda's te worden gehanteerd als leidraad bij het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Op deze wijze wordt informatie rondom enkele aspecten van de bewoning en het gebruik van het onderzoeksgebied meer structureel worden verzameld, wat zal leiden tot vergroting en verdieping van de huidige kennis over bewoning en gebruik van het grondgebied van de gemeente. Gemeenten zijn verantwoordelijke voor al hun archeologisch erfgoed. Sinds 1 juli 2016 heeft de RCE haar taken hierin afgestoten. Daarom worden in bestemmingsplannen of omgevingsplan regels opgenomen ter bescherming van de gebieden beneden de laagwaterlijn, die tot nu nog geen maatregelencategorie kennen, door het van toepassing verklaren van categorie 7. Voorheen moest voor deze categorie altijd overlegd worden met de RCE. Bij toekomstig onderzoek dient gebruik te worden gemaakt van (de kennis van) het Bevrijdingsmuseum Zeeland over het aantreffen van militaria en ander vondstmateriaal dat te relateren is aan de periode van de Tweede Wereldoorlog.
4.5.2
Onderzoek
De voorgenomen ontwikkeling is op basis van de beleidsnota gelegen in een gebied waarvoor categorie 4, hoge verwachting, geldt. Gezien de historie van de gronden en het feit dat er geen bodemverstorende werkzaamheden met een groter oppervlakte van 250 m² en dieper dan 40 cm plaats zullen vinden is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 4.5.3
Conclusie
Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. Ter borging van de archeologische belangen, ook op langere termijn, wordt wel een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie- 2' opgenomen in onderhavig plan. 4.6
Water
4.6.1
Wettelijk kader
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve
31
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening Waterbeleid 21e eeuw (Rijksbeleid) Het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft een omslag in het denken over water en het waterbeleid veroorzaakt. In het aangepaste beleid zijn het rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten overeengekomen dat: het water zoveel mogelijk moet worden vastgehouden, daarna moet worden geborgen en daarna pas afgevoerd mag worden; voor ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd moet worden. In de watertoets moeten de keuzes ten aanzien van waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschreven te worden. Beleid Waterschap Scheldestromen Het provinciaal beleid van de provincie Zeeland is vastgelegd in de Zeeuwse Omgevingsvisie 2021, de Waterverordening en de Provinciale Omgevingsverordening 2018.
Het operationele waterbeheer van de Zeeuwse (binnendijkse) regionale wateren is in handen van het Waterschap Scheldestromen. In het waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap zijn de hoofdlijnen van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen kort beschreven. De uitwerking vindt plaats in de desbetreffende Beleidsnota's. Doel van het waterbeheer is het bereiken en in stand houden van een goede toestand van dit oppervlaktewater. Zowel wat de waterkwaliteit betreft als de waterkwantiteit. In het waterbeheerplan wordt aangegeven met welke maatregelen en tegen welke prijs het waterschap dit doel wil bereiken. In 2012 heeft het Waterschap Scheldestromen de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen vastgesteld. Het waterschap richt zich op het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Het oppervlaktewater wordt niet los gezien van het grondwater. Gemeentelijk rioleringsplan, GRP4, Borsele 2012-2017 Het vierde GRP is op 5 april 2012 vastgesteld en heeft als hoofddoel: het continueren van de hoofddoelen van de eerdere gemeentelijke rioleringsplannen zoals het bereiken van een goede waterkwaliteit en het voorkomen van wateroverlast. Het rioleringssysteem moet tegen zo laag mogelijke kosten klimaatbestendig gemaakt worden waarbij ernaar gestreefd wordt om waterschade te allen tijde te voorkomen.
Het hoofddoel is uitgewerkt in vier subdoelen: doelmatige inzameling en transport van afvalwater; voorkomen van waterhinder, overlast of schade en vasthouden van water; voorkomen van grondwateroverlast; schoon oppervlaktewater, grondwater en een schone waterbodem. Stedelijk waterplan Borsele 2016-2022 In het waterplan staan normen genoemd ten aanzien van de waterkwaliteit, waterkwantiteit, voorkomen van grondwateroverlast, afkoppelen van regenwater, beheer en onderhoud van stedelijk oppervlaktewater, ruimtelijke ordening en de inrichting van openbaar water. Het nieuwe waterplan besteed extra aandacht aan de klimaatverandering met name aan extreme en langdurige buien en rioolvreemd water. Rioolvreemd water is regenwater en
32
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
grondwater wat ten onrechte op de riolering en niet op het oppervlaktewater geloosd wordt. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van het waterplan Borsele. 4.6.2
Onderzoek
Voor de watertoets is door het waterschap Scheldestromen een watertoetstabel beschikbaar gesteld. De tabel is hieronder opgenomen. De ontwikkeling is getoetst aan de daarin opgenomen waterthema's en water(beheer)doelstellingen. Onderstaande tabel geeft de onderbouwing voor de verschillende wateraspecten in een ruimtelijk plan. Overleg met het waterschap Scheldestromen heeft tijdens het planproces plaatsgevonden en de onderstaande tabel is ter beoordeling voorgelegd. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking Het merendeel van het plangebied ligt binnen de beschermingszone B van een primaire waterkering. Voor het bouwen in de beschermingszones is een vergunning vereist op grond van de Waterwet. Hierin zal aangegeven worden onder welke voorwaarden bouwen mogelijk is en een vergunning dient aangevraagd te worden. Hierin worden mogelijk voorwaarden gesteld door het Waterschap.
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. Hierbij is relevant, dat de reeds geplaatste locomotief en wagon -welke aan het gebouw zal worden verbonden- op een rails boven het maaiveld staan. De overige werkzaamheden: het realiseren van een extra perron, vervangen van de reeds bestaande verharding en aanleg nutsvoorzieningen zullen vanuit waterkeringsoogpunt en veiligheidsniveau geen problemen opleveren. Te verwachten toename verhard oppervlakte Voorkomen overlast door oppervlaktewater bedraagt circa 710 m2, waarvoor 53 m3 aan extra Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen waterberging dient te worden gerealiseerd. en afvoeren van water. Dit wordt -in overleg met het waterschap- gevonden Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit in een uitbreiding van de bestaande sloot, waar de oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. huidige bebouwing ook op loost. Hiermee is Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en voldoende waterberging in het plangebied aanwezig. de kans op extreme weersituaties.
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Het hemelwater wordt -conform de huidige situatieWaarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en afgevoerd naar de nabijgelegen sloot. De afvoer van van de (gemeentelijke) rioleringen. afvalwater wordt aangesloten op het bestaande Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband gemeentelijke rioleringsstelsel. met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Grondwaterkwantiteit en verdroging Grondwateroverlast of onttrekking van grondwater is Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. niet aan de orde. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en -mogelijkheden. Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk De kwaliteit van het grondwater wijzigt niet. aan grondwaterbeschermingsgebieden.
33
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
Oppervlaktewaterkwaliteit Het peilregiem van het plangebied is afgestemd op Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. bebouwd gebied. Er is geen sprake van een Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. peilverlaging en/of bodemdaling. Derhalve is deze Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. problematiek niet aan de orde. Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk naar het omliggende oppervlaktewater teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht. Er worden geen uitlogende materialen gebruikt. Het oppervlaktewater zal niet in kwaliteit achteruitgaan. Volksgezondheid De ontwikkeling heeft geen invloed op de water Minimaliseren risicowater gerelateerde ziekten en plagen. gerelateerde volksgezondheid. Dit aspect is dan ook Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de niet van toepassing. daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Bodemdaling is niet aan de orde. Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zetting gevoelige gebieden kunnen veroorzaken. Natte natuur De ontwikkeling zorgt niet voor (negatieve) effecten Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en op de in de nabije omgeving aanwezige natte natuur. natuurlijk Op het terrein is een diversiteit aan bomen en karakteristieke aquatische natuur. struiken aanwezig.
De bestaande beplanting zal zo veel als mogelijk gehandhaafd blijven. De bestaande beplanting past uitstekend bij het beoogde eindgebruik. Aan de oost- en zuidzijde van het plan bevinden zich bestaande natuur en een agrarisch beheergebied van ecologische betekenis. Er zijn geen negatieve aspecten vanuit het plan op deze gebieden te verwachten. Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en (hout)beplanting.
Voor de nabijgelegen sloot blijft onderhoud mogelijk vanaf de bestaande berm langs de sloot. Onderhoud hiervan zal door het waterschap plaatsvinden. opgaande
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.
Aanpassingen aan de sloot, talud en duikers worden afgestemd met het waterschap.
Wegen in beheer bij het waterschap Dit aspect is hier niet aan de orde. * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? Ja door het verruimen van de gebruiksmogelijkheden zal het aantal de verkeersbewegingen toenemen. * na realisatie: verkeersaantrekkende werking Hierbij overwegen wij, dat bepaalde functies niet Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? gelijktijdig zullen plaatsvinden en het verkeer, zowel het gemotoriseerde als langzame verkeer op de * na realisatie: bereikbaarheid bestaande infrastructuur kan worden ontsloten. De Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw toename van het verkeer zal voor de nabije omgeving plankunnen bereiken. daarmee niet tot onevenredige overlast leiden. Er Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? zullen dus geen wegen worden aangelegd of worden aangepast. * na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? Parkeren vindt gedeeltelijk op eigen terrein en verder op het bestaande parkeerterrein behorende bij de * na realisatie: (ver)bouwen begraafplaats, gelegen direct ten westen van het Bent u voornemens om binnen 20 meter van een plangebied, aan de overzijde van de Waardweg, waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (Zoals een plaats. Ook kan -indien nodig- naar het parkeerterrein woning of afscheiding (gefundeerd).
van de jachthaven worden uitgeweken. Nee.
34
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
4.6.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg. De vaststelling van het bestemmingsplan heeft nauwelijks tot geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied. 4.7
Milieuhinder
4.7.1
Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering 2009' (uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG)) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten.
In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. In de brochure zijn (indicatieve) richtafstanden opgenomen. De richtafstanden worden gemeten vanaf de grens van de inrichting tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige functie. Daarbij kan worden uitgegaan van uitwaartse zonering of inwaartse zonering. Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie, met als doel milieugevoelige functies in de omgeving te weren. In de zone rondom de belastende functie gelden beperkingen voor milieugevoelige functies en voor milieubelastende activiteiten. Bij inwaartse zonering wordt vanuit de gevoelige functie een beschermende bufferzone gecreëerd. Dit kan tot gevolg hebben dat bij de realisatie van bijvoorbeeld een bedrijventerrein minder belastende activiteiten op kleine afstand en meer belastende activiteiten op grotere afstand worden toegelaten. De richtafstanden gelden in beginsel tot het omgevingstype van een rustige woonwijk (of rustig buitengebied).
De richtafstanden gelden daarbij voor nieuwe situaties en dus in beginsel niet voor bestaande – reeds juridisch-planologisch vastgestelde – situaties. Tevens gelden de richtafstanden niet voor gevallen waarin een bedrijfswoning onderdeel uitmaakt van de inrichting. Voor een inrichting van derden gelden de richtafstanden wel. Bij gemengd
35
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
gebied, dat wil zeggen gebieden met gemengde functies of grootschalige infrastructuur, gelden gereduceerde richtafstanden omdat al sprake is van een zekere verstoring ten opzichte van een rustige woonwijk. 4.7.2
Toetsing
Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van Hoedekenskerke, grenzend aan het buitengebied. Ter plaatse kan, gezien de diversiteit aan functies, gesproken worden van een gemengd gebied. De nieuwe planologische situatie ten opzichte van de bestaande vastgestelde planologische situatie overeenkomstig de beheerverordening betreft het toevoegen van de functie zelfstandige horeca aan het museum en het aanwenden van een (overloop)parkeervoorziening aan de westzijde, aan de overzijde, ter plaatse van de begraafplaats. De functie van zelfstandige horeca binnen de bestemming 'Recreatie' conform het planvoornemen van initiatiefnemer en overeenkomstig de VNG-publicatie 2009 betreft bedrijvigheid in categorie 2. De bijbehorende richtafstand bedraagt 10 meter voor het aspect geluid, gemeten vanaf de grens van het toegestane gebruik voor zelfstandige horeca tot de gevel van de meest nabije woning van derden. De meest nabije gevel van een woning van derden is gelegen op een afstand van circa 22 meter ten oosten van de beoogde zelfstandige horeca. Dit betekent dat er in beginsel voldaan wordt aan een afdoende zonering tussen woningen en de voorziene volledige horeca. Echter, gelet op het feit dat er muziek geproduceerd gaat worden, is het uitvoeren van akoestisch onderzoek in het kader van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk.
Een (overloop)parkeervoorziening dient ook te worden beschouwd als onderdeel van de bedrijfsvoering. Vanuit de VNG-publicatie 2009 zijn autoparkeerterreinen een categorie 2 bedrijf met eveneens een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. Ook hier geldt dat gemeten moet worden vanaf de grens van het toegestane gebruik voor parkeren tot de gevel van de meest nabije woning van derden. De meest nabije gevels van woningen van derden zijn gelegen op een afstand van circa 95 meter ten oosten en 115 meter ten zuiden van de beoogde (overloop)parkeervoorziening. Dit betekent dat er reeds voldaan wordt aan een afdoende zonering tussen de woningen en het parkeren. Daarbij kan aanvullend worden beschouwd dat tussen de bestaande parkeervoorziening en de meest nabije woning van derden nog gebouwen en beplanting staan die als geluidwering dienen. Akoestisch onderzoek In het planologische spoor is hiervoor aangetoond, dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op basis van de richtafstanden uit de VNG-publicatie 2009. Om te bepalen wat vanuit het milieuspoor (richtwaarden VNG publicatie 2009) acceptabel is aan geluiduitstraling, is inzichtelijk gemaakt wat het maximale binnenniveau vanuit de zelfstandige horeca mag bedragen alvorens er sprake is van een onaanvaardbare situatie naar omliggende woningen.
Bovendien valt de bedrijfsvoering onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Omdat in onderhavige situatie kan worden voldaan aan de richtafstand uit de VNG-publicatie wordt voor het toetsingskader in het akoestisch onderzoek industrielawaai aansluiting gezocht bij de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
36
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
Om de geluidswaarden afkomstig uit de bedrijfsvoering inzichtelijk te maken is door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing een akoestisch onderzoek verricht. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. Met dit onderzoek is bepaald wat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, het maximale geluiddrukniveau en de indirecte hinder bedraagt bij de uitoefening van de functie zelfstandige horeca ingeval van restaurant enerzijds en feesten en partijen anderzijds alsmede het gebruik van de daarbij terrassen en de (overloop)parkeervoorziening, redenerend vanuit een worst-case benadering. Daarbij is, indachtig het planvoornemen van initiatiefnemer, het maximale binnenniveau voor de uitoefening van de zelfstandige horeca bepaald op 95 dB in de nachtperiode, hetgeen de maatgevende periode is. Dit niveau wordt in het achterste deel van de bebouwing 10 dB lager verondersteld, daar de muziekinstallaties aan de voorzijde (voor de bar) zullen worden geïnstalleerd. Voor het stemgeluid, dat afkomstig is van de terrassen is uitgegaan van een bronvermogen van 70 dB(A), dat overeenkomt met 'spreken met stemverheffing'. Voor luid roepende personen (of iemand die lacht) is uitgegaan van een maximaal bronvermogen van 100 dB(A).
In het onderzoek worden de navolgende conclusies getrokken: Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus: Er zijn langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voor het aanwenden van de horecafunctie berekend van ten hoogste 60 dB(A)2 in elke etmaalperiode. Het muziekgeluid dat binnen de inrichting ten gehore wordt gebracht (95 dB(A) in het voorste deel van De Buffer) is maatgevend voor de grootte van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. De hoogste geluidbelasting is berekend bij de woning Veerweg 10; Het hoogst berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het gebruik van de terrassen bedraagt 35 dB(A) in de dag-, 38 dB(A) in de avond- en 32 dB(A) in de nachtperiode. Deze geluidbelasting is berekend bij de woning Veerweg 10. Maximale geluidniveaus Vanwege het roepen op de terrassen is een maximaal geluidniveau berekend van ten hoogste 60 dB(A) in elke etmaalperiode. Indirecte hinder vanwege de verkeersaantrekkende werking is een geluidbelasting berekend van ten hoogste 51 dB(A) etmaalwaarde. Maatgevend voor deze geluidbelasting is de nachtperiode, waarbij ca. 20 personenauto's langs de woning Kerkstraat 36 rijden. Uit het onderzoek blijkt, dat bij uitoefening van de zelfstandige horeca als restaurant met bijbehorende terrassen aan de richt- en grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en maximale geluidniveau wordt voldaan.
Indien sprake is van feesten en partijen met muziek dient te worden geconcludeerd, dat in beginsel de richt- en grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde) zullen worden overschreden. Bij een muziekgeluidniveau van 95 dB(A) in het voorste deel van de bebouwing worden de richt- en grenswaarden met 10 dB in de dag-, 15 dB in de avond- en 20 dB in de nachtperiode overschreden. Om de gewenste bedrijfsvoering te kunnen exploiteren, dienen in beginsel additionele maatregelen aan verschillende geveldelen getroffen te worden. Echter, naar verwachting zal bij feitelijke meting bij een feest of partij de geluidbelasting binnen de inrichting alsmede de gevels van de woningen neerwaarts kunnen worden bijgesteld en daarmee het maximale binnenniveau
37
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
worden herijkt. Nu gelet op de huidige covid omstandigheden, een feitelijke meting op korte termijn niet tot de mogelijkheden behoort, is een voorwaardelijke verplichting voor het houden van feesten en partijen in de regels opgenomen. In de regels wordt specifiek vastgelegd, dat deze activiteiten alleen zijn toegestaan, nadat op grond van een onafhankelijk onderzoek welke ter goedkeuring en instemming aan de gemeente dient te worden voorgelegd is aangetoond, dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de nabije (woon-)omgeving. Tot slot wordt de voorkeursgrenswaarde inherent aan de verkeersaantrekkende werking ter plaatse van de Kerkstraat 36 met 1 dB overschreden. De grootte van de overschrijdingen worden veroorzaakt door verkeersbewegingen in de nachtperiode over de Kerkstraat. De Kerkstraat is voorzien van een elementenverharding. Er zijn feitelijk geen andere mogelijkheden om naar en van de inrichting te rijden dan via de Kerkstraat en de Veerweg. Tijdens feesten en partijen zullen de meeste personen hun voertuig bij de jachthaven parkeren. Vanaf daar is de inrichting te voet goed bereikbaar. Om aan een binnenwaarde van 35 dB(A) etmaalwaarde te voldoen, dient de geluidwering van deze woning 16 dB te bedragen. Omdat deze woning te allen tijde een geluidwering van 16 dB heeft kan een geluidbelasting van 51 dB(A) etmaalwaarde toelaatbaar geacht kan worden.
4.7.3
Conclusie
Rekening houdende met bovenstaande overwegingen, gaat het aspect bedrijven en milieuzonering in zijn totaliteit beschouwd uit van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met de komst van de zelfstandige horeca en het gebruik van het (overloop)parkeerterrein(en). Verder wordt het houden van feesten en partijen door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. 4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Wettelijk kader
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is omschreven als de kans dat een persoon die gedurende een heel jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, ten gevolge van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof komt te overlijden.
38
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
In het relevante beleid- en wetgevingskader geldt het PR met de risicocontour van de kans één op een miljoen per jaar (kans 10-6 per jaar) als grenswaarde voor kwetsbare objecten. Vanwege de definiëring als grenswaarde kan hiervan niet worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten werkt deze norm slechts als een richtwaarde. Van een richtwaarde kan na een uitgebreide motivering eventueel worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de kans van één op de honderdduizend per jaar (kans 10-5 per jaar) als grenswaarde. Kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar zich kwetsbare en/of grote groepen personen (kunnen) bevinden. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar dat doorgaans niet het geval is. Ook belangrijke infrastructuur, zoals een belangrijke verbindingsweg, kan als beperkt kwetsbaar object worden aangemerkt. Een limitatieve opsomming van (beperkt) kwetsbare objecten, wordt in de wetgeving niet gegeven. Het bevoegd gezag heeft daarom een zekere mate van beoordelingsvrijheid over wat zij in een specifieke situatie als kwetsbaar object beschouwt. Groepsrisico (GR) Het GR is de cumulatieve kans dat een groep personen van 10, 100 en 1.000 personen tegelijk komt te overlijden als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen. Het GR is niet genormeerd.
Hiervoor geldt enkel een oriënterende waarde waarboven een afweging gemaakt moet worden over de aanvaardbaarheid van de risico's. Het GR wordt enkel bepaald voor het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR. Veelal wordt hiervoor het gebied gebruikt dat is gelegen binnen de 10-8-contour van het PR (het gebied dat wordt getroffen door een ongeval met een kans van één op honderd miljoen per jaar). Aangezien sommige ongevalscenario's ook bij (nog) kleinere ongevalkansen nog tot dodelijke slachtoffers kunnen leiden, wordt in die gevallen het gebied gebruikt waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen kan komen te overlijden (de zogenaamde 1%letaliteitsgrens). Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes Per 1 april 2015 zijn de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In de wet is het Basisnet juridisch verankerd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogd om duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de daarbij behorende maximale omvang van de risico's die dat transport mag veroorzaken.
Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water. Op basis van het Bevt gelden de volgende normen: De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De ligging ervan is te vinden in de bijlagen bij de Regeling Basisnet; Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien: 1. het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of; 2. het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt, of; 3. de oriëntatiewaarde wordt overschreden; Bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.
39
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen Op het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding is per 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het Bevb bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat algemene voorschriften waaraan een exploitant van een buisleiding dient te voldoen. Het tweede deel bevat de instructieregels die bij het opstellen van een bestemmingsplan in acht moeten worden genomen. De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt op grond van het Bevb als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het GR moet op grond van het Bevb worden bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen die zijn gelegen in het invloedsgebied van de betreffende buisleiding. De Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) bevat een technische uitwerking van het Bevb. In artikel 2 van de Revb zijn onder andere aardgastransportleidingen met een diameter van 50 mm of meer en een werkdruk van 16 bar of meer aangewezen als leidingen waarop het Bevb van toepassing is. 4.8.2
Onderzoek
Inrichtingen Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen Bevi's aanwezig zijn. Wel bevinden zich aan de westkant van het plangebied twee inrichtingen die op een grotere afstand zijn gelegen. Dit betreft een bovengrondse propaantank op het perceel 's-Gravenpoldersestraat 23. De tank heeft een inhoud van 3 m3 en een PR 10-6 contour van 10 meter. De contour valt binnen de perceelsgrenzen van de inrichting en heeft geen invloed op de ontwikkeling in het plangebied. Daarnaast is op het perceel Zuiddeeweg 9 eveneens een bovengrondse propaantank aanwezig. Deze tank heeft een inhoud van 4,99 m3, een PR 10-6 contour van 20 meter en een effectafstand van 390 meter. De propaantank is op circa 460 meter afstand van het plangebied gelegen. Het plangebied ligt daarmee ver buiten de PR 10-6 contour en de effectafstand. Tot slot is de locatie ook binnen de schuilzone van de kerncentrale Borssele gesitueerd. De bewoners en bedrijven in en rondom de kern zijn op de hoogte van het risico dat verblijven in de nabijheid van de kerncentrale met zich meebrengt. Daarnaast is de dekking van het sirenestelsel in Borsele goed geregeld. De sirenes zijn overal goed hoorbaar.
Tevens worden mensen tegenwoordig gealarmeerd via twitter, sms, media, NL-Alert enz. Alles bij elkaar biedt dit voldoende waarborg dat aanwezigen in de gemeente Borsele bij rampen, zoals een nucleaire ramp gewaarschuwd worden. Transportroutes en buisleidingen Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen transportassen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde transportroutes van gevaarlijke stoffen zijn de vaargeul van de Westerschelde en de buisleiding onder de Grote Reinoutsedijk. Beiden bevinden zich op meer dan 2 kilometer afstand van het plangebied en zijn daarom niet van invloed op het plangebied.
40
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
Westerschelde Op circa 250 meter afstand van het plangebied is de vaarverbinding Westerschelde gelegen. Hierover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6 contour valt binnen de begrenzing van de vaarweg en reikt daarmee niet over het plangebied. Conform de 'Actualisatiestudie 2011 risico's transport gevaarlijke stoffen Westerschelde en prognoses 2015-2030', uitgevoerd door Det Norske Veritas (DNV), is voorts bepaald, dat het toxisch invloedsgebied van de Westerschelde 2.887 meter is. De locatie valt daarmee binnen het invloedsgebied van de Westerschelde, doch buiten de risicocontour van 200 meter, zodat daarmee het groepsrisico niet berekend hoeft te worden. Wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist, daar het aantal bezoekers en medewerkers in het gebied zal toenemen. Buisleidingen Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Ten westen ligt de A535 van de Gasunie en de leiding met propyleen van DOW-6 chemicals. Het invloedsgebied van deze leidingen ligt op respectievelijk op 270 en 200 meter afstand en reikt daarmee niet tot het plangebied. In de nabije omgeving zijn geen risicovolle leidingen aanwezig en deze vormen dan ook geen belemmering voor de planvorming.
Beknopte verantwoording groepsrisico Ter motivering van de groepsrisicoverantwoording wordt in het onderstaande ingegaan op de voorbereiding op de bestrijding van een ramp of zwaar ongeval en de middelen om de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen te beperken. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Waardweg, de Nieuwe Veerweg en Veerweg. Deze wegen sluiten aan op het verdere wegennetwerk. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie wordt zelfstandige horeca toegestaan. De aanwezigen worden gezien als zelfredzame personen beschouwd.
De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen
41
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt gerealiseerd middels een totaalpakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. In het kader van het vooroverleg is het plan voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Zeeland. 4.8.3
Conclusie
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd, dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling en wordt het groepsrisico aanvaardbaar geacht. 4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1
Wettelijk kader
Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.
42
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen, dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 4.9.2
Onderzoek
Onderhavige ontwikkeling voorziet in het toevoegen van maximaal 760 m² zelfstandige horeca in een bestaand gebouw. Deze ontwikkeling leidt tot een extra verkeersaantrekkende werking. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen bijvoorbeeld op de bouw van 1500 woningen of 100.000 m² bruto vloeroppervlakte, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. 4.9.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 4.10
Kabels en Leidingen
4.10.1 Wettelijk kader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1 . a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 4.10.2 Onderzoek In het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen waar inzake het planvoornemen rekening mee moet worden gehouden.
43
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
4.10.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.11
Vormvrije m.e.r-beoordeling
4.11.1 Wettelijk kader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland).
Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(- beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Daarnaast heeft op 7 juli 2017 eveneens een wijziging van het Besluit m.e.r. plaatsgevonden. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit nemen.
4.11.2 Onderzoek In onderhavige situatie is er sprake van het toevoegen van maximaal 760 m² aan zelfstandige horeca grotendeels in een bestaand gebouw en het beperkt verruimen van de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van bestaande (overloop) parkeervoorziening(en). Deze activiteiten komen niet voor op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is de activiteit 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' genoemd.
44
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
De Afdeling overweegt, dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In dit geval noopt dat tot de conclusie, dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. De redenen daarvoor zijn, dat het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, er weliswaar sprake is van een functieverruiming, met dien verstande, dat het bestaande recreatieve gebruik voor informatieve en educatieve doeleinden met bijbehorende voorzieningen was en blijft toegestaan en het voornemen niet gepaard gaat met een significante uitbreiding van het bebouwde oppervlakte. 4.11.3 Conclusie Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, behoeft er geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is gebleken, dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
De onderbouwing geeft voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
45
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
46
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
Hoofdstuk 5
Juridische vormgeving
In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet. Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting. Verbeelding De verbeelding geeft de bestemmingen weer.
Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status. Regels Algemeen De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Inleidende regels Begripsbepalingen en Wijze van meten De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten. Bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijf Voor de bestaande nutsvoorziening is een aparte bestemming opgenomen.
47
Bestemmingsplan "Kern Hoedekenskerke, gedeelte Waardweg 4, 2022"
Artikel 4 Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor (in hoofdzaak) bermstroken, bermsloten, water, waterpartijen, paden, beeldbepalende groen en andere tot de bestemming behorende groen- en recreatieve voorzieningen. Slechts zeer beperkt mag op gronden met deze bestemming worden gebouwd; alleen ten behoeve van de bestemming. Het zal daarbij hoogstens gaan om gebouwtjes/bouwwerken voor eventuele nutsvoorzieningen. Bebouwing dient vanwege het beeldbepalende karakter van het groen tot een minimum te worden beperkt. Artikel 5 Recreatie Deze bestemming is toegekend aan “De Buffer” met bijbehorende specifieke recreatieve functie. De bestemmingsregeling is op maat afgestemd op de wenselijke situatie. De wenselijke zelfstandige horeca ten behoeve van een restaurant is -naast de terrassen- met een oppervlakte van maximaal 525 m² in het stationgebouw met bijhorende wagon concreet op de verbeelding aangeduid. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is tenslotte het bouwvlak binnen het bestemmingsvlak beperkt van vorm veranderd. Het gaat daarbij om het opnemen van de vergunde en feitelijk gerealiseerde uitbreiding van de bebouwing in het bouwvlak. Verder heeft de vormverandering zodanig plaatsgevonden, dat -mede in relatie tot de grondruil en de feitelijke situatie- een efficiëntere vorm van het bouwvlak tot stand is gekomen.