CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

16.1 Water- en rioleringsprogramma 2026-2030 gemeente Borsele

Besluitvormende raadsvergadering 12 februari 2026, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het ‘Water- en rioleringsprogramma 2026-2030’ (Portefeuille wethouder Witkam)21.135 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Beheer en onderhoud Onze onderhoudswagen van de buitendienst neemt de toestand op. Voor het beheer en onderhoud van sloten wordt verwezen naar paragraaf 8.3. In bijlage 6.5 staat de planning en de kosten van de baggerwerken voor de planperiode. De kosten worden 50/50 gedeeld met het waterschap.

6.2 Overzicht beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van de riolering wordt volgens een vaste onderhoudsfrequentie uitgevoerd. Het doel is om de objecten goed te laten functioneren. Door regelmatig onderhoud van de onderdelen van de riolering wordt de bedrijfszekerheid vergroot en de kans op overlast minder. Onderhoud is goedkoper dan ad hoc optreden bij storingen. Afhankelijk van de functie van een rioleringsobject en het schadebeeld aan de riolering wordt actief, anticiperend of reactief onderhouden en of ingegrepen.

26

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 In de onderstaande tabel staat de onderhoudsfrequentie aangegeven van de onderdelen die in paragraaf 6.1 staan omschreven. Het onderhoud wordt door derden uitgevoerd. Onderdeel

Onderhoud

Inspectie

Opmerkingen

Vrijvervalriolering

1 x 7 jaar reiniging

Streven 1 x 15 jaar

Inspectiebeelden worden vastgelegd in Kikker. Oude riolen om de 12 jaar insp.

Gemalen inclusief elektrische installatie

1 x per jaar

1 x per jaar

Monitoring werking met gemaalbesturing, automatische storingsmelding

Kolken en lijngoten

1 x per jaar reinigen

1 x per jaar

Reparatie na gebreken onderhoudsdienst en vastgelegd in Kikker

Straatvegen

12 x per jaar

Drainage

Na klachten

Na klachten

Passief beheer

Drukriolering inclusief elektrische installatie

1 x in 2 jaar

1 x in 2 jaar

Reparatie tijdens onderhoudsronde. Energieverbruik wordt gemonitord. Reiniging naar noodzaak.

Persleidingen

Na klachten

Na klachten

Passief beheer

Sloten en vijvers

1 x 8 jaar baggeren 1 x per jaar maaien van oevers

-

Beheer is geregeld in een overeenkomst met het waterschap (BOB) van 2025. Zie ook paragraaf 8.3

Wadi’s

Maaien naar behoefte

-

Voor de biodiversiteit wordt er minder gemaaid.

Overstorten

1 x per jaar

1 x per jaar

Door de nieuwe onderhoudsdienst. Jaarlijks controle en reparatie

Door straatvegen blijven kolken schoner en wordt bladval verwijderd.

27

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

6.3 Functioneren van riolering, gewenste toestand en beleid In deze paragraaf beschrijven we het functioneren van de riolering, de gewenste toestand en beleid op strategisch niveau, niet operationeel. Hiervoor gaan we uit van de vier eerder genoemde doelen. Doel 1: doelmatige inzameling en transport van afvalwater en voorkomen van overlast en (water)schade Doel 2: schoon oppervlaktewater, grondwater en een schone waterbodem Doel 3: klimaatbestendig maken van de openbare ruimte Doel 4: conservering van zoetwater en terugdringen van het waterverbruik Aan doel 3 en 4 wordt in dit WRP meer aandacht besteed ten opzichte van het GRP5.

6.3.1 Vrijvervalriolering Functioneren Door het onderhoud uit paragraaf 6.1 is de kans op verstoppingen, bezwijken van de riolering en wateroverlast minder groot. Gebreken worden geconstateerd en de kans op vervuiling van oppervlaktewater wordt kleiner. Hydraulische berekeningen hebben aangetoond dat onze riolering ruimschoots voldoet aan de landelijke normen qua waterafvoer. In bijlage 5.1 is een overzicht gegeven van de overstorten met de vuiluitstoot. Ook de vuiluitstoot voldoet ruimschoots aan de landelijke norm. Door latere verbeteringen is de vuiluitstoot verder verlaagd. Infiltratie riolen of IT-riolen IT-riolen zijn poreus. Dit om regenwater in de grond te infiltreren en om te draineren. In zandige ondergrond is de infiltrerende werking goed. Zand of grond mag niet in de buis infiltreren. De normen van de NEN 3398 en de NEN EN 13508-2 voor waterdichtheid van rioolbuizen zijn niet van toepassing op IT-riolen.

Gewenste toestand en beleid Doelmatig scheiden van afvalwaterstromen In uitbreidingen wordt alleen gescheiden rioleringen aangelegd waarbij vuil- en schoonwater voor 100% wordt gescheiden. Soms zijn de aansluitingen niet goed aangelegd en worden sloten vervuild of het vuilwater riool belast met schoonwater. Onze onderhoudswagen controleert deze foutaansluitingen bij gescheiden riolering. Deze controle is belangrijk. Afkoppelen van schoon regenwater: - Zorgt voor een efficiënter afvalwatersysteem, vooral voor het waterschap van belang - Voorkomt verdroging, schoonwater wordt vastgehouden in de dorpen - Maakt het afvalwatersysteem robuuster, minder kans op wateroverlast - Verbeterd de oppervlaktewaterkwaliteit - Controle op foute aansluitingen blijft noodzakelijk Ons beleid is om door te gaan met het afkoppelen van regenwater bij gemengde riolering. Eind 2025 is 34% afgekoppeld. Afkoppelen gebeurt alleen als dit kostenefficiënt is gelijk met herbestrating. Het tempo is van ongeveer 0,5% per jaar. Maximaal 50% afkoppelen is realistisch. Voor verdere afkoppeling nemen de kosten exponentieel toe. In bijlage 6.7 staan de verbetermaatregelen met afkoppelen. In paragraaf 6.1 wordt aangegeven dat bij niet-afkoppelen relinen de voorkeur heeft boven vervangen, met de overwegingen erbij. 28

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

6.3.2 Gemalen Functioneren Door vernieuwing van onderdelen van de gemalen is het functioneren verbeterd. Storingen zijn afgelopen jaren gehalveerd. Er treedt nu gemiddeld een keer in de 4 jaar een storing op. Storingen gemalen en drukrioleringen Borsele

Jaar Storingen

2021 234

2022 137

2023 108

2024 121

Vervuiling van oppervlaktewater en de riolering wordt voorkomen door storingen tijdig op te lossen. Storingen aan de gemalen wordt ook beïnvloed door lozingsgedrag van de inwoners. Door voorlichting over wat wel en niet op de riolering geloosd mag worden proberen we verstoppingen te voorkomen. De eindgemalen van het waterschap voldoen met uitzondering van gemaal ‘s-Heer Abtskerke aan de normen voor de capaciteit en de theoretische ledigingstijd.

Gewenst toestand en beleid Door actief onderhoud en preventieve maatregelen worden storingen voorkomen. De onderhoudsfrequentie blijft ongewijzigd. In bijlage 6.8 staan de kosten voor groot onderhoud aan de gemalen en drukriolering. Gemaalbesturing en de monitoring van de draaiuren van de pompen zijn nodig om de werking van de gemalen te controleren. De gevolgen van een storing bij een gemaal zijn groter dan bij de drukriolering. Daarom worden de gemalen meer gecontroleerd. Voor het oplossen van een storingen wordt de onderstaande norm gehanteerd.

Pompen moeten een pompovercapaciteit (POC) hebben van minimaal 0,7mm. per uur. De POC is de extra capaciteit boven de droogweerafvoer. Het gemeentelijkriool wordt dan in 12 tot 15 uur leeggepompt. Een hogere pompcapaciteit heeft nauwelijks invloed op het voorkomen van wateroverlast of vervuiling van oppervlaktewater bij de overstorten. Het inslagpeil van de gemalen is lager of gelijk aan de binnen onderkant van de riolering. Bij een hoger inslagpeil kan er bezinking van vuil zijn in de riolering waarbij de sloten mogelijk meer vervuild worden. Controle van het inslagpeil is daarom een blijvend aandachtspunt, ook voor het waterschap.

6.3.3 Randvoorzieningen of bergbezinkriolen Functioneren

29

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 Achter de grotere riooloverstorten in Heinkenszand, ’s-Gravenpolder en ’s-Heerenhoek liggen bergbezinkriolen. Om de werking van de BBR-en te garanderen en de waterkwaliteit te verbeteren worden ze regelmatig gecontroleerd. De BBR-voorzieningen voldoen aan de normen.

Gewenste toestand en beleid Minder vervuiling uit de riolering is gunstig voor de waterkwaliteit en de volksgezondheid. Omdat de gemengde rioolstelsels in Borsele aan de landelijke normen qua vuiluitstoot voldoen worden er geen nieuwe BBR-en aangelegd.

6.3.4 Kolken en straatvegen Functioneren Door de kolken 1 x per jaar te zuigen wordt de afvoer van regen voldoende gegarandeerd. Alleen na herstraten is een extra zuigbeurt nodig. De kolken zijn dan meer vervuild met zand. Daarnaast is het nodig om de straten regelmatig te vegen.

Gewenste toestand en beleid Een kolk is bedoeld voor de afvoer van water en niet voor straatvuil. Voorlichting is belangrijk om te voorkomen dat veegvuil, cement en verfresten etc. in de riolering komen en de werking verstoord. De onderhoudsfrequentie van 1 keer per jaar wordt gehandhaafd. Preventief onderhoud is goedkoper dan ad hoc onderhouden daarom worden de kolken na herstraten een extra keer gereinigd. De straten worden 12 keer per jaar gereinigd. Waardoor de vervuiling van de kolken beperkt wordt en de kans op wateroverlast minder groot is. Klachten worden hierdoor voorkomen.

6.3.5. Drainage Functioneren Het aantal klachten over grondwateroverlast in openbaar gebied is minimaal. Er zijn nog wel plaatsen waar water blijft staan omdat het maaiveld laag ligt ten opzichte van het grondwaterpeil. Dit heeft niets te maken met het functioneren van de drainage.

Gewenste toestand en beleid Drains worden alleen gereinigd of vernieuwd als er wateroverlast is of als er klachten zijn. De klimaatsverandering heeft geen invloed op de werking van drains. In uitbreidingsplannen en bij reconstructies wordt altijd drainage meegelegd in de rioolsleuf.

6.3.6 Pompen drukriolering, leidingwerk en elektrische installaties Functioneren Als er geen regenwater op de drukriolering is aangesloten zorgt de drukriolering voor een goede afvoer van afvalwater uit het buitengebied naar de dorpen. Er zijn plaatsen zoals in Graszode 30

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 Lewedorp waar wel regenwater is aangesloten. Het functioneren wordt hierdoor verstoord waarbij pompen in storing raken en de stroomkosten fors toenemen.

Gewenste toestand en beleid In de planperiode wordt extra aandacht besteed aan (illegale) lozingen van regenwater op de drukriolering. De Verordening afvoer hemel- en grondwater Borsele is het instrument om de lozing van regen -en grondwater op de drukriolering aan te pakken. Handhaven is moeilijk omdat de huisaansluitingen op particulier terrein ligt. Veel bewoners zien het nut van een verbetering niet in als ze zelf geen probleem hebben. De gemeente legt geen nieuwe (druk)riolering aan. Ook dragen we niet bij aan nieuwe aanleg. De drukriolering wordt niet uitgebreid omdat de kosten niet in verhouding staan tot het milieurendement. Als er op moment van vervangen een meer doelmatige wijze van afvalwaterverwerking is dan kan dit overwogen worden. Drukriolering die door derden is aangelegd wordt alleen in onderhoud overgenomen als deze voldoet aan onze kwaliteitseisen en als voorafgaande aan de aanleg dit met ons overlegd is.

6.3.7 Huisaansluitingen en IBA’s Functioneren Huisaansluiting Per jaar zijn er een tiental verstoppingen op gemeentelijk terrein. Soms ligt de oorzaak aan het lozingsgedrag op particulier terrein. Verstoppingen hebben naast het lozingsgedrag te maken met de technische toestand en de waterdichtheid van de huisaansluiting. Bij een lekke huisaansluiting is de kans op wortelingroei en daardoor verstopping groter. Veel huisaansluitingen zijn niet volgens de normen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), vroeger het Bouwbesluit, aangelegd. Vooral bij oudere huizen kan dan bij zware regen overlast ontstaan. Een te kort aan ontluchting van de huisriolering zorgt voor wateroverlast. Dit heeft niets te maken met de werking van het hoofdriool. Ook hebben veel woningen geen ontlastput. Dit putje kan waterschade voorkomen. Septictanks/ IBA’s Oude septictanks van vóór 1990 zuiveren water van toilet, de vaat en bad. Zolang er geen chemische middelen gebruikt worden is de werking over het algemeen goed. Bij de verbeterde septictank (VST) wordt ook afvalwater van de wasmachine en de vaatwasser gezuiverd. Het zuiveringsrendement is ongeveer 15% beter. Rendement IBA . Medicijnresten, hormonen en micro-verontreinigen worden niet gezuiverd. Het waterschap heeft het toezicht op het functioneren van lBA’s.

De lozingen vanuit de septictanks zijn een kleine verontreinigingsbron van stikstoffen, fosfaten en andere stoffen.

Gewenste toestand en beleid Huisaansluitingen Huisaansluitingen moeten voldoet aan de normen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), vroeger Bouwbesluit 2012 (NEN3215). Er worden technische voorschriften gesteld aan bijvoorbeeld de diameter voor de ontluchting en de aanwezigheid van ontlastputten. De huiseigenaar is zelf 31

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 verantwoordelijk voor het ontwerp, de toestand en het onderhoud van deze huisaansluiting op eigen terrein, ook als dit een gezamenlijke huisaansluiting met buren is. De gemeente bepaalt de ligging en hoogte van een nieuwe huisaansluiting. Bij nieuwe aanleg moet de bouwer de plaats van de huisaansluitingen (digitaal) inmeten en deze gegevens aan de gemeente verstrekken. De gemeente plaatst deze gegevens op de website. Het vastleggen van de plaats van het ontstoppingsstuk is een verplichting op basis van de wet WIBON. Deze informatie wordt bij een KLIC-melding aan de aanvrager ter beschikbaar gesteld. Het overgangspunt is de erfscheidingsput net over de erfgrens op particuliere grond. Deze is in eigendom van de woningeigenaar. De huisaansluiting, op de erfgrens, ligt niet dieper dan er 0.70m onder het maaiveld. Dit vanwege grondwater en kruising met andere kabels en leidingen. Op onze website staat aangegeven wat geloosd mag worden. Schade op gemeentelijk terrein door verkeerd lozingsgedrag zoals lozen van betonspecie, verfresten en frituurvet wordt verhaald op de veroorzaker of de woningeigenaar, ook als de verstopping buiten de erfgrens in gemeentegrond ligt. Voedselvermalers zijn verboden. In openbare grond wordt een huisaansluitingen alleen door of in opdracht van de gemeente aangelegd.

Gezamenlijke huisaansluitingen op particuliere grond worden door de eigenaren zelf beheerd. Alleen als een leiding onderdeel uitmaakt van het hoofdsysteem van de riolering en noodzakelijk is voor de doorvoer van afvalwater is er sprake van een gemeentelijke leiding die door de gemeente beheerd wordt, ook als deze op particuliere grond ligt. Als vanuit een historische situatie meerdere woningen op één huisaansluiting zijn aangesloten stimuleren wij de splitsing van de huisaansluiting. De gemeentelijke bijdrage is dan maatwerk en afhankelijk van de noodzaak. Voor gemeentelijke leidingen in particuliere grond is een zakelijk recht is afgesloten. Deze strook is obstakelvrij en heeft voor het onderhoud en vervanging een breedte van minimaal 3m. De aansluitretributie voor huisaansluitingen in onze uitbreidingsplannen is €500. (2025). De gemeente legt de huisaansluiting aan tot het overdrachtspunt op particuliere grond, een halve meter over de erfgrens. De bouwer is verantwoordelijk voor de aanleg van de huisaansluiting op particulierterrein. Als er buiten gemeentelijke uitbreidingsplannen een huisaansluiting wordt aangelegd dan zijn de aanlegkosten voor de initiatiefnemer. De werkelijke kosten worden bij de exploitant van dit plan in rekening gebracht. Deze kosten zijn over het algemeen veel hoger dan in uitbreidingsplannen.

Bij reconstructies worden oude rioolaansluitingen op gemeentelijk terrein als dit nodig is tot de erfgrens door en op kosten van de gemeente vervangen. Voor de procedure ‘rioolverstopping’ wordt verwezen naar onze website. flyer In het kort: - De eigenaar graaft het ontstopping stuk op en kijkt waar de verstopping zit. - Een verstopping aan de gemeentelijke zijde moet aan ons gemeld worden. Wij verhelpen de verstopping. In het weekend moet het ontstoppingsstuk open blijven liggen. Na het weekend lost de gemeente het probleem op. - Bij een verstopping op particulier terrein schakelt de eigenaar zelf een bedrijf in.

32

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 -

De gemeente vergoed geen kosten als de procedure niet is gevolgd. Ook vergoeden wij geen graafkosten, ook niet als de verstopping bij ons zit.

IBA’s Onze gemeente gaat uit van de smalle zorgplicht waarbij de afvalwaterlozer zelf verantwoordelijk is voor zijn afvalwater. De gemeente legt geen septictanks of IBA’s aan en beheert deze niet. Het uitgangspunt is dat bij nieuwe afvalwaterlozingen op oppervlaktewater of de bodem de waterkwaliteit of bodemkwaliteit niet verslechterd. De exploitant is zelf verantwoordelijk. Voor meer informatie wordt verwezen naar hoofdstuk 8.4. Het waterschap informeert huishoudelijk afvalwaterlozers over de verbeterde septictank (VST) welke vóór 1 januari 2027 aangebracht moet zijn. Als de IBA onder het overgangsrecht IBA's Omgevingswet valt hoeft de septictank nog niet vervangen te worden. De verontreinigingsheffing van het waterschap wordt gebruikt voor de beleidsvorming en de controle van lozingen op sloten.

6.3.8 Sloten en oevers Functioneren Binnen de kom functioneren de sloten. Er zijn geen sloten met een bergings-en/of capaciteitstekort. Buiten de kom zijn er wel sloten met onvoldoende afvoercapaciteit en onvoldoende waterkwaliteit.

Gewenste toestand en beleid In hoofdstuk 8.3 staat aangeven wat de gewenste toestand is voor het gezamenlijk beheer met het waterschap. Er mag geen achterstallig onderhoud zijn waardoor er wateroverlast of stank ontstaat.

6.3.9 Overstorten Functioneren Qua afvoercapaciteit en vuiluitworp voldoen onze overstorten aan de normen. Er zijn geen knelpunten qua afvoer van de overstorten. Per jaar stort er in Borsele gemiddeld 25mm neerslag van de 830mm. neerslag over van het water wat op de gemengde riolering komt. Dit is ongeveer 3% van de totale neerslaghoeveelheid. In bijlage 5.1 staat de vuiluitstoot per overstort aangeven. Een vervuilingseenheid (ve) geeft een vuilvracht van 50 kg CZV. De afvoercapaciteit van de sloten, achter de riooloverstort, van bebouwd gebied naar landelijk gebied, voldoet op een aantal plaatsen, zoals in ’s-Gravenpolder, Borssele en Driewegen, niet aan de werknorm voor bebouwd gebied.

Gewenste toestand en beleid Drempel van de riooloverstort ligt minimaal 0.50m. boven het polderpeil. Dit om terugloop van polderwater in de riolering te voorkomen. Hieraan voldoen we. Drempels moeten niet verder verhoogd dan 0.70m. onder het straatniveau. De kans op water op straat en overlast neemt toe als het niveauverschil tussen de drempel en het maaiveld kleiner gemaakt wordt. Voor de eigenschappen van de overstorten wordt verwezen naar bijlage 5.1. 33

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

Om de uitstroomopeningen vrij van slib en begroeiing te houden worden de uitstroomvoorzieningen voorzien van een harde betonnen oever. De buizen en de uitstroomplaatsen zijn dan bij onderhoud beter zichtbaar en de afstroming van water uit de overstort wordt niet geremd door begroeiing. De planning is om in de planperiode 12 overstorten per jaar te verbeteren. bijlage 6.6. De juiste inslagpeilen van de gemalen en een goed rioolontwerp zijn belangrijk om de vervuiling vanuit riooloverstorten te voorkomen. Plaatsen met een slechte waterkwaliteit worden onderzocht op foute rioolaansluitingen en inslagpeilen. De werknorm voor wateroverlast bebouwd gebied is maximaal 1 keer in de jaar inundatie. – zie ook paragraaf 6.4.9. en 8.6.7. Waterafvoer is een waterschapstaak.

6.4.9 Klimaatbestendig rioleringssysteem en oppervlaktewatersysteem Functioneren Rioleringssysteem Bij een klimaatbestendige inrichting wordt neerslag opgevangen, geborgen en afgevoerd. Een deel van de regen kan in de bodemzakken of wordt (bovengronds) afgevoerd. Door de maatregelen van de afgelopen planperioden is onze openbare ruimte grotendeels klimaatbestendig. Oppervlaktewater systeem In een aantal dorpskernen wordt niet voldaan aan de omgevingswaarden die de provincie heeft gesteld voor wateroverlast zoals Schuitweg in ’s-Gravenpolder, Smitsweg in Driewegen en Wolphaartsweg in Borssele. De sloten hebben daar te weinig bergings- en afvoercapaciteit.

Gewenste toestand en beleid Rioleringssysteem De vrijvervalriolering moet in ‘oud bebouwd gebied’ minimaal 20mm. in een uur kunnen afvoeren. Er mag bij deze bui maximaal 30 minuten water op straat blijven staan. Het water zal bij meer extreme buien deels over de weg afstromen naar sloten en/ of openbaar groen. Dit kan betekenen dat het nodig is om openbaar groen en of delen van de straten verlaagd worden om regen op te vangen. Inwoners moeten accepteren dat er door de klimaatsverandering bij extreem weer tijdelijk water op straat blijft staan, zeker bij heftige buien. Dit communiceren we met de inwoners. 34

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 In uitbreidingen moet een bui van 30mm. in een uur afgevoerd kunnen worden. Dit is bui 9 van de Kennisbank riolering van Rioned, voorheen de Leidraad riolering. Theoretisch komt deze bui 1 keer in de 5 jaar voor. Bij meer extreme buien wordt neerslag deels over de weg afgevoerd. Grotere riolen zijn dan vaak niet praktisch. Dit door ruimtegebrek in de ondergrond en de kosten. Door afvoer van water over de weg wordt de riolering ontlast. De kans op wateroverlast wordt hierdoor kleiner. Deze gecombineerde afvoer is efficiënter. Om water deels op te kunnen vangen en afvoeren wordt het openbaar groen lager aangelegd dan de straat. Bomen zorgen voor opvang van water in het blad. Dit water wordt geleidelijk afgegeven waardoor de riolering minder belast wordt. Oppervlaktewatersysteem De norm voor de afvoer en berging is gesteld in artikel 2.13 lid 1b van de Omgevingswet. In de omgevingsverordening heeft de provincie richting het waterschap normen gesteld. De norm is afhankelijk van het grondgebruik. Voor bebouwd gebied geldt de norm 0% water op straat bij een bui die 1 keer in de 100 jaar voorkomt. -zie ook paragraaf 8.6.7. WRP. Het waterschap heeft aangegeven dat de duiker onder de Bernhardweg-Oost in 2026 vergroot wordt om aan deze norm te voldoen.

Ook voor de Wolphaartsweg in Borssele en Coudorpseweg in Driewegen zijn door het waterschap in 2026 e.v. verbeteringsmaatregelen gepland. Het is belangrijk dat de waterbelangen zoals waterkwaliteit en de waterkwantiteit in een vroeg stadium geborgd zijn. De borging wordt in de Omgevingswet geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de ‘Toets voor weging van waterbelang’, en soms breder als ‘Klimaatadaptatietoets’. Onder de BRO werd de toetsing ‘de watertoets’ genoemd. Het is belangrijk dat in uitbreidingen voldoende waterberging aangelegd wordt. Hierdoor wordt de afvoer van water uit bebouwd gebied vertraagd en is de afvoer niet groter dan uit landelijk gebied met een afvoer van 0,4mm per uur. In praktijk heeft wateroppervlak een oppervlak van ongeveer 6% van het verhard oppervlak. Voor de berekening wordt uitgegaan van bui T=100, 75 mm waterberging. Het waterbergingsfonds geeft de mogelijkheid om in kleine plannen, in overleg met het waterschap, de aanleg van waterberging af te kopen. In bijlage 6.9 staan de voorwaarden. Bij de klimaatadaptatietoets worden ook andere gevolgen van de klimaatsverandering zoals hitte beoordeeld. Het doel is om een klimaatadaptieve woonomgeving te krijgen waarbij op warme dagen de temperatuur niet te veel toeneemt.

Door minder verharding en meer groen kan op warme dagen de temperatuur tot meer dan 5 graden lager zijn dan in een steenachtige omgeving. Verharding zorgt voor stralingswarmte. Daarom is het belangrijk om straten en tuinen te ontstenen. In nieuwe plannen legt de ontwikkelaar waterberging aan om de snelle afvoer van water uit bebouwd gebied te vertragen. Dit gebeurt volgens het kostenveroorzakingsbeginsel uit artikel 10 van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Voor bestaande plannen heeft het waterschap op grond van artikel 10 van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW2003) de taak om deze situatie te verbeteren. Deze normen zijn overgenomen in het Deltaprogramma (2010) en nog later in de Omgevingswet. Om de klimaatbestendigheid in beeld te brengen waarbij de risico’s van hittestress, funderingsschade, overstroming en wateroverlast aangegeven worden kunnen labels gebruikt worden. In onze gemeente is hier niet actief voor gekozen. In plaats hiervan zullen we de inwoners regelmatig voorlichten.

35

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

6.4.10 Klimaatbestendig dorpel- en bouwpeil Functioneren Het dorpelpeil kan in oudere wijken lager zijn dan gewenst, soms met een waking van minder dan 10cm. Onder het dorpelpeil bedoelen we de dorpel van de buitendeur aan de voorzijde van de woning. Bij een geringe hoeveelheid water op straat bestaat dan de kans dat er water in de woning komt zoals in de Diepeneestraat in Borssele of Nazareth in ’s-Gravenpolder. Woning liggen soms onder het straatpeil. Als gemeente kunnen we deze situatie bijna niet veranderen. In uitbreidingsplannen van na 1990 wordt voldaan aan de waking tussen het straatpeil en het dorpelpeil voor bestaand gebied. In deze uitbreiding blijft bijna nooit water op straat staan.

Gewenste toestand en beleid In bestaande wijken is een minimale waking, hoogteverschil tussen het straatpeil en het dorpelpeil, gewenst van 0.20m. Bij reconstructies wordt onderzocht of het straatpeil kan zakken. Dit is ook afhankelijk van de diepte van de riolering en de kabels en leidingen. Uit kosten efficiency wordt bij oplossingen soms wateroverlast geaccepteerd omdat we een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting hebben om wateroverlast te voorkomen. Voor nieuwbouwijken gaan we uit van een bouwpeil van de vloer 300mm. boven de wegas. Omdat de weg in hoogte ook afloopt naar openbaar groen en/of oppervlaktewater is de kans op water in de woning ook bij extreme buien nihil. Onder een extreme bui verstaan we een bui die maar 1 x in de 10 jaar voorkomt. Uiteraard moet de woning wel een huisaansluiting hebben die volgens de normen uit NEN 3215 zijn aangelegd.

6.4.11 Klimaatbestendig inrichten van de tuinen Functioneren In de dorpen bestaat ongeveer 30% van de ruimte uit tuinen. Veel tuinen zijn bijna volledig verhard. Dit zorgt bij extreme regen voor een grotere afvoer van water naar de riolering. Bij warm weer heb je bij een versteende tuin een hogere temperatuur en kans op hittestress.

Gewenste toestand en beleid Tuinen met veel gesloten verharding kunnen bijdragen aan wateroverlast. Een groene inrichting zorgt voor een meer klimaatbestendige omgeving waarbij de kans op wateroverlast kleiner is. Voorbeelden van klimaatadaptieve tuinen, waarin meer ruimte is voor wateropvang en groen, kunnen mensen inspireren om hun eigen tuin bij herinrichting groener en duurzamer te maken. Het is niet mogelijk om een maximaal percentage verharding op particulier terrein af te dwingen. Een maximaal percentage van 35% is ons streven. Door de klimaatsverandering hebben we veel meer periodes met droogte. Dit zorgt voor extra inklinking en zetting van de ondergrond. Door water vast te houden en te laten infiltreren kan inklinking verminderd worden. Inklinking van de grond is vaak schadelijk voor huizen zonder paalfundering. In hoofdstuk 7 wordt de grondwaterproblematiek nader besproken.

36

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

6.4.11 Klimaatbestendig inrichten van de openbare ruimte Functioneren Voor het functioneren van de van de riolering gaat de gemeente uit van realistische doelen. Wij hebben een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting. Het verwerken van extreme buien valt hier niet onder deze inspanning. We willen wel zoveel mogelijk schade, ook bij extremen, voorkomen. De meeste straten in onze gemeente voldoen aan de normen ook bij hevige regen.

Gewenste toestand en beleid Door te ‘vergroenen’ wordt de riolering minder belast. Groene daken, smallere wegprofielen, waterdoorlatende parkeerstroken en infiltratiekolken zijn oplossingen om de omgeving klimaat bestendiger te maken. De kans op wateroverlast en verdroging wordt kleiner. Vergroenen is efficiënter en klimaatbestendiger dan het vergroten van de riolering en vermindert de kans op verdroging van de bodem in droge perioden. We zorgen ervoor dat buien van 30mm. in een uur in uitbreidingen niet tot wateroverlast leiden. Hier zorgen we voor door bij extreem weer water naar openbaar groen te laten lopen. Voor dit doel wordt openbaar groen lager dan de weg aangelegd. Groene daken zorgen voor tijdelijk opvang van neerslag. Water wordt vervolgens langzaam afgevoerd. Ook de opwarming van de openbare ruimte wordt voorkomen door deze daken. Door smallere wegprofielen komt er meer ruimte voor bomen. Deze zorgen ook voor tijdelijke wateropvang, schaduw, verkoeling en meer biodiversiteit met leefruimte voor vogels en insecten.

u Een groendak of grasdoorgroei blokken. Er is dan geen watercompensatie nodig. Water wordt tijdelijk vastgehouden en niet versneld afgevoerd.

37

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

7 Grondwater 7.1 Wat is grondwater? Grondwater is water wat zich in de poriën tussen de vaste gronddeeltjes zoals zand of klei bevindt.

Er is onderscheid tussen de verzadigde en de onverzadigde zone in het grondwater. In de verzadigde zone zijn alle ruimtes tussen de gronddeeltjes, de poriën, gevuld met water. Het hoogste peil van deze verzadigde zone wordt de grondwaterspiegel genoemd. In ‘laag Nederland’ ligt de grondwaterspiegel meestal op meer dan een meter onder het maaiveld. Het grondwater onder een niet afsluitende bodemlaag wordt freatisch grondwater genoemd. Grondwater onder een afsluitende laag noemen we spanningsgrondwater. Dit water kan onder druk staan en kan opwellen tot boven het maaiveld. Boven de grondwaterspiegel of het grondwaterpeil ligt de capillaire zone of onverzadigde zone met bodemvocht. In deze zone kan grondwater zoals in een spons omhoog gezogen worden. In klei is deze capillaire of zuigende werking veel groter dan bij zand. De sponswerking is ook afhankelijk van de hoeveelheid organische stof in de grond. Organische stof houdt water vast. Door meer organische stof wordt de structuur van grond meer open en infiltreert water beter. De kans op wateroverlast en verdroging wordt hierdoor kleiner.

38

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

7.2 Grondwaterpeil Als gemeente kunnen we het grondwaterpeil bijna niet beïnvloeden. Het grondwaterpeil fluctueert als gevolg van regen, verdamping, opname van vocht door planten, grondwateronttrekkingen en drainage. Ook de grondsoort beïnvloedt het grondwaterpeil. In zandige ondergrond infiltreert regenwater sneller in de bodem tot aan de grondwaterspiegel. In kleiachtige grond zakt water langzamer weg. Het kan dan weken duren voordat neerslag het grondwaterpeil bereikt. In klei blijft de grondwaterstand, door capillaire opzuiging, bij droog weer hoger dan in zandgrond. Het grondwaterpeil wordt indirect beïnvloed door het polderpeil en begroeiing. Bij bouwactiviteiten of grondopslag wordt grond verdicht. Er kan een harde slecht waterdoorlatende laag ontstaan die regenwater bijna niet doorlaat. Infiltreren in de ondergrond is moeilijk. Er ontstaat dan een schijnbare grondwaterstand die boven de werkelijke grondwaterspiegel ligt.

7.3 Zorgplicht grondwater, verantwoordelijkheden en wettelijk kader Grondwater is volgens de Omgevingswet en Burgerlijk Wetboek een gedeelde verantwoordelijkheid van het rijk, de provincie, waterschap, gemeente en perceeleigenaren. In bijlage 7.1 staat de taakverdeling van de overheden op gebied van grondwater. De ‘Deltabeslissing ruimtelijke adaptatie’, Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’ en de ‘Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve bebouwde omgeving’ van het Rijk vormen een beleidsmatig kader. Op provinciaal niveau bevat de ‘Klimaatadaptatiestrategie Zeeland’ de belangrijkste uitgangspunten: 1. Droogte mag niet leiden tot structurele schade aan bebouwing, funderingen, wegen, groen en vitale of kwetsbare functies 2. Vergroten van infiltratie en minimaliseren van een afsluitende verharding 3. Herstellen van gezonde, vitale en duurzame bodem- en watersystemen 4. Grondwaterstanden en zoetwaterbeschikbaarheid zijn bij nieuwbouw sturend bij de keuze van functie, systeem en inrichting.

39

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 Rijkswaterstaat is bevoegd gezag bij onttrekkingen uit en infiltratie in rijkswater. De provincie maakt het beleid voor de grote onttrekkingen voor onder andere de drinkwatervoorziening en bodemwarmte systemen. Zij maakt het beleid op hoofdlijnen. Het waterschap is verantwoordelijk voor het polderpeil en de peilbesluiten, de afwatering en de kleinere grondwateronttrekkingen voor beregeningen en sleufbemalingen. In de Waterschapsverordening staan onder hoofdstuk 2.9 de regels over grondwateronttrekkingen. De grondwaterzorgplicht voor de ontwatering van ons openbaar terrein is een gemeentelijke taak. Overtollig grondwater wordt afgevoerd of tijdelijk geborgen. De gemeten en geregistreerde grondwaterstanden moeten aan het landelijk portaal van de Basisregistratie Ondergrond (BRO), het Dinoloket, verstrekt worden. Er is geen verplichting tot meten. Bewoners, bedrijven en boeren zijn zelf verantwoordelijk voor ontwatering op eigen terrein. Als overtollige water niet op particulier terrein is te bergen of af te voeren dan wordt het een gemeentelijke taak om water door te voeren. Deze taak ligt alleen bij de gemeente als verwerking of opslag op eigen terrein niet doelmatig is. De ‘ontdoener’ moet dit water dan op de erfgrens aan de gemeente aanbieden. Voor de gemeente is dit een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting.

Bij reconstructies en uitbreidingsplannen leggen wij drainage in het wegcunet voor de ontwatering van openbaar terrein.

7.4 Grondwateroverlast, grondwateronderlast en regenwateroverlast Grondwateroverlast ontstaat bij langdurig te hoge of lage grondwaterstanden, wat schade of hinder veroorzaakt aan gebouwen, leidingen, erven of planten en de gebruiksfunctie aantast. Het polderpeil beïnvloedt het grondwater. Soms is een hoger grondwaterpeil nodig, bijvoorbeeld bij veengrond, om bodemzetting te voorkomen. Lekke bouwconstructies gecombineerd met hoog grondwater kunnen water in kelders of kruipruimtes veroorzaken, wat vochtproblemen en schimmel kan geven. Vooral bij nieuwbouw komen kort na de bouw vochtproblemen voor. Waterdichte constructies, goede ventilatie, drainage en een open bodemstructuur helpen dit te voorkomen. Regenwateroverlast ontstaat als water door harde bodemlagen niet goed infiltreert en waardoor een hoge schijngrondwaterstand ontstaat. Dit kan schade aan planten, riolering, kabels en gebouwen veroorzaken.

7.4.1 Normen voor grondwateroverlast

Er is sprake van grondwateroverlast als: - De afstand tussen de onderkant van de vloer en het echte grondwaterpeil, de ontwateringsdiepte, langdurig kleiner is dan 0.70m. - Het grondwaterpeil in de tuinen langdurig hoger staat dan 0.50m beneden het maaiveld - De drooglegging minder dan 1.2m. is. 40

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 Vanuit het grondwaterbeleid van de Zeeuwse Gemeente, door SAZ+ opgesteld, wordt onderscheid gemaakt tussen bouwconstructie vóór en ná 1993. De onderstaande normen worden gehanteerd. Bebouwing met of zonder kruipruimte voor 1993 Bebouwing met of zonder kruipruimte na 1993

0.70m. – onderkant begane grondvloer 0.50m. – onderkant begane grondvloer In bouwconstructies met een woonfunctie mogen volgens het bouwbesluit Artikel 3.21 Wering van vocht

en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen vocht optrekken. Als dit wel gebeurt is er een bouwkundig gebrek. Overlast moet voorkomen worden. Eigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de waterdichtheid van hun bouwconstructie. Een kelder of een garage wordt niet als leefruimte gezien met een woonfunctie. Over het algemeen is er sprake van grondwateroverlast als het grondwaterpeil hoger is dan de gemiddelde hoogste grondwaterstand. (GHG).

7.4.2 Normen voor grondwateronderlast Tijdens lange droge perioden daalt de grondwaterstand tot onder het polderpeil. De zoute kweldruk kan toenemen. Door de lage grondwaterstand kan begroeiing en houten paalfundering droog komen te staan. Bij een lage grondwaterstand kan schade ontstaan aan de bebouwing of groen.

Over het algemeen is er sprake van grondwateronderlast als het waterpeil lager is dan de gemiddelde laagste grondwaterstand. (GLG) uit het DINOloket . De gemeente heeft geen invloed op de belangrijkste oorzaak van een laag grondwaterpeil: de neerslaghoeveelheid. KNMI geeft hier meer informatie over.

41

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

7.5 Huidige grondwaterstand In onze gemeente zijn er weinig plekken met structurele grondwaterproblemen. De afgelopen 20 jaar zijn er geen aansprakelijkstellingen geweest voor te hoog of laag grondwater in openbaar gebied. Wel zijn er klachten over waterpeil op particuliere bouwpercelen door bouwactiviteiten, die de bodemstructuur verstoren. Vaak ontstaat onder het maaiveld een harde laag die regenwater slecht doorlaat. Het advies is om de bodem te bewerken en diep wortelende planten te gebruiken. Oude riolen lekken vaak. Bij nieuwe rioleringsaanleg in openbaar gebied wordt daarom drainage aangelegd om grondwateroverlast te voorkomen. Dit water wordt afgevoerd naar het regenwaterriool of oppervlaktewater. De drainage wordt passief beheerd, maar bij klachten kan onderhoud of vervanging plaatsvinden. In veengrond geldt een ander grondwaterbeheer om bodemdaling tegen te gaan.

7.6 Zoute kwel en onttrekkingen Achter de Westerscheldedijken is de invloed van zoute kwel sterk. Door de zeespiegelstijging, bodemdaling en klimaatsverandering neemt vooral in lange droge perioden de zoute kweldruk toe. Diepe sloten versterken deze kweldruk. De sloten zorgen er echter ook voor dat kwel wordt afgevangen waardoor er minder kweldruk is op andere plaatsen. Onder de link Freshem (zeeland.nl) is de zoet-zout waterscheiding goed te zien. In 2025 zijn nieuwe metingen uitgevoerd. De analyse van deze metingen geven inzicht over de gevolgen van de grondwateronttrekkingen op de zoetwatervoorraad. De resultaten van de metingen en de analyse worden naar verwachting in de loop van 2026 gepresenteerd. In artikel 2.9 van de Waterschapsverordening staan voorwaarden voor grondwateronttrekkingen. Voor grote onttrekkingen is de provincie bevoegd gezag.

42

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

7.7 Lozing van overtollig grondwater op de riolering Vanaf particuliere grond mag overtollige water wat niet opgevangen en vastgehouden kan worden afgevoerd worden naar gemeentelijk terrein. Wij zullen daar een ontwateringsmiddel aanbieden om dit regen- of grondwater af te voeren. In de Verordening hemel- en grondwater staan onze voorwaarden. Op drukriolering mag onder geen enkele voorwaarde regen- of grondwater geloosd worden. Deze riolering is alleen bedoeld voor afvoer van huishoudelijk afvalwater. De gemeente mag ook bedrijfsafvalwater of grondwater weigeren als dit qua samenstelling of hoeveelheid niet op de gemeentelijke riolering thuis hoort.

7.8 Bouwactiviteiten en grondwater Het tijdelijk verlagen van het grondwaterpeil voor een activiteit moet aan de gemeente en het waterschap gemeld worden. In een vooroverleg wordt bepaald onder welke voorwaarden onttrokken en geloosd mag worden. Afhankelijk van de hoeveelheid en de plaats is een ontheffing of een Omgevingsvergunning nodig. – zie bijlage 7.2. Voor lozing van grondwater op het oppervlaktewater is toestemming van het waterschap nodig. Bij lozing op de riolering of de bodem is toestemming van de gemeente nodig. In de interactieve grondwaterbeheerkaart van de provincie en het waterschap staat informatie over de kwetsbaarheid van gebieden en de beschikbaarheid van grondwater. Grondwaterbeheer . De regels voor de grondwateronttrekking staan in de waterschapsverordening en zijn te raadplegen via Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO): www.omgevingsloket.nl Voor aanleg van een warmtepomp, met onttrekking van grondwater en een koude-warmte opslaginstallatie (KWO), is toestemming van de provincie nodig. De gemeente is bevoegd gezag voor gesloten energievoorzieningen.

7.9 Klachtenloket grondwater en communicatie Grondwaterproblemen op perceelsniveau moeten door de grondeigenaar zelf opgelost worden. Als er over een aaneengesloten ‘bebouwd gebied’ problemen zijn dan kan dit aan de gemeente gemeld worden. Wij onderzoeken en beoordelen dan het probleem. Voor maatregelen wordt verwezen naar onze website Grondwaterbeheer en het schema van bijlage 7.3. Deze bijlage is te gebruiken voor klachten en vragen over grondwater. In de Waterwet is bepaald dat iedere provincie een loket moet hebben voor de melding van klachten over onttrekking grondwater. De commissie geeft advies over schades die ontstaan door grondwateronttrekkingen. Het gemeentelijk grondwaterloket is het eerste aanspreekpunt voor grondwaterproblemen. Bij schade door grondwateronttrekkingen is de provincie wettelijk verplicht om onderzoek te doen naar het verband tussen de schade en de onttrekking of infiltratie. De link commissie grondwater verwijst hiernaar. Bij de verkoop van gemeentelijke grond in uitbreidingsplannen informeren we de kopers over grondwater en ophogen van bouwpercelen. Door aandacht te schenken aan de behandeling van de grond hopen we dat grondwaterproblemen voorkomen worden.

43

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

7.10 Meetnet grondwater en onderzoek funderingen Omdat er in onze gemeente geen structurele grondwaterproblemen zijn hebben we geen grondwatermeetnet. De kosten van een eigen meetnet zijn hoog. In onze gemeente gaan we uit van de gegevens uit het landelijke meetnet van DINOloket BRO. Gegevens van de grondwaterstanden, GHG en GLG, zijn te vinden onder ‘ondergrondmodellen’ en ‘BRO Grondwaterspiegeldiepte’. De grondwatertrappen geven ook aan wat de gemiddelde hoogste en laagste grondwater ongeveer is. Als door de klimaatsverandering meer extremen en grondwaterproblemen ontstaan kan alsnog een meetnet opgezet worden. Meetnetten worden voor een reeks van jaren opgezet. Voor inschatting van funderingsschade in de toekomst is het verstandig om de toegepaste funderingen en kwetsbare natuur in onze gemeente in kaart te brengen. Door grondwateronttrekkingen kunnen houten paalfunderingen droog komen te staan waardoor schade aan woningen ontstaat. Grenen palen bij ondiepere palen zijn gevoeliger voor paalrot dan langere vuren funderingspalen. Ook kunnen bomen de grondwaterstand beïnvloeden en schade veroorzaken. Het waterschap en de provincie houden bij de vergunningverlening rekening met de gevolgen van de onttrekking. Monitoring ligt bij de vergunningverstrekker, het waterschap of de provincie. Retourbemaling is soms nodig om de schade aan zoetwaterbellen door onttrekking te beperken.

7.11 Gewenste toestand grondwater en beleid De gemeente heeft weinig invloed op de grondwaterstand. Deze is grotendeels afhankelijk van de locatie, het weer, de verdamping, de wijze van draineren, de wijze van bewerken van de grond, neerslag en het polderpeil. Het polderpeil wordt door het waterschap vastgesteld en gereguleerd. Om verdroging tegen te gaan moet voor peilbesluiten en de vaststelling van polderpeilen meer naar stedelijk gebied en de natuur gekeken worden. Klimaatverandering heeft invloed op deze peilen. Verdroging kan invloed hebben op de beplanting en de fundering van woningen. Grote bomen kunnen door de verdamping ook het grondwaterpeil negatief beïnvloeden. Dit geeft aan de ene kant verkoeling aan de andere kant kan door een lager grondwaterpeil schade aan gebouwen ontstaan. Lekke riolen kunnen draineren werken. Hierdoor kan het grondwaterpeil verlaagd worden. Om juridische geschillen te voorkomen willen we dit vermijden. Door zelf regenwater in de bodem te infiltreren kan het grondwaterpeil beïnvloed worden.

7.11.1 Voorkeursvolgorde voor lozen van grondwater Voor lozing van overtollig grondwater hebben we de onderstaande voorkeursvolgorde: 1. Water infiltreren (evt. op een andere locatie) 2. Water lozen op oppervlaktewater 3. Water lozen op de openbare drainage 4. Water lozen op de hemelwaterriolering Afvoer van grondwater naar de gemengde riolering staan we in alleen in uitzonderlijke gevallen toe. Hiervoor overleggen we met het waterschap. Lozingen op oppervlaktewater worden zowel voor kwaliteit als de kwantiteit van het te lozen water afgestemd met de opzichter waterbeheer van het waterschap. Lozingen van regen en grondwater op de drukriolering zijn altijd verboden.

44

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

7.11.2 Zoute kwel en zoet grondwater Door sloten te verbreden en ondieper te maken, vermindert de zoute kweldruk, waardoor zoetwaterbellen, vooral verder van de Westerschelde, kunnen groeien. Het vormen en herstellen van deze zoetwaterbellen kost jaren, daarom is zuinig omgaan met zoetwater belangrijk. In gebieden met zoetwater mag maximaal 80 mm per jaar worden onttrokken. Om het zoetwater duurzaam te beheren, moeten onttrekkingen geregistreerd en beperkt worden. De Landelijke Grondwaterregistratie (LGR) houdt deze gegevens bij, maar handhaving is nog onvoldoende. Agrarische beregening moet zichtbaar zijn op de ‘Grondwaterbeheerkaart’ van het waterschap en de LGR, wat nu vaak niet gebeurt. De tool Grondwaterstanden in Beeld helpt bij het monitoren van grondwaterstanden. Peilgestuurde drainage en dubbele drainage kunnen het polderpeil verhogen en zoetwatervoorraad vergroten. Dit vraagt wel een flinke investering. Een hoger polderpeil en een hoger organisch stofgehalte in de bodem zorgen voor minder zoute kweldruk en betere vochtregulering.

Diepe sloten geven zoute kwel

Zoute kwel aangegeven in donkerrood. Zichtbaar is dat ter plaatse van de sloten de zoute kwel omhoogkomt.

Door zout tolerant soorten begroeiing toe te passen op plaatsen met zoute kweldruk kan de schade aan groen beperkt worden. 45

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

8 Oppervlaktewater 8.1 Europese Kaderrichtlijn Water en Besluit kwaliteit leefomgeving Kader voor de waterkwaliteit De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft aan dat we in 2027 een goede watertoestand moeten hebben. Grond -en oppervlaktewater moet chemisch schoon en ecologisch gezond zijn. De hiervoor opgestelde normen bevatten diverse parameters zoals chemische stoffen, nutriënten, zuurstofgehalte en microbiologische kwaliteit. De KRW bevat ook doelstellingen op gebied van microplastic ’s, PFAS, hormonale stoffen, medicijnresten en ziekteverwekkende (pathogene) stoffen. Soms zijn de bronnen van PFAS en plastics anders dan we verwachten. Zo bevatten wc-papier, wasmiddelen en tandpasta PFAS en microplastics. De fabrikanten geven vaak geen juiste informatie. De Europese richtlijn stedelijk afvalwater legt producenten verantwoordelijkheid op om minder schadelijke stoffen te maken, zoals bij het voor waterorganismen schadelijke medicijn Diclofenac. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft specifieke regels om de kwaliteit van grondwater en oppervlaktewater te beschermen en te verbeteren. De normen uit de Bkl zijn gebaseerd op de KRW. De waterkwaliteitstaak ligt grotendeels bij het rijk en het waterschap. Sloten en vijvers in de dorpen vallen niet onder de KRW-wateren. In de Waterschapsverordening staan voor de niet KRW-wateren soms afwijkende (strengere) normen.

Bronnen stikstof in oppervlaktewater Landbouw Huishoudelijk afvalwater (buitengebied) Effluent rioolwaterzuiveringen Industriële afvalwaterlozingen Atmosferische depositie Overstorten/ regenwater uit dorpen bronnen RIVM,

Globale bijdrage in %

Beschrijving

75%

Mest en kunstmestgebruik, nitraat naar oppervlaktewater.

1%

Huishoudelijk afvalwater woningen/ boerderijen

8% 5% 10%

Gezuiverd afvalwater vanuit stedelijke gebieden Lage bijdrage, specifieke industriële activiteiten Neerslag van stikstof uit de lucht industrie en verkeer. Deze bron heeft weinig invloed op de waterkwaliteit in 1% landelijke gebieden, WUR, Ministerie van Infrastructuur en waterstaat Top-100 stikstof- en ammoniak Top100 | Rijksoverheid.nl

Uit voormalige landbouwgronden komen vaak nog verontreinigingen vrij zoals moeilijk afbreekbare bestrijdingsmiddelen en meststoffen. PFAS komt via op diverse manieren in het milieu. Via de lucht in aerosolen in zeeschuim en door lozing en gebruik van effluent van de RWZI voor bevloeiing. Om schimmel bij zaden te voorkomen wordt zaad met PFAS gecoat. Het voordeel hiervan is dat er minder gift gebruikt hoeft te worden. Andere diffuse verontreinigingsbronnen zijn vlooienbanden van huisdieren, bandenslijpsel met zink afkomstig van het wegverkeer en scheepvaartverkeer. De verontreinigingen zorgen ervoor dat de kwaliteit van oppervlaktewater en drinkwater eerder slechter dan beter wordt. De bronnen voor stikstof staan in bovenstaande tabel aangegeven. De uitdaging om in Zeeland aan de waterkwaliteitsnormen uit de KRW te voldoen zijn extra groot. Dit komt door de variatie aan zoet, brak en zout water met ieder een eigen leefmilieu met andere dieren en planten. Deze milieus hebben allemaal hun eigen biotopen met afwijkende planten en dieren. Deze biotopen voor zoet-, zout- en brakwater lopen door elkaar heen. Er is daarom veel maatwerk nodig om de waterkwaliteit te verbeteren. Huidige toestand waterkwaliteit 46

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 De waterkwaliteit in de meeste sloten en vijvers zowel binnen als buiten de dorpen voldoen niet aan de normen uit de Kaderrichtlijn water ( KRW). Bij de huidige inspanningen wordt de gewenste kwaliteit ook niet bereikt. Een slechte waterkwaliteit is een risico voor de volksgezondheid en voor de drinkwatervoorziening. Voor de waterkwaliteit geldt ‘one out–all out’. Een stofje kan al een oordeel geven dat het oppervlaktewater niet aan de KRW normen voldoet.

8.2 Oppervlaktewater in stedelijk of bebouwd gebied De oudste delen van de dorpen liggen op hogere stukken grond, zogenaamde kreekruggen. Latere uitbreidingen zijn gebouwd op lager gelegen naastgelegen gebieden. Ongeveer 3% van het oppervlak in de dorpen bestaat uit open water zoals sloten en ‘vates’, oude blus- en drinkvijvers. Dit is evenveel als het binnendijkse buitengebied waar ook ongeveer 3,5% van het oppervlak water is. De weg van regenwater vanuit de dorpen naar het landelijk gebied is meestal kort. De dorpen zijn ongeveer 30% verhard met wegen en daken. Dit is meer dan in het landelijk gebied. Om de afstroming van regenwater uit de dorpen te vertragen wordt sinds 1990 waterbergingen in uitbreidingen aangelegd. Deze vangen regenwater tijdelijk op en voeren het water langzaam af naar landelijke gebied. Zo wordt voorkomen dat het watersysteem in de polders overbelast wordt. Dankzij deze waterbergingen stroomt het regenwater uit de dorpen nu ongeveer net zo snel weg als uit het buitengebied, namelijk 0,4 tot 0,5 millimeter per uur. – zie ook paragraaf 6.3.9. Oppervlak stedelijk gebied in de dorpen Soort oppervlak Stedelijk gebied totaal Particulier Bebouwing gebouwen Tuinen Openbaar Verharding - openbaar Onverhard - openbaar

Oppervlak % % in hectares 854,4 100 100 483,2 56,6% 123,4 14,4% 359,8 42,2% 371,3 43,5% 135,8 15,9% 235,5 27,6%

Het verharde oppervlak bestaat uit gesloten (4,7%), open (10,6%) en halfverharding (0,6%). Het onverharde terrein bestaat voor 24,1% uit onverhard en groen en voor 3,5% uit oppervlaktewater.

8.3 Beheer en onderhoud oppervlaktewater 8.3.1 Oppervlaktewater beheerder Het waterschap is in ons bebouwd gebied, als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder, formeel verantwoordelijk voor alle oppervlaktewateren van zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Dit beheer staat los van wie de eigenaar is van het water. Het waterschap zorgt voor (het beheer van) de afwatering uit het stedelijk gebied of bebouwd gebied. Landelijk zijn de afspraken op hoofdlijnen vastgelegd in het Nationaal Bestuursakkoord Water uit 2003 (NBW). In artikel 10 van het NBW staat het kostenveroorzakingsartikel. Dit houdt in dat de partij die de kosten veroorzaakt ook verantwoordelijk is voor maatregelen. De ontwatering vanuit stedelijk openbaar gebied is een taak van de gemeente. Als een historische situatie qua afwatering niet in orde is dan is het waterschap verantwoordelijk.

47

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

8.3.2 Beheer en onderhoud oppervlaktewater (BOB) Het waterschap en de gemeente hebben afspraken over het beheer en onderhoud van watergangen binnen de kom (BOB), verlengd tot 2034. Jaarlijks overleg maakt maatwerk mogelijk. Zoals in paragraaf 6.2 staat, worden sloten elk jaar gemaaid en eens per acht jaar gebaggerd. De planning sluit aan bij het onderhoud van de delfgebieden buiten de kom. De kosten voor waterbeheer binnen de kom (BOB) zijn verdubbeld tot gemiddeld €59.100 per jaar. Details staan in bijlage 6.5. Baggeren is nodig voor goede waterafvoer en kwaliteit, omdat het voedingsstoffen uit het water verwijdert. – zie ook paragraaf 8.5.1 en 8.5.4.

8.4 Stedelijke Wateropgave en Planvorming Wateropgave (SWO en PWO) 8.4.1 Stedelijke wateropgave (SWO) In de Stedelijke Wateropgaven (SWO’s) worden de knelpunten, waterkwaliteit en waterkwantiteit, inzichtelijk gemaakt en verder onderzocht. Per kern of wijk worden knelpunten geïnventariseerd. Voor de SWO’s worden deze knelpunten vooral op basis van redenatie en analyse integraal in beeld gebracht. Berekeningen worden in eerste instantie niet uitgevoerd. De praktijkkennis en plaatselijke bekendheid van deskundigen van het waterschap, de gemeente, Nutsbedrijven en andere stakeholders wordt gebruikt om deze problemen in beeld te brengen. Uit het onderzoek komen maatregelen, afspraken en een planning die niet vrijblijvend is. Na de SWO (2019/2020) in ’s-Gravenpolder hebben we als gemeente maatregelen uitgevoerd. De maatregelen zijn aan zowel de openbare ruimte als aan de riolering uitgevoerd. Een van de belangrijkste maatregelen is de vergroting van de duiker onder de Bernhardweg-Oost. In bijlage 8.1 staat de planning voor de SWO’s samengesteld binnen de SAZ+ op basis van prioriteit.

48

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030

8.4.2 Planvorming Wateropgave (PWO) Het waterschap onderzoekt bij PWO’s de watersystemen buiten de kom. Knelpunten worden met metingen en modellen vastgesteld, waarna toekomstige waterpeilen en benodigde maatregelen worden bepaald om aan normen te voldoen en het watersysteem klimaatbestendig te maken. De PWO richt zich op het poldersysteem en staat los van de SWO uit paragraaf 8.4.1. De provinciale omgevingsverordening stelt normen op basis van grondgebruik: stedelijk gebied moet een regenbui van eens per 100 jaar kunnen verwerken; voor akkerbouw en weiland gelden minder strenge eisen. Deze normen zijn gebaseerd op het Nationaal Bestuursakkoord Water (bijlage 4). Gebieden planvorming Wateropgave

In het overgangsgebied tussen de dorpen en de polders kunnen er waterproblemen ontstaan. Een tekort aan waterberging en afvoer bij de dorpsranden kan wateroverlast opleveren. In het regulier overleg met het waterschap worden deze plannen besproken.

8.5 Gewenste toestand oppervlaktewater en beleid 8.5.1 Oppervlaktewater, grondwater en waterbodem. Gewenste toestand en beleid Sinds 1 januari 2024 valt de Wet Natuurbescherming onder de Omgevingswet. Artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving stelt een zorgplicht voor flora en fauna, waardoor onderhoudstijdstippen afhangen van de aanwezigheid van kwetsbare soorten. De gewenste kwaliteit van oevers en oppervlaktewater is vastgesteld via ecologische doelen en normen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze normen houden ook rekening met biodiversiteit, waterkwaliteit en natuurlijke ontwikkeling van flora en fauna. De normen zijn gebaseerd op het Waterbeheerplan, de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Omgevingswet en lokale ecologische plannen. Het waterschap hanteert de minimale wettelijke normen om biodiversiteit te behouden (ambitieniveau 2). Voor een gezond ecosysteem is het wenselijk dat de waterdiepte in sloten en vijvers minimaal 0,80m. is. Flauwe oevers zorgen voor meer soorten, veiligheid en onderhoudsruimte. Verder geeft de Waterschapsverordening Scheldestromen regels voor inrichting, onderhoudsstroken, beplantingsafstanden en obstakels. Waterkwaliteit in dorpen is lastig te verbeteren door invloed van atmosfeer, industrie, landbouw en kwelwater met meststoffen. Historische verontreinigingen spelen ook een rol. Verslechtering is niet toegestaan.

Het niet halen van KRW-doelen kan gevolgen hebben voor bouwactiviteiten. Een onderzoek van Witteveen en bos geeft dit aan. 49

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 Voorlichting en controle op foute rioolaansluitingen zijn belangrijk om vervuiling te voorkomen. (Omgevingswaarden en Oppervlaktewaterkwaliteitsdoelen.) Inzameling van medicijnresten helpt ook het watermilieu verbeteren als er minder resten op de riolering geloosd worden. Ook de gemeente zal daarom op verschillende gebieden een inspanning moeten doen om de waterkwaliteit te verbeteren.

8.5.2 Inslagpeilen van de gemalen Gewenste toestand en beleid De riolering en het oppervlaktewater raken minder vervuild als de juiste inslagpeilen van de pompen van de rioolgemalen gebruikt worden. Normaal wordt hiervoor de binnen onderkant van de riolering gebruikt. Bij een hoger inslagpeil bezinkt meer afval in de riolering wat bij hevige regen vrij komt op de sloten bij de riooloverstorten. Dit geeft extra vervuiling van de sloten en is daarom ongewenst. Dit geldt zowel voor onze eigen onderbemalingen als de waterschapsgemalen.

8.5.3 Afkoppelen regenwater Gewenste toestand en beleid Door regenwater af te koppelen verbetert de waterkwaliteit van de sloten mits het af te koppelen oppervlak schoon is. Geconcentreerd afvalwater is eenvoudiger te zuiveren voor het waterschap. De doelstelling van de gemeente is om per jaar 0,5% van de gemengde riolering af te koppelen. Er is eind 2025 34% van het verhard oppervlak afgekoppeld. Op de lange termijn wordt een afkoppelpercentage van maximaal 50% nagestreefd. Zie ook paragraaf 6.3.1

8.5.4 Onderhoud watergangen Gewenste toestand en beleid De specifieke zorgplicht voor Flora- en fauna , artikel 11.27 Bal , geeft extra verplichtingen voor het onderhoud. Voor de kostenbeheersing wordt de bagger die vrijkomt, zoals in de BOB-overeenkomst is vastgelegd, zoveel mogelijk op de slootkant gelegd. Alleen als het nodig is om de grond te verschralen en zo de biodiversiteit te vergroten wordt de bagger afgevoerd naar een weilanddepot of het baggerdepot van het waterschap. De afvoer van slib wordt afgestemd met de eigenaren en gebruikers. De bagger wordt ook afgevoerd als er te veel overlast ontstaat als het op de kant gezet wordt. Het tijdstip van onderhoud is belangrijk en moet rekening houden met wetgeving, flora, fauna en watertemperatuur. Onder 10 graden Celsius en tijdens het broedseizoen is onderhoud beperkt toegestaan. Biodiversiteit kan verbeteren door onderhoud zoals maaien en baggeren gefaseerd uit te voeren. Planten en dieren migreren naar nog niet gemaaide delen. Vanaf 1 april 2025 geldt de gedragscode soortenbescherming voor gemeenten en waterschappen. Als deze regels nageleefd worden is geen natuurvergunning nodig. Dit sluit aan bij de Omgevingswet. De ecologisch werkprotocollen verhogen de kosten. Vijvers worden gebaggerd als de sliblaagdikte meer dan 30cm is.

Flauwe oevers verminderen de Amerikaanse rivierkreeft doordat natuurlijke vijanden er makkelijker bij kunnen. De flauwe oever is ook goed voor de biodiversiteit, planten en waterkwaliteit.

50

Water-en rioleringsprogramma 2026-2030 Als er invasieve exoten worden aangetroffen, zoals de grote waternavel, waterteunisbloem, kroosvaren, watercrassula en de Amerikaanse rivierkreeft, wordt dit gemeld bij het waterschap. Deze invasieve exoten verdringen namelijk de inheemse soorten

Amerikaanse rivier kreeft. Nog niet in onze gemeente aanwezig of wel?

8.5.5 Multifunctioneel gebruik van de ruimte, bluswater Gewenste toestand en beleid Robuuste oppervlaktewateren zijn beter voor de waterkwaliteit. Er kunnen meer functies gecombineerd worden in een groter oppervlaktewater zoals recreatie, natuur en vasthouden van water voor droge perioden. Onttrekken van water is meestal ongewenst omdat de ecologie dan vaak verstoord wordt. Voor secundair bluswater is het belangrijk dat de inhoud van de plas minimaal 400m3 is. Vooral voor het buitengebied is voldoende bluswater een aandachtspunt. De ecologische functie is dan ondergeschikt aan de blusfunctie.

8.5.6. Huishoudelijk afvalwaterlozers Gewenste toestand en beleid De verwachting is dat de waterkwaliteit in het buitengebied na het vervangen van oude septictanks door verbeterde septictanks marginaal verbetert. Zoals in hoofdstuk 8.4 staat, dragen huishoudens maar weinig bij aan de vervuiling met stikstof en fosfaten. Grote vervuilingsbronnen zoals industrie, kwelwater en landbouw hebben veel meer invloed op de waterkwaliteit. bron, RIVM Daarom moet meer aandacht besteed worden aan deze grote lozers. Voor lozing op oppervlaktewater gelden regels uit de Omgevingswet (artikelen 22.148 en 22.149) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Nieuwe lozingen mogen de vervuiling niet verhogen. Huishoudelijk afvalwater moet aangesloten zijn op de riolering als deze binnen 40 meter van de perceelsgrens ligt. Bij functieverandering met meer vervuiling kan aansluitplicht worden opgelegd. De kosten voor aansluiting of zuivering zijn voor de initiatiefnemer. Bij lozing met hogere vervuilingswaarden dan 10 inwoner equivalenten gelden strengere normen. Het toezicht ligt bij het waterschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16543442/1