CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 toelichting en regels Hoge Woerd

Raadsvergadering 20 december 2022, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Hoge Woerd en Beeldkwaliteitsplan23.309 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

750 m

355 m

Nee

3

Inter-Che-M

600 m

1.700 m

Ja

4

Buisleiding A-505 (Gasunie)

100 m

430 m

Ja

5

Buisleiding A-507 (Gasunie)

100 m

480 m

Ja

6

(Lpg-)tankstation Shell Beuningen

700 m

150 m

Nee

Inrichtingen c.q. bedrijven Op 600 m ten zuiden van het plangebied ligt het bedrijf InterCheM. InterCheM is een afvalverwerkingsbedrijf met gevaarlijke stoffen en valt onder de werkingssfeer van het Bevi. Het invloedsgebied valt over het plangebied. Het plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar ligt niet over het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Conform het Bevi dient ook het groepsrisico te worden bepaald. Het groepsrisico veroorzaakt door InterCheM neemt beperkt toe naar 0,002 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico vormt geen belemmering voor het plangebied maar dient conform het Bevi te worden verantwoord. Er kan zich een ongeval voordoen waarbij een toxische wolk kan vrijkomen die gevolgen heeft voor het plangebied. Om de risico’s in het plangebied te beperken kunnen er extra afwegingen gemaakt worden betreffende handmatig afsluitbare ventilatie, aanrijroutes en brandpreventie. In het kader van het vooroverleg is voor de beoogde ontwikkeling van de Hoge Woerd advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. Op basis van het advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid is het scenario 'toxische wolk' van toepassing op het plangebied. Dit is een scenario waarbij als gevolg van een ongeval met een tankauto een toxische stof (gas/vloeistof) vrijkomt en een toxische wolk ontstaat met een groot effectgebied.

Een dergelijk incident kan door de brandweer

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

25

bestemmingsplan Hoge Woerd

bestreden worden door een eventueel lek te dichten, een eventuele vloeistofplas met schuim af te dekken en/of toxische gassen af te schermen met waterschermen. Mensen binnenshuis genieten een behoorlijke mate van bescherming tegen het binnendringen van giftige gassen. Voorwaarde hiervoor is wel dat verntilatieopeningen gesloten kunnen worden. Vandaar dat de veiligheidsregio adviseert om bouwkundig centraal afschakelbare ventilatie toe te passen. Buitenshuis is het risico veel groter. Het is van levensbelang dat mensen zo snel mogelijk naar een binnenlocatie vluchten. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Het plangebied is op circa 750 m van de A73 en 1.300 m van de A50 gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk is. De PR 10-6 contour wordt vanuit de as van de weg gemeten en bedraagt 18 m. Van een GR-plafond is geen sprake. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 m uit de zijkant van de weg. Al deze zones zijn buiten het plangebied van onderhavig bestemmingsplan gelegen. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A50 en A73 is volgens het advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid eveneens het scenario 'toxische wolk' van toepassing, met het advies om bouwkundig centraal afschakelbare ventilatie toe te passen. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water Het plangebied is op ruim 2,5 km van de Waal gelegen.

Het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze rivier is niet van invloed op onderhavige ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding De ondergrondse buisleidingen A-505 en A507 liggen op ongeveer 100 m ten oosten van het plangebied. Door deze buisleidingen wordt aardgas onder hoge druk getransporteerd. Het planvoornemen valt binnen het invloedsgebied van beide leidingen, waardoor beide relevant zijn in het kader van de externe veiligheid van het planvoornemen. Aardgastransportleidingen met een druk hoger dan 16 bar vallen onder de werkingssfeer van het Bevb. Conform het Bevb dient er in het kader van externe veiligheid toetsing uitgevoerd te worden aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.Daarnaast geldt op grond van het Bevb voor buisleidingen een belemmeringenstrook van minimaal 5 me (gemeten vanuit het hart van de buisleiding) aan weerszijden. Deze strook leidt tot beperkingen voor onder meer bouwwerken (niet gerelateerd aan de buisleiding) en voor graafwerkzaamheden. Het plangebied ligt hier buiten. Beide buisleidingen hebben geen PR10-6 per jaar contour buiten het leidingtracé. Het plaatsgebonden risico vormt geen beperking voor de planontwikkeling. Wel ligt het plangebied deels binnen de 100o0o en nagenoeg geheel binnen de 1o0o letaliteitscontour van de beide buisleidingen.

Het groepsrisico ten gevolge van de buisleiding ter hoogte van het plangebied neemt in de toekomstige situatie licht toe voor leiding A-505 en ligt op 0,545 maal de oriëntatiewaarde. Voor leiding A-507 neemt het groepsrisico nabij het plangebied niet waarneembaar toe en ligt rond de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Gezien de beperkte toename van het groepsrisico van buisleiding A505 en de niet zichtbare toename van het groepsriscio van buisleiding A507 dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Calamiteiten met hogedruk aardgastransportleidingen doen zich alleen voor als een leiding beschadigd raakt en gas ontsnapt. Een 'fakkelbrand' is daarbij het maatgevende scenario. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval » Toxische wolk: Bij een toxische wolk wordt door de brandweer en andere hulpdiensten voornamelijk vanaf het bovenwinds gebied opgetreden. Vanaf het benedenwinds gebied kan maar in beperkte mate worden opgetreden. Bij het optreden is bronbestrijding moeilijk. De hulpdiensten kunnen zich voornamelijk richten op het redden van mensen, het verlenen van eerste hulp aan gewonden en het verdunnen van de toxische wolk met behulp van water. » Fakkelbrand: Bestrijding van een gasontsnapping en de daarop volgende fakkelbrand door hulpdiensten is niet mogelijk.

Hiervoor is het noodzakelijk dat de leidingbeheerder (De Gasunie) de leiding inblokt (afsluit). Dit kan tot een uur na het ontstaan van de fakkelbrand duren. Na dit inblokken zal echter nog geruime tijd gas vrij blijven komen. Bij ontsteking leidt een gasontsnapping tot een fakkelbrand. De inzet van hulpdiensten zal gericht zijn op het voorkomen en bestrijden van secundaire branden. Dit zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron, zodra de hittestralingsintensiteit dit toelaat. De brandweer richt zich niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

26

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid » Toxische wolk: Personen zijn na het ontstaan van een toxische wolk op zichzelf en anderen aangewezen. Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Snel reageren is bevorderlijk. Voor personen buiten is advies om te vluchten. Indien vluchten niet mogelijk is, wordt geadviseerd om binnen te schuilen. Voor personen binnen wordt binnen blijven geadviseerd en naar hoogste bouwlaag met een vlak plafond te gaan. Hierbij ramen en deuren sluiten en ventilatie uitzetten. » Fakkelbrand: Bij het optreden van een fakkelbrand ter hoogte van het plangebied zal het worden blootgesteld aan hoge hittestraling. Zowel binnen schuilen als vluchten is geen optie. Bij een fakelbrand op grotere afstand van het plangebied is schuilen in een gebouw in principe de beste optie. Na verloop van tijd zal de hittebelasting snel afnemen en is ontvluchting vanuit het pand wellicht mogelijk. Voor personen buiten is vluchten het advies. Als er schuilmogelijkheden zijn, is het advies dekking te zoeken of een schuilplaats binnen te gaan. Voor personen binnen is binnenblijven het advies. Als secundaire branden optreden, is het handelingsperspectief vluchten aan de schaduwzijde van het gebouw ten opzichte van het incident.

Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Een fakkelbrand is echter ook zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen, waardoor de effectieve strategie voor zelfredzaamheid door aanwezigen juist kan worden ingeschat. Vluchtroutes helpen mensen het gebied te verlaten. Vluchtroutes moeten duidelijk zichtbaar zijn, zich van de activiteit af richten (bij voorkeur haaks op de windrichting), breed genoeg zijn en vrij zijn van obstakels. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen adviseert de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid de volgende maatregelen in overwegingen te nemen: » Toxische wolk: 1. Toepassen van centraal afschakelbare ventilatie voor de woningen; * Fakkelbrand: 1. Overweeg een extra deklaag op de leiding in overleg met de Gasunie. Extra gronddekking verlaagt het risico op beschadiging van de leiding; 2. Sluit voorzieningen voor bijzondere kwetsbare doelgroepen in beginsel uit; 3. Bouw met steenachtige/moeilijk brandbare materialen (gevel/dak); 4. Goede infrastructurele begeleiding bij het aanleggen en onderhouden van het plangebied nabij de buisleidingen is noodzakelijk om het risico op mechanische beschadeging zoveel mogelijk te beperken; 5.

Het plangebied kan te maken krijgen met externe veiligheidsscenario's waarbij een langdurige en grotere capaciteit aan bluswatervoorziening mogelijk noodzakelijk is. De adviezen worden in overweging genomen. Er hoeven geen nadere eisen aan het plan gesteld te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Waterhuishouding

Wettelijk kader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het uitvoeren van een watertoets juridisch verplicht bij bestemmingsplannen, inpassingsplannen en projectbesluiten. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, wordt een watertoets uitgevoerd op basis van de afspraken uit het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt onder meer de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken. Dit wordt bereikt door waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet mee te nemen in de planvorming. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen.

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

27

bestemmingsplan Hoge Woerd

Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft hoe rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en andersom. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en -opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt.

4.7.1

Regelgeving

Nationaal en provinciaal De Rijksoverheid is verantwoordelijk voor het nationale beleid en landelijke maatregelen op het gebied van de waterhuishouding. De provincie is verantwoordelijk voor de vertaling van het nationale waterbeleid naar regionale maatregelen. Waterschap Rivierenland De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet vergunningen af voor lozingen op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2). Ook verstrekt het waterschap ontheffingen/vergunningen voor activiteiten in en nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater (Waterwet art. 6.4). Het beleid en de regelgeving van het waterschap is beschreven in: » Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden en kansen benutten'; » Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en; » Keur voor waterkeringen en wateren. Gemeente Beuningen Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. Het Gemeentelijk Rioolen Waterplan (GRWP 2018-2022) beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie.

Zorgplicht afvalwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33) Zorgplicht hemelwater Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet art 3.5). Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6).

4.7.2

Beschrijving watersysteem

Het plangebied is gelegen tussen Ewijk en Beuningen, tussen de Waal en de A73. Het plangebied is momenteel braakliggend. Daarvoor was de locatie in gebruik voor landbouw (akkerbouw en fruitteelt). In de huidige situatie is er geen verharding aanwezig in het plangebied.

28

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Grondwatersysteem Het plangebied heeft een maaiveldhoogte van 7,0 á 7,6 m boven NAP. Nabij het plangebied zijn een aantal peilbuizen aanwezig (geweest) ten behoeve van grondwatermonitoring. Geen van de meetperiodes zijn wat betreft frequentie of regelmaat van de metingen voldoende om de gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstanden (GHG en GLG) vast te leggen, maar de gemeten grondwaterstanden geven wel een indicatie. Het gemiddelde van de peilbuizen geeft een GHG en GLG van respectievelijk 6,8 en 6,0 m NAP. De grondwaterstandsfluctuatie volgt niet dezelfde trend als de waterpeilen in de sloten, wat aangeeft dat sprake is van twee watersystemen. Het plangebied ligt niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning of een grondwaterbeschermingsgebied Oppervlaktewater In het plangebied hanteert het Waterschap een zomerpeil van +6,6 m NAP en een winterpeil van +6,3 m NAP. In en om het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. Aan de noordwestzijde van het plangebied is een A-watergang. Aan de zuidwestelijke rand van het plangebied ligt een sloot, deze is deels aangewezen als A-watergang en deels als B-watergang. Aan de A watergang, in de zuidelijke punt, zijn twee duikers aanwezig. Het gebied wordt doorkruist door twee sloten die zijn aangemerkt als B-watergangen. Navolgende afbeelding toont de leggerkaart voor het plangebied:

Uitsnede leggerkaart met de watergangen in en om het plangebied Hemelwatersysteem Binnen het plangebied zelf is in de bestaande situatie geen sprake van gescheiden afvoer van hemelwater en afvalwater. Afvalwatersysteem In het plangebied is in de huidige situatie geen riolering aanwezig.

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

29

bestemmingsplan Hoge Woerd

4.7.3

Doorvertaling bestemmingsplan

Voor de beoogde ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Dit plan is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd. Het plangebied is circa 16,3 ha groot, 11,2 ha daarvan maakt onderdeel uit van plan Hoge Woerd en 0,3 ha van een uitbreiding aan de Koningsstraat. waarvan circa 5,5 ha (overwegend) zal worden verhard. De oppervlakte van deze 5,5 ha is opgedeeld in: » daken: 1,3 ha; » particuliere tuinen: 2,3 ha; » openbare verharding: 1,7 ha. De rest van het projectgebied (10,8 ha) zal worden gebruikt als ecologisch beheerd grasland voor begrazing (archeologisch vindplaats), verbreden van de watergangen en toepassen van ruime natuurvriendelijk oever met plaatselijk poelen en land geschikt voor akkerbouw. Uitgangspunt is dat de verhardingen en bebouwing voor 10007o bijdragen aan de afvoer van hemelwater (afvloeiingscoëfficiënt = 1). Dit betekent een overschatting van de werkelijke hoeveelheid af te voeren hemelwater, aangezien de afvloeiingscoëfficiënt in de praktijk circa 0,9 zal zijn. De herinrichting van het plangebied veroorzaakt, door toename aan bebouwing en verharding, een versnelde afvoer van hemelwater naar de bestaande voorzieningen (met name watergangen). Deze versnelde afvoer van hemelwater kan niet zondermeer op de bestaande voorzieningen worden geloosd, omdat hierdoor wateroverlast zou kunnen ontstaan.

Het is daarom bij plannen van enige omvang noodzakelijk de toename aan verhard oppervlak (bebouwing en verhardingen) te compenseren. Naar aanleiding van de resultaten van het veldwerk, dat in het kader van het waterhuishoudkundig plan is uitgevoerd, blijkt dat infiltratie geen oplossing voor compensatie, vanwege de aanwezigheid van compacte klei. Op basis van de locatiespecifieke omstandigheden en de toekomstige inrichting van het plangebied wordt berging in open water of in kunstmatige voorzieningen wel realistisch geacht. Voor de tijdelijke opslag van regenwater zijn twee wadi’s ontworpen. Daarnaast is een vergroting van het te bergen watervolume in de watergang in het plangebied gepland om de toename van het water door de bouw van de woningen te compenseren. Oppervlaktewater In het plangebied zijn watergangen opgenomen die per peilgebied met elkaar in verbinding staan, zoals is weergegeven op de navolgende afbeelding. Bij de watergangen A, B en D worden natuurvriendelijke oevers aangelegd. Ter plaatse wordt 9,0 m ruimte gereserveerd, waarvan 5,0 m voor de oever zelf en 4,0 m voor het onderhoudspad. Het waterschap is verantwoordelijk voor het onderhoud van wateren met een A-status. Langs een A-watergang dient een beschermingszone 4,0 m breed te worden aangehouden. Langs B-watergangen zijn de beschermingszones 1,0 m breed.

De aangrenzende perceeleigenaren zijn verantwoordelijk voor het onderhoud. Indien de gemeente het onderhoud verzorgd dan dienen beschermingszones 4,0 m breed te zijn. Aangezien ook de overzijde van watergang D, langs het zonnepark, toegankelijk wordt voor wandelaars middels een gemaaid struinpad over de onderhoudsstrook, worden op twee plekken eenvoudige voetgangersbruggetjes aangelegd. Het aantal duikers blijft tot een minimum beperkt, voor een zo landschappelijk mogelijk beeld.

30

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Ewijk | Hoge Woerd WaterberginĮļ Watergang A GŕtQQ*\ *

A

Watergang B i

6fpç*IH

A

Watergang C Watergang O

51*1

V.**

jont

Impressie watergangen toekomstige situatie Wateroverlast Het plangebied is gelegen binnen de kwelzone van de rivier de Waal. Hierdoor worden aanvullende eisen gesteld aan het bepalen van de toekomstige maaiveldhoogtes en het realiseren van de retentievoorzieningen binnen het plangebied. Het plangebied moet dusdanig opgehoogd worden dat er geen kwelbezwaar optreedt. De binnen de clusters gelegen percelen zijn hoger gelegen, waardoor vanwege de ophoging geen wateroverlast te verwachten is. Vanwege het graven van de watergangen wordt de deklaag op veel locaties doorbroken, of zal een geringe deklaag resteren. Om toename van kwel te voorkomen wordt de bodem afgedekt met een kleilaag van minimaal 1,0 m. Op basis van de huidige bekende informatie moet een bouwpeil van tenminste 7,9 m NAP en een straatpeil van tenminste 7,6 m NAP worden gehanteerd, waarbij voor het maaiveld een hoogte van 7,3 m NAP gewenst is. Met de huidige maaiveldhoogte van 7,0 à 7,6 m NAP houdt dit in dat het terrein (plaatselijk) opgehoogd moet worden. Om de drooglegging ook te garanderen bij een maatgevende bui, moet bij de dwarsprofielen van de sloten gerekend wordt met een maximale peilopzet van 30 cm. Aangezien het plangebied zich niet op of nabij een waterkering bevindt, stelt het waterschap geen bindende eisen aan woningen met kelder of kruipruimte, dit is aan de gemeente.

Op de locatie is het garanderen van droge kruipruimtes lastig. Daarom wordt het aanleggen van woningen met kruipruimte niet toegestaan. Het aanleggen van kelders is mogelijk, maar dan moet de deklaag met minimaal 1,0 m klei worden hersteld. Hemelwaterafvoer Binnen het plangebied wordt een duurzaam gescheiden rioolstelsel aangelegd. Het hemelwater wordt ondergronds afgevoerd naar de (deels droogvallende) watergangen binnen het plan. Vanwege de deklaag in het plangebied en de grondwaterstand/stijghoogte onder deze deklaag is infiltratie van hemelwater geen optie. De versnelde afvoer van hemelwater naar de sloten moet gecompenseerd worden door het inpassen van compenserende maatregelen. In het plan is voldoende ruimte ingepland voor compenserende maatregelen, namelijk door de toevoeging van wadi’s en het uitbreiden van sloten. De wadi’s hebben enkel als functie om regenwater te bufferen, en zijn niet te classificeren als infiltratievoorzieningen door de bodemopbouw op de locatie.

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

31

bestemmingsplan Hoge Woerd

Afvalwater Het riool is nog niet ontworpen. Aangezien de RWZI in Nijmegen hoger gelegen is dan het plangebied, moet waarschijnlijk van een persleiding gebruik worden gemaakt. Er kan een gemaal worden geplaatst buiten het plangebied, vanuit het plangebied kan via vrijverval een riool aangelegd worden. Om een definitieve uitspraak te doen over de noodzaak voor een persleiding moet aanvullende informatie worden verkregen en een principe-ontwerp worden gemaakt. Dit wordt in overleg met de gemeente en de (technisch) ontwerper bepaald. Conclusie Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Ecologie

4.8.1

Regelgeving

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.

De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet. Artikel 3.1. Verboden m.b.t. van nature in Nederland in het wild levende vogels.

Het is verboden om 1. 2. 3. 4.

Levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Nesten, rustplaatsen en eieren opzettelijk te vernielen ofte beschadigen of nesten van vogels weg te nemen. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben. Vogels opzettelijk te storen.

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5. Verbodsbepalingen ten áánzien van soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn.

Het is verboden om: 1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk tedoden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen ofte rapen. Het is verboden de voortplantíngsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzeltelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.

Artikel 3.10. Verbodsbepalingen t.a.v overige soorten (plant- en diersoorten).

Het is verboden om c) d) e)

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of ruslplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

32

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn Gedeputeerde Staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde “tabelsoorten” niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. 3. Tot derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Quickscan flora en fauna Er is een quickscan naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2020/433/r , d.d. 15 november 2021, zie Bijlage 8) Uit de quickscan komt naar voren dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot overtreding van houtopstanden in het kader van de Wnb. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor kleine marterachtigen en steenmarter (soortenbescherming). Ook dient er een ecologisch werkprotocol voor de poelkikker opgesteld te worden. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De beoogde ontwikkeling betreft hoofdzakelijk de realisatie van diverse huizenblokken, de realisatie van een weg, verbreden van sloten en inrichting met groenstructuren aan de Hoge Woerd te Ewijk. Deze ontwikkeling is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art.

3.1.6 Bro), mits er wordt voldaan aan de volgende vervolgstappen: » Voor de werkzaamheden aan de sloten dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden voor de poelkikker; » Ten aanzien van de bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter dient er een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid en het gebruik van de planlocatie. Het aanvullende onderzoek dient te worden uitgevoerd gedurende 6 weken tussen april t/m augustus óf gedurende 12 weken tussen september en maart met behulp van cameraval, marterbox, sporenbuis, en/of nestkast (conform de Handreiking Kleine Marterachtigen, 2017). Onderzoek stikstofdepositie Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 9) voor de gebruiksfase van het woongebied Hoge Woerd Ewijk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met voor stikstof gevoelige habitattypen betreft ‘Rijntakken’ en is gelegen op een afstand van circa 2,0 km. In het stikstofdepositieonderzoek is voor de gebruiksfase en voor de referentiesituatie van het beoogde plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. In de referentiesituatie is ter plaatse van de beoogde ontwikkeling sprake van vier percelen waarbij mestaanwending plaatsvindt.In totaal is er 16,0 ha landbouwgrond waarbij sprake is van mestaanwending.

Uit de berekening van de beoogde situatie (gebruiksfase) blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,05 mol/ha/jaar is (ter plaatse van het Natura 2000-gebied Rijntakken).

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

33

bestemmingsplan Hoge Woerd

Uit de verschilberekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het onderdeel 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9

Cultureel Erfgoed

4.9.1

Regelgeving

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads­ en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussenliggende periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.

4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Archeologie Naar aanleiding van historisch onderzoek en middels proefsleuven (zie Bijlage 10). kan geconcludeerd worden dat er sporen en vondsten duiden op de aanwezigheid van elf archeologische vindplaatsen in het plangebied waarvan de datering uiteenloopt van het neolithicum tot de nieuwe tijd. Het gaat met name om sporen van grote nederzettingsterreinen en kleinere losse erven of huisplaatsen, maar daarnaast komen ook graven of grafvelden en dumps voor. Uit de rapportage wordt duidelijk dat het plangebied Hoge Woerd rijk is aan archeologische resten. Het proefsleuvenonderzoek heeft in totaal elf archeologische vindplaatsen aan het licht gebracht. Het gaat om vindplaatsen van verschillende ouderdom, variërend van het neolithicum tot en met de nieuwe tijd en om verschillende complextypes, variërend van grafveld tot nederzetting. Uit de waardering van de vindplaatsen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA)waarderingssystematiek komt naar voren dat het in alle gevallen gaat om behoudenswaardige vindplaatsen. Voor de archeologische vindplaatsen geldt dat behoud van de bestaande situatie gewenst is, waarbij het archeologisch erfgoed in situ wordt bewaard. Binnen de vindplaatsen geldt de aanbeveling dat bij voorkeur geen werkzaamheden worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de archeologische resten leiden.

De vindplaatsen uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen zijn dicht onder het oppervlak gelegen, wat ze zeer kwetsbaar maakt voor ingrepen. Met name het grafveld uit de Merovingische tijd is de laatste jaren als gevolg van ploegen al ernstig beschadigd geraakt, voor deze vindplaatsen lijkt in situ behoud bij de geplande ontwikkeling vrijwel geen optie. In het bestemmingsplan is rekening gehouden met de meest waardevolle archeologische locaties, op deze locaties zal niet worden gebouwd.

34

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bij de dieper gelegen vindplaatsen is wellicht het ophogen van de grond een optie om in situ behoud mogelijk te maken. Het is echter niet bekend wat de invloed van ophoging zal zijn op eventuele zetting van de ondergrond en daarmee beschadiging van de archeologische resten. Om de mogelijkheden voor ophoging te onderzoeken geldt de aanbeveling een zettingsonderzoek uit te voeren. Ter borging van de archeologische waarden in het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' opgenomen in het plangebied. Cultuurhistorie In het plangebied komen geen monumenten voor, met de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten op gebiedskenmerken op het Ewijks lint en de boerenerven. De beoogde ontwikkeling wordt op gepaste afstand van de cultuurhistorische linten gerealiseerd, zodat deze als structerend kenmerk in het landschap blijft bestaan. Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.10 Leidingen In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.

4.11

Vormvrije MER-beoordeling

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: » belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; » belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen activiteiten in het plan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is: het totale aantal geplande woningen bedraagt maximaal 150. Gelet hierop, kan worden geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij kan worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

35

bestemmingsplan Hoge Woerd

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente Beuningen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In de Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.1.1

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.1.2

Opbouw bestemmingen

Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.

36

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.1.3

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

5.1.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2

Bestemmingsplan

Het bestemmingsplan kent meerdere bestemmingen. Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de bestemmingen: Groen - Landelijk groen De agrarische gronden in het plangebied zijn bestemd als 'Groen - Landelijk Groen'. Groen Deze bestemming is bestemd voor groen en bijbehorende voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, kunstwerken, voet- en fietspaden et cetera. Binnen de bestemming mogen uitsluitend gebouwen van openbaar nut (uitsluitend binnen een bouwvlak) en andere bouwwerken worden gebouwd, zoals speeltoestellen, prullenbakken, wegwijzers, banken en degelijke.

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

37

bestemmingsplan Hoge Woerd

Verkeer De gronden met een verkeersfunctie, zoals wegen en parkeerplaatsen, zijn bestemd als “Verkeer”. Daarnaast vallen ook bermen langs wegen en parkeerplaatsen onder deze bestemming. Binnen de bestemming zijn zowel gebouwen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Water De in het plangebied gelegen A-, B- en C-watergangen en vijvers zijn bestemd als “Water”. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming toegestaan, zoals bruggen. Woongebied Voor het plangebied is een stedenbouwkundige verkaveling ontworpen, die als basis dient voor het bestemmingsplan. Omdat de exacte positie van de woningen en het exacte woonprogramma ^woningtypes) nog niet duidelijk zijn, heeft deze bestemming een globaler karakter. Binnen de bestemming 'Woongebied' is het dan ook mogelijk om zowel groen, verkeer, water als woningen te realiseren. Het programma bestaat uit maximaal 150 woningen. Hiertoe is op de verbeelding en bouwvlak en enkele bouwaanduidingen opgenomen. De inhoud van de regels is gebaseerd op de standaardregeling van de gemeente Beuningen. Waarde- Archeologie 1 (dubbelbestemming) De gemeente Beuningen heeft een archeologische verwachtingenkaart laten vervaardigen, deze is samen met de beleidsnota archeologie vastgesteld door de gemeenteraad op 9 november 2010.

Het archeologisch beleid is vertaald in 4 dubbelbestemmingen, 'Waarde - Archeologie 1,2 en 3' en 'Waarde - Archeologisch rijksmonument'. Naar aanleiding van het archeologische proefsleuvenonderzoek kent het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Waterstaat - Waterlopen (dubbelbestemming) Ter bescherming van de A-watergangen binnen het plangebied en aangrenzend aan het plangebied is de dubbelbestemming “Waterstaat - Waterlopen” opgenomen in het bestemmingsplan. Naast het aanvragen van een omgevingsvergunning kan het ook noodzakelijk zijn om voor bepaalde werken en werkzaamheden in de beschermingszone van een waterstaatswerk een watervergunning aan te vragen, zoals voor het aanbrengen of verwijderen van (hout)beplantingen. Op dergelijke werken en werkzaamheden is de Keur van het waterschap Rivierenland van toepassing.

38

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): » de bouw van één of meer woningen; » de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; » de uitbreiding van een hoofdgebouw met tenminste 1.000 m2 of met één of meer woningen; » de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; » de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; » de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

Omdat de gemeente alle gronden en/of opstallen in eigendom heeft, zelf de grondexploitatie voert en de bouwgrond uiteindelijk tegen een marktconforme prijs bouwrijp levert, wordt ook voldaan aan de eis van verplicht kostenverhaal.

6.2

Inspraak

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de volgende partijen: » Veiligheidsregio Gelderland-Zuid; » Waterschap Rivierenland; » Provincie Gelderland.

6.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 16 maart 2022 tot en met 26 april 2022 (gedurende zes weken) ter inzage gelegen. Er zijn tijdens deze periode 4 zienswijzen ingediend. Deze zijn terug te brengen tot 2 zienswijzen, aangezien voor beide geldt dat inhoudelijk gelijken zienswijzen zijn ingediend via zowel de digitale, als de reguliere post. De zienswijzen zijn in een aparte nota zienswijzen van een gemeentelijke reactie voorzien (zie bijlage 11). Tevens zijn er enkele ambtshalve wijzigingen in het bestemmingsplan doorgevoerd. Ook deze zijn in de nota zienswijzen benoemd.

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

39

bestemmingsplan Hoge Woerd

40

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

41

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 1

42

Beeldkwaliteitplan

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 2

Verkennend en nader bodemonderzoek

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

43

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 3

44

Aanvullend verkennend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

45

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 5

46

Akoestisch onderzoek industrielawaai

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 6

Externe veiligheid Hoge Woerd

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

47

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 7

48

Waterhuishoudkundig plan

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 8

Quickscan Wet natuurbescherming

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

49

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 9

50

Stikstofdepositieonderzoek

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 10

Verkennend archeologisch onderzoek

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

51

bestemmingsplan Hoge Woerd

Bijlage 11

52

Nota Zienswijzen

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

Regels

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

53

bestemmingsplan Hoge Woerd

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaand onder: 1.1 plan het bestemmingsplan Hoge Woerd met identificatienummer NL.IMRO.0209.BPHogeWoerd-vadf van de gemeente Beuningen; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.6 afhankelijke woonruimte een voor huisvesting van een (zelfstandig) huishouden geschikt gebouw, dat ruimtelijk ondergeschikt is aan en/of ruimtelijke een geheel vormt met het hoofdgebouw en blijvend onderdeel uitmaakt van de kavel van het hoofdgebouw. Het betreft een aangebouwd of vrijstaand bijgebouwen of een tijdelijke mantelzorgunit met een eigen toegang en eigen voorzieningen, maar wel gelegen op hetzelfde perceel en in de nabijheid van de woning waarin de zorgverlener of zorgvrager woont. De afhankelijke woonruimte is ten behoeve van mantelzorg (verlenen of ontvangen).

Het bijgebouw of de tijdelijke unit blijft een onderdeel van de bestaande woning en er is geen sprake van een nieuwe woonbestemming; 1.7 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en productiegerichte paardenhouderijen; 1.8 archeologische waarden waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk in de bodem bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde; 1.9 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.10 begane grondbouwlaag de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder; 1.11 bestaand » t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; » t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden; 1.12 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.13 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

54

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

1.14 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.15 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.16 bijgebouw een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zich daarvan door zijn constructie of geringere afmetingen visueel onderscheid; 1.17 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.18 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.19 bouwlaag een begane grond of hoger gelegen verdieping, waarbij ruimten in de kap zonder zelfstandige functie niet worden meegerekend; 1.20 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.22 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.23 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is

verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24 bouwwijze de wijze van bouwen van een hoofdgebouw, te weten vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd of gestapeld, waarbij: a. onder 'vrijstaand' wordt verstaan dat het hoofdgebouw van een woning niet begrensd is door scheidsmuren van andere hoofdgebouwen; b. onder 'twee-aaneen' wordt verstaan dat het hoofdgebouw van een woning naar één zijde door een scheidsmuur van een naastgelegen hoofdgebouw is begrensd; c. onder 'aaneengebouwd' wordt verstaan dat het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van meer dan twee hoofdgebouwen, die naar twee zijden door scheidsmuren van naastgelegen hoofdgebouwen zijn begrensd, met uitzondering van de hoofdgebouwen die de aldus gevormde rij beëindigen; d. onder 'gestapeld' wordt verstaan een gebouw, dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

1.25 detailhandel het bedrijfsmatig te koop en/of te huur aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.26 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen;

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

55

bestemmingsplan Hoge Woerd

1.27 extensief recreatief medegebruik die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën, survivaltochten en natuurgerichte recreatie zoals vogelobservatie; 1.28 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.29 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.30 huishouden één of meerdere personen die in vast verband samenleven (eventueel met (hun) kinderen) waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid; 1.31 kamer een onzelfstandige woonruimte in een woning en/of vrijstaand bijbehoren bouwwerk, die geen eigen adres heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte; 1.32 kamerbewoning bewoning van een kamer; landschappelijke waarde 1.33 de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur; 1.34 landschapstuin gronden,

gelegen binnen een agrarische bestemming, en ingericht als tuin behorende bij een direct aangrenzende (bedrijfs)woning, met dien verstande dat op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen ten behoeve van de tuininrichting en erfafscheiding zijn toegestaan; 1.35 levensloopbestendige woning een nultreden woning: alle primaire ruimten (woonkamer, keuken, toilet, hoofdslaapkamer en badkamer) liggen op één bouwlaag/verdieping. Een nultredenwoning kan een grondgebonden woning zijn of een appartement in een woongebouw. Als het appartement op een verdieping ligt, is deze bereikbaar met een lift.

1.36 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.37 natuurwaarde de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang; 1.38 niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse;

56

bestemmingsplan "Hoge Woerd" (definitief)

bestemmingsplan Hoge Woerd

1.39 paardenhouderij een uit bedrijfseconomisch oogmerk opgezette productiegerichte houderij voor paarden die uitsluitend of in hoofdzaak is gericht op het fokken, trainen, africhten en verhandelen van paarden, waarbij tevens als ondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan het geven van instructie aan ruiter en paard; hierbij zijn publieks- en/of verkeersaantrekkende activiteiten niet toegestaan; 1.40 publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksaantrekkend zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan; 1.41 seksinrichting een gelegenheid waarin beroepsmatig of bedrijfsmatig voorstellingen en/of vertoningen van hoofdzakelijk pornografische aard plaatsvinden, en/of verkoop en/of uitstalling van hoofdzakelijk goederen van pornografische en/of erotische aard plaats heeft, en/of tegen vergoeding seksuele diensten worden verricht dan wel bedrijfsmatig gelegenheid wordt gegeven tot seksuele handelingen; 1.42 voldoende parkeergelegenheid van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de gemiddelde parkeernormering zoals opgenomen in de rij 'weinig

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=dd8bf1b7-1a47-4ad1-bd97-fa95e479659d