Bijlage 29 Uitspraak Raad van State 25 juni 2025 Windpark Beuningen
Tekst van het document
In artikel 4.4.6 is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat een nieuwe windturbine slechts in gebruik mag worden genomen en gehouden indien er obstakelverlichting op die windturbine gerealiseerd is conform het verlichtingsplan zoals opgenomen in de bijlage bij de planregels. Maar de raad heeft op de zitting erkend dat bedoeld is om in artikel 4.4.6 niet alleen voor te schrijven dat de windturbines niet mogen worden gebruikt zonder dat de voorgeschreven obstakelverlichting wordt aangebracht, maar ook niet mogen worden gebouwd zonder die verlichting. Gelet hierop heeft de raad in het plan iets anders geregeld dan de raad heeft beoogd. Daarom is het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. 39.5. Over het betoog dat onduidelijk is welke eisen er ingevolge het verlichtingsplan worden
35
gesteld aan obstakelverlichting, overweegt de Afdeling het volgende. In de bijlage bij de regels van het herstelbesluit is het document "Verlichtingsplan Windpark Beuningen" van Bosch & Van Rijn van 16 januari 2023 (hierna: het verlichtingsplan) opgenomen. Dat document bevat een beschrijving van het verlichtingsplan voor de obstakelverlichting van de windturbines op basis van het ‘Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland’ van het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (versie juni 2020). Dit document bevat uitgangspunten voor obstakelverlichting voor windturbines op land. Op pagina 3 en 4 van het verlichtingsplan staan onder het kopje ‘Verlichtingsplan’ de eisen die aan de obstakelverlichting voor windpark Beuningen worden gesteld. Daarin staat onder meer dat alle windturbines worden voorzien van obstakellichten, dat in de dag- en schemerlichtperiode de windturbines worden uitgerust met een wit flitsend licht op de gondel met een gemiddelde lichtintensiteit van type A, en dat de windturbines in de nachtperiode worden uitgerust met een rood vast brandend licht op de gondel met gemiddelde lichtintensiteit van type C. Hierbij wordt ook gewezen op figuur 1 waarin de verschillende typen obstakellichten nader worden gespecificeerd.
Het verlichtingsplan bevat verder verschillende eisen voor de obstakelverlichting in relatie tot de hoogte van de windturbines, en op welke delen en hoogten obstakelverlichting moet worden aangebracht. Ook bevat het verlichtingsplan eisen ten aanzien van de beperking van de lichtintensiteit bij helder zicht, de kleurstelling en het aanbrengen van zichtmeters. Vervolgens zijn in figuur 2 en 3 twee principetekeningen opgenomen waarop schetsmatig is weergegeven hoe de obstakelverlichting bij dag- en schemerlicht en in de nachtperiode eruit moet komen te zien. Figuur 3 vermeldt hierbij dat in de nachtperiode, in plaats van rood vast brandend licht, ook rood flitsende obstakelverlichting (20-60 flitsen per minuut) met een gemiddelde lichtintensiteit van type C op de gondel van de windturbines mag worden aangebracht. 39.6. De Afdeling overweegt dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat hij het vanuit het oogpunt van vliegverkeerveiligheid en het woon- en leefklimaat van omwonenden aanvaardbaar acht dat gedurende de nachtperiode rood, vastbrandend licht met gemiddelde lichtintensiteit van type C wordt gehanteerd.
Maar de Afdeling stelt vast dat het op basis van de eisen en de principetekeningen, in het bijzonder figuur 3, die zijn opgenomen in het verlichtingsplan niet is uitgesloten dat in de nachtperiode ook rood flitsende obstakelverlichting kan worden toegepast op de windturbines. Omdat het verlichtingsplan op dit punt onduidelijk is en daarin niet precies tot uiting is gekomen wat de raad heeft beoogd, komt de Afdeling tot het oordeel dat de verwijzing in artikel 4.4.6 van de planregels van het herstelbesluit naar het verlichtingsplan in strijd moet worden geacht met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt. 39.7. Over het betoog van Rondeel Ewijk B.V. over artikel 4.4.6, onder b, van de planregels van het herstelbesluit, overweegt de Afdeling dat daarmee is beoogd enige mate van flexibiliteit te laten in het plan voor het geval op een andere geschikte wijze aan de eisen omtrent obstakelverlichting van de ILT kan worden voldaan. In het aangevoerde ziet de Afdeling niet dat de raad deze flexibiliteitsbepaling redelijkerwijs niet heeft kunnen opnemen. Het betoog geeft ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het belang van vliegverkeersveiligheid hiermee onvoldoende is gewaarborgd omdat bij toepassing van die bepaling aan de eisen omtrent obstakelverlichting van de ILT zal moeten worden voldaan. Het betoog slaagt niet. 39.8. Over het betoog van Rondeel Ewijk B.V.
dat bij de verlening van de ontheffing van het
36
beschermingsregime voor soorten uit de Wnb geen rekening is gehouden met de eisen die worden gesteld aan obstakelverlichting, overweegt de Afdeling dat artikel 1.6a van de Crisisen herstelwet (hierna: de Chw) bepaalt dat dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet bepaalt dat de raad bij de bekendmaking van een besluit moet vermelden dat de beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld. Dit heeft de raad gedaan. Rondeel Ewijk B.V. heeft voor het eerst naar aanleiding van het herstelbesluit een beroepsgrond over de Wnb-ontheffing naar voren gebracht, die het college van gedeputeerde staten bij besluit van 13 december 2021 heeft verleend. Maar het herstelbesluit ziet niet op die beschikking, maar alleen op het bestemmingsplan. Daarom blijft de grond op grond van artikel 1.6a Chw buiten beschouwing. (Externe) veiligheid IJsafslag- en afworp 40. De Stichting en anderen vrezen voor veiligheidsrisico’s als gevolg van ijsafslag- en afworp. Hier is ten onrechte geen onderzoek naar gedaan. Weliswaar staat in het combiMER dat bij de positionering van windturbine 4 ijsafval een rol heeft gespeeld, maar dit wordt voor windturbine 2 nergens vermeld, terwijl ook deze windturbine over de weg heen komt te hangen.
Ook over ijsafworp zwijgt het externe veiligheidsonderzoek. Het ijsdetectiesysteem met stilstandvoorziening dat is voorgeschreven in de planregels biedt geen oplossing voor stilstaande windturbines die over de openbare weg heen hangen. 40.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er wel rekening is gehouden met ijsafworp- en afslag. De raad wijst op paragraaf 11.6.5 van het MER, waarin uitdrukkelijk op deze aspecten is ingegaan. Ook is in artikel 4.4.1 van de planregels vastgelegd dat de windturbines moeten zijn uitgerust met een ijsdetectiesysteem dat de windturbines stilzet die over een openbare weg draaien als sprake is van ijsvorming. 40.2. Artikel 4.4.1 van de planregels luidt: "Het in gebruik nemen en houden van de windturbines is slechts toegestaan indien deze zijn uitgerust met een ijsdetectiesysteem dat windturbines die over een openbare weg draaien stilzet in geval van ijsvorming.". 40.3. Paragraaf 10.6 van het combiMER gaat in op het de externe veiligheid. Paragraaf 11.6.2 vermeldt dat voor ijsafworp geen wettelijk kader geldt en in het combiMER geen beoordelingscriterium is opgenomen. Wel is onderzocht wat het risico is dat ijs op nabijgelegen wegen terechtkomt. In paragraaf 11.1 staat dat bij de positionering van windturbine 4 ijsafval een rol heeft gespeeld.
De windturbine is dusdanig geplaatst dat deze wordt stilgezet in een vooraf bepaalde positie, zodat er geen ijsafval plaatsvindt op een openbare weg. In paragraaf 11.6.1 staat dat buiten de eerdergenoemde (wettelijke) toetsingskaders als het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Handreiking Risicozonering Windturbines, de windturbines ook dienen te voldoen aan eisen omtrent interne veiligheid. Daarbij gaat het om voorzieningen in en aan de windturbines zelf die de kans op onveilige situaties (onder meer brand, elektrocutie, en de afworp van ijsafzettingen) zo klein mogelijk maken. Deze voorzieningen gelden voor elk type turbine in elke willekeurige opstelling. Deze veiligheidsvoorzieningen zijn samengevat in een geobjectiveerd eisen- pakket NVN 11400-0 "Windturbines, voorschriften voor typecertificatie, technische eisen" of haar opvolger IEC 61400-1 "Wind Turbine Safety and Design". Windturbines moeten zijn voorzien van een geldig certificaat conform de hierboven genoemde normen.
37
40.4. In wat de Stichting en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op het vorenstaande geen aanknopingspunt voor de conclusie dat onvoldoende rekening is gehouden met de veiligheidsrisico’s vanwege ijsafslag of -afworp. De raad heeft op basis van de beschrijving van de risico’s in het MER, de positionering van windturbine 2 en 4 en de certificering voor interne veiligheidsrisico’s, voldoende aannemelijk kunnen achten dat zich vanwege de realisatie van het windpark geen onaanvaardbare veiligheidsrisico’s kunnen voordoen vanwege ijsafslag en -afworp. Ook is in artikel 4.4.1 van de planregels voorgeschreven dat de windturbines waarbij zich overdraai voortdoet, moeten zijn voorzien van een ijsdetectiesysteem gekoppeld aan een automatische stilstandvoorziening. Over het argument van de Stichting en anderen dat dit ijsdetectiesysteem met automatische stilstandvoorziening niet het risico wegneemt dat de windturbine op het moment van stilzetten over de openbare weg hangt en daar blijft hangen en aldus nog steeds een risico voor ijsafslag of ijsafworp op de openbare weg veroorzaakt, overweegt de Afdeling dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat als zich ijsafzetting voordoet, de windturbines 2 en 4 worden stilgezet én van de weg worden afgedraaid, zodat zij niet boven de weg (blijven) hangen. Dit alles bij elkaar heeft de raad een voldoende waarborg mogen achten.
Het betoog slaagt niet. Laagvliegzone 41. De Stichting en anderen betogen dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met het laagvlieggebied ‘Maas / Waal’. Dat dit gebied niet reikt tot de gemeentegrenzen van Beuningen doet er niet aan af dat er in de praktijk veelvuldig laag over het gebied heen wordt gevlogen. Daarom had uit voorzorg een bandbreedte rondom het laagvlieggebied heen vrijgehouden moeten worden. De Stichting en anderen wijzen op de risico’s van het zogeheten ‘wake effect’ van windturbines voor het vliegverkeer, wat turbulentie veroorzaakt. 41.1. De raad meent dat voldoende rekening is gehouden met het laagvlieggebied en de risico’s voor de vliegverkeersbewegingen van defensie in en rondom het plangebied. Het laagvlieggebied reikt niet tot de gemeente Beuningen. Verder is er een radartoets opgesteld door TNO, die als bijlage J bij de plantoelichting is gevoegd. Deze toets is opgestuurd naar het ministerie van Defensie. Het ministerie van Defensie heeft vervolgens aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de realisatie van het windpark. 41.2. Bijlage A bij het combiMER bevat de notitie ‘Ruimtelijke beperkingen gemeente Beuningen’. Hierin is onder meer ingegaan op de aanwezigheid van laagvliegroutes en luchtvaartbegeleiding.
In paragraaf 2 van deze notitie staat dat de laagvliegroutes voor gevechtsvliegtuigen niet over het grondgebied van de gemeente Beuningen lopen. Voor laagvlieggebieden geldt geen wettelijke bescherming. Deze bevinden zich wel nabij de gemeentegrenzen. In paragraaf 3 staat hierover dat in de nabijheid van de gemeente Beuningen zich het laagvlieggebied Maaswaal evenals een laagvliegroute voor helikopters bevinden. Dit gebied en deze vliegroute liggen buiten de gemeentegrenzen. Deze constatering, in combinatie met het feit dat deze gebieden in de provincie Gelderland geen status hebben als belemmering voor windenergie, leidt ertoe dat militaire laagvlieggebiedenen routes niet als belemmering worden gezien voor de ontwikkeling van het windpark. Het Ministerie van Defensie stelt het op prijs als eventuele voornemens voor het plaatsen van windturbines nabij een militair laagvlieggebied tijdig worden gemeld, zo wordt vermeld in de notitie. Geconcludeerd wordt dat er geen andere relevante belemmeringen omtrent radar en luchtvaart gelden voor de gemeente Beuningen, anders dan het beschermingsvlak voor
38
Defensieradar, dat een vrijwel landelijke dekking kent. Hiervoor moet een radarhindertoetsing worden uitgevoerd waaruit blijkt dat windturbines die ruimtelijk mogelijk worden gemaakt, met een bestemmingsplan en/of omgevingsvergunning, geen ontoelaatbare radarhinder veroorzaken. Deze radartoetsing is uitgevoerd door TNO en de resultaten hiervan zijn opgenomen in het memo "Radarhindertoetsing windpark Beuningen" van 23 november 2020, dat als bijlage J bij de plantoelichting is opgenomen. 41.3. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op wat in de notitie ‘Ruimtelijke beperkingen gemeente Beuningen’ is beschreven, de raad zich in voldoende mate heeft vergewist van het nabij het windpark gelegen laagvlieggebied en de laagvliegroute voor helikopters. Wat de Stichting en anderen in dit verband hebben aangevoerd, geeft geen grond voor de conclusie dat onvoldoende rekening is gehouden met de risico’s voor de militaire luchtvaart. Voor het oordeel dat, zoals De Stichting en anderen hebben aangevoerd, een bufferzone rondom het laagvlieggebied en de laagvliegroute moet worden gehanteerd, heeft de raad in dit licht redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien. Het betoog slaagt niet. Helihaven 42. [appellant sub 4] betoogt dat bij de positionering van de windturbines onvoldoende rekening is gehouden met de aanwezigheid van de helihaven op zijn perceel.
De gebruiksregel die aan de regels van het plan is toegevoegd, biedt volgens [appellant sub 4] onvoldoende waarborgen voor de vliegveiligheid. In artikel 4.4.2 staat niet dat deze bepaling ook betrekking heeft op de helihaven. [appellant sub 4] voert verder aan dat de in artikel 4.4.2 genoemde Verklaring Veilig gebruik Luchtruim had moeten zijn verleend voorafgaand aan de vaststelling van het plan. [appellant sub 4] betoogt verder dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de inhoud van de rapporten van 20 juli 2021 en 16 september 2021 van Adecs AirInfra, waarin de effecten van de toekomstige windturbines op het vliegverkeer vanwege de helihaven zijn onderzocht. Uit die rapporten blijkt bovendien dat er sprake is van leemten in kennis. 42.1. Artikel 4.4.2 van de planregels luidt: "Het in gebruik nemen en houden van de windturbines is slechts toegestaan nadat hiervoor een Verklaring Veilig gebruik Luchtruim van de Inspectie Leefomgeving en Transport is afgegeven." 42.2. De raad wijst erop dat in artikel 4.4.2 is neergelegd dat het windpark slechts in gebruik mag worden genomen en gehouden nadat hiervoor een Verklaring Veilig gebruik Luchtruim is afgegeven door de ILT. In opdracht van de gemeente en initiatiefnemers heeft Adecs AirInfra onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de helihaven.
De resultaten van deze onderzoeken zijn vastgelegd in de rapporten ‘Helihaven Winssen i.r.t. Windpark Beuningen' van 20 juli 2021 en ’Onderzoek turbulentie nabij helihaven Winssen' van 16 september 2021. Het eerste onderzoek is een meer algemeen onderzoek naar de gevolgen van Windpark Beuningen voor de helihaven. Daarin is geconstateerd dat enkele windturbines mogelijk verstoringen voor helikopters op de helihaven veroorzaken. Om deze verstoringen in kaart te brengen is het aanvullende onderzoek uitgevoerd. In het aanvullende onderzoek wordt geconcludeerd dat als een aantal windturbines van Windpark Beuningen wordt stilgezet wanneer een helikoper gebruikmaakt van de helihaven en wanneer een bepaalde windrichting en -snelheid optreedt, er geen verstoringen voor de helihaven optreden. De definitieve te treffen voorzieningen zijn afhankelijk van het type windturbines. Hiermee is volgens de raad aannemelijk dat de Verklaring Veilig Gebruik Luchtruim kan worden verleend
39
en is geborgd dat er geen onveilige situaties kunnen ontstaan bij het opstijgen en landen van helikopters. Daarnaast wijst de raad erop dat uit het geanonimiseerde logboek van de helihaven [appellant sub 4] blijkt dat in de periode tussen 2011-2020 niet meer dan 27 keer gebruik is gemaakt van de helihaven (bijlage 8). Dit komt neer op nog geen 3 keer per jaar. Het eventueel tijdelijk stilzetten van de windturbines bij gebruik van de helihaven zal dan ook niet of nauwelijks van betekenis zijn voor (het functioneren van) het windpark. 42.3. De Afdeling stelt vast dat uit de rapporten van Adecs AirInfra volgt dat het mogelijk is om zowel het windpark als de helihaven in elkaars nabijheid te laten functioneren. Maar hiervoor is het nodig om enkele windturbines bij bepaalde windomstandigheden stil te zetten, zodat er geen verstoringen voor de helihaven optreden. Daarvoor moet, zoals blijkt uit de rapporten van Adecs AirInfra, nadere afstemming plaatsvinden met [appellant sub 4] over het gebruik van de helihaven en moet een technische voorziening worden gerealiseerd waarmee de windturbines kunnen worden stilgezet. De raad heeft aangegeven dat het in dit licht aannemelijk is dat een Verklaring Veilig Gebruik Luchtruim door de ILT kan worden afgegeven.
Maar de Afdeling is er onvoldoende van overtuigd geraakt of, in het licht van het vorenstaande en wat de raad op de zitting heeft verklaard, aannemelijk is dat de benodigde verklaring door de ILT kan worden afgegeven. Daarvoor acht de Afdeling het relevant dat de raad nog geen eerdere ervaringen heeft met het aanvragen van zo’n verklaring, dat niet precies duidelijk is wanneer en onder welke omstandigheden de ILT een verklaring afgeeft, dat er nog geen afstemming heeft plaatsgevonden met [appellant sub 4] en dat het onduidelijk is of een technische voorziening gerealiseerd kan worden. In dit licht heeft de raad onvoldoende aannemelijk kunnen achten dat het bepaalde in artikel 4.4.2 van de planregels op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Het besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt. Woon- en leefklimaat en bedrijfsbelangen - [appellant sub 1] en anderen: cumulatieve geluidbelasting en tuinen 43. [appellant sub 1] en anderen vrezen hinder als gevolg van de cumulatieve geluidbelasting. Daarbij wijzen zij erop dat het geluid van de windturbines bovenop het al aanwezige geluid van de A73 en andere geluidbronnen zal komen, zoals airconditioningsinstallaties op winkels en bedrijfspanden en muziekgeluid van sportscholen en horeca.
Daarbij is volgens [appellant sub 1] en anderen ook relevant dat een deel van die andere geluiden in de nacht zal wegvallen, waardoor het windturbinegeluid in de nacht zal zorgen voor slaapverstoring. Hierbij wijzen zij op literatuuronderzoek van het RIVM, waarin is vermeld dat windturbines kunnen zorgen voor slaapverstoring. Ook zal het door het windturbinegeluid niet meer mogelijk zijn in de nacht met open ramen te slapen. [appellant sub 1] en anderen wijzen erop dat uit het Akoestisch onderzoek blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting, die in de huidige situatie al te hoog is, zal toenemen als gevolg van de voorziene windturbines. Ook het woonen leefklimaat in de tuinen zal daardoor onaanvaardbaar worden aangetast, zo betogen [appellant sub 1] en anderen. 43.1. In het Akoestisch onderzoek is ingegaan op de cumulatieve geluidbelasting. Daarin is in Tabel 22 de cumulatieve geluidbelasting weergegeven van woningen waar de geluidbelasting als gevolg van het VKA 42 dB Lden of meer bedraagt. Van de personen die tot [appellant sub
40
1] en anderen horen, zijn alleen de woonadressen Kooistraat 6 in Winssen en de Steeg 12 in Ewijk weergegeven als woningen waar de geluidbelasting als gevolg van het VKA 42 dB Lden of meer bedraagt. [appellant sub 1] en anderen hebben niet gesteld dat dit onjuist is. Voor de Kooistraat 6 in Winssen verandert de cumulatieve geluidbelasting van 51 dB Lcum in de situatie zonder de voorziene windturbines naar 54 dB Lcum bij het VKA-boven met mitigatie. Daarmee gaat de GES-score van "redelijk" naar "matig". Voor de Steeg 12 in Ewijk verandert de cumulatieve geluidbelasting van 58 dB Lcum in de situatie zonder de voorziene windturbines naar 59 dB Lcum bij het VKA-boven met mitigatie. Daarmee blijft de GES-score "zeer matig". In het Nader onderzoek diverse geluidsaspecten van LBP Sight van 25 november 2022 (hierna: het Nader onderzoek van LBP Sight) is bevestigd dat in het onderzoek naar de cumulatieve geluidbelasting onder meer het wegverkeersgeluid is betrokken. Ook is in het Nader onderzoek van LBP Sight uitgelegd waarom verschillende andere zeer lokale geluidbronnen, zoals airconditioningsinstallaties op winkels en bedrijfspanden en muziekgeluid van sportscholen en horeca niet zijn betrokken bij de beoordeling van de cumulatieve geluidbelasting. Die uitleg komt de Afdeling aannemelijk voor en [appellant sub 1] en anderen zijn hier niet op ingegaan.
Naar het oordeel van de Afdeling bestaat daarom geen aanleiding voor de conclusie dat deze andere zeer lokale geluidbronnen moesten worden betrokken bij de beoordeling van de cumulatieve geluidbelasting. Met wat [appellant sub 1] en anderen verder aanvoeren over het wegvallen van bepaalde geluidbronnen in de nacht, waardoor het overblijvende windturbinegeluid zal zorgen voor slaapverstoring, gaan zij naar het oordeel van de Afdeling voorbij aan de norm van 41 dB Lnight die juist voor de nachtperiode is gesteld. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de raad en het college van B en W de toename van de cumulatieve geluidbelasting bij de onderzochte woningen van [appellant sub 1] en anderen redelijkerwijs aanvaardbaar mogen achten. Daarbij hebben de raad en het college van B en W mogen betrekken dat de toenames van de GES-scores gering zijn en dat de GES-score voor de Steeg 12 in Ewijk weliswaar "zeer matig" is, maar dat deze dat ook zonder windturbines al is. Over de geluidbelasting in de tuinen hebben de raad en het college van B en W zich op het standpunt gesteld dat deze in het slechtste geval 3 dB(A) hoger is dan de geluidbelasting op de gevels en dat, omdat de geluidbelasting op de gevels acceptabel wordt geacht, dat ook geldt voor de geluidbelasting in de tuinen. [appellant sub 1] en anderen zijn hier niet concreet op ingegaan.
Naar het oordeel van de Afdeling hebben de raad en het college van B en W ook de geluidbelasting in de tuinen redelijkerwijs aanvaardbaar mogen achten. Het betoog slaagt niet. - [appellant sub 1] en anderen: uitzicht 44. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het windpark zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun uitzicht. 44.1. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de raad en het college van B en W de aantasting van het uitzicht van [appellant sub 1] en anderen redelijkerwijs aanvaardbaar mogen achten. Daarbij hebben de raad en het college van B en W gewezen op de afstand tussen de woningen van [appellant sub 1] en anderen en de windturbines en de omstandigheid dat daartussen de weg A73 is gelegen en sprake is van begroeiing. Verder hebben de raad en het college van B en W gewezen op het grote belang bij duurzame energieopwekking. Het betoog slaagt niet. - [appellant sub 1] en anderen: toekomstige windturbines 45. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad en het college van B en W bij de beoordeling van de effecten van het voorliggende windpark op hun woon- en
41
leefklimaat rekening hadden moeten houden met toekomstige windturbines bij het bedrijventerrein Bijsterhuizen, kan dat betoog niet slagen. Daartoe is van belang dat op het moment van de vaststelling van het herstelbesluit en de verlening van de voorliggende omgevingsvergunning, de besluitvorming over de door [appellant sub 1] en anderen bedoelde toekomstige windturbines in de omgeving nog niet zo concreet was dat daarmee bij de beoordeling van de effecten van het voorliggende windpark op het woon- en leefklimaat rekening had moeten worden gehouden. Het betoog slaagt niet. - De Stichting en anderen: wegverkeer en helihaven 46. De Stichting en anderen betogen tevergeefs dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van het geluid van een nabijgelegen helihaven en de wegen A73, A50 en N322. Daar is namelijk wel rekening mee gehouden. In het Nader onderzoek van LBP Sight is toegelicht dat in het onderzoek naar de cumulatieve geluidbelasting onder meer het wegverkeersgeluid is betrokken. Ook is in het Nader onderzoek van LBP Sight uitgelegd dat het geluid van de betreffende helihaven nauwelijks effect heeft op de cumulatieve geluidbelasting van de voorziene windturbines. Met het geluid van de helihaven is dus ook rekening gehouden. Het betoog slaagt niet. - Rondeel Ewijk B.V.: (laagfrequent)geluid en kippenrondeel 47. Rondeel Ewijk B.V.
betoogt dat het (laagfrequent) geluid van het windpark zal leiden tot negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering van zijn kippenrondeel en het dierenwelzijn van de kippen die daarin verblijven. Eén van de windturbines is voorzien op een afstand van ongeveer 120 m van de kippenrondeel. Rondeel Ewijk B.V. wijst op Pools onderzoek uit 2015 over het effect van verschillende afstanden van windturbines tot varkens, waarbij is gebleken dat het geluid van windturbines bij varkens stress veroorzaakte en een negatief effect had op de vleeskwaliteit en het dierenwelzijn. Ook wijst Rondeel Ewijk B.V. op een notitie van Wageningen University & Research van november 2018, waarin onder meer het Pools onderzoek uit 2015 wordt aangehaald. 47.1. In het Veegmemo is vermeld dat het windpark ter plaatse van de kippenrondeel voor een geluidbelasting van 51,2 dB Lden zal zorgen. Volgens het Veegmemo komt dit overeen met een jaargemiddelde geluidbelasting van circa 45 dB(A) en is de maximale momentane geluidbelasting daarbij circa 48 dB(A). Volgens het Veegmemo zijn die geluidbelastingen te laag om geluidoverlast te geven bij dieren in stallen. Verder is in het Veegmemo vermeld dat de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van het windpark zal toenemen van 61,13 dB Lcum naar maximaal 61,6 dB Lcum.
Dat deze toename zo beperkt is, komt volgens het Veegmemo doordat de geluidbelasting als gevolg van de windturbines aanzienlijk minder zal zijn dan de bestaande geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer. Daarnaast is in het Nader onderzoek van LBP Sight vermeld dat weinig kennis beschikbaar is over het effect van de geluidbelasting van windturbines op pluimvee. Weliswaar is er onderzoek waarin is geconcludeerd dat hoge geluidniveaus van invloed kunnen zijn op het (eet-)gedrag van pluimvee, maar dat gaat om veel hogere geluidniveaus dan hier het geval zou zijn. Bovendien zijn in dit geval de geluidniveaus van het wegverkeer hoger, zodat aannemelijk is dat het wegverkeersgeluid meer invloed zal hebben dan het windturbinegeluid, zo stelt het Nader onderzoek van LBP Sight. Verder is volgens het Nader onderzoek van LBP Sight niet aannemelijk dat pluimvee gehinderd zou zijn door het karakter van windturbinegeluid, omdat kleinere dieren dan de mens minder goed laagfrequent geluid kunnen waarnemen. In het Nader onderzoek van LBP Sight wordt ook de notitie van Wageningen University & Research van november 2018 aangehaald. Daarin is vermeld dat het hoorbare geluid in de buurt van windturbines (circa 55 dB(A) op 50 m) te zacht is om echt geluidoverlast te geven bij dieren in
42
stallen. Hierbij is vermeld dat in kippenstallen het hoorbaar geluidniveau vaak al op 65 dB(A) ligt door ventilatoren, kippengeluiden en voersystemen. Het is echter de vraag wat het effect is van laagfrequent geluid door windturbines. Er zijn wat suggesties dat dit van invloed kan zijn op dieren, maar echt hard bewijs ontbreekt, zo staat in de notitie van Wageningen University & Research van november 2018. 47.2. Rondeel Ewijk B.V. voert verschillende punten aan over het Nader onderzoek van LBP Sight. Allereerst betoogt Rondeel Ewijk B.V. in dat kader tevergeefs dat in het Nader onderzoek van LBP Sight niet onderbouwd wordt gesteld dat de literatuur over effecten van treingeluid van 42 tot 49 dB(A) op de dichtheid van wilde vogels en weidevolgels niet relevant is voor de effecten van windturbinegeluid op pluimvee in de kippenrondeel, omdat die situaties niet vergelijkbaar zijn. Hoewel Rondeel Ewijk B.V. terecht stelt dat die literatuur ziet op lagere geluidniveaus dan de geluidniveaus van de voorziene windturbines, is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk dat de onvergelijkbaarheid is gelegen in het feit dat de betreffende literatuur ziet op effecten van geluid op de dichtheid van wilde vogels en weidevogels in plaats van op effecten van geluid op het welzijn of de productie van pluimvee in een kippenstal. Ook betoogt Rondeel Ewijk B.V.
tevergeefs dat in het Nader onderzoek van LBP Sight ten onrechte is gesteld dat het wegverkeersgeluid meer invloed heeft dan het windturbinegeluid. Dat de wegen die het wegverkeersgeluid ter plaatse van de kippenrondeel veroorzaken verder weg zijn gelegen dan de voorziene windturbine, neemt namelijk niet weg dat het wegverkeersgeluid in dit geval hoger is. Voor zover Rondeel Ewijk B.V. betoogt dat in het Nader onderzoek van LBP Sight ten onrechte is gesteld dat windturbinegeluid weinig tot geen plotselinge verhogingen kent zoals wegverkeersgeluid door bijvoorbeeld vrachtwagens, kan dat betoog niet slagen. Voor zover Rondeel Ewijk B.V. daarbij wijst op het zwiepende en zoevende windturbinegeluid, betekent dat namelijk nog niet dat dit vergelijkbaar is met de plotselinge verhogingen van wegverkeersgeluid door bijvoorbeeld vrachtwagens die in het Nader onderzoek van LBP Sight zijn bedoeld. Voor zover Rondeel Ewijk B.V. betoogt dat het Nader onderzoek van LBP Sight deels is gebaseerd op de notitie van Wageningen University & Research van november 2018, terwijl die notitie ziet op andere soorten pluimvee en uitgaat van een grotere afstand van de windturbines, doet dit niets af aan de conclusie in die notitie dat onduidelijk is wat het effect van het laagfrequent van windturbines is op kippen in stallen, maar dat hard bewijs ontbreekt dat dit van invloed kan zijn op dieren.
Het betoog slaagt in zoverre niet. 47.3. Rondeel Ewijk B.V. betoogt terecht dat de raad en het college van B en W ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de maximale planologische mogelijkheden voor de uitbreiding van de kippenrondeel in de richting van de windturbine die op ongeveer 120 m van de kippenrondeel is voorzien. Anders dan de raad en het college van B en W op de zitting hebben gesteld, is het bouwvlak van de kippenrondeel in het bestemmingsplan "Buitengebied" nog bijna 10 m in de richting van die windturbine gelegen. Dit betekent dat in de berekeningen van de geluidbelasting ter plaatse van de kippenrondeel ten onrechte geen rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheid van een uitbreiding van de kippenrondeel in de richting van de dichtstbij voorziene windturbine. Het betoog slaagt. - [appellant sub 4]: camping 48. [appellant sub 4] betoogt dat de raad en het college van B en W onvoldoende rekening hebben gehouden met de gevolgen van het windpark voor zijn camping. [appellant sub 4] wijst erop dat de camping op ongeveer 440 m van de voorziene windturbines is gelegen. [appellant sub 4] vreest voor het voortbestaan van de camping vanwege het
43
windturbinegeluid dat de campinggasten zullen ervaren en het verslechterde uitzicht dat zij als gevolg van de windturbines zullen hebben. Bij het windturbinegeluid moet daarbij volgens [appellant sub 4] ook rekening worden gehouden met de reflectie van geluid door de wateroppervlakten van Geertjesgolf. Verder wijst [appellant sub 4] op een artikel van Hiswa Recon van december 2021 over de effecten van windturbines op de recreatie- en toerismesector in Voorthuizen en Zeumeren. 48.1. De raad en het college van B en W wijzen erop dat tussen het windpark en de camping de woning aan de Betenlaan 3 in Winssen is gelegen. Voor die woning zal de geluidbelasting als gevolg van het windpark met mitigerende maatregelen maximaal 42 dB Lden en 34 dB Lnight bedragen. In de berekening waarbij de bodemvlakken van Geertjesgolf vanwege de wateroppervlakten "worst case" geheel als harde bodem zijn betrokken, zal deze geluidbelasting beperkt toenemen met 0,10 dB. Verder zal de cumulatieve geluidbelasting voor de woning aan de Betenlaan 3 als gevolg van het windpark met mitigerende maatregelen nagenoeg gelijk blijven.
Wat betreft het uitzicht wijzen de raad en het college van B en W erop dat de afstand tussen de camping en de twee westelijke windturbines meer dan 500 m is en dat daartussen de gebouwen van de boerderij, langgerekte bomenlinten aan weerszijden van de Betenlaan en de N322, die overgaat in de A73 en de A50, zijn gelegen. Daarom zal er vanaf de camping geen of slechts beperkt zicht zijn op de twee westelijke windturbines. Verder zijn de drie oostelijke windturbines op een afstand van meer dan 2 km van de camping voorzien, zo stellen de raad en het college van B en W. 48.2. Gelet op het voorgaande hebben de raad en het college van B en W naar het oordeel van de Afdeling, op grond van de geluidbelasting die voor de woning aan de Betenlaan 3 is berekend, de geluidbelasting van het windpark op de camping van [appellant sub 4] redelijkerwijs aanvaardbaar mogen achten. Daarbij betrekt de Afdeling dat de geluidbelasting van maximaal 42 dB Lden en 34 dB Lnight, welke als gevolg van de "worst case" berekening van de wateroppervlakten van Geertjesgolf met 0,10 dB toeneemt, ruim onder de norm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight blijft, welke norm de raad en het college van B en W voor dit windpark hebben gehanteerd voor gevoelige objecten. Ook zal de cumulatieve geluidbelasting nagenoeg gelijk blijven.
Weliswaar heeft [appellant sub 4] op de zitting terecht gesteld dat een tent minder tegen geluid zal beschermen dan de muren van een woning, maar alleen dat gegeven is, gelet op de omstandigheid dat ruim onder de norm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight wordt gebleven, onvoldoende voor de conclusie dat de geluidbelasting ter plaatse van de camping onaanvaardbaar zal zijn en daarmee het voortbestaan van de camping in gevaar zal brengen. Daarnaast zal het uitzicht vanaf de camping door de komst van het windpark veranderen, maar gelet op de afstand en de tussengelegen bebouwing, bomen en wegen hebben de raad en het college van B en W dit naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs aanvaardbaar mogen achten. Met het overleggen van het artikel van Hiswa Recon van december 2021, over de effecten van windturbines op de recreatie- en toerismesector in Voorthuizen en Zeumeren, heeft [appellant sub 4], alleen al omdat de daarin beschreven situatie niet vergelijkbaar is met de voorliggende situatie, niet aannemelijk gemaakt dat het hier voorliggende windpark onaanvaardbare negatieve effecten zal hebben op het voortbestaan van zijn camping. Ook geeft dit artikel geen aanleiding voor de conclusie dat de raad en het college van B en W ten onrechte niet meer onderzoek hebben gedaan naar de gevolgen van het windpark voor de camping dan zij al hebben gedaan. Het betoog slaagt niet.
- [appellant sub 4]: Calf Research Center 49. [appellant sub 4] betoogt dat de gevolgen van het windpark voor zijn Calf Research Center ten onrechte niet zijn onderzocht. Met het Calf Reseach Center houdt [appellant sub
44
4] vleeskalveren, onder meer voor onderzoek. Volgens [appellant sub 4] is het voor dat onderzoek van belang dat de omstandigheden, waaronder het omgevingsgeluid, stabiel blijven. [appellant sub 4] vreest daarom voor de gevolgen van het windturbinegeluid. 49.1. De raad en het college van B en W wijzen erop dat het Calf Research Center op ongeveer 450 m van de dichtstbij voorziene windturbine is gelegen. Daartussen is ook nog de N322 gelegen. Daarom valt volgens de raad en het college van B en W niet te verwachten dat het windpark voor een onaanvaardbare geluidbelasting ter plaatse van het Calf Research Center zal zorgen. Gelet daarop en omdat [appellant sub 4] de eerst in de zienswijze op het nader besluit van 28 februari 2023 aangevoerde vrees voor de gevolgen van het windturbinegeluid op het Calf Research Center niet nader heeft onderbouwd, hebben de raad en het college van B en W zich naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs op het standpunt mogen stellen dat een specifiek onderzoek naar de geluidbelasting ter plaatse van het Calf Research Center achterwege kon blijven. Het betoog slaagt niet. - [appellant sub 4]: helihaven 50. [appellant sub 4] betoogt dat onduidelijk is hoe de berekening en conclusies in paragraaf 5 van het Nader onderzoek van LBP Sight over het geluid van zijn helihaven tot stand zijn gekomen.
Volgens [appellant sub 4] is namelijk onduidelijk hoe de daar vermelde geluidbelasting van de helihaven ter plaatse van bepaalde woningen zich verhoudt tot de vermelde geluidbelastingen voor diezelfde woningen in tabel 1 van het Veegmemo. Verder is de inpandige woning aan de Betenlaan 5 ten onrechte niet bij de berekeningen betrokken en is onduidelijk welke functie het op p. 9 van het Nader onderzoek van LBP Sight vermelde controlepunt heeft, zo betoogt [appellant sub 4]. Daarnaast heeft [appellant sub 4] een overzicht van het aantal helikoptervluchten vanuit zijn helihaven in 2022 overgelegd. 50.1. In paragraaf 5 van het Nader onderzoek van LBP Sight is de geluidbelasting van de helihaven ter plaatse van verschillende woningen weergegeven. Op basis van die resultaten is daarbij uitgelegd dat het geluid van de helihaven nauwelijks effect heeft op de cumulatieve geluidbelasting van de voorziene windturbines en dat op het controlepunt op maximaal 100 m het geluid van de helihaven onder de 56 dB Lden blijft en daarom niet als luchtvaartlawaai hoeft te worden betrokken bij de cumulatieve geluidbelasting van de voorziene windturbines. Daarbij is toegelicht dat er voor de berekeningen van uit is gegaan dat vanaf de helihaven zes vliegbewegingen per week mogen plaatsvinden.
Voor zover [appellant sub 4] met het overgelegde overzicht van het aantal helikoptervluchten in 2022 betoogt dat van meer dan zes vliegbewegingen per week had moeten worden uitgegaan, kan dat betoog alleen al niet slagen, omdat op de zitting is vastgesteld dat niet in geschil is dat maximaal zes vliegbewegingen per week zijn toegestaan. Verder heeft de raad in het nader verweerschrift van 17 juli 2023 nader toegelicht dat tabel 1 van het Veegmemo ziet op een geheel andere situatie, namelijk de geluidbelasting van de voorziene windturbines uitgaand van een volledig harde bodem van Geertjesgolf en dat het geluid van de helihaven daarvoor niet van belang is. Ook heeft de raad daarin nader toegelicht dat de woning aan de Betenlaan 5 een inpandige ofwel directe buurwoning is van de woning aan de Betenlaan 3 en dat daarom met de geluidberekeningen voor de woning aan de Betenlaan 3 ook de woning aan de Betenlaan 5 is meegenomen. [appellant sub 4] heeft hier niet inhoudelijk op gereageerd. De Afdeling ziet daarom geen reden om op dit punt aan de juistheid van het Nader onderzoek van LBP Sight over het geluid van de helihaven te twijfelen. Het betoog slaagt niet. Financiële belangen 51. De Stichting en anderen voeren aan dat de raad in de belangenafweging ten onrechte het
45
commerciële rendement en de haalbaarheid van het windpark zwaarder heeft gewogen dat de gevolgen voor de gezondheid van omwonenden. De stelling dat het hanteren van strengere normen voor overlast negatieve invloed heeft op de haalbaarheid, en daarmee op het rendement, is misleidend. Misleidend is ook de stelling dat daarmee de opbrengsten afnemen die voor een deel lokaal terecht zouden moeten komen. Het gaat hier namelijk om gezondheidswinst. Dat is iets anders dan milieuwinst. De gezondheid van omwonenden moet niet worden afgewogen tegen het rendement van een windpark. Bovendien geldt dat de overwinst op windturbines bijzonder groot is. Gewezen wordt op onderzoek uit 2021, waaruit volgt dat windparken veel rendabeler zijn dan van te voren - bij het instellen van de subsidieregelingen voor windparken - door de rijksoverheid is ingeschat. 51.1. De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat de raad de financiële belangen van het windpark heeft betrokken in de belangenafweging, niet betekent dat de raad daarmee te veel gewicht heeft toegekend aan de financiële belangen van het project. Hierbij betrekt de Afdeling, zoals onder meer ook volgt uit de plantoelichting, dat de raad de belangen van omwonenden bij de vaststelling van het plan heeft betrokken.
Zo is in het bestemmingsplan een norm voor slagschaduw neergelegd die bepaalt dat er, uitgezonderd 30 minuten afslagtijd, geen slagschaduwhinder mag optreden bij gevoelige objecten. Verder staat in de nota van beantwoording zienswijzen dat bij de vaststelling van het plan een belangenafweging is gemaakt, waarbij is gezocht naar een balans tussen de productiecapaciteit van de windmolens en de bijdrage aan de duurzame energieopgave enerzijds, en de belangen van omwonenden anderzijds. Hierbij is aangesloten bij de huidige kennis en regelgeving omtrent gezondheid, veiligheid en milieu. In dit verband is in het bestemmingsplan een maximalisatie aan hoogte gegeven en zijn onder meer normen gesteld voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. In het kader van de belangenafweging heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling de belangen die zijn gemoeid met de realisatie van het windpark zwaarder mogen laten wegen dan de gevolgen van het windpark op het woonen leefklimaat van de personen voor wie de Stichting en anderen opkomen. 51.2. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de financiële gevolgen van het windpark voldoende bij zijn afweging heeft betrokken.
Voor zover de Stichting en anderen hebben betoogd dat de raad zwaarder gewicht had moeten toekennen aan het gezondheidsbelang voor omwonenden, overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat een ontwikkeling die in het algemeen belang mogelijk wordt gemaakt, negatieve gevolgen heeft voor omwonenden, op zichzelf niet betekent dat de keuze van de raad om voor deze ontwikkeling een bestemmingsplan vast te stellen, onredelijk moet worden geacht. Ter beoordeling staat of deze nieuwe ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en als gevolg van deze ontwikkeling geen onevenredige aantasting van individuele of collectieve belangen plaatsvindt. In wat de Stichting en anderen hebben aangevoerd en gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hieraan in dit geval niet wordt voldaan. Dat anderen baat hebben bij de opgewekte energie van de nieuwe windturbines en daar zelf geen hinder van ondervinden, maakt dit niet anders. Het betoog slaagt niet. Planregels overig Verwijderen windturbines 52. [appellanten sub 1] voeren aan dat ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen in het plan om de windturbines te verwijderen wanneer de levensduur van de
46
windturbines is verstreken. 52.1. Artikel 4.3.4 van de planregels van het herstelbesluit luidt: "Binnen de bestemming ‘Bedrijf - Windturbinepark’ zijn windturbines toegestaan, met inachtneming van het volgende: de windturbines, fundaties vanaf het maaiveld tot een diepte van 2,5 meter onder het maaiveld en bekabeling mogen na de start van de exploitatiefase aanwezig blijven totdat de windturbines permanent buiten bedrijf worden gesteld en wordt afgezien van vervanging van de windturbines. Een windturbine wordt in ieder geval geacht permanent buiten bedrijf te zijn gesteld indien de windturbine gedurende ten minste zes maanden onafgebroken buiten gebruik is geweest en er nog geen aanvraag voor een nieuwe of vervangende windturbine is ingediend." 52.2. De Afdeling stelt vast dat met het bepaalde in artikel 4.3.4 tegemoet is gekomen aan de beroepsgrond. Dit is op de zitting met partijen besproken. Zij hebben niet aangegeven zich niet in het bepaalde in artikel 4.3.4 te kunnen vinden. Daarom slaagt het betoog niet. Verwijzing naar NEN-norm 53. De Stichting en anderen betogen dat de NEN-normen waarnaar wordt verwezen in artikel 4.4.5, over de veiligheid van de plaatsing van windturbines, niet kosteloos toegankelijk zijn. 53.1.
Artikel 4.4.5, onder c, van de planregels luidt: "Plaatsing van windturbines is alleen toegestaan indien zij voldoen aan de veiligheidseisen opgenomen in NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 of NEN-EN-IEC 61400-3." 53.2. De raad stelt zich op het standpunt dat kosteloos inzage kan worden verkregen in de in artikel 4.4.5, onder c, bedoelde NEN-normen en dat hiermee voldoende is verzekerd dat betrokkenen hiervan kennis kunnen nemen. 53.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kenbaarheid van NEN-normen, waarnaar in artikel 4.4.5, onder c, van de planregels is verwezen, voldoende is verzekerd. Deze normen kunnen namelijk feitelijk worden geraadpleegd in de bibliotheek van het Nederlands Normalisatie Instituut. Er bestond daarom voor de raad niet de verplichting om deze normen op een andere wijze kosteloos raadpleegbaar te maken. Het betoog slaagt niet. Soortenbescherming 54. [appellanten sub 1] betogen dat de raad de gevolgen van het plan voor beschermde vogels en vleermuizen onvoldoende heeft onderzocht. Zij voeren verder aan dat in het plan ten onrechte geen stilstandvoorziening is voorgeschreven om vogels te beschermen, met een monitoringsverplichting over meerdere jaren. In de soortenontheffing is voor vleermuizen wel een stilstandvoorziening voorgeschreven. Zo’n voorziening ontbreekt ten onrechte in het plan.
Verder betogen zij dat de sterfte onder vogels als gevolg van het plan en in het algemeen wordt onderschat. Bij de toepassing van de 1%-mortaliteitsnorm, waarbij uitgegaan wordt van de landelijke populatie, dient ook alle landelijke sterfte door andere projecten, in het bijzonder windparken, te worden betrokken. 54.1. De raad stelt zich primair op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een geslaagd beroep op de normen uit de Wnb over soortenbescherming.
47
54.2. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 54.3. Als een natuurlijke persoon zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van plant- en diersoorten, beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Niet in alle gevallen hoeft echter op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Wnb met de bescherming van plant- en diersoorten ook bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe woon- en leefomgeving van natuurlijke personen.
De belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving kunnen zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning van een appellant en de locatie waarop het voorziene project wordt uitgevoerd. Als die afstand hemelsbreed meer dan 100 m bedraagt, dan zal in het algemeen niet zo’n verwevenheid worden aangenomen. De kwaliteit van de directe leefomgeving van een appellant houdt dan onvoldoende verband met de bescherming van de volgens hem op de gronden van het voorziene project levende diersoorten. 54.4. De Afdeling stelt vast dat de woningen van [appellanten sub 1] op afstanden staan van meer dan 800 m van de dichtst bij hun woningen geprojecteerde windturbine. Dat is niet in geschil. De betreffende afstanden tot de projectlocatie zijn te groot om verwevenheid aan te kunnen nemen. Gelet hierop moet wat deze indieners van de beroepen betreft, worden geconcludeerd dat hun directe woon- en leefklimaat niet is betrokken bij fatale aanvaringen van vleermuizen en vogels.
Onder die omstandigheden moet dan ook worden geoordeeld dat de bepalingen uit de Wnb over soortenbescherming kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van [appellanten sub 1]. Daarom zou artikel 8:69a van de Awb in de weg staan aan het vernietigen van het herstelbesluit. De Afdeling zal hun beroepen daarom niet inhoudelijk bespreken. 54.5. Over het betoog van [melkveebedrijf] overweegt de Afdeling dat verwevenheid ook ontbreekt wanneer het belang van appellant is gelegen in diens bedrijfseconomische belangen, waaronder diens concurrentiebelang en het belang bij het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten, en de door deze appellant ontplooide bedrijfsactiviteiten niet worden beïnvloed door de instandhouding van een populatie binnen het plangebied. De bedrijfsbebouwing van [melkveebedrijf] bevindt zich op een afstand van ongeveer 300 m van de dichtst bij haar bedrijf gepositioneerde windturbine. De bedrijfsactiviteiten (de exploitatie van een melkveebedrijf) kunnen niet worden beïnvloed door de instandhouding
48
van de populaties binnen het plangebied. In zoverre bestaat ook voor wat betreft het beroep van [melkveebedrijf] geen verwevenheid met het belang van soortenbescherming dat de Wnb beoogt te beschermen. Ook wat haar betreft moet dus worden geoordeeld dat artikel 8:69a van de Awb aan een geslaagd beroep in de weg staat. De Afdeling laat de gronden daarom inhoudelijk buiten beschouwing. Overige gronden Planschade 55. [appellanten sub 1] vrezen voor waardedaling van hun woningen als het plan wordt gerealiseerd. Omdat bij planschadeclaims een steeds groter deel van het nadeel voor eigen risico blijft, hoort dit nadeel zo klein mogelijk te blijven. De raad had bij vaststelling van het plan de omvang van de planschade moeten voorkomen, bijvoorbeeld door niet zo hoge windturbines toe staan, en wel zo dat geen of heel weinig planschade te verwachten valt. 55.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het herstelbesluit op de waarde van de woningen van appellanten betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. In de Nota van beantwoording zienswijzen staat dat inkomensderving en/of waardedaling van onroerend goed geen aanleiding vormen om af te zien van de verlening van de omgevingsvergunning voor het windpark.
Hiermee is dit aspect in de belangenafweging bij het vaststellen van het bestemmingsplan betrokken. Verder overweegt de Afdeling dat een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade kan worden ingediend. De vraag of ook inderdaad sprake is van planschade, zal in de daarvoor bestemde, afzonderlijke procedure worden beoordeeld en is in deze procedure niet inhoudelijk aan de orde. Het betoog slaagt niet. Evidente privaatrechtelijke belemmering 56. Rondeel Ewijk B.V. betoogt dat het plan tot significante (milieu-)belemmeringen leidt bij haar bedrijf, waardoor zij schade dreigt te leiden. Op grond van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) dient de gemeente zich te onthouden van het veroorzaken van directe hinder, waaronder het verspreiden van geluid, het onthouden van licht (slagschaduw) en trillingen. Gezien de zeer korte afstand tussen het plangebied en de windturbines en de bedrijfsbebouwing van Rondeel Ewijk B.V. is volgens haar sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. 56.1. Ingevolge artikel 5:37 van het BW mag de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957. 56.2. In wat is aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat de mogelijk
49
vanwege het windturbinepark optredende hinder voor de bedrijfsvoering van Rondeel Ewijk B.V. zo groot is dat zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat door de exploitant niet kan worden gehandeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5:37 van het BW. Daarom is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen zo duidelijke privaatrechtelijke belemmering is dat verwezenlijking van het plan niet mogelijk is. Het betoog slaagt niet. Schaarse rechten 57. De Stichting en anderen betogen dat er met de verlening van de omgevingsvergunning een schaars recht is toebedeeld aan de initiatiefnemers. Volgens hen is namelijk niet uitgesloten dat er meer gegadigden dan beschikbare vergunningen zijn. Daarom had een passende mate van openbaarheid moeten worden betracht met betrekking tot de gunning van het project en had een transparante verdelingsprocedure moeten worden gehanteerd. 57.1. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat de Stichting en anderen concrete interesse hebben (gehad) om mee te dingen naar de mogelijkheid tot realisatie van dit windpark of een ander windpark.
Zij hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten, omdat zij opkomen voor hun belangen en de belangen van personen uit de omgeving van het windpark die tegen de realisatie zijn van windturbines in een dicht bewoond gebied en in natuur- en recreatiegebieden in het algemeen, en in het bijzonder de gemeente Beuningen. De normen waar de Stichting en anderen in dit verband een beroep op doen, strekken kennelijk niet tot de bescherming van hun (statutaire) belangen. Ook als hun betoog zou slagen, dan kan dit niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141 (Windpark Spui), onder 71 tot en met 71.2, en van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3322 (Windpark Weert), onder 55 en 55.1. Daarom wordt deze beroepsgrond niet inhoudelijk besproken. Omgevingsvergunning: kennisgeving aanvraag 58. [appellant sub 1] en anderen betogen tevergeefs dat in strijd met artikel 3.8 van de Wabo niet onverwijld kennis is gegeven van de aanvraag. Artikel 3.8 van de Wabo is in dit geval namelijk op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo niet van toepassing, omdat paragraaf 3.3 van de Wabo van toepassing is. Het betoog slaagt niet. Omgevingsvergunning: windturbinetype 59.
[appellant sub 1] en anderen betogen dat in de omgevingsvergunning onvoldoende specifiek is bepaald welk type windturbine is toegestaan. Dat in de omgevingsvergunning is bepaald dat de windturbines een vermogen mogen hebben van 3 tot 8 MW, een ashoogte van 140 tot 170 m, een rotordiameter van 150 tot 180 m en een tiphoogte van 215 tot 245 m, geeft onvoldoende duidelijkheid over het windturbinetype, zo betogen [appellant sub 1] en anderen. 59.1. De Afdeling stelt voorop dat niet is vereist dat in de vergunningaanvraag en bij de vergunningverlening al een keuze wordt gemaakt voor het type windturbine of voor een precieze as- en tiphoogte. Bij de beoordeling van het project is het college uitgegaan van de maximale waarden binnen de in de aanvraag vermelde bandbreedten, een zogenoemde worst case-benadering. Uitgaande van die worst case-benadering is beoordeeld of de omgevingsvergunning kon worden verleend en zijn verschillende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden. Dit mocht het college doen. De Afdeling verwijst naar haar
50
uitspraak van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4038, onder 44.1. Het betoog slaagt niet. Omgevingsvergunning: reken- en meetvoorschrift en best beschikbare technieken 60. De Stichting en anderen betogen dat in de begrippenlijst bij de omgevingsvergunning een onjuiste definitie is gegeven van het reken- en meetvoorschrift windturbines. Daarnaast is de vermelding in de omgevingsvergunning dat beste beschikbare technieken moeten worden gehanteerd onvoldoende concreet, zo betogen de Stichting en anderen. 61. In de begrippenlijst bij de omgevingsvergunning is het reken- en meetvoorschrift windturbines beschreven. In deze begripsomschrijving is vermeld dat het daarbij gaat om de versie die als bijlage 4 is opgenomen bij de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, zoals deze gold op 29 juni 2021. De Stichting en anderen betogen tevergeefs dat in deze begripsomschrijving ten onrechte is verwezen naar de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer in plaats van de Activiteitenregeling milieubeheer. Duidelijk is namelijk dat bijlage 4 van de Activiteitenregeling wordt bedoeld. Die bijlage heeft namelijk de titel "Bijlage 4 bij de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer".
Anders dan de Stichting en anderen betogen, heeft het college van B en W er daarnaast voor mogen kiezen om in de begripsomschrijving op te nemen dat het gaat om de versie zoals deze gold op 29 juni 2021. Verder hebben de Stichting en anderen niet toegelicht waarom in de omgevingsvergunning niet voldoende concreet is vermeld welke voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast. Het betoog slaagt niet. Omgevingsvergunning: welstand 62. [appellanten sub 1], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] voeren aan dat de afwijking van het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: CRK) onvoldoende is gemotiveerd. De CRK heeft opgemerkt dat de windturbines niet voldoen aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Beuningen. Alleen het argument dat er duurzame energie moet worden opgewekt, is onvoldoende om af te wijken van het CRK-advies. Deze adviseerde immers te kijken of wat minder hoge windturbines in een andere opstelling een oplossing zijn. De Stichting en anderen betogen dat de CRK in een te laat stadium is ingeschakeld voor een beoordeling van de plannen. 62.1. Op grond van artikel 2.10.
eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op de activiteit "bouwen", de omgevingsvergunning geweigerd als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het college van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend. Het college mag van een negatief welstandsoordeel afwijken op grond van overwegingen van algemeen belang, zoals economische of maatschappelijke belangen. Het college mag ook afwijken van een negatief welstandsoordeel op basis van overwegingen die niet van algemeen belang zijn, zoals individuele omstandigheden van de aanvrager. 62.2. Aan de aanvraag om omgevingsvergunning is ten grondslag gelegd het advies van de CRK van 2 maart 2021. Daaruit volgt dat het bouwplan zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. In de overwegingen van de omgevingsvergunning is ingegaan op het negatieve welstandadvies. Hierin staat dat het verlagen van de tiphoogte grote negatieve gevolgen heeft voor de hoeveelheid duurzame