CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 Bijlage motivering 10 Akoestisch onderzoek industrielawaai Willems Winssen

Raadsvergadering 30 september 2025, gemeente BeuningenBij agendapunt: Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) - Omgevingsplan Hoofdstuk 22c Winssen Zuid fase 128.772 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.5.8

Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar op de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde personen op aanvraag ter inzage worden gegeven.

W.Z20.109312.01

pagina 10 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

4

GEACCEPTEERDE AFVALSTOFFEN

4.1

A-, B- en C-hout

4.1.1

De opslag van A-, B- en C-hout moet gescheiden van elkaar plaatsvinden.

4.1.2

De opslag van losgestort afvalhout op het terrein van de inrichting is toegestaan op de locaties zoals aangegeven op de plattegrondtekening.

4.1.3

De opslag van C-hout dient afgedekt plaats te vinden, zodanig dat hemelwater het C-hout niet kan bereiken, opdat uitloging wordt voorkomen.

4.2

Metalen

4.2.1

De opslag van metalen in een container op het terrein van de inrichting is toegestaan op de locaties zoals aangegeven op de plattegrondtekening.

4.2.2

De opslag van metalen dient afgedekt plaats te vinden, zodanig dat hemelwater de metalen niet kan bereiken, opdat uitloging wordt voorkomen.

4.3

Bouw- en sloopafval

4.3.1

Binnen de inrichting mogen per deelstroom maximaal 6 containers aanwezig zijn.

4.3.2

Het leegstorten van voertuigen moet zodanig geschieden dat de aangevoerde afvalstoffen niet buiten de daarvoor bestemde stortlocatie kunnen geraken.

4.3.3

Binnen de inrichting moeten dichte containers aanwezig zijn waarin gevaarlijke (afval)stoffen die kunnen lekken of uitlogen en onverhoopt in de geaccepteerde vrachten zijn aangetroffen, gescheiden kunnen worden opgeslagen.

4.3.4

De opslag van bouw- en sloopafval dient afgedekt plaats te vinden, zodanig dat hemelwater het bouw- en sloopafval niet kan bereiken, opdat uitloging wordt voorkomen.

4.4

Veegvuil

4.4.1

Het leegstorten van voertuigen moet zodanig geschieden dat het aangevoerde veegvuil direct op of in een vloeistofdichte voorziening wordt gestort.

4.4.2

De opslag van veegvuil dient afgedekt plaats te vinden, zodanig dat hemelwater het veegvuil niet kan bereiken, opdat uitloging wordt voorkomen.

W.Z20.109312.01

pagina 11 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

5

BODEM

5.1

Doelvoorschriften

5.1.1

Het bodemrisico van de in het bodemrisicodocument beschreven bodembedreigende activiteiten, welke deel uitmaakt van de aanvraag, moet door het treffen van een combinatie van maatregelen en voorzieningen voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico zoals gedefinieerd in de Nederlandse Richtlijn Bodem (NRB).

5.2

Vloeistofdichte vloeren

5.2.1

Ontwerp en aanleg van een nieuw aan te leggen vloeistofdichte vloer of voorziening moet plaatsvinden overeenkomstig de BRL SIKB 7700.

5.2.2

Een binnen de inrichting als bodembeschermende voorziening toegepaste vloeistofdichte vloer of voorziening moet overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument zijn beoordeeld en goedgekeurd door een instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

5.2.3

Een vloeistofdichte vloer of voorziening moet ten minste eens per zes jaar zijn beoordeeld en te zijn goedgekeurd overeenkomstig voorschrift 5.2.2.

5.2.4

In afwijking van voorschrift 5.2.3. vindt de eerste beoordeling en goedkeuring van een vloeistofdichte vloer of voorziening plaats binnen zes jaar na aanleg. Voorwaarde hierbij is dat vloeistofdichte vloer of voorziening is aangelegd overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een deskundige die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

5.2.5

De voorschriften 5.2.2. en 5.2.3. zijn niet van toepassing op een vloeistofdichte vloer of voorziening die niet inspecteerbaar is als bedoeld in AS SIKB 6700. Een dergelijke voorziening wordt eens per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig een door het bevoegd gezag goedgekeurde wijze.

5.2.6

Vergunninghouder draagt zorg voor reparatie en regelmatig onderhoud van de vloeistofdichte vloer of voorziening.

5.2.7

Vergunninghouder draagt zorg voor een jaarlijkse controle van de vloeistofdichte vloer overeenkomstig AS SIKB 6700.

W.Z20.109312.01

pagina 12 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

5.2.8

Een vloeistofdichte vloer of voorziening wordt opnieuw beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig voorschrift 5.2.2. indien de reparatie, het regelmatig onderhoud of de controle, als bedoeld in de voorschriften 5.2.6. en 5.2.7. niet of niet overeenkomstig deze voorschriften is uitgevoerd of indien een tijdens een controle geconstateerd gebrek niet is gerepareerd.

5.3

Bodemonderzoek Nulsituatieonderzoek

5.3.1

Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie moet uiterlijk binnen drie maanden nadat de vergunning in werking is getreden een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit zijn ingediend bij het bevoegd gezag (nulsituatie). Het onderzoek moet betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen. Ter zake van de uitvoering van het bodemonderzoek kunnen – binnen 3 maanden nadat voornoemde rapportage is overgelegd – nadere eisen worden gesteld door het bevoegd gezag; inhoudende dat meerdere monsternemingen of analyses moeten worden verricht, indien dit op grond van de overgelegde hypothese(n) en onderzoeksstrategie noodzakelijk blijkt. Eindonderzoek

5.3.2

Binnen drie maanden na beëindiging van een bodembedreigende activiteit moet ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie zijn uitgevoerd. De resultaten moeten uiterlijk 1 maand nadat dit onderzoek is uitgevoerd aan het bevoegd gezag zijn overgelegd. Ter plaatse van de tijdens het nulsituatieonderzoek onderzochte locaties moet het eindonderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het nulsituatieonderzoek, mits dat onderzoek correct is uitgevoerd. Als het nulsituatie onderzoek niet correct is uitgevoerd dan moet het eindonderzoek betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden.

5.3.3

Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen. Herstelplicht (bodemsanering)

5.3.4

Indien uit het onderzoek, bedoeld in voorschrift 5.3.2. blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat zo spoedig mogelijk na toezending van dat rapport danwel binnen een met het bevoegd gezag nader overeengekomen termijn, de bodemkwaliteit is hersteld tot de nulsituatie zoals vastgelegd in het onderzoek als bedoeld in voorschrift 5.3.1. Het herstel van de bodemkwaliteit geschiedt door een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

6

ENERGIE

6.1

Energie

6.1.1

Vergunninghouder registreert het energieverbruik aan elektriciteit en aardgasequivalenten aan brandstoffen, behoudens brandstoffen voor motorvoertuigen, over tenminste de afgelopen 5 jaar. De registratie van het energieverbruik kan bestaan uit jaarrekeningen van de energieleverancier.

W.Z20.109312.01

pagina 13 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

7

EXTERNE VEILIGHEID

7.1

Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15)

7.1.1

De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen die vallen onder de ADR-klassen, zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 moet in de speciaal daarvoor bestemde opslagruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 15 versie 1.0 2016: 3.1.1 tot en met 3.1.5; 3.2.1 tot en met 3.2.13; 3.3.1 tot en met 3.3.4; 3.4.1 tot en met 3.4.7; 3.4.8; 3.4.9 tot en met 3.4.11; 3.5.1 tot en met 3.5.3; 3.6.1; 3.11.1 tot en 3.11.3; 3.12.1; 3.13.1 tot en met 3.13.3; 3.14.1 en 3.14.2; 3.16.1; 3.17.1 tot en met 3.17.3; 3.18.1; OPSLAG VAN GASFLESSEN (ADR-KLASSE 2)

7.1.2

De opslag van gasflessen (ADR-klasse 2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaats vinden en moet, voldoen aan de volgende voorschriften van de richtlijn PGS 15: 6.1.1 tot en met 6.2.19; 6.3.1 tot en met 6.3.6.

W.Z20.109312.01

pagina 14 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

8

GELUID

8.1

Algemeen

8.1.1

Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

8.1.2

Wanneer het puinbreken de eerste keer plaatsvindt, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften zoals opgenomen in paragraaf 8.4 van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen één maand na de betreffende meting schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.

8.2

Representatieve bedrijfssituatie (RBS)

8.2.1

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT

omschrijving

in dB(A) Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00

19.00 -23.00

23.00 -07.00

uur

uur

uur

Tp11 Achtergevel Geerstraat 1

43

Tp 13 Voorgevel Geerstraat 6

44

30

401

Tp 17 Voorgevel Geerstraat 8

44

30

401

Tp 23Geerstraat 7 Winssen

35

Tp38 Kennedysingel 11 Winssen

35

Tp05 Voorgevel Geerstraat 3

35

30

33

Tp06 Zijgevel Geerstraat 3 45 1 Vertrek van 11 zware voertuigen, 8 bestelbussen en aankomst 15 personenwagen tussen 6.00-7.00 uur.

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op tekening ‘toetspunten’ in het geluidrapport van 27 september 2019. De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is respectievelijk 1,5m/5m/5m. 8.2.2

Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en

Maximale geluidsniveau LAmax in dB(A)

omschrijving Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00

19.00 -23.00

23.00 -07.00

uur

uur

uur

Tp05 Voorgevel Geerstraat 3

70

65

651

Tp09 Voorgevel Geerstraat 1

70

65

611

Tp 13 Voorgevel Geerstraat 6

70

682

701

73

2

731

Tp 17 Voorgevel Geerstraat 8

69

Overige Woningen 70 65 60 1 Vertrek van 11 zware voertuigen, 8 bestelbussen en aankomst 15 personenwagen tussen 6.00-7.00 uur. 2 Aankomst van één kiepwagen tussen 19.00-22.00 uur.

W.Z20.109312.01

pagina 15 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op tekening ‘toetspunten’ in het geluidrapport van 27 september 2019. De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is respectievelijk 1,5m/5m/5m. 8.3

Regelmatige afwijking van de RBS

8.3.1

In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 8.2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, inclusief het één keer per 2 weken gedurende 3 uur in de dagperiode zeven en schudden van grond/stenen op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Lar,LT

omschrijving

in dB(A) Dag 07.00 -19.00 uur

Tp06 Zijgevel Geerstraat 3

48

To07 Achtergevel Geerstraat 3

47

Tp11 Achtergevel Geerstraat 1

47

Tp 13 Voorgevel Geerstraat 6

45

Tp 17 Voorgevel Geerstraat 8

45

Tp 23 Geerstraat 7 Winssen

39

Tp28 Achtergevel Leegstraat 14

38

Tp38 Kennedysingel 11 Winssen

40

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op tekening ‘toetspunten’ in het geluidrapport van 27 september 2019. De beoordelingshoogte voor de dagperiode is 1,5m. 8.4

Incidentele bedrijfssituatie: puinbreken

8.4.1

In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 8.2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT

omschrijving

in dB(A) Dag 07.00 -19.00 uur

Tp06 Zijgevel Geerstraat 3

54

To07 Achtergevel Geerstraat 3

54

Tp11 Achtergevel Geerstraat 1

55

Tp 13 Voorgevel Geerstraat 6

54

Tp 17 Voorgevel Geerstraat 8

54

Tp23_A Geerstraat 7 Winssen

48

Tp28 Achtergevel Leegstraat 14

51

Tp29 Zijgevel Leegstraat 14

52

Tp38 Kennedysingel 11 Winssen

51

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op tekening ‘toetspunten’ in het geluidrapport van 27 september 2019. De beoordelingshoogte voor de dagperiode 1,5m. W.Z20.109312.01

pagina 16 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

8.4.2

De in voorschrift 8.4.1 genoemde activiteit van het puinbreken mag per jaar maximaal 6 keer plaatsvinden, waarbij de activiteit maximaal 8 uur per keer in een aaneengesloten periode (van maximaal een etmaal) mag duren.

8.4.3

Het puinbreken mag niet op dezelfde dag plaatsvinden als het zeven en schudden van grond/stenen (regelmatige afwijking).

8.4.4

De puinbreker moet worden geplaatst en extra worden afgeschermd door middel van een keerwand met een hoogte van 2,5 meter zoals weergegeven in het akoestisch rapport van 27 september 2019, figuur ‘puntbronnen (puinbreker)’.

8.4.5

Ten minste 3 werkdagen voordat de in voorschrift 8.4.2 genoemde activiteit wordt uitgevoerd, moet dit aan het bevoegd gezag worden gemeld per e-mail.

8.4.6

Van de activiteit genoemd in voorschrift 8.4.2 moet een logboek worden bijgehouden waarin wordt vermeld:  De datum waarop de activiteit heeft plaatsgevonden. 

De begin- en eindtijd van deze activiteit.

Eventuele bijzonderheden m.b.t. de geluidbelasting gedurende deze activiteit zoals bijvoorbeeld het in of buiten gebruik zijn van (andere) grote geluidsbronnen.

8.5

Specifieke voorschriften

8.5.1

Het in deze vergunning met betrekking tot het maximale geluidniveau gestelde is niet van toepassing op de verkeersbewegingen t.b.v. de gladheidsbestrijding.

8.5.2

Bij de inrit en binnen de inrichting moeten borden met ‘rustig rijden’ of vergelijkbare tekst worden geplaatst zodat gereden wordt met een lage snelheid.

W.Z20.109312.01

pagina 17 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

OVERWEGINGEN 1. PROCEDURELE ASPECTEN ................................................................................ 19 1.1. GEGEVENS AANVRAGER ....................................................................................... 19 1.2. PROJECTBESCHRIJVING ....................................................................................... 19 1.3. HUIDIGE VERGUNNINGSITUATIE ............................................................................. 19 1.4. VERGUNNINGPLICHT .......................................................................................... 19 1.5. BEVOEGD GEZAG .............................................................................................. 19 1.6. WET NATUURBESCHERMING .................................................................................. 19 1.7. BEOORDELING VAN DE AANVRAAG ........................................................................... 20 1.8. PROCEDURE .................................................................................................... 20 2. M.E.R-BEOORDELINGSBESLUIT ........................................................................ 20 3. TOETSINGSKADER MILIEU ............................................................................... 20 3.1. INLEIDING ..................................................................................................... 20 3.2.

TOETSING OPRICHTEN, VERANDEREN EN/OF REVISIE ...................................................... 20 3.3. ACTIVITEITENBESLUIT ........................................................................................ 21 4. AFVALSTOFFEN ................................................................................................ 21 4.1. AFVALSTOFFEN ALGEMEEN.................................................................................... 21 4.2. OPSLAAN VAN AFVALSTOFFEN OP DE PLAATS VAN PRODUCTIE ............................................ 22 4.3. MENGEN VAN AFVALSTOFFEN ONTSTAAN BINNEN DE INRICHTING ........................................ 22 4.4. ACCEPTATIE EN/OF VERWERKING VAN AFVALSTOFFEN ..................................................... 22 4.5. TOETSING VAN DE AANGEVRAAGDE AFVALACTIVITEITEN................................................... 24 4.6. AV-BELEID EN AO/IC ........................................................................................ 24 4.7. REGISTRATIE .................................................................................................. 25 4.8. CONCLUSIE .................................................................................................... 25 5. AFVALWATER EN WATERBESPARING ............................................................... 25 5.1.

TOETSINGSKADER ............................................................................................. 25 5.2. WATERBESPARING ............................................................................................ 25 6. BODEM ............................................................................................................ 25 6.1. ACTIVITEITENBESLUIT ........................................................................................ 25 6.2. HET KADER VOOR DE BESCHERMING VAN DE BODEM....................................................... 26 6.3. DE BODEMBEDREIGENDE ACTIVITEITEN ..................................................................... 26 6.4. NULSITUATIEONDERZOEK .................................................................................... 26 6.5. EINDSITUATIEONDERZOEK EN HERSTELPLICHT BIJ GECONSTATEERDE VERONTREINIGING.............. 27 7. ENERGIE EN VERVOERMANAGEMENT ............................................................... 27 7.1. ENERGIE NIET RELEVANT ..................................................................................... 27 8. EXTERNE VEILIGHEID ...................................................................................... 27 8.1. OP- EN OVERSLAG VAN GEVAARLIJKE STOFFEN (PGS-RICHTLIJNEN) .................................... 27 9.

GELUID............................................................................................................ 27 9.1. ALGEMEEN ..................................................................................................... 27 9.2. LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU .............................................................. 28 9.3. MAXIMAAL GELUIDSNIVEAU (LAMAX) ......................................................................... 29 9.4. INDIRECTE HINDER ........................................................................................... 29 9.5. BIJZONDERE SITUATIES .................................................................................... 300 9.6. CONCLUSIES ................................................................................................... 30 9.7. TRILLINGEN .................................................................................................... 30 10. LUCHT.......................................................................................................... 31 10.1. TOETSINGSKADER ............................................................................................. 31 10.2. ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN (ZZS) ................................................................... 31 10.3. EINDCONCLUSIE ASPECT LUCHT ............................................................................. 31 11.

CONCLUSIE .................................................................................................. 31

W.Z20.109312.01

pagina 18 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

1.

PROCEDURELE ASPECTEN

1.1. Gegevens aanvrager Op 17 november 2020 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van: Willems Winssen B.V. gelegen aan de Geerstraat 3a te Winssen, een grond- weg- en waterbouwbedrijf. 1.2. Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt aangevraagd is als volgt te omschrijven: Uitbreiding van open overslagcapaciteit en het maximaal zes keer per jaar breken van steenachtig materiaal door middel van een mobiele puinbreekinstallatie. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. 1.3. Huidige vergunningsituatie Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd: Soort

Datum

Onderwerp

Vergunning Wet

22 januari 1993

Oprichting bedrijf

23 april 1998

Bouw van een kantoor

6 februari 2004

Wijzigen CV en gasmeter

23 maart 2007

Gemechaniseerd loonbedrijf

26 september 2016

Vergroten opslagterrein; plaatsen AdBlue tank;

milieubeheer Melding ex. Artikel 8.19 Wet milieubeheer* Melding ex. Artikel 8.19 Wet milieubeheer* Melding Besluit landbouw milieubeheer* Melding Activiteitenbesluit Melding

vervangen dieselolietanks; veranderen inrichtingsgrens 23 augustus 2019

Activiteitenbesluit

Opslagplaats voor verpakte gevaarlijke stoffen; opslaan van veeg- en straatvuil

* Thans beschouwd als melding Activiteitenbesluit Milieubeheer

1.4. Vergunningplicht De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn onder andere van toepassing: Categorie

Omschrijving

28.1.a en b

Inrichting voor het opslaan verwerken, vernietigen of overslaan van afvalstoffen

11.1.a, h en i

Inrichting voor het winnen, vervaardigen, bewerken, verwerken op- of overslaan van bak-, sier- of bestratingsstenen, zand of grind en grond e.d.

Op grond van het feit dat puinbreken niet onder de uitzonderingen van andere categorie 28.10 Bor valt is er sprake van een vergunningplichtige activiteit. 1.5. Bevoegd gezag Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen zijn bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.4 eerste lid van de Wabo. 1.6. Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer: 1. een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of; 2. een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve W.Z20.109312.01

pagina 19 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten). Wanneer het aanhaken van toepassing is, moet het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning de aanvraag doorsturen naar het bevoegd gezag voor de Wnb (Gedeputeerde Staten van de provincie) met het verzoek een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven. De aanvrager van de omgevingsvergunning is zelf verantwoordelijk om vooraf na te gaan of een activiteit invloed heeft op Natura 2000-gebieden en/of beschermde flora en fauna. Aanhaken is in deze procedure niet van toepassing. Een aanvraag om Wnb vergunning is bij de provincie Gelderland ingediend. Wij wijzen u erop dat volgens onze informatie uw bedrijf niet beschikt over een Wnb-vergunning (Wet natuurbescherming) terwijl uw bedrijf mogelijk wel Wnb-plichtig is. Het betreft het bestaande gebruik waar onderhavig besluit geen betrekking op heeft. U bent zelf verantwoordelijk voor het op orde hebben van de Wnb-vergunning. U kunt op geen enkele wijze rechten ontlenen aan onderhavig besluit voor het niet hebben van een Wnb-vergunning voor bestaand gebruik. 1.7. Beoordeling van de aanvraag Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid.

Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. 1.8. Procedure Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo.

2.

M.E.R-BEOORDELINGSBESLUIT

De voorgenomen activiteit valt onder categorie 18.1 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor het bevoegd gezag moet bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 19 mei 2020 bij ons aangemeld door middel van een aanmeldingsnotitie (artikel 7.16 Wm). Daarop hebben wij op 2 oktober 2020 het besluit W.Z17.104846.05 genomen dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Dit besluit hebben wij op 6 oktober 2020 bekend gemaakt en is bij de aanvraag gevoegd.

3.

TOETSINGSKADER MILIEU

3.1. Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het oprichten van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo. 3.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo:  de bestaande toestand van het milieu betrokken;  met het milieubeleidsplan rekening gehouden;  de best beschikbare technieken in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. 3.3. Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. W.Z20.109312.01

pagina 20 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt. Binnen het bedrijf vinden activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Er moet worden voldaan aan onder andere de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:  Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;  Paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen;  Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen;  Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;  Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank. Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn.

Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. 3.3.1. Melding Activiteitenbesluit Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de oprichting van de inrichting worden gemeld. Wij beschouwen de aanvraag voor de oprichtingsvergunning als een melding in het kader van het Activiteitenbesluit. De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

4.

AFVALSTOFFEN

4.1.

Afvalstoffen algemeen

4.1.1. Preventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie. Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect. In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.

W.Z20.109312.01

pagina 21 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

Vergunninghouder heeft echter al de nodige maatregelen getroffen zoals good housekeeping en inkoop op maat. Gezien de getroffen maatregelen zijn wij van mening dat verdere preventiemaatregelen niet mogelijk zijn. Wij vinden het daarom niet nodig om een preventieonderzoek dan wel aanvullende maatregelen voor te schrijven. 4.1.2. Afvalscheiding In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd. Voor een aantal die diffuus of in kleine hoeveelheden ontstaan is in het LAP (paragraaf B.3.5.2) een tabel opgenomen waarin een indicatie wordt gegeven wanneer het redelijk is afvalscheiding te vergen. Daarnaast zijn in bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd.

Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’. 4.2. Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van 1 jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar is. 4.3. Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting Voor het mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit en daarbij behorende regeling van toepassing. Afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van LAP is hiervoor als toetsingskader gebruikt. 4.4.

Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten

4.4.1. Uitsluitend opslaan van afvalstoffen In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:  Afvalmunitie, vuurwerkafval en overig explosief afval;  Dierlijke bijproducten;  Brandbaar afval in afwachting van verwerking in een AVI. Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van 1 jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een verwerker. Uit de aanvraag blijkt dat afvalstoffen binnen de inrichting worden op- en overgeslagen. Voor het opslaan van de gevraagde afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen. Voor de opslagtermijn van deze afvalstoffen is een maximum in de aanvraag opgenomen. Voor het W.Z20.109312.01

pagina 22 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

opslaan van de gevraagde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend omdat deze afvalstromen niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar is. 4.4.2. Verwerking: afvalstromen waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing: 28: 29:

Gemengd bouw- en sloopafval, met bsa vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval (Overig) steenachtig materiaal

Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen: c. preventie; d. voorbereiding voor hergebruik; e. recycling; f. andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; g. veilige verwijdering. De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is. De in de aanvraag voor de verschillende sectorplannen beschreven verwerkingsmethoden voldoen aan de minimumstandaard zoals opgenomen in LAP3.

W.Z20.109312.01

pagina 23 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

4.4.3. Mengen niet gevaarlijke afvalstoffen Afvalstoffen moeten na het ontstaan gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen. Verder is het ongewenst wanneer er in afval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmengen ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Bovendien is het ook ongewenst als bepaalde, in afval aanwezige zeer zorgwekkende stoffen door mengen in producten terechtkomen waarbij ze op enig moment (in de gebruiksfase of de afvalfase) in het milieu verspreid kunnen worden. Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare (verschillende ) afvalstoffen alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen wordt mengen genoemd. Mengen is niet toegestaan tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning. In artikel 2.12, derde lid van het Activiteitenbesluit is een mengverbod opgenomen voor van buiten de inrichting afkomstige niet gevaarlijke afvalstoffen, met andere categorieën van afvalstoffen (bijlage 11 Activiteitenregeling). 4.4.4.

Mengen van gevaarlijke afvalstoffen Op grond van artikel 10.54a, eerste lid Wm is het verboden gevaarlijke afvalstoffen te mengen, met andere bij ministeriële regeling aangewezen categorieën gevaarlijke afvalstoffen of met andere bij ministeriële regeling aangewezen afvalstoffen, stoffen of materialen. In bijlage 11 van de Activiteitenregeling zijn de bedoelde categorieën gevaarlijke afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 10.54a Wm aangewezen. 4.5. AV-beleid en AO/IC Het bevoegd gezag kan in deze situatie nadere voorwaarden stellen aan de capaciteit, duur en voorzieningen van/voor de overslag. Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de Administratieve Organisatie en Interne Controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer. Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden.

Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatie technische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en de AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP. De minimale elementen voor het A&V-beleid en de AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst. Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden opgeslagen en/of verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu, veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.

W.Z20.109312.01

pagina 24 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

Bij de aanvraag is als bijlage het document “ZZS inventarisatie versie 24 maart 2021” opgenomen. Hierin is aangegeven welke ZZS er kunnen voorkomen in het ingenomen afval waarbij gebruik is gemaakt van het SGS Intron rapport “Inventarisatie ZZS in afvalstoffen 2019”. Tevens zijn er in het A&V- en AO/IC-beleid maatregelen opgenomen ter voorkoming van verspreiding van ZZS. Hiermee wordt voldaan aan het beleid met betrekking tot ZZS zoals verwoord in het LAP. 4.5.1. Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd ter goedkeuring. 4.6. Registratie De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om registratieverplichtingen op te nemen (artikel 5.8 Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van onder andere de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen. 4.7. Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

5.

AFVALWATER EN WATERBESPARING

5.1. Toetsingskader Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtstreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten: - Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; - Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen. Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning. 5.2. Waterbesparing Het totale drinkwaterverbruik van aanvraagster bedraagt 300m3 per jaar. Het richtinggevend relevantiecriterium voor waterbesparing is een verbruik van meer dan 5.000m 3 op jaarbasis. Er is geen sprake van overschrijding van het relevantiecriterium zoals wij die voor het drinkwaterverbruik hebben gesteld. Verder zien wij ook geen directe mogelijkheden tot beperking van dit verbruik. Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie niet nodig is om voorschriften met betrekking tot beperking van het drinkwaterverbruik in de vergunning op te nemen.

6.

BODEM

6.1. Activiteitenbesluit Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf gedeeltelijk onder het Activiteitenbesluit. Het betreft de activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen.

W.Z20.109312.01

pagina 25 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

Deze activiteiten hoeven daarom in deze vergunning niet te worden beoordeeld. De volgende activiteiten die binnen de inrichting worden verricht zijn niet in het Activiteitenbesluit geregeld: - Opslag van bodembedreigende stoffen in verpakking; - Opslag van afvalstoffen afkomstig van buiten de inrichting. Voor deze activiteiten geldt het navolgende. 6.2. Het kader voor de bescherming van de bodem Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico. Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van voorzieningen en maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet.

Tankputten en calamiteiten vijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld. 6.3. De bodembedreigende activiteiten Binnen de inrichting vinden bodembedreigende activiteiten plaats zoals opgenomen in het bodemrisicodocument behorende bij de aanvraag. Wij hebben dit document getoetst aan de NRB 2012 en stemmen in met de resultaten in combinatie met de maatregelen die hiervoor getroffen moeten worden. Uit de toetsing van het bodemrisicodocument blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald. Om het verwaarloosbaar bodemrisico te borgen zijn in de vergunning voorschriften opgenomen die voorzien in de inspectie en het onderhoud van de bodembeschermende voorzieningen. Voor de bodembeschermende maatregelen zijn voorschriften opgenomen die voorzien in een adequate instructie en training van het personeel. 6.4. Nulsituatieonderzoek Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.

Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd. Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:  de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt;  de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming;  de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd;  de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties. De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.

W.Z20.109312.01

pagina 26 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Inrichtinghouder heeft een onderzoeksvoorstel bij de aanvraag gevoegd. Dit voorstel is door ons akkoord bevonden. In de voorschriften is opgenomen dat binnen 3 maanden na het in werking treden van de vergunning een nulsituatieonderzoek moet worden uitgevoerd conform het onderzoeksvoorstel. Het onderzoek moet betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen. 6.5. Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Hiertoe zijn voorschriften in de vergunning opgenomen.

7.

ENERGIE

7.1. Energie niet relevant De inrichting gebruikt een beperkte hoeveelheid energie. De hoeveelheden zijn zodanig klein dat de inrichting als niet energierelevant wordt aangemerkt. In de vergunning zijn daarom geen voorschriften ter bevordering van het zuinig gebruik van energie opgenomen. In aansluiting op de criteria voor inrichtingen die onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen, worden inrichtingen met een jaarlijks energieverbruik kleiner dan 25.000 m 3 aan aardgasequivalenten en tegelijk kleiner dan 50.000 kWh elektriciteit namelijk als niet energierelevant bestempeld. Daarboven moeten alle maatregelen genomen worden met een terugverdientijd van 5 jaar of minder.

8.

EXTERNE VEILIGHEID

8.1. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen) Binnen de inrichting vindt op en- overslag van gevaarlijke stoffen plaats. Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting is de PGS 15 (Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen) en de PGS 30 (Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties) richtlijn relevant. Uit de aanvraag blijkt dat de opslag van gevaarlijke stoffen voldoet aan de van toepassing zijnde PGS richtlijnen en daarmee voldoet aan BBT. De relevante onderdelen van deze richtlijnen zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden.

9.

GELUID

9.1. Algemeen De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door verkeersbewegingen, laad- en losactiviteiten, shovel, schudzeef en puinbreker (incidenteel). De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van De Roever Omgevingsadvies, d.d. 27 september 2019 met kenmerk 20190901.v02 en een memo Vergunde rechten van De Roever Omgevingsadvies d.d. 8 augustus 2019 met kenmerk 20190901.MEMO.v01.

W.Z20.109312.01

pagina 27 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor dag-, avond- en nachtperiode. 9.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, oktober 1998". De inrichting ligt in de gemeente Beuningen. De gemeente Beuningen heeft geen beleid ten aanzien van industrielawaai vastgesteld. Wij toetsen daarom het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting aan de normstelling uit hoofdstuk 4 van de Handreiking. De woonomgeving kan worden gekarakteriseerd als landelijk gebied met agrarische activiteiten, wat overeenstemt met een rustige woonwijk waarvoor als richtwaarden 45/40/35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode kan worden gehanteerd. Het geluidrapport van september 2019 is niet geheel consistent met de memo van augustus 2019 (vergunde rechten) met betrekking tot de bedrijfsduren van enkele bronnen.

Dit is een gevolg van de verschillen in periodetijden in het Activiteitenbesluit voor agrarische loonbedrijven (13 uur) en die voor vergunningplichtige inrichtingen (12 uur). De werkelijke bedrijfstijden die in het geluidsmodel zijn ingevoerd voor onderstaande bronnen bedraagt:  p01 is 0,5 uur  p02a/b is 2x 0,25 uur  p03 is 1 uur  p04 is 5x0,166 uur  p05 is 7,4 uur Voor bron p05 gaan wij uit van de beschreven bedrijfsduur van 8 uur (correctie 0,35 dB(A)). Dit heeft geen significante gevolgen voor de totale geluidbelasting (afgerond). Een organisatorische maatregel wordt getroffen zodat rustig wordt gereden met voertuigen binnen de inrichting. De berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus bedragen na deze maatregel ten hoogste 45, 29, 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Aan de voor deze omgeving geldende richtwaarde wordt in de dag- en avondperiode voldaan. De richtwaarde wordt in de nachtperiode overschreden bij twee woningen, als gevolg van het vertrek van 11 zware voertuigen, 8 bestelwagens en aankomst 15 personenwagens tussen 6.007.00 uur. Een overschrijding van de richtwaarde kan toelaatbaar zijn op grond van een bestuurlijke afweging, waarbij het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid een belangrijke rol speelt.

Gezien de omgeving is niet te verwachten dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid meer zal bedragen dan de 35 dB(A) voor de nachtperiode. Onder het Activiteitenbesluit was het voor deze inrichting mogelijk om vanaf 6.00 uur de inrichting te verlaten. De voor de inrichting bestaande rechten zijn vastgesteld in de memo van augustus 2020. Uit de memo blijkt dat met de vermelde aantal voertuigen tussen 6.00 en 7.00 uur kan worden voldaan aan de normen in artikel 2.17 lid 5 van het Activiteitenbesluit. De afwijkende periodetijden en het aantal voertuigen is in de vergunning vastgelegd. Het treffen van andere maatregelen is niet mogelijk. Afschermen is niet mogelijk of zinvol. Aan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt voldaan. Aangezien betreffende geluidemissie niet door middel van BBT-maatregelen is te verlagen tot de richtwaarde van de betreffende woonomgeving, noch tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid, achten wij de aangevraagde activiteiten vergunbaar. Wij hebben aan de vergunning een voorschrift verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten. De geluidimmissie voor de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van deze punten is overeenkomstig de voor de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte met inachtneming van bovengenoemde maatregelen. W.Z20.109312.01

pagina 28 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

9.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax) Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het door de inrichting veroorzaakte equivalente niveau uitkomen. De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Aan de grenswaarden wordt in de dagperiode voldaan. In de avond- en nachtperiode worden deze bij enkele woningen overschreden als gevolg van voertuigbewegingen. In bepaalde situaties en onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om in de avond- en nachtperiode van deze grenswaarden af te wijken of activiteiten uit te zonderen van de toetsing. Onder het Activiteitenbesluit was het voor deze inrichting mogelijk om vanaf 6.00 uur de inrichting te verlaten. De voor de inrichting bestaande rechten zijn vastgesteld in de memo van augustus 2020. Uit de memo blijkt dat met de vermelde aantal voertuigen tussen 6.00 en 7.00 uur kan worden voldaan aan de normen in artikel 2.17 lid 5 van het Activiteitenbesluit en dat wordt voldaan aan de uitzonderingen die gelden voor de piekniveaus en aankomst van 1 voertuig in de avondperiode. De afwijkende periodetijden, voertuigbewegingen en het toestaan van aankomst van één kiepwagen in de avondperiode is in de vergunning vastgelegd.

De vergunninghouder heeft aangetoond dat verdere maatregelen ter vermindering van de geluidbelasting op de beoordelingspunten redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Wij achten de overschrijding van de grenswaarden aanvaardbaar. De maximale geluidsniveaus hebben wij in een voorschrift vastgelegd. 9.4. Indirecte hinder Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A) en de grenswaarde 65 dB(A). Een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde moet zo mogelijk worden voorkomen door het treffen van maatregelen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A). Deze waarde mag alleen worden overschreden als in de geluidsgevoelige ruimten van woningen een geluidsbelasting van 35 dB(A) etmaalwaarde gewaarborgd is. Uit het akoestisch rapport blijkt dat enkele voertuigbewegingen in de dagperiode ontbreken, zijnde de kiepwagens LaLo.

Indien dit wordt gecorrigeerd (kiepwagen met + 10* l0g10/4) dan bedraagt het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting bij de woningen langs dit traject in de dagperiode niet meer dan 54 dB(A) en bedraagt de etmaalwaarde maximaal 57 dB(A). De voorkeursgrenswaarde wordt bij enkele woningen overschreden, aan de grenswaarde wordt voldaan. Gezien de benodigde gevelwering van maximaal 22 dB(A) voor één woning en de uitwendige scheidingsconstructie van de woningen en dat voor de overige woningen een geluidwering van minder dan 20 dB(A) nodig is, is aannemelijk dat de geluidsniveaus binnen de woningen de 35 dB(A) niet overschrijden. De vergunninghouder heeft aangetoond dat verdere maatregelen ter vermindering van de geluidbelasting op de beoordelingspunten redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Wij zien dan ook geen aanleiding voor het stellen van (middel)voorschriften.

W.Z20.109312.01

pagina 29 / 31

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

9.5. Bijzondere situaties Voor regelmatig afwijkende en incidentele bedrijfssituaties, dat wil zeggen situaties die slechts een beperkt aantal dagen per jaar optreden, kunnen op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening ruimere grenswaarden worden gesteld. Regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie De vergunninghouder vraagt voorts vergunning voor een regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie; een situatie die zich ten minste 6 maal per jaar met enige regelmaat voordoet. Het betreft het een keer per 2 weken zeven en schudden van grond/stenen gedurende 3 uur in de dagperiode. Hierdoor zal een verhoogde geluidsproductie plaatsvinden van 6 dB(A) ten opzichte van de representatieve bedrijfssituatie. De geluidbelasting bedraagt maximaal 48 dB(A). Aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit zoals gehanteerd bij overige afvalbedrijven van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt voldaan. Als maatregel is nodig dat de werkzaamheden met de schudbak op de locatie plaatsvindt zoals in het akoestisch rapport weergegeven en zo dicht mogelijk bij de keerwand. De vergunninghouder heeft aangetoond dat verdere maatregelen ter vermindering van de geluidbelasting op de beoordelingspunten redelijkerwijs niet mogelijk zijn. De vergunninghouder heeft de noodzaak dan wel onvermijdelijkheid van de betreffende activiteit aangetoond.

Gelet op de in het akoestisch rapport berekende geluidsbelastingen en de frequentie waarmee deze regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie zich voordoet kunnen wij deze toestaan. Aan de vergunning hebben wij voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld voor de geluidsbelasting en maximale geluidsniveaus gedurende deze activiteiten. Van de afwijkingen van de incidentele bedrijfssituatie moeten wij vooraf op de hoogte worden gesteld. Incidentele bedrijfssituaties De vergunninghouder vraagt voorts vergunning voor een incidentele bedrijfssituatie; een situatie die zich maximaal 6 maal per jaar voordoet. Het betreft puinbreken gedurende 8 uur in de dagperiode. Hierdoor zal een verhoogde geluidsproductie plaatsvinden. Gelet op de hierbij te verwachten optredende geluidsbelastingen van maximaal 55 dB(A), dat uitgaande van een standaardgevelwering van 20 dB(A) het binnen-niveau van 35 dB(A) wordt gerespecteerd en het incidenteel voorkomen van deze bedrijfssituatie, kunnen wij deze toestaan. Aan de vergunning hebben wij voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld voor de geluidsbelasting van deze activiteit. Van de afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie moeten wij vooraf op de hoogte worden gesteld. 9.6. Conclusies Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de aangevraagde situatie milieu hygiënisch aanvaardbaar.

Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten bij woningen van derden. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte met inachtneming van bovengenoemde maatregelen. Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met die maatregelen en voorzieningen. 9.7. Trillingen Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillingsgevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=484dabfb-dd92-4aa9-9c01-6473aad10208