CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

Raadsvergadering 7 juli 2026, gemeente BeuningenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen28.713 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

Hoofdstuk 6

Onderzoek

Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van technische onderzoeken met conclusies. Alleen de voor het plangebied relevante milieuaspecten worden beschreven. Aan het eind van elke paragraaf volgt een conclusie met betrekking tot het aspect.

6.1

MER-beoordeling

6.1.1

Regelgeving

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de strategische milieubeoordeling (SMB-richtlijn), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten: 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. 2. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-merplichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd. 2.

Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een plan-mer-beoordeling is aan orde indien: a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft. b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. 6.1.2

Doorvertaling planvoornemen

Het onderhavige TAM-omgevingsplan is kaderstellend voor een project uit bijlage V Omgevingsbesluit, te weten J11: een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betreft ook een woningbouwontwikkeling. In de derde kolom staat dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk stedelijk ontwikkelingsproject een mer-beoordelingsplicht geldt op basis van artikel 16.43, lid 1, aanhef en onder b van de Ow. Het onderhavige plan betreft een kleine wijziging van het omgevingsplan gemeente Beuningen en gaat over een klein gebied op gemeentelijk niveau. De gemeenteraad is voor onderhavig TAM-omgevingsplan het bevoegd gezag. Op grond van het gestelde in Hoofdstuk 6 van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit TAM-omgevingsplan te kunnen nemen. 6.1.3

Conclusie

Het aspect 'm.e.r.-beoordeling' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

6.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

6.2.1

Regelgeving

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen en leegstand van vastgoed te voorkomen is de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) onder de Omgevingswet gecontinueerd en als instructieregel opgenomen in artikel 5.129g Bkl. Deze regel bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. De behoefte aan die nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarmee worden aangetoond. Alleen wanneer het gaat om een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling moet de Laddertoets worden uitgevoerd. Voor stedelijke ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom deze niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan komen. In artikel 5.129g Bkl staat dat het stedelijk gebied ook het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied bevat. Door deze formulering is dat stedelijk gebied hetzelfde gebied als onder het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. 6.2.2

Doorvertaling planvoornemen

Onderhavig initiatief betreft het realiseren van maximaal vijf burgerwoningen. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder en hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Desondanks kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda, zie daarvoor subparagraaf 4.3.3 en 4.3.5. 6.2.3

Conclusie

Het aspect 'ladder voor duurzame verstedelijking' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.3

Verkeer en parkeren

6.3.1

Verkeer

Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief moet hieraan getoetst worden. Om inzicht te bieden in de extra voertuigbewegingen als gevolg van de ontwikkeling, die met dit ruimtelijke plan mogelijk wordt gemaakt, moet de voertuigaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’. Voor het berekenen van de voertuiggeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. Om de voertuigaantrekkende werking van de nieuwe woningen te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. De gemeente Beuningen is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'weinig stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'buitengebied', waardoor de voertuiggeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op:  8,2 voertuigbewegingen per woning (koop, vrijstaand);  7,8 voertuigbewegingen per woning (koop, twee-onder-één-kap); In de toekomstige situatie neemt het aantal woningen in het plangebied met vijf woningen (één vrijstaand en 2 twee-onder-één-kap) toe.

Dit betekent dat het aantal voertuigbewegingen slechts beperkt toeneemt met 39.4 (extra) voertuigbewegingen per weekdag. De vijf beoogde woningen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

worden middels twee bestaande inritten ontsloten op de Leegstraat. Deze inritten voldoen ruimschoots voor het ontsluiten van de vijf woningen. De capaciteit van de Leegstraat is ruim voldoende om de toename van het aantal voertuigbewegingen op te vangen. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze ruimtelijke ontwikkeling. 6.3.2

Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is conform het 'Parapluplan Parkeren' gebruik gemaakt van CROW-kencijfers uit de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’. De parkeerkencijfers uit de publicaties van CROW worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente Beuningen gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van de gemiddelde parkeernorm. Voor onderhavige ontwikkeling, in het 'buitengebied', bedraagt de gemiddelde parkeernorm:  2,4 parkeerplaatsen per woning (koop, vrijstaand), inclusief bezoekersparkeren;  2,2 voertuigbewegingen per woning (koop, twee-onder-één-kap), inclusief bezoekersparkeren; Uitgaande van de toevoeging van één vrijstaande woning en 2 twee-onder-één-kap woningen, betekent dit dat er 11,2 (= afgerond 12) parkeerplaatsen nodig zijn om te voldoen aan de parkeernorm. Het uitgangspunt is dat de parkeervraag voor een nieuwe ontwikkeling op eigen terrein wordt opgelost. Ter plaatse van het plangebied is voldoende ruimte om op eigen erf in het benodigde aantal parkeerplaatsen te voorzien. Deze parkeerplaatsen zijn inzichtelijk gemaakt op de inpassingsschets. Het daadwerkelijk voldoen aan de parkeernormen is bovendien geborgd in de algemene regels van dit ruimtelijk plan. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.4

Bodem

6.4.1

Regelgeving

Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat bodem onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van de bodem (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). Daarnaast gelden er instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) die gemeenten in het omgevingsplan moeten verwerken. Het Bkl bepaalt voor bodem dat in het omgevingsplan:  regels en waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem worden opgenomen voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 5.89i t/m 5.89m Bkl);  moet worden gewaarborgd dat sanerende en beschermende maatregelen in stand worden gehouden, worden onderhouden of worden vervangen (artikel 5.89n Bkl);  bodembeheergebieden kunnen worden aangewezen voor het met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift afwijken van kwaliteitseisen (artikel 5.89o Bkl); en  de landbodem van het gemeentelijk grondgebied wordt ingedeeld in bodemfunctieklassen (landbouw en natuur/wonen/industrie) (artikel 5.89p Bkl). Bodemgevoelige gebouwen Een bodemgevoelig gebouw wordt in het Bkl omschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Onder een gebouw wordt verstaan een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw. Bodemgevoelige locaties Een bodemgevoelige locatie is op basis van het Bkl in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. De gemeente kan in het omgevingsplan aanvullende locaties aanwijzen als bodemgevoelige locatie, zoals kinderspeelplaatsen of moestuinen. In de gemeente Beuningen zijn dergelijke locaties vooralsnog niet aangewezen. Omgevingsplan Een omgevingsplan bevat dus waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die per gebied of per gebruiksfunctie kunnen verschillen. Het uitgangspunt voor deze waardes zijn de interventiewaardes bodemkwaliteit, uit bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze waardes zijn wetenschappelijk onderbouwd en behoeven geen verdere motivering. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde bevatten dan de interventiewaardes, mits gemotiveerd en de waarden niet hoger zijn dan het humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR humaan, bijlage Vb Bkl). Ook mag niet leiden tot overschrijding van de toelaatbare concentraties in lucht (TCL) en geurdrempels (bijlage XIIIb Bkl). Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak.

Om te kunnen beoordelen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem uit het omgevingsplan is overschreden, is voorafgaand onderzoek naar de gesteldheid van de bodem nodig. Ingeval van een overschrijding van de waarden, is in het omgevingsplan opgenomen welke sanerende of beschermende maatregelen nodig zijn. 6.4.2

Doorvertaling planvoornemen

Om vast te stellen of de bodem geschikt is voor de voorgenomen ontwikkeling is er d.d. 6 maart 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 2 aan dit ruimtelijke plan toegevoegd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat voor de algemene bodemkwaliteit de boven- en ondergrond voldoet aan de klasse ‘Landbouw/natuur’. Het aangetroffen licht verhoogde gehalte voor barium in het grondwater wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie en geeft derhalve ook geen aanleiding tot vervolg. Daarnaast zijn tijdens het onderzoek geen asbestverdachte materialen en/of puinbijmengingen aangetroffen, waardoor ons inziens de onverdachte hypothese ten aanzien van het voorkomen van asbest in de bodem gehandhaafd kan blijven. Derhalve is een onderzoek naar asbest niet noodzakelijk in het kader van de voorgenomen herontwikkeling. 6.4.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.5

Geluid

6.5.1

Regelgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor:  het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en  het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, artikel 3.18 lid 1 Bkl). Geluidgevoelige gebouwen Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties. Geluidaandachtsgebieden In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel: Standaardwaarde (dB) (tabel 3.34 Bkl)

Grenswaarde (dB) (tabel 3.35 Bkl)

Provinciale wegen Rijkswegen

50 Lden

65 Lden

Gemeentewegen Waterschapswegen

53 Lden

70 Lden

Hoofdspoorwegen

55 Lden

70 Lden

Industrieterreinen

50 Lden

60 Lden

40 Lnight

50 Lnight

Geluidbronsoort

De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.

Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven. Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip: Aantal rijstroken

Maximum snelheid weg (km/u)

Breedte zone (m)

1 of 2

30 of minder

100

1 of 2

meer dan 30

200

3 of meer

350

Geluid door activiteiten Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Standaardwaarde toelaatbaar geluid op 07.00 - 19.00 uur een geluidgevoelig gebouw

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 7.00 uur

45 dB(A)

40 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

70 dB(A)

70 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

65 dB(A)

65 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

50 dB(A)

Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.

De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en 07.00 - 19.00 uur aanpandige geluidgevoelige gebouwen

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 7.00 uur

30 dB(A)

25 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

55 dB(A)

55 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

45 dB(A)

45 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

35 dB(A)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

6.5.2

Doorvertaling planvoornemen

Wegverkeerslawaai In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit is bijgevoegd als bijlage 3. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen aan de Leegstraat in Winssen berekend. Toetsing woning 1 Het geluid bedraagt op zijn hoogst 56 dB ter plaatse van de voorgevel van woning 1 (vrijstaande woning) op de 2e etage. De standaardwaarde van 53 dB wordt op de gehele voorgevel van woning 1 overschreden. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. De standaardwaarde wordt ten opzichte van de gemeentelijke wegen overschreden voor woning 1, waarbij de Leegstraat de maatgevende weg is. Er zijn maatregelen onderzocht voor een geluidsreductie tot maximaal de standaardwaarde. Hierin zijn bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen als niet doelmatig of ongewenst beoordeeld. Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 56 dB ter plaatse van de voorgevel van woning 1 (2e etage). De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 56 – 33 = 23 dB. Een dergelijke geluidwering wordt in het kader van nieuwbouw vrijwel altijd wel behaald. De initiatiefnemer zal bij het bouwkundig ontwerp rekening houden met de vereiste gevelwering. Toetsing woningen 2/3 en 4/5 Het geluid bedraagt op zijn hoogst 50 dB ter plaatse van de noordgevel van woning 2 (2e etage).

De standaardwaarde van 53 dB wordt nergens overschreden. Er hoeven geen maatregelen voor woningen 2/3 en 4/5 onderzocht te worden vanwege het geluid van gemeentelijke wegen. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als 'matig' tot 'zeer goed'. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woning wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Railverkeerslawaai De woningen in het plangebied zijn niet gelegen nabij een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd. Industrielawaai (geluid door activiteiten) De woningen in het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd. 6.5.3

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.6

Bedrijven en milieuzonering

6.6.1

Regelgeving

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bij milieuzonering gaat het specifiek om de milieuthema's die afstandsgerelateerd zijn. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten worden gerealiseerd, moet worden gemotiveerd in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat bedrijfsmatige activiteiten zich vestigen/wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. In 2024 is de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' uit gekomen. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten. Totdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is geïmplementeerd in het beleid van de gemeente, wordt nog uitgegaan van de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor het vaststellen van de minimum richtafstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies worden de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies.

De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Als de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Wanneer niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. 6.6.2

Doorvertaling planvoornemen

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen met een hindercontour die een overlap kent met het plangebied. De bedrijfsfuncties die in de omgeving zijn gelegen hebben een maximale categorie van 3.1. Uitgaande van het omgevingstype gemengd gebied, gezien de bedrijvigheid en verschillende woonfuncties aan de Leegstraat is er geen sprake van een rustig buitengebied. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan namelijk als gemengd gebied worden beschouwd. Volgens deze kolom geldt een afstandsrichtlijn van 30m. Aan deze afstandseis wordt voor alle omliggende bedrijfsfuncties voldaan. Aan de zuidzijde van het plangebied is tevens een buitenmanege (specifieke vorm van sportbuitenmanege) toegestaan. Voor een (buiten)manege geldt tevens een afstandsrichtlijn van 30 meter (voor het aspect geur) voor omgevingstype gemengd gebied. De buitenste rand van het plangebied ligt op ongeveer 30 meter van de buitenmanege. Gezien het feit er voor het zuidelijke deel van het plangebied een verkeersfunctie opgenomen wordt, is de afstand tot het woonperceel bovendien meer dan 50 meter.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

Afbeelding met bedrijfsfuncties in de omgeving met categorie-verwijzingen. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. Spuitzonering Spuitzonering in het planologische spoor heeft betrekking op de afstand die gehanteerd moet worden tussen agrarische bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen, bij het bespuiten van gewassen met bestrijdingsmiddelen. Uit vaste rechtspraak volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijven waar bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, in de regel niet onredelijk wordt geacht. Onderhavig TAM-omgevingsplan speelt een rol bij het vastleggen van deze spuitzone en het voorkomen van conflicten tussen agrarische activiteiten en andere functies. Aangezien het plangebied woningen mogelijk maakt, die vallen onder gevoelige functies, en er omliggend agrarische percelen gesitueerd zijn, is het noodzakelijk uit te sluiten dat er gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden binnen een kleinere afstand dan 50 meter buiten de woonlocaties. Om juridisch te borgen dat er geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt mogen worden op de omliggende agrarische percelen (behalve de percelen die initiatiefnemer zelf in bezit heeft) is dit met een aanduiding in het plangebied, en tevens in de regels middels een verbodsbepaling juridisch geborgd.

Hiermee vormen de omliggende agrarische percelen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 6.6.3

Conclusie

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

6.7

Externe veiligheid

6.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in:  zeer kwetsbare gebouwen  kwetsbare gebouwen en locaties  beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De categorieën kwetsbare gebouwen en locaties zijn aangewezen in bijlage VI Bkl. Plaatsgebonden risico Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling (dus vergunning) mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico: aandachtsgebieden Het Bkl introduceert zogenaamde 'aandachtsgebieden' rond risicobronnen.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Deze aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk en zijn zichtbaar in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen de aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Een (deel van een) aandachtsgebied kan in het omgevingsplan worden aangewezen als voorschriftengebied.

Binnen een dergelijk gebied gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aanvullende bouwvoorschriften (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl voor het verbeteren van de veiligheid) voor de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw (en dus niet voor bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen. Er geldt een plicht (artikel 5.14 Bkl) tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten. 6.7.2

Doorvertaling planvoornemen

Op navolgende afbeeldingen is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop zijn de PR contouren en de aandachtsgebieden weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes over weg, water en spoor en buisleidingen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe cirkel) (bron: www.atlasleefomgeving.nl). Kwetsbaarheid De beoogde woningen betreffen kwetsbare gebouwen. Plaatsgebonden risico Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 contour. Aandachtsgebied Het plan is niet gelegen binnen een brandaandachtsgebied. Groepsrisico De woningen zijn als kwetsbare gebouwen niet gelegen binnen het brandaandachtsgebied van een buisleiding. Er zijn derhalve geen maatregelen benodigd om het groepsrisico op deze plek te verkleinen of verzachten. Op het gebied van omgevingsveiligheid zijn er geen beperkingen voor de betreffende ontwikkeling. 6.7.3

Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.8

Luchtkwaliteit

6.8.1

Regelgeving

Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over:  beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;  ammoniakemissies van veehouderijen;  geologische opslag van CO 2. 6.8.2

Doorvertaling planvoornemen

Het plangebied is niet gelegen in of nabij één van de aandachtsgebieden uit artikel 5.51, lid 2 Bkl. Bovendien geldt dat de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van vijf woningen mogelijk en draagt zodoende niet in betekenende mate bij aan de verhoging van de luchtverontreiniging.

Bestaande luchtkwaliteit Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2021 (monitoringsronde 2023) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 51468751_15561172 op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de Maas en Waalweg niet worden overschreden. De waardes bedragen 25,5 µg/m3 voor NO2, 15,98 µg/m3 voor PM10 en 8,82 µg/m3 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 6.8.3

Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

6.9

Waterhuishouding

6.9.1

Regelgeving

Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:  Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;  Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;  Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren;  Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.

De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk.

40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:  De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.  De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen. Uitgangspunten gemeente De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027' in november 2022 vastgesteld.

In dit plan legt de gemeente haar ambities en doelen voor het watersysteem vast en wordt nadere invulling gegeven aan de gemeentelijke watertaken en zorgplichten. Bij elke ingreep in de leefomgeving wil de gemeente afwegen hoe het water zo hoog mogelijk in de voorkeursvolgorde kan worden verwerkt. Hoe meer water wordt vastgehouden of geborgd hoe minder last is er van droogte, hoe minder is de inzet van pompen en gemalen nodig en des te hoger is het rendement van de RWZI's. Het afvoeren van regenwater is de laatste stap en de minst gewenste oplossing. Het uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Afvalwater en hemelwater worden afzonderlijk van elkaar ingezameld, getransporteerd en verwerkt. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is. 6.9.2

Doorvertaling planvoornemen

Om vast te stellen of de waterhuishouding geschikt is voor de voorgenomen ontwikkeling is er d.d. 17 april 2025 een watertoets uitgevoerd. Deze is als bijlage 4 aan dit ruimtelijke plan toegevoegd. Bestaande situatie In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als agrarisch perceel. De GHG is bepaald op 6,5 m +NAP. Het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van 4.325 m². Door het aanbrengen van verharding en bebouwing is watercompensatie vereist. Watergang Aan de oostzijde wordt de planlocatie begrensd door een secundaire watergang (code: 421863). De watergang heeft een beschermingszone vanaf de insteek van 1 meter. Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de waterschapsverordening een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Waterkeringen In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Watercompensatie Vooralsnog voorziet het plan in de mogelijkheid op het terrein tussen de kavels en de toekomstige ontsluiting, een alternatieve voorziening aan te leggen in de vorm van een wadi. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een dergelijke (potentiële) voorziening hoort, is navolgend een voorziening indicatief uitgewerkt.

Er is vooralsnog gekozen voor de aanleg van een wadi omdat een wadi controleerbaar en gemakkelijk beheerbaar is. Met de aanleg van een wadi wordt daarnaast voorkomen dat een doodlopende watergang wordt aangelegd. Ook zijn met een wadi geen aanvullende waterbergende maatregelen op de woonpercelen nodig.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

41

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

Wanneer een wadi wordt aangelegd met een diepte van 0,4 meter en een talud van 1 op 3 aan de zijde van de kavels en een talud van 1:2 aan de zijde van de ontsluitingsweg kan, met inachtneming van een waking van 5 cm (waterhoogte 0,35 m), de volledige wateropgave worden geborgd. Met een grotere diepte kan de wadi logischerwijs ook smaller worden. In het kader van de vergunningverlening zal een definitieve invulling van de waterberging worden ingevuld. Voor de planologische uitwerking is nu helder wat de opgave is, en dat deze (ruimtelijk) inpasbaar is. Bijgaand de potentiële voorziening zoals passend zou zijn:

Situering wadi's ten behoeve van de waterberging voor de ontwikkeling van vijf woningen. Grondwater Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. Ingrepen voorkomend uit dit plan zullen het functioneren van het grondwatersysteem niet beïnvloeden. Riolering en hemelwaterafvoer Voor de afvoer van het afvalwater is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de rioolaansluitingen. Het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem, maar wordt op het eigen perceel verwerkt. Het plangebied biedt voldoende ruimte om het hemelwater te verwerken. In de regels is een voorwaardelijke verplichting waterberging opgenomen, opdat met realisatie van de woningen tevens wordt voorzien in voldoende waterberging. Waterkwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.

42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

Beheer en onderhoud Om de werking van het hemelwatersysteem te borgen en hinder te voorkomen is goed onderhoud van belang. Onderhoud aan een wadi zal jaarrond plaats moeten vinden en zal worden vastgelegd in een beheer- en onderhoudsplan. Hierin zullen onder andere de volgende 3 aspecten worden opgenomen:  Preventief onderhoud: maaien van gras (wekelijks of twee wekelijks) of indien sprake is van vaste planten of wilde bloemen snoei werkzaamheden en wieden (tijdens groeiseizoen), verwijderen van blad en zwerfvuil (maandelijks), het reinigen van uitstroomkolk en overstortput en het doorspuiten van de aanwezige drain (eenmaal per jaar).  Regelmatige visuele inspecties en monitoring op basis waarvan preventief onderhoud kan worden bijgesteld.  Correctief onderhoud: herstellen van beschadigingen aan de grasmat of vegetatie, het verwijderen van vuil of slib (uitvoering o.b.v. visuele inspectie). 6.9.3 Wateradvies Uit het wateradvies van het Waterschap blijkt dat de gangbare watertoetsprocedure geldt. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken, informeren en adviseren over de waterhuishoudkundige aspecten van het plan. Het Waterschap beoordeelt of het waterbelang voldoende gewaarborgd is. Het wateradvies is toegevoegd als bijlage 5 bij dit plan. 6.9.4

Conclusie

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.10

Natuur en ecologie

6.10.1 Regelgeving Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow). Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn.

Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten. Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

43

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gebiedsbescherming Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:  alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;  voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en  als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Stikstofdepositie Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten.

De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow). 6.10.2 Doorvertaling planvoornemen Soortenbescherming Ten behoeve van het aspect ecologie is er d.d. 6 maart 2025 een quickscan Natuur uitgevoerd. Deze is als bijlage 6 aan dit ruimtelijke plan toegevoegd. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, rugstreeppad en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De maatregelen zijn onder de specifieke zorgplicht in het rapport opgenomen. Conclusie van het onderzoek is dat in de beoogde realisatie van vijf woningen aan de Leegstraat te Winssen er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'.

De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone liggen ook op circa 1,3 km van het plangebied.

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

Afstand tot Natura 2000-gebied Rijntakken (bron: quickscan natuur Blom Ecologie). Stikstofdepositie Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase. Dit onderzoek is als bijlage 8 bij de motivering gevoegd. Er is geen significant negatief effect van stikstof op de meest nabijgelegen Natura-2000 gebieden. De berekende toename is 0,0 mol/ha/j volgens de aeriusberekening met de in het rapport aangegeven uitgangspunten. Dit is zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase. Er is dan voor het plan dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk, en de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering en exploitatie van het plan. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. BoomEffectAnalyse (BEA) Om er zeker van te zijn dat de bomen langs de Leegstraat, aan weerszijden van de inritten, in stand gehouden kunnen blijven, is een BoomEffectAanlyse (BEA) uitgevoerd, zie bijlage 7. De gemeente wenst namelijk de bomenrij langs de Leegstraat duurzaam te behouden.

Het doel van de BEA is om te bepalen in het perspectief van de voorgenomen plannen of realisatie van de twee inritten tussen de 4 gemeentelijke bomen (Quercus robur) mogelijk is. Uitgangspunt daarbij is dat de bomen in de huidige verschijningsvorm en op dezelfde standplaats duurzaam behouden kunnen blijven. In deze BEA wordt geadviseerd welke randvoorwaarden en maatregelen er genomen dienen te worden om de de bomen (Quercus robur) duurzaam te behouden als blijkt uit het onderzoek dat realisatie van de inritten tussen de bomen mogelijk is. Naar aanleiding van de voorstudie, het veldonderzoek en de analyse van de verkregen gegevens blijkt dat het haalbaar is om de vier gemeentelijke bomen (Quercus robur) duurzaam te behouden. Om de bomen ook daadwerkelijk duurzaam te behouden is het wel noodzakelijk dat er (bij de uitvoering) aan bepaalde randvoorwaarden wordt voldaan en er specifieke maatregelen worden getroffen. 6.10.3 Conclusie De aspecten 'natuur' en 'ecologie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

45

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

6.11

Cultureel erfgoed

Het onderdeel cultureel erfgoed gaat over zowel archeologie als cultuurhistorie. 6.11.1 Regelgeving Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen. Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

6.11.2 Doorvertaling planvoornemen Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is het 'Parapluplan Archeologie' waarin het geactualiseerde archeologische beleid van 24 januari 2022 is geborgd. Deze archeologische waarden zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Archeologie Op onderstaande uitsnede is een fragment te zien van de archeologische beleidskaart.

46

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen

Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied (blauwe omkadering) Op de inpassingstekening is weergegeven waar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' (rode contour) is gelegen binnen het plangebied (zwarte omkadering). De rest van het plangebied heeft de bestemming 'Waarde - Archeologie 4' (lichtrode contour). Uit de kaart volgt dat ter plaatse van het plangebied voor de helft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' geldt en voor de overige helft 'Waarde - Archeologie 2' is vastgesteld. Binnen 'Waarde - Archeologie 4' is een gebouw toegestaan met een oppervlakte van ten hoogste 250 m2. Binnen 'Waarde - Archeologie 2' is het toegestaan om een gebouw op te richten met een oppervlakte van ten hoogste 100 m 2. Archeologisch onderzoek is dus benodigd. Op basis van het archeologisch bureau- en veldonderzoek bijgevoegd in bijlage 9 is vastgesteld dat er in het plangebied een drietal archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn. In het kader van de voorgenomen nieuwbouw in het plangebied is daarom vervolgonderzoek benodigd. Dit vervolgonderzoek wordt geconcentreerd op de locaties waar bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv uitgevoerd worden. Voor de zones waarin geen bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv plaatsvinden is een vervolgonderzoek niet noodzakelijk.

Hier blijft echter wel een wettelijke meldingsplicht, conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11 gelden. Deze houdt in dat als er onverhoopt toch archeologische resten aangetroffen worden, deze bij de bevoegde overheid (gemeente Beuningen) gemeld dienen te worden. In het kader van de haalbaarheid van het TAM-omgevingsplan is aangetoond dat archeologie geen belemmering hoeft te zijn voor de nieuwbouwontwikkeling. Door de aanwezigheid van drie archeologisch relevante niveaus is in het TAM-omgevingsplan conform de regels de dubbelbestemming voor Waarde - Archeologie gehandhaafd. Hierdoor is verzekerd dat archeologische waarden worden beschermd. Het vervolgonderzoek zal in later stadium plaatsvinden en voor vergunningverlening worden uitgevoerd. De dubbelbestemmingen zijn in onderhavig TAM-omgevingsplan, conform de regels uit het 'Parapluplan Archeologie', geborgd op de verbeelding en in de regels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=8d210021-dab3-4b70-9d82-2a3d2b5a3fa9