CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Pastoor van der Marckstraat 7 Weurt

Raadsvergadering 12 mei 2026, gemeente BeuningenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Pastoor van der Marckstraat 7 Weurt23.457 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

VISIE INCLUSIEF WONEN IN BEUNINGEN

Op 2 juli 2024 heeft de gemeenteraad de visie Inclusief Wonen in Beuningen 2024-2028 vastgesteld als richtinggevend kader voor woningbouw- en woonzorgontwikkelingen. Deze heeft de woonvisie Beuningen 2018-2023 vervangen. De visie is een uitwerking van de in het coalitieakkoord 2022-2026 vastgestelde koers om perspectief te bieden aan onze inwoners waaronder jonge starters, senioren en bijzondere doelgroepen. De visie sluit aan op de doelstellingen van de eerste drie punten uit het 10 puntenplan Wonen en actualiseert en verfijnt de uitwerking van deze punten. De visie sluit tevens aan op de uitgangspunten van regie nemen door de gemeente en samenwerking met partijen. In de visie Inclusief Wonen is de behoefte aan levensloopgeschikte woningen geraamd. In aanvulling zijn minimum percentages opgenomen voor nultredenwoningen. Deze verschillen per woningtype: (eengezins)woningen en/of appartementen. Daarnaast zijn er aanvullende regels gesteld ten behoeve van zelfbewoning, de bestemmingsreserve sociale huur, de toewijzing van sociale huurwoningen, en specifieke doelgroepen (inclusief wonen).

Toetsing: De ontwikkeling voorziet in het her ontwikkelen van het horecapand ’t Centrum naar acht koopappartementen en realisatie van één vrijstaande woning met bijgebouw en voorziet in de groeiende vraag naar betaalbare woonruimte voor starters, ouderen en alleenstaanden binnen de gemeente Beuningen. Door de toewijzing met voorrang aan lokale inwoners wordt de sociale kern versterkt Conform de visie inclusief wonen is hier bovendien sprake van een kleinschalige ontwikkeling en heeft het een dorps en landschappelijk karakter op een inbreidingslocatie. Het betreft de verdichting van een bestaand bebouwingslint.

27

5

AFWEGING EFFECTEN OP DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is het zorg dragen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Om te bepalen of daar sprake van is moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving. Aan de hand van die afweging kan worden bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt deze afweging gemaakt. 5.1

M.E.R.-BEOORDELING

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten waarvoor een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage en/of een beoordelingsplicht geldt. Een verdere beoordeling is daarmee niet nodig. Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld. Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt.

Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Het initiatief maakt functieverandering van horeca naar wonen en daarmee realisatie van acht appartementen en één vrijstaande woning mogelijk. Daarbij worden geen activiteiten uitgevoerd die zijn opgenomen in de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit en/of waarvoor een beoordelingsplicht geldt. Het initiatief zal daarom niet leiden tot aanzienlijke milieueffecten, waarmee een verdere beoordeling niet nodig is. 5.2

ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING

Met het initiatief is sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen en/of de wijziging van de functie van bestaande gevoelige gebouwen. De locatie is echter buiten de geluidruimte zones en geurruimte zones van omliggende functies en bedrijven gelegen. Daarmee zullen de maximale waarden voor geluid en geur die ter plaatse van de locatie mogen worden ondervonden niet worden overschreden en zal geen sprake zijn van een (verder) beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende functies en/of bedrijven. In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het

28

omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie “Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet” met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden. Er wordt daarbij vooral ingegaan op “Geluid door activiteiten” en “Geur”, uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde “geluidruimte zones” en “geurruimte zones” opgenomen. Binnen deze zones zijn in de publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige gebouwen die binnen de “geluidruimte zone” en “geurruimte zone” van die activiteit gelegen zijn.

De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader. In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als “rustige woonwijk/rustig buitengebied” en gebieden die zijn aan te merken als “gemengd gebied”. Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten. Toetsing: De locatie is gelegen in een gebied waarin verschillende functies naast elkaar voorkomen. Er is sprake van woningen, horeca, maatschappelijke functies en bedrijvigheid die op redelijk korte afstand van elkaar aanwezig zijn. Daarnaast is het gebied waarin de locatie is gelegen aan een ontsluitingsweg gelegen (de Pastoor van der Marckstraat). Het gebied waarin de locatie is gelegen kan daarmee worden gezien als een “gemengd gebied”. Het initiatief maakt de herontwikkeling van een voormalig horecapand naar een woonfunctie mogelijk. Met het oprichten van woningen is er sprake gevoelige gebouwen.

Het is daarom van belang om te kijken welke soort functies en activiteiten in de omgeving aanwezig zijn die mogelijk zouden kunnen worden beperkt door een nieuw of gewijzigd gevoelig gebouw. In de nabije omgeving van de locatie (binnen ongeveer 300 meter) zijn de volgende functies en/of bedrijven gelegen die beperkt zouden kunnen worden door een nieuw of gewijzigd gevoelig gebouw: Type functie/bedrijf Fruitbedrijf Melkveehouderij

Adres Vossenkuil 6 Hosterdstraat 2

Afstand tot de locatie 915 meter 2 kilometer

Geluidruimte zone 30 meter 30 meter

Geurruimte zone 10 meter 100 meter

Zoals te zien in de voorgaande tabel is de locatie niet binnen de geluidruimte zones en/of geurruimte zones van de functies en/of bedrijven in de nabije omgeving. Het is daarmee niet te verwachten dat ter plaatse van de locatie sprake zal zijn van een overschrijding van de maximale waarden voor geluid en geur die ter plaatse van het gevoelig gebouw op de locatie mag worden ondervonden. Er is 29

daarmee geen sprake van een (verdere) beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende functies en/of bedrijven in de omgeving. 5.3 5.3.1

GELUID GELUID DOOR ACTIVITEITEN

Bij het initiatief is sprake van het oprichten of wijzigen van geluidgevoelige gebouwen. Echter is de locatie buiten de geluidruimte zones van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten gelegen. Daarmee zal geen van de functies, bedrijven en/of activiteiten in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: ▪ woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; ▪ onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; ▪ gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of ▪ bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden.

De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan. De gemeente Beuningen heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde “bruidsschat” van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De “bruidsschat” valt onder het zogenaamde “omgevingsplan van rechtswege” en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. In het geldende omgevingsplan zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek wordt gevraagd. Dit betreffende volgende activiteiten: ▪ Activiteiten waarbij tussen 19:00 en 7:00 per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen met een gewicht (voertuig inclusief lading) van meer dan 3.500 kilogram en binnen 50 meter van geluidsgevoelige gebouwen (anders dan bij een tankstation of horecagelegenheid).

Wanneer sprake is van agrarische activiteiten dan geldt deze verplichting alleen tussen 19:00 en 6:00. ▪ Het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter (als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving). ▪ Het overslaan van metalen in bulk in de buitenlucht of het mechanisch bewerken van metalen in de buitenlucht. ▪ Het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden.

30

▪ ▪ ▪ ▪

▪

Het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken. Het vervaardigen van betonmortel of betonwaren. Een binnenschietbaan op minder dan 50 meter van een geluidsgevoelig gebouw. Een buitenschietbaan voor zover sprake is van een civiele of militaire schietbaan of militair springterrein (voor traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden is geen onderzoek nodig). Activiteiten waarbij muziek ten gehore wordt gebracht dat een equivalent geluidsniveau veroorzaakt van 70 decibel in- of aanpandig met geluidsgevoelige gebouwen en van 80 decibel in andere gevallen of wanneer muziek ten gehore wordt of zal worden gebracht in de buitenlucht.

Toetsing: Bij het initiatief worden geen van de voorgaande activiteiten uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van activiteiten ter plaatse waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Wel moet met de het initiatief aan de normen die gelden voor geluid uit het geldende omgevingsplan worden voldaan. Binnen de gemeente Beuningen geldt dat de maximale geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen in de dagperiode (tussen 7:00 en 19:00) maximaal 50 decibel, in de avondperiode (19:00 – 23:00) maximaal 45 decibel en in de nachtperiode (tussen 23:00 en 7:00) maximaal 40 decibel bedragen. Bij het initiatief wordt een horecapand met horecafunctie omgezet naar woonfunctie. De locatie is echter buiten de geluidruimte zones van functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving gelegen. Het is daarom niet te verwachten dat de normen voor geluid uit het geldende omgevingsplan op de locatie worden overschreden door activiteiten in de omgeving. Er zij de directe omgeving hoofdzakelijk woonfuncties gelegen. Daarmee zal ter plaatse van de locatie geen sprake zijn van geluidhinder en worden de omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten niet in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.

Daarmee wordt op de locatie aan de normen voor geluid zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan voldaan en zullen geen van de functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt 5.3.2

GELUID DOOR WEGEN, SPOORWEGEN EN INDUSTRIETERREINEN

Met het initiatief worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en/of bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. De locatie is echter buiten de aangewezen aandachtszones gelegen. Een nadere afweging op dit punt is daarmee niet nodig. Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan moet worden gekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen moet binnen de zogenaamde aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt. In het geldende omgevingsplan moeten gemeenten daarvoor aanvullende regels opnemen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen binnen de aandachtszones van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. 31

De gemeente Beuningen heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde “bruidsschat” van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De “bruidsschat” valt onder het zogenaamde “omgevingsplan van rechtswege” en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Toetsing: Bij het initiatief wordt de herontwikkeling van een voormalig horecapand met bedrijfswoning naar een woonfunctie mogelijk gemaakt. Omdat er sprake is van het toevoegen van nieuwe woningen is er sprake van gevoelige gebouwen. Volgens de landelijke definities betreft dit een gevoelig gebouw, vanwege langdurig verblijf van personen. De locatie is echter buiten de aangewezen aandachtsgebieden voor wegen, spoorwegen en industrieterreinen gelegen. Er is daarmee geen verdere afweging van het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen nodig.

Geluidsaandachtsgebieden Bron: CVGG - geluidsregister

Over het perceel loopt een geluidzone die is gekoppeld aan het industrieterrein Kanaalhaven in Nijmegen. Deze zone bepaalt dat de gezamenlijke geluidsbelasting van bedrijven binnen het terrein maximaal 50 dB(A) mag bedragen op de zonegrens, die het kavel doorkruist. Hierdoor is het niet aannemelijk dat op enig punt binnen het kavel een hogere geluidsbelasting dan 50 dB(A) optreedt. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de binnenwaarden voor geluidgevoelige ruimten in de nieuwe appartementen ruimschoots worden gehaald, conform artikel 5.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bouwbesluit stelt een minimale geluidisolatie-eis van 20 dB. Bij een buitenniveau van maximaal 50 dB(A) resulteert dit in een binnen niveau van hooguit 30 dB(A) overdag, wat ruimschoots binnen de norm valt. Bovendien leiden de huidige energieprestatie-eisen in de bouw vaak tot een betere geluidisolatie dan wettelijk vereist. Gelet op het voorgaande en de borging daarvan is het uitvoeren van verder akoestisch onderzoek in dit geval niet noodzakelijk.

32

5.4

KWALITEIT VAN DE BUITENLUCHT

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare kwaliteit van de buitenlucht (ook wel de luchtkwaliteit genoemd). Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. 5.4.1

LUCHTKWALITEIT DOOR ACTIVITEITEN

De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de aandachtsgebieden door de uitgevoerde activiteiten. Gemeenten moeten voor een aantal activiteiten de zogenaamde rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten: ▪ die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of ▪ waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied. Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Beuningen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld.

Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. 5.4.2

LUCHTKWALITEIT DOOR VERKEER

De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de aandachtsgebieden door het verkeer als gevolg van het initiatief. Met het initiatief zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de buitenlucht door het verkeer als gevolg van het initiatief. De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden. Verder is het van belang om te onderzoeken of het verkeer als gevolg van het initiatief kan leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden.

33

Als sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen dan kan het verkeer als gevolg van het initiatief gevolgen hebben voor de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de buitenlucht. Met het initiatief zal, zoals verder omschreven in de paragraaf “Verkeersbewegingen” (paragraaf 5.12.3), het aantal verkeersbewegingen echter niet toenemen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toename van de emissie van fijnstof en/of stikstofoxiden vanuit het verkeer, waarmee er geen sprake zal zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden door het verkeer als gevolg van het initiatief in de aandachtsgebieden. 5.4.3

LUCHTKWALITEIT OP DE LOCATIE

Met het initiatief is sprake van nieuwe gevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande gevoelige gebouwen. Echter kan ter plaatse aan de normen voor luchtkwaliteit worden voldaan, waarmee een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende is afgewogen. Als een nieuw gevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand gevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan dient sprake te zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De luchtkwaliteit maakt deel uit van deze veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het is daarom van belang dat wanneer sprake is van een nieuw of te wijzigen gevoelig gebouw dat aan de normen voor luchtkwaliteit kan worden voldaan om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving te kunnen waarborgen. Het initiatief maakt functieverandering van horeca naar wonen en daarmee realisatie van acht appartementen en één vrijstaande woning mogelijk. Er is daarmee een nadere afweging van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nodig. Vanuit het geldende omgevingsplan geldt ter plaatse van de locatie dat de achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) op gevoelige gebouwen niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedragen.

Toetsing: Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de actuele concentraties zijn opgenomen, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse van de locatie 14,84 µg/m³ (fijnstof) en 10,96 µg/m³ (stikstofoxiden). Dit is in de volgende afbeeldingen weergegeven.

34

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM10). Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden (NO2). Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Voor de kleinere fijnstof deeltjes (PM2,5) geldt een aangepaste norm van 25 µg/m³. Het aandeel van kleinere fijnstof deeltjes (PM2,5) is meegenomen in de achtergrondconcentratie van fijnstof deeltjes met een grotere omvang (PM10), in dit geval 14,84 µg/m³. De achtergrondconcentratie van de fijnstofdeeltjes PM10 is al lager dan de norm voor fijnstofdeeltjes PM2,5, (25 µg/m³.). Hierdoor kan worden gesteld dat de achtergrondconcentratie van fijnstofdeeltjes PM2,5 ook lager is dan de norm. Zowel op de voorgrond-als achtergrondcontraties voldoet de ontwikkellocatie aan de normen voor luchtkwaliteit. 5.5

VEILIGHEID IN DE LEEFOMGEVING

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar de veiligheid in de fysieke leefomgeving. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen daarvan beperken. De omgevingsveiligheid, of ook wel externe veiligheid genoemd, krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over veiligheid in de leefomgeving. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van de veiligheid in de leefomgeving wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico. Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Beuningen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor veiligheid in de leefomgeving hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het Bkl en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen.

De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

35

5.5.1

PLAATSGEBONDEN RISICO

Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er is daarmee geen sprake van risico’s voor de veiligheid aan de omgeving. De locatie is niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico’s voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen. Toetsing: Het initiatief maakt functieverandering van horeca naar wonen mogelijk. Een woonfunctie is geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet als risicovolle activiteit aan te merken. Het initiatief zal voor wat betreft het plaatsgebonden risico daarmee niet leiden tot risico’s voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM.

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico’s voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.

36

5.5.2

GROEPSRISICO

Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er is daarmee geen sprake van risico’s voor de veiligheid aan de omgeving. De locatie is niet binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico’s voor de veiligheid vanuit het groepsrisico. Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of transportroute moet een aanvullende afweging worden gemaakt van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen. De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtsgebieden is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd. Toetsing: Het initiatief maakt functieverandering van horeca naar wonen en daarmee realisatie van acht appartementen en één vrijstaande woning mogelijk.

Een woonfunctie betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet als risicovolle activiteit aan te merken. Het initiatief zal voor wat betreft het groepsrisico daarmee niet leiden tot risico’s voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving. Daarmee zijn de risico’s voldoende afgewogen en worden deze als aanvaardbaar beschouwd

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM.

De locatie aan de Pastoor van der Marckstraat 7- 7a te Weurt is, zoals te zien in voorgaande afbeelding, op dit moment aangeduid als “placeholder” binnen het kader van aandachtsgebieden voor

37

externe veiligheid. Een “placeholder” geeft aan dat er mogelijk een aandachtgebied van toepassing is, maar dat de exacte berekening en typering (brand, explosie of gifwolk) nog niet definitief is vastgesteld. Aandachtsgebieden zijn zones rondom risicovolle activiteiten waar mensen in gebouwen zonder aanvullende bouwkundige maatregelen mogelijk onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van incidenten met gevaarlijke stoffen. Tot de drie typen aandachtsgebieden behoren: brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. Omdat de locatie op dit moment nog als placeholder is aangemerkt en dus (nog) geen definitief aandachtsgebied is vastgesteld, is op dit moment niet hierop voor te sorteren met aanvullende voorschriften. Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart “Veilige omgeving” uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM.

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen een van de contouren van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico’s voor de veiligheid vanuit het groepsrisico. Daarmee zijn de risico’s voldoende afgewogen en worden deze als aanvaardbaar beschouwd.

38

5.6

BODEMKWALITEIT

Met het initiatief is sprake van het oprichten en/of wijzigen van verblijfsruimtes. Er is echter geen sprake van een te verwachten verontreiniging van de bodem en/of het grondwater. De kwaliteit van de bodem en het grondwater is daarmee geschikt voor de gewenste functie. Voor het initiatief is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater op de locatie geschikt zijn voor de gewenste functies. Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is het daarbij belangrijk om nieuwe verontreinigingen en aantastingen van de bodem te voorkomen. Daarnaast is een goede afweging nodig van de balans tussen eventuele risico’s voor het milieu en voor de gezondheid en van activiteiten die maatschappelijk wenselijk zijn als sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit. Gemeenten moeten hiervoor regels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente Beuningen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving op het gebied van bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen.

De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. In het geldende omgevingsplan zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt in beginsel een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem. Bij het initiatief wordt de hertontwikkeling van een horecapand naar een woonfunctie mogelijk gemaakt. Het is daarom belangrijk na te gaan of de bodem en het grondwater ter plaatse mogelijk verontreinigd zijn. Om te beoordelen of ter plaatse van de locatie sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater is door een deskundige op het gebied van bodem een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het historisch bodemonderzoek (NEN 5725) blijkt dat een verkennend bodem- en asbestonderzoek nodig is. Dit onderzoek moet worden ingediend bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen. Uit dit onderzoek kan blijken dat de bodem niet zonder meer geschikt is voor het voorgenomen gebruik en dat er voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden saneringsmaatregelen nodig zijn. De uitvoering van het verkennend bodem- en asbestonderzoek wordt als een voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan de regels. Het volledige rapport van het uitgevoerde bodemonderzoek is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting.

39

5.7

TRILLINGEN

Het initiatief zal niet leiden tot onaanvaardbare trillingen op trillinggevoelige gebouwen en/of ruimtes. Daarnaast zal op de locatie geen sprake zijn van onaanvaardbare trillingen op trillinggevoelige gebouwen en/of ruimtes door activiteiten uit de omgeving. Trillingen kunnen mogelijk nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen mogelijk effect hebben op het welzijn van mensen of schade aan gebouwen veroorzaken. Vanuit de Omgevingswet worden (delen van) gebouwen beschermd tegen trillingen. Er zijn verschillende soorten trillingen die kunnen worden veroorzaakt door verschillende bronnen. In de Omgevingswet wordt in de instructieregels voor dit onderwerp onderscheid gemaakt in trillingen die continu plaatsvinden en trillingen die herhaald voorkomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang om na te gaan of er sprake is van activiteiten die trillingen kunnen veroorzaken in trillinggevoelige ruimtes van trillinggevoelige gebouwen, en/of van het realiseren van dergelijke ruimtes of gebouwen. Indien er trillinggevoelige functies worden opgericht of gewijzigd, moet aanvullend worden onderzocht of er in de omgeving activiteiten plaatsvinden die mogelijk trillingen veroorzaken. Gemeenten kunnen, binnen de door de Rijksoverheid gestelde instructieregels, aanvullende regels over trillingen opnemen in het omgevingsplan.

De gemeente Beuningen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor trillingen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving op het gebied van trillingen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Toetsing: Het initiatief maakt functieverandering van horeca naar wonen mogelijk. Daarbij worden geen activiteiten uitgevoerd die trillingen veroorzaken van 1 tot 80 Hz. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijk nadelige effecten op trillinggevoelige gebouwen in de omgeving door de ter plaatse uitgevoerde activiteiten. Het initiatief maakt functieverandering van horeca naar wonen mogelijk. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken of in de omgeving sprake is van activiteiten die kunnen leiden tot onaanvaardbare trillingen in de trillinggevoelige ruimtes van de trillinggevoelige gebouwen op de locatie. De locatie is niet in de buurt van een weg gelegen waarover veel zwaar verkeer rijdt. Daarnaast is de locatie niet in de buurt van een spoorweg en/of industrieterrein gelegen.

In de omgeving van de locatie vinden verder geen activiteiten plaats die leiden tot trillingen van 1 tot 80 Hz, waarmee het niet te verwachten is dat de maximale waarden voor trillingen uit het geldende omgevingsplan op de locatie zullen worden overschreden. Er zullen daarmee op de locatie geen onaanvaardbare trillingen worden waargenomen in trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen door activiteiten vanuit de omgeving.

40

5.8

NATUUR EN NATUURLIJKE WAARDEN

De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden maakt daarmee deel uit van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen op in hun eigen omgevingsvisie om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen. Daarnaast kunnen provincies aanvullende regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan. Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij ook het Natuurnetwerk Nederland beschermd moet worden. 5.8.1

NATURA 2000-GEBIEDEN

Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van een Natura 2000-activteit. Er zal daarmee geen sprake zijn van significant nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Om de natuur te beschermen heeft de Rijksoverheid regels vastgesteld over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgpli cht en een verplichting tot het geven van informatie bij zogenaamde “ongewone voorvallen”. Ook kan hierbij een omgevingsvergunning verplicht zijn. Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn. Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt dan de “externe werking van een Natura 2000-gebied” genoemd. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben.

Als een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig. Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats (leefgebieden) kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant. Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen worden genomen om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

41

Toetsing: Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Rijntakken is gelegen op een afstand van ongeveer 178 meter van de locatie. Op een dergelijke afstand kunnen activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden. Daarom moet eerst verder worden bekeken welke activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben op de betreffende gebieden.

Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator.

Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben op Natura 2000-gebieden zijn vooral de uitstraling van licht, geluid en trillingen naar de betreffende gebieden en de depositie (neerslag) van stikstof op de betreffende gebieden. Vanwege de korte afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebeid kunnen de effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken leiden tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden. Het is daarom belangrijk om in het beheerplan van het betreffende gebied te kijken naar welke activiteiten kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor de in het gebied aanwezige habitats en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Het initiatief betreft reguliere woonbebouwing binnen de bestaande dorpskern. Er wordt geen verlichting toegepast die afwijkt van standaard openbare en woningverlichting. De afstand tot het natuurgebied is zodanig dat geen directe lichtuitstraling optreedt naar het gebied. Bovendien zijn de lichtbronnen in de omgeving al aanwezig. Met het beëindigen van de horecafunctie verdwijnt een potentiële geluidbron. De nieuwe functie (wonen) leidt tot een rustiger en meer stabiel geluidsniveau. 42

De functiewijziging leidt niet tot extra verkeersbewegingen of industriële uitstoot. De ontwikkeling betreft een kleinschalige woonfunctie met beperkt autogebruik. Er is geen sprake van trillingen. Daarmee zijn de mogelijke effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken voldoende afgewogen en zullen deze niet leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden kan echter nog wel leiden tot nadelige gevolgen voor de betreffende gebieden. Het initiatief maakt functieverandering van horeca naar wonen mogelijk. Voor het initiatief is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd voor zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het project. Er zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt om te bepalen of sprake is van een toename van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden. Uit het uitgevoerde onderzoek en de berekeningen blijkt dat geen sprake zal zijn van een toename van de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden in zowel de realisatie- als de gebruiksfase. De volledige resultaten van de uitgevoerde berekeningen zijn opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. 5.8.2

HOUTOPSTANDEN

Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels vanuit voor het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing. In de Omgevingswet staan regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet aan die regels voldoen. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. De regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten gelden in beginsel voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen. Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden altijd als uitzondering vanuit het Bal. Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels: ▪ Houtopstanden op erven of in tuinen. ▪ Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld. ▪ Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen. ▪ Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar. ▪ Kweekgoed.

▪ Populieren of wilgen van: • wegbeplantingen; • beplantingen langs waterwegen; • eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. ▪ Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen, bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand.

43

▪

▪ ▪

Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: • het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats; • de beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid; • een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken; • de beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013. Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel. houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.

Toetsing: Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op het initiatief. 5.8.3

SOORTENBESCHERMING

Voor het initiatief is een onderzoek uitgevoerd naar mogelijk voorkomende soorten flora en fauna en de mogelijke effecten van het initiatief op deze soorten en/of de leefgebieden daarvan. Uit het onderzoek blijkt dat het initiatief niet zal leiden tot een verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) soorten flora en fauna. In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor de bescherming van soorten flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd. Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen.

Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Met het initiatief wordt de functieverandering van horeca naar wonen mogelijk gemaakt. Daarmee kan sprake zijn van een flora- en fauna-activiteit in de zin van de Omgevingswet. Het is daarom belangrijk om vooraf inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten ter plaatse. Gezien de leeftijd en constructie van het bestaande pand is de aanwezigheid van beschermde gebouw gebonden soorten aannemelijk. Werkzaamheden zoals na-isolatie, dakrenovatie of sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van deze soorten of hun verblijfplaatsen. 44

Voor het initiatief is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin is onderzocht of er ter plaatse mogelijk soorten aanwezig zijn, welke soorten mogelijk aanwezig zijn en wat de eventuele effecten van het initiatief op de (leefgebieden van de) betreffende soorten zijn. Uit deze quickscan blijkt het volgende: ▪ Stikstofberekening uitvoeren; ▪ Geen beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); ▪ Gebouwen slopen en beplanting verwijderen buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); ▪ Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het bijgebouw voor de gierzwaluw; ▪ Indien de pannen of dakbeschot van het zalencentrum verwijderd worden, dient nader onderzoek naar de functie van het zalencentrum voor huismus en gierzwaluw uitgevoerd te worden; ▪ Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het bijgebouw (en mogelijk het zalencentrum, indien werkzaamheden aan dak plaatsvinden) voor vleermuizen; ▪ Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor de steenmarter; Het volledige onderzoeksrapport van de uitgevoerde quickscan is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. 5.8.4

NATUURNETWERK NEDERLAND

De locatie is niet in het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Wel is de locatie binnen 250 meter daarvan gelegen. Er zal echter geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de betreffende gebieden en/of deze zijn voldoende gecompenseerd. De natuur maakt vanuit de Omgevingswet deel uit van de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden geldt, naast een specifieke zorgplicht voor Natura 2000gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna, een algemene zorgplicht. Vanuit deze algemene zorgplicht geldt ook voor de gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. De provincie Gelderland heeft het NNN opgenomen in het Gelders Natuurnetwerk en heeft voor het behoud en de bescherming van deze gebieden specifieke regels vastgelegd in de omgevingsverordening.

Als een ontwikkeling binnen het Gelders Natuurnetwerk plaatsvindt dan moet worden aangetoond dat de activiteiten niet leiden tot beperkingen voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. In beginsel wordt in deze gebieden geen nieuwe bebouwing toegelaten. Eventueel kan in overleg met de provincie maatwerk worden toegepast. In dat geval dient het verlies aan ecologische waarden en kenmerken in het gebied te worden gecompenseerd. Als een ontwikkeling niet binnen het Gelders Natuurnetwerk plaatsvindt, dan moet worden gekeken of de activiteiten kunnen leiden tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. Dit wordt ook wel de externe werking genoemd. Als sprake is van mogelijke aantastingen dan moeten de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en moeten overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Dit geldt niet voor eventuele effecten door de verspreiding van 45

stoffen in de lucht of in het water. Nadelige effecten treden vooral op als binnen een afstand van 250 meter van het Gelders Natuurnetwerk activiteiten worden uitgevoerd met een uitstraling van licht, een uitstraling van geluid en/of een emissie van fijnstof. Toetsing: Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in het Gelders Natuurnetwerk gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied dat is opgenomen in het elders Natuurnetwerk is op een afstand van ongeveer 180 meter van de locatie gelegen. Omdat de locatie binnen 250 meter van het Gelders Natuurnetwerk is gelegen moet worden aangetoond dat de uitstraling van licht, de uitstraling van geluid en de emissie van fijnstof vanuit de locatie niet zal leiden tot een aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden. Als sprake is van een mogelijke aantasting dan moeten de nadelige effecten op de ecologische waarden en kenmerken worden gecompenseerd.

Uitsnede kaart Gelders Natuurnetwerk Bron: Provincie Gelderland

Het initiatief betreft reguliere woonbebouwing binnen de bestaande dorpskern. Er wordt geen verlichting toegepast die afwijkt van standaard openbare en woningverlichting. De afstand tot het natuurgebied is zodanig dat geen directe lichtuitstraling optreedt naar rustgebieden voor fauna. Bovendien zijn de lichtbronnen in de omgeving al aanwezig. Met het beëindigen van de horecafunctie verdwijnt een potentiële geluidbron. De nieuwe functie (wonen) leidt tot een rustiger en meer stabiel geluidsniveau. De functiewijziging leidt niet tot extra verkeersbewegingen of industriële uitstoot. De ontwikkeling betreft een kleinschalige woonfunctie met beperkt autogebruik. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden.

46

5.9

CULTUREEL ERFGOED

Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat dan om bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een volledige bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Daarbij wordt de zorg voor cultureel erfgoed en voor cultuurgoederen in bezit van de overheid geregeld in de Erfgoedwet en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Onder het cultureel erfgoed wordt onder andere verstaan de archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden. 5.9.1

ARCHEOLOGISCHE WAARDEN

Met het initiatief zal sprake zijn van ingrepen in de bodem. Echter zullen de vrijstellingsgrenzen voor verder onderzoek niet worden overschreden. Daarmee is het initiatief vrijgesteld van verder onderzoek en is de kans op een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten en/of waarden minimaal. Gemeenten moeten bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels opnemen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Gemeenten moeten gekozen vrijstellingsgrenzen in het geldende omgevingsplan opnemen. De vrijstellingsgrenzen zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden. De gemeente Beuningen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor archeologisch onderzoek hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Toetsing: In het geldende parapluplan zijn verschillende verwachtingswaarden opgenomen voor archeologie. Afhankelijk van de verwachtingswaarde die van toepassing is op een locatie of in een gebied geldt een specifieke vrijstellingsgrens. De planlocatie ligt binnen een gebied met de verwachtingswaarde “Waarde – Archeologie 4”. Daarnaast bevindt de locatie zich binnen de zone “overige zone – attentiegebied Romeinse weg”. In deze gebieden geldt een vrijstelling voor ingrepen met een oppervlakte van maximaal 250 m² en een diepte van maximaal 0,3 meter onder het maaiveld. Wanneer deze vrijstellingsgrenzen niet worden overschreden is de kans op het aantasten van mogelijk voorkomende waarden minimaal en is geen verder onderzoek nodig.

47

Met het initiatief zullen de vrijstellingsgrenzen niet worden overschreden. Er is geen sprake van het oprichten van bouwwerken groter dan 250 m². De voorgenomen werkzaamheden hebben betrekking op de herontwikkeling van het bestaande horecapand. Er worden acht appartementen gerealiseerd. Hier vinden geen bodemingrepen plaats. Daarnaast wordt een vrijstaande woning gerealiseerd. Hier vinden wel bodemingrepen plaats, maar de vrijstellingsgrens wordt niet overschreden. Nader (verkennend) onderzoek is dan ook niet nodig. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten en/of waarden. 5.9.2

CULTUURHISTORISCHE WAARDEN

De locatie is niet gelegen in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Het initiatief zal dan ook niet leiden tot een mogelijke aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Provincie Gelderland.

Daarmee zal het initiatief niet leiden tot een mogelijke aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving.

48

5.9.3

AARDKUNDIGE WAARDEN

De locatie is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting aardkundige waarden. Vanuit de Omgevingswet moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook de aardkundig waardevolle gebieden. Voor deze gebieden nemen de provincies aanvullende regels op in de omgevingsverordening. Deze regels moeten gemeenten in acht nemen bij het opstellen van het omgevingsplan. Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Binnen deze gebieden is het behoud van de aardkundige waarden van belang. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot een mogelijke aantasting van aardkundige waarden.

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Atlas Leefomgeving

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de aardkundige waarden van het betreffende gebied. 5.10 WATER 5.10.1 ALGEMEEN Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; • Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Waterschapsverordening voor waterkeringen en wateren; • Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027.

49

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=95a57623-b993-40e5-8199-f3c6eeae4bdf