CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Pastoor van der Marckstraat 7 Weurt

Raadsvergadering 12 mei 2026, gemeente BeuningenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Pastoor van der Marckstraat 7 Weurt23.457 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. 5.10.2 BELEID WATERSCHAP RIVIERENLAND Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten.

Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: 50

•

•

De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen. 5.10.3 BELEID GEMEENTE Beleidsplan Water en Riolering De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027' in november 2022 vastgesteld. In dit plan legt de gemeente haar ambities en doelen voor het watersysteem vast en wordt nadere invulling gegeven aan de gemeentelijke watertaken en zorgplichten. Bij elke ingreep in de leefomgeving wil de gemeente afwegen hoe het water zo hoog mogelijk in de voorkeursvolgorde kan worden verwerkt. Hoe meer water wordt vastgehouden of geborgd hoe minder last is er van droogte, hoe minder is de inzet van pompen en gemalen nodig en des te hoger is het rendement van de RWZI's. Het afvoeren van regenwater is de laatste stap en de minst gewenste oplossing. Het uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Afvalwater en hemelwater worden afzonderlijk van elkaar ingezameld, getransporteerd en verwerkt.

Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is. 5.10.4 VOORGENOMEN ACTIVITEIT Bestaande situatie In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als horecafunctie ’t Centrum. Dit pand zal worden verbouwd tot acht appartementen. Naast het pand wordt een vrijstaande woning met bijgebouw gerealiseerd. In de huidige situatie is hier enkel verharding aanwezig en worden er auto’s geparkeerd. Er is sprake van een aansluiting op het vuilwaterriool voor het afvalwater van het bestaande bouwwerk. De hemelwaterafvoer is reeds afgekoppeld. Waterkeringen In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Wel bevindt de uiterste noordzijde van het plangebied zich in de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. Dit is weergegeven op onderstaande uitsnede. Binnen deze buitenbeschermingszone gelden aanvullende regels en voorschriften.

51

Het bestaande hoofdgebouw op huisnummer 7a ligt buiten deze beschermingszone. De voorgenomen functiewijziging van dit pand heeft geen invloed op de beschermingszone, en omgekeerd heeft de beschermingszone geen gevolgen voor de functiewijziging. De nieuw te realiseren vrijstaande woning op huisnummer 7b wordt buiten de beschermingszone gesitueerd, waarmee de woonfunctie juist wordt onttrokken aan deze zone. Hierdoor neemt de hoeveelheid verblijfsruimte binnen de beschermingszone af.

Uitsnede legger waterkeringen bij de waterschapsverordening Bron: Waterschap Rivierenland

Watergangen en waterwerken Onder het perceel bevindt zich een kunstwerk: een duiker waarin een A-watergang onder het bebouwde gebied wordt doorgeleid via een kokervormig betonnen leidingsysteem. Voor dit type watergang zijn een werkingsgebied en een beschermingszone vastgesteld, waarbij een beschermingszone van 4,0 meter geldt. Bij de uitvoering van grondwerkzaamheden in het plangebied dient rekening te worden gehouden met de ligging van deze leiding. De grond onder het bestaande hoofdgebouw blijft onaangetast, aangezien gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. De nieuwe woning wordt buiten de beschermingszone gerealiseerd. Enkel het bijgebouw achter op het perceel wordt deels binnen de beschermingszone gerealiseerd. In de huidige situatie staat hier al een (hoger) gebouw met een fundering dieper dan 30 cm. In de nieuwe situatie veranderd dit dus niet. Hierdoor zijn op voorhand geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van het aanwezige leidingwerk.

52

Uitsnede kaart bij de waterschapsverordening Bron: Waterschap Rivierenland

Situering woning in relatie tot duiker en beschermingszone Bron: Strategie Architecten.

53

Watercompensatie Er is een verhardingsbalans opgesteld om te laten zien hoe de bestaande situatie en de toekomstige situatie zich tot elkaar verhouden. Bestaand: 949,36 m² bebouwing + verharding.

Situering verharding bestaand Bron: Strategie Architecten.

54

Toekomstige situatie: 725,00 m² bebouwing + verharding.

Situering verharding toekomst Bron: Strategie Architecten.

Doordat het grind als verharding mag worden geteld, is de bestaande situatie bijna helemaal verhard en bebouwd. De nieuwe situatie is nu een verbetering waardoor er dus geen compenserende waterberging gerealiseerd hoeft te worden. Grondwater Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. Ingrepen voorkomend uit dit plan zullen het functioneren van het grondwatersysteem niet beïnvloeden. Riolering en hemelwaterafvoer Voor de afvoer van het afvalwater is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de rioolaansluiting. In de huidige situatie is al een rioolaansluiting aanwezig op locatie van de nieuwe woning. De nieuwe woning zal hierop worden aangesloten. Het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem, maar wordt op het eigen perceel verwerkt middels infiltratiekratten. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze

55

materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het Waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofdwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties.

56

5.11 DUURZAAM ONTWIKKELEN Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op het bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op een duurzame manier ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (de omschakeling naar een duurzame manier van energie opwekken) en klimaatadaptatie (omgaan met de gevolgen van de verandering van het klimaat). 5.11.1 DUURZAAMHEID Met het initiatief is sprake van een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief zal de doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid niet in de weg staan. Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het belangrijk te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar worden gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan regels vastleggen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

Daarbij kunnen bijvoorbeeld regels worden opgenomen over het bergen van water, het natuurinclusief bouwen of het voorkomen van hittestress door hittebestendig te bouwen. Daarnaast kan een gemeente in het omgevingsplan omgevingswaarden vastleggen. Dit is een norm die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving (of een deel daarvan) vastlegt als beleidsdoel. Dit kunnen duidelijk meetbare doelen zijn, zoals bijvoorbeeld dat er binnen een bepaalde termijn een bepaald aantal windmolens en/of een bepaald aantal hectare aan zonnepanelen gerealiseerd moet zijn. Toetsing: Het gaat bij voorliggend initiatief grotendeels om herontwikkeling van bestaande bebouwing. Dat voorkomt een proces van sloop- en nieuwbouw. Het bespaart primaire bouwmaterialen en beperkt de afvalstroom en CO₂-uitstoot van bouwprocessen. Waar mogelijk wordt de bestaande bebouwing verduurzaamd door toepassing van isolatiemaatregelen, energiezuinige installaties en/of hernieuwbare energiebronnen. Hiermee wordt aangesloten op de ambities voor een energiezuinige gebouwvoorraad. De realisatie van de nieuwe vrijstaande woning zal resulteren in een duurzaam en toekomstbestendig woonhuis met een hoog energielabel. De woning wordt volledig gasloos uitgevoerd, kent een hoge isolatiegraad en voldoet aan de actuele energie-eisen (BENG).

Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie en de ambitie om de gebouwde omgeving te verduurzamen. 5.11.2 ENERGIETRANSITIE Met het initiatief wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor de energietransitie niet in de weg staan. Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van 57

energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op een duurzame en schone manier wordt opgewekt. Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan. Toetsing: De realisatie van de nieuwe vrijstaande woning zal resulteren in een duurzaam en toekomstbestendig woonhuis met een hoog energielabel. De woning wordt volledig gasloos uitgevoerd, beschikt over een hoge isolatiegraad en voldoet aan de actuele energieprestatienormen (BENG). Hiermee levert het initiatief een directe bijdrage aan de energietransitie, door het terugdringen van fossiel energiegebruik en het stimuleren van duurzame energieopwekking en energiezuinig bouwen. Het bestaande appartementsgebouw dat wordt omgevormd, is getoetst aan de geldende duurzaamheids- en energie-eisen. Waar nodig worden maatregelen getroffen om de energieprestatie te verbeteren, zoals het verbeteren van de thermische schil met isolatie en het vervangen van installaties.

Dit zorgt ervoor dat ook het bestaande gebouw bijdraagt aan het reduceren van de CO₂uitstoot en het behalen van de gestelde klimaatdoelstellingen. Door zowel de nieuwbouw als de transformatie te verduurzamen, wordt een integrale bijdrage geleverd aan een energiezuinige en milieuvriendelijke woonomgeving. 5.11.3 KLIMAATADAPTATIE Met het initiatief is voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg staan. Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen hevige buien steeds vaker voor. Het is belangrijk om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen op manieren om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor klimaatadaptatie vast te leggen in een omgevingsplan. De gemeente Beuningen heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie zijn opgenomen.

Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen: De functiewijziging van horeca naar wonen levert op verschillende manieren een positieve bijdrage aan het beperken van de uitstoot van broeikasgassen. Doordat er wordt verbouwd in plaats van nieuwbouw wordt aanzienlijk bespaard op de uitstoot die anders gepaard zou gaan met productie, 58

transport en verwerking van bouwmaterialen. Bij de herontwikkeling wordt bovendien gebruik gemaakt van na-isolatie. In combinatie met het gebruik van zonnepanelen op de vrijstaande woning wordt daarmee zoveel mogelijk duurzaam in de energievraag voorzien. Het initiatief draagt daarmee bij aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en/of staat de doelstellingen voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen niet in de weg. Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag: Met het initiatief is sprake van een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Dat wil zeggen dat voldoende rekening is gehouden met de afvoer van hemelwater op eigen terrein. Daarbij wordt voldaan aan de richtlijnen hiervoor van de waterbeheerder en/of de gemeente. Bij de herontwikkeling van het pand wordt gekozen voor het behoud van de bestaande bebouwing, waardoor er geen toename van verhard oppervlak optreedt. Hierdoor wordt de extra afvoer van hemelwater beperkt. Daarnaast wordt op het dak van het bijgebouw een groendak gerealiseerd, dat onder andere bijdraagt aan waterbergend vermogen. Het groendak kan regenwater tijdelijk vasthouden en vertraagd afgeven, wat een piekbelasting in het riool voorkomt.

Het initiatief draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag niet in de weg staan. Overstromingen: De locatie is nabij een waterkering gelegen. Deze waterkering beschermt de locatie tegen overstromingen. De kans op een overstroming is daarmee klein. Verder is de tweede verdieping van de woning veilig, waardoor er bij een overstroming daar toevlucht kan worden gezocht.

Uitsnede kaart droge verdiepingen Bron: Atlas Leefomgeving

Er is daarmee met het initiatief geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor overstromingen.

59

Voorkomen van hittestress: Bij het initiatief wordt op het bijgebouw een groendak aangelegd, dat een verkoelend effect geeft. Groene daken houden minder warmte vast in vergelijking met reguliere dakbedekking, doordat ze verdamping bevorderen en zonlicht voor ene deel reflecteren. Daarnaast wordt de bestaande bebouwing na-geïsoleerd en waar mogelijk gebruik gemaakt van lichte en isolerende materialen. Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van hittestress en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van hittestress niet in de weg. Rekening houden met droogte: Bij de realisatie van het initiatief worden geen activiteiten uitgevoerd waarbij grondwateronttrekking plaatsvindt, zodat de grondwaterstand niet negatief beïnvloed wordt. Het groendak houdt daarnaast regenwater tijdelijk vast en vertraagd de afgifte. Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met het voorkomen van droogte en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van droogte niet in de weg. 5.12 MOBILITEIT Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Mobiliteit maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en moet daarom worden meegenomen in de afweging van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving.

Voor de infrastructuur van de Rijksoverheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen voor de provincies en gemeenten. De provincies en gemeenten kunnen het beleid voor mobiliteit verder invullen. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Er moeten daarnaast voldoende parkeerplaatsen en fietsenstallingen gerealiseerd worden. Wat daarbij voldoende is dat is afhankelijk van de locatie en het gemeentelijke beleid daarvoor. 5.12.1 INFRASTRUCTUUR Het initiatief zal niet leiden tot mogelijk nadelige effecten op de omliggende wegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de infrastructuur. Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem en het in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur. Daarbij mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Het is daarom belangrijk om te kijken naar de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de omliggende wegen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor autosnelwegen, autowegen en hoofdspoorwegen, Rijksvaarwegen en landelijke fiets- en wandelroutes. Daarnaast zijn regels opgenomen over het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en de Rijkswegen.

Toetsing: De locatie is niet nabij een autosnelweg, autoweg, hoofdspoorweg, Rijksvaarweg en/of landelijke fiets-

60

of wandelroute gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur, Rijksvaarwegen en/of de Rijkswegen. De locatie is niet nabij een provinciale weg gelegen. De locatie is ook niet in een gebied gelegen dat is aangewezen voor eventuele wijzigingen in het provinciale weggennet. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur. Voor de overige infrastructuur mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot belemmeringen daarvan. Hiervoor kunnen gemeente, waar nodig, aanvullende regels opnemen in het omgevingsplan. Of aanvullende regels nodig zijn is afhankelijk van het type infrastructuur en de locatie daarvan. De locatie is niet nabij een van de soorten infrastructuur gelegen waarvoor in het omgevingsplan aanvullende regels zijn opgenomen. Het initiatief zal daarnaast ook niet leiden tot wijzigingen aan de bestaande infrastructuur. Daarmee zal het initiatief niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. 5.12.2 PARKEREN Met het initiatief zal sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein en in de directe omgeving.

Met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is het belangrijk dat wordt voorzien in een goed beleid voor het parkeren. Hiervoor kunnen gemeenten specifieke regels en normen opnemen in het omgevingsplan. De gemeente Beuningen heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor parkeren zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Bij nieuwe ontwikkelingen moet zoveel mogelijk worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Daarbij is het belangrijk dat wordt voldaan aan de parkeernormen uit het geldende omgevingsplan. Toetsing: De ontwikkeling voorziet in het her ontwikkelen van het horecapand ’t Centrum naar acht koopappartementen en realisatie van één vrijstaande woning met bijgebouw. De functiewijziging heeft directe gevolgen voor de parkeerdruk.

Bestaande situatie (horeca + B&B + bedrijfswoning) Op basis van het Parapluplan Parkeren gemeente Beuningen en de ligging binnen een weinig stedelijk gebied (rest bebouwde kom), gelden de volgende normen: ▪ Bedrijfswoning (vrijstaand koop): 2,3 parkeerplaats ▪ 4 B&B-kamers (zelfstandig, niet-studenten): 4 × 1,0 parkeerplaatsen ▪ Horeca (café/bar/cafetaria, 250 m² bvo): 7 x 2,5 parkeerplaatsen 61

In de oude situatie is er sprake van 23,8 parkeerplaatsen, zoals weergegeven in onderstaande tabel. Bron: CROW Parkeercijfers Adres initiatief: Pastoor van der Marckstraat 7

Soort object BVO m² (berekenen per 100 m²) Aantal eenheden Mate van stedelijkheid Ligging Min. norm CROW Min. aantal parkeerplaatsen

Oude situatie - parkeerplaatsen Bedrijfswoning B&B kamers 1 Weinig stedelijk Rest bebouwde kom 2,3 2,3

Totaal parkeerplaatsen Soort object BVO m² (berekenen per 100 m²) Aantal eenheden Mate van stedelijkheid Ligging Min. norm CROW Min. aantal parkeerplaatsen

4 Weinig stedelijk Rest bebouwde kom 1 4,0 23,8

Horecapand 700 Weinig stedelijk Rest bebouwde kom 2,5 17,5

Nieuwe situatie - parkeerplaatsen Woning vrijstaand Etage, koop 1 Weinig stedelijk Rest bebouwde kom 2,3 2,3

Totaal parkeerplaatsen Verschil parkeerplaatsen

8 Weinig stedelijk Rest bebouwde kom 1,6 12,8 15,1 -8,7

0,0

Parkeernormen Pastoor van der Marckstraat 7 Bron: Parapluplan gemeente Beunignen

Nieuwe situatie (wonen: appartementen + kamers + woning) ▪ 1 vrijstaande woning (koop): 2,3 parkeerplaats ▪ 8 appartementen 8 × 1,6 parkeerplaatsen In de nieuwe situatie is er een parkeerbehoefte van 15,1 parkeerplaats, zoals weergegeven in voorgaande tabel. Op basis van de gemeentelijke parkeernormen is de parkeerbehoefte in zowel de bestaande als de voorgenomen situatie berekend. Uit deze berekening blijkt dat de parkeerbehoefte afneemt van 28,3 parkeerplaatsen in de bestaande situatie naar 15,1 parkeerplaatsen in de nieuwe situatie. Dit betekent een afname van 8,7 parkeerplaatsen, wat is weergegeven in voorgaande tabel. Deze significante daling is het directe gevolg van het vervallen van de horecafunctie, die in de huidige situatie een relatief hoge parkeerdruk veroorzaakt. In de nieuwe situatie, waarin een minder intensieve gebruiksfunctie wordt gerealiseerd, is de parkeerbehoefte substantieel lager. De beschikbare parkeerruimte in de directe omgeving van de planlocatie voorziet ruimschoots in deze behoefte voor het appartementsgebouw. De vrijstaande woning krijgt twee privéparkeerplaatsen op eigen terrein. Daarmee is het initiatief uit verkeerskundig oogpunt aanvaardbaar en leidt het niet tot parkeeroverlast in de omgeving. Aanwezigheidspercentage Bij de beoordeling van de parkeerbehoefte is rekening gehouden met de aanwezigheidspercentages van de verschillende functies.

Deze percentages geven inzicht in de mate waarin parkeerplaatsen op

62

verschillende momenten van de dag worden benut. Voor woningen en horeca gelden daarbij uiteenlopende aanwezigheidsprofielen: waar de parkeerbezetting bij woningen vooral in de avond en nacht hoog is, ligt de piek voor horecagelegenheden doorgaans in de avonduren en het weekend. Op basis van onderstaande aanwezigheidspercentages blijkt dat de parkeerdruk op papier afneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Uit de verdeling blijkt echter dat de situatie op sommige momenten, met name tijdens werkdagnachten en zondagmiddagen, relatief ongunstig kan uitvallen, doordat er dan meer gebruik wordt gemaakt van de openbare parkeerruimte. Belangrijk is dat de voormalige piekmomenten in de bestaande situatie (zoals de werkdagavond en zaterdagavond) niet worden overschreden in de nieuwe situatie. Daarmee wordt verwacht dat de ontwikkeling geen structurele parkeeroverlast veroorzaakt en de parkeerdruk binnen aanvaardbare grenzen blijft.

Aanwezigheidspercentages Bron: gemeente Beuningen

5.12.3 VERKEERSBEWEGINGEN Het initiatief zal niet leiden tot een onaanvaardbare toename van het aantal verkeersbewegingen. Er zal daarmee geen sprake zijn van verkeershinder in de omgeving als gevolg van het initiatief. Als met een nieuwe ontwikkeling sprake is van een grote toename van het aantal verkeersbewegingen dan kan dit leiden tot verkeershinder in de omgeving. Het is daarom belangrijk om in beeld te brengen wat voor gevolgen een ontwikkeling heeft op de verkeersgeneratie (het aantal verkeersbewegingen als gevolg van een activiteit). Gemeenten kunnen voor de verkeersgeneratie van activiteiten richtlijnen of normen opnemen in het geldende omgevingsplan. Toetsing: Het initiatief zal niet leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. Integendeel, door het beëindigen van de horecafunctie en de transformatie naar een woonfunctie neemt de verkeersgeneratie juist af. De nieuwe situatie betreft een reguliere woonfunctie, die gekenmerkt wordt door een laag verkeersvolume met meer gespreide verkeersbewegingen over de dag. In vergelijking met de voormalige horecafunctie – die piekbelastingen kent op specifieke tijdstippen – betekent dit een significante vermindering van de verkeersintensiteit en -druk in de directe omgeving. Daarmee zal met het initiatief geen sprake zijn van verkeershinder in de omgeving.

5.13 HOOGSPANNINGSVERBINDINGEN Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke risico’s voor de gezondheid als gevolg van hoogspanningsverbindingen. De stroom door de draden van een hoogspanningsverbinding veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder andere af van de hoeveelheid stroom die door de draden 63

gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningsverbinding verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningsverbinding, des te zwakker is het magneetveld. Daarnaast kunnen echter effecten op de lange termijn optreden bij langdurige blootstelling aan een magneetveld. Het risico op effecten voor de gezondheid is groter naarmate sprake is van een magneetveldsterkte van 0,3 tot 0,4 microtesla of hoger. Om effecten op de gezondheid te voorkomen is het daarom belangrijk dat gevoelige gebouwen of functies op voldoende afstand van een hoogspanningsverbinding worden gerealiseerd. De afstand die daarbij aangehouden moet worden is afhankelijk van het type hoogspanningsverbinding en de hoeveelheid stroom die erdoor loopt. Toetsing: De locatie is niet in de buurt van een hoogspanningsverbinding gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke risico’s voor de gezondheid door hoogspanningsverbindingen. 5.14 SPUITZONES GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke risico’s als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Toetsing: Met het initiatief is geen sprake van bomenteelt en/of akkerbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke risico’s voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Daarmee zal het initiatief niet leiden tot mogelijke risico’s voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Naast de mogelijke risico’s voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van de uitgevoerde activiteiten is het belangrijk om ook een afweging te maken van de mogelijke risico’s op de locatie als nieuwe gevoelige gebouwen en/of functies worden opgericht in de buurt van percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. In de buurt van de locatie wordt echter geen bomenteelt en/of akkerbouw uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen.

Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico’s voor de gezondheid op de locatie door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen. 5.15 LICHTHINDER Met het initiatief zal geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder aan de omgeving. Daarnaast zal op de locatie geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder ter plaatse.

64

Kunstmatige verlichting kan verschillende soorten nadelige effecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van hinder voor de mens, bijvoorbeeld als mensen zich niet kunnen afschermen van het aanwezige kunstlicht, maar daar wel behoefte aan hebben. Daarnaast kan sprake zijn van hinder langs wegen, bijvoorbeeld door reclamezuilen met veel licht of van horizonvervuiling, bijvoorbeeld als het licht van een verlichte stal of verlicht sportveld in het open landschap op grote afstand goed is te zien. Ten slotte kan sprake zijn van verstoring van de natuur, bijvoorbeeld door het verstoren van het gedrag van diersoorten. Omdat de nadelige effecten van kunstlicht afhankelijk zijn van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld het soort licht en de plaats waar de bron van het licht gevestigd is, heeft de Rijksoverheid in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) alleen instructieregels opgenomen voor kunstlicht in de glastuinbouw bij het gebruik van kassen. Voor de overige vormen van mogelijke lichthinder moeten gemeenten regels opnemen in het geldende omgevingsplan. De gemeente Beuningen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld.

Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor lichthinder hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Toetsing: Met het initiatief wordt het omzetten van een horecafunctie naar een woonfunctie mogelijk gemaakt. Daarbij vinden geen activiteiten de leiden tot mogelijke lichthinder plaats. Er is geen sprake van het gebruik van kunstlicht, anders dan het gangbare gebruikte licht. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot onaanvaardbare lichthinder aan de omgeving. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot onaanvaardbare lichthinder aan de omgeving. Verder is het belangrijk om lichthinder voor mensen te voorkomen als nieuwe gevoelige gebouwen worden opgericht. Het gaat dan vooral om ruimtes in deze gebouwen waarin langdurig mensen verblijven. Het is daarbij van belang dat mensen die in deze ruimtes verblijven zich voldoende kunnen afschermen van eventueel hinderlijk kunstlicht uit de omgeving.

In de omgeving van de locatie zijn mogelijke bronnen van lichthinder aanwezig, waaronder straatverlichting in de directe woonomgeving, functionele verlichting van nabijgelegen bedrijven en parkeervoorzieningen, en koplampverlichting van passerend verkeer op de dorpsstraat. Om lichthinder in de ruimtes waarin langdurig mensen verblijven te voorkomen is het daarom van belang dat voldoende maatregelen worden getroffen om lichthinder vanuit de omgeving te voorkomen. Ten behoeve van het initiatief zullen, om lichthinder zoveel mogelijk te voorkomen, de volgende maatregelen worden genomen. De verblijfsruimten worden zoveel mogelijk georiënteerd van potentiële lichtbronnen af. Waar dit bouwkundig niet mogelijk is, kunnen de ramen in de gevels worden voorzien van zon- en lichtwerende raambekleding. Daarnaast wordt, waar nodig, gebruikgemaakt van buitenbeplanting of erfafscheidingen om directe lichtinval van buitenaf te beperken, met name bij verblijfsruimten op de begane grond. Er zal ter plaatse daarmee geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder op de locatie. 5.16 WINDHINDER Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke nadelige gevolgen door windhinder.

65

Wind kan hinder geven of zelfs gevaarlijk zijn. Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen. De gemeente kan de gevolgen van windhinder beperken door bijvoorbeeld regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan. Windhinder maakt deel uit van de fysieke leefomgeving. De gemeente moet het onderdeel windhinder daarom meenemen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. De Rijksoverheid heeft voor windhinder geen instructieregels opgesteld. De gemeente heeft daarmee de vrijheid om deze zelf in het omgevingsplan verder in te vullen. Daarbij is het voor de gemeente van belang om rekening te houden met de mogelijke gevolgen van windhinder en daarvoor passende maatregelen op te nemen in het omgevingsplan. De gemeente Beuningen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor windhinder hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Toetsing Er is de directe omgeving van het plangebied geen hoogbouw aanwezig. Evenmin is er sprake van hoogbouw in het initiatief.

Geen van de bouwwerken is hoger dan 20 meter. Daarmee is het niet aannemelijk dat er windhinder optreedt op het maaiveldniveau. Het initiatief leidt niet tot windhinder voor omliggende functies of in openbare ruimte.

66

6

UITVOERBAARHEID

De Omgevingswet kent geen bepalingen meer over de uitvoerbaarheid van een plan of project. De gemeente hoeft bij het vaststellen of wijzigen van een omgevingsplan niet meer aannemelijk te maken dat een functie die aan een locatie is toegekend ook daadwerkelijk op die locatie zal komen. De gemeente mag bij het opstellen van een omgevingsplan aangeven dat er een functie op een bepaalde locatie kan komen. Of deze functie er dan ook daadwerkelijk komt is minder van belang. Voorheen moesten gemeenten veel mogelijkheden onderzoeken die er misschien nooit zouden komen. In de Omgevingswet wordt het mogelijk gemaakt dit onderzoek in fases uit te voeren. Pas als een initiatief ook daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden dat past binnen de aan de locatie toegekende functie hoeft te worden onderzocht hoe dat initiatief op een aanvaardbare manier gerealiseerd kan worden. De gemeente moet echter nog wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is. Als sprake is van een concreet initiatief is het wel belangrijk om na te gaan of het initiatief op de gewenste locatie uitvoerbaar is. Daarbij wordt gekeken naar zowel de economische als de maatschappelijke uitvoerbaarheid. 6.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Het initiatief wordt als economisch uitvoerbaar beschouwd. De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemers. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profiteren van de aan te leggen openbare voorzieningen. De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over het kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan). Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

67

De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten mogen worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een aparte overeenkomst gesloten met betrekking tot het verhalen van de gemaakte kosten. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Verder zal ook het verhalen van eventuele nadeelcompensatie in een aparte overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geregeld, waarmee het initiatief economisch uitvoerbaar wordt geacht. 6.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Het initiatief wordt als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd. Op een procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan is de Uniforme Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Deze procedure is, kort samengevat, in drie stappen in te delen, namelijk de periode vóór de publicatie van het ontwerp van het plan, het ontwerp van het plan en de vaststelling van het plan. Voor het ontwerp van het plan maakt de gemeente eerst bekend dat zij voornemens zijn het omgevingsplan te wijzigen. Dit maken zij bekend in het gemeenteblad via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB). Als nodig stelt een gemeente daarbij ook een milieueffectrapportage op. Als het ontwerp van het plan gepubliceerd kan gaan worden moet de gemeente eerst, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerp, bekendmaken dat het ontwerp gepubliceerd gaat worden. Ook dit wordt bekend gemaakt in het gemeenteblad via de LVBB. Daarna kan het ontwerp worden gepubliceerd. De gemeente moet daarbij het ontwerp besluit in het gemeenteblad publiceren en het ontwerp plan 6 weken voor eenieder ter inzage leggen. Tijdens deze termijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het ontwerp plan in te dienen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Als er geen zienswijzen op het ontwerp binnen komen dan kan het ontwerp plan worden vastgesteld.

Komen er wel zienswijzen binnen op het ontwerp dan moeten deze eerst door de gemeente worden beantwoord. Mogelijk zijn daarbij nog wijzigingen in het plan nodig voordat dit kan worden vastgesteld. Als de eventuele zienswijzen naar behoren zijn beantwoord en er geen wijzigingen meer nodig zijn dan kan het plan worden vastgesteld. Ook bij het vastgestelde plan moet de gemeente dit eerst bekend maken in het gemeenteblad via de LVBB. Daarbij moet de gemeente ook aangeven op welke manier anderen bij het initiatief zijn betrokken, of met andere woorden, op welke manier participatie heeft plaatsgevonden. De gemeente moet daarnaast vermelden door wie, op welke manier en binnen welke termijn beroep mogelijk is. De wijziging van het omgevingsplan treedt normaal gesproken 4 weken nadat het vastgestelde plan is gepubliceerd in werking. De gemeente kan echter een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Ook als beroep op het plan is ingediend dan kan dit de termijn waarbinnen het plan in werking treedt uitstellen. De regels van het omgevingsplan worden tot slot zichtbaar in het

68

Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De regels van het omgevingsplan komen dan automatisch in het Omgevingsloket. Iedereen kan zo op een kaart zien welke regels waar gelden. Als een wijziging van het omgevingsplan de Uniforme Voorbereidingsprocedure heeft doorlopen en in werking is getreden en er geen zienswijzen of beroep zijn ingediend of eventueel ingediende zienswijzen of beroepen in voldoende mate zijn beantwoord, dan wordt het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd. Vanuit de Uniforme Voorbereidingsprocedure is het nog wel belangrijk om aan te geven of er voldoende participatie heeft plaatsgevonden. Zoals in deze toelichting omschreven in de paragraaf “Participatie” (paragraaf 3.2) heeft er ten behoeve van het initiatief voldoende participatie plaatsgevonden. Daarnaast zijn geen zienswijzen of beroepen ingediend en/of zijn ingediende zienswijzen en beroepen in voldoende mate beantwoord. Er zijn daarmee geen verdere maatschappelijke bezwaren ten aanzien van het initiatief. Het initiatief wordt daarmee als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

69

7 7.1

BELANGENAFWEGING EN CONCLUSIE IS ER SPRAKE VAN EEN EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES?

Wanneer sprake is van een wijziging van het omgevingsplan dan wordt het plan alleen gewijzigd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving). Daarnaast gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Zie hiervoor ook de paragrafen "Rijksbeleid" (paragraaf 4.1) en "Provinciaal beleid" (paragraaf 4.2). De vraag bij de wijziging van het omgevingsplan is of het initiatief, de gevraagde activiteit, leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er, na een zorgvuldige belangenafweging, met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5,Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. en 6). 7.2

CONCLUSIE

Zoals blijkt uit de toetsing aan de geldende beleidskaders, welke is opgenomen in het hoofdstuk "Beleidsmatige afweging" (hoofdstuk 4), past het initiatief binnen de beleidsregels, beleidsuitgangspunten en instructieregels van de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente. Er is daarmee geen sprake van strijdigheden met het beleid dat van toepassing is op de locatie. Verder zal het initiatief, zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Afweging effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5), geen nadelige gevolgen hebben op de fysieke leefomgeving. Het initiatief zal een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit daarmee niet in de weg staan. Ten slotte wordt het initiatief, zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Uitvoerbaarheid" (hoofdstuk 6), zowel economisch als maatschappelijk uitvoerbaar geacht. Verder heeft in voldoende mate participatie plaatsgevonden en is de juiste procedure doorlopen. Op basis van het voorgaande is met het initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt de ontwikkeling als aanvaardbaar beschouwd.

70

BIJLAGEN

71

76

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=95a57623-b993-40e5-8199-f3c6eeae4bdf