Bijlage 1 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Burgemeester van Suchtelenstraat 26
Tekst van het document
Doorvertaling planvoornemen
Het plangebied heeft op basis van het van het tijdelijke omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplan 'Kern Beuningen' reeds de functie wonen. Op de betreffende gronden mogen al bijgebouwen worden gebouwd. Omdat er geen sprake is van een functiewijziging hoeft er geen bodemonderzoek plaats te vinden. De extra wooneenheid wordt gerealiseerd binnen de thans vigerende woonbestemming. Daarnaast is er in 2013 op de naastgelegen percelen (2800, 2801) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De onderzoekslocatie overlapt deels perceel 2799. Bij dit onderzoek zijn lichte verontreinigingen aangetroffen die gelet op de aard en mate van verontreiniging géén reden voor nader onderzoek waren. Geconcludeerd is dat er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de wijziging bestaan. Het is aannemelijk dat de bodem van het perceel voor de voorgenomen nieuwbouw dezelfde milieuhygiënische kwaliteit heeft. 6.4.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.5
Geluid
6.5.1
Regelgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor: het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, artikel 3.18 lid 1 Bkl). Geluidgevoelige gebouwen Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties. Geluidaandachtsgebieden In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort.
De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel:
26
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Standaardwaarde (dB) (tabel 3.34 Bkl)
Grenswaarde (dB) (tabel 3.35 Bkl)
Provinciale wegen Rijkswegen
50 Lden
65 Lden
Gemeentewegen Waterschapswegen
53 Lden
70 Lden
Hoofdspoorwegen
55 Lden
70 Lden
Industrieterreinen
50 Lden
60 Lden
40 Lnight
50 Lnight
Geluidbronsoort
De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.
Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven. Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip: Aantal rijstroken
Maximum snelheid weg (km/u)
Breedte zone (m)
1 of 2
30 of minder
100
1 of 2
meer dan 30
200
3 of meer
350
Geluid door activiteiten Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Standaardwaarde toelaatbaar geluid op 07.00 - 19.00 uur
19.00 - 23.00 uur
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 27
23.00 - 7.00 uur
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
een geluidgevoelig gebouw Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
70 dB(A)
70 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
65 dB(A)
65 dB(A)
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten nie tworden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.
De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en 07.00 - 19.00 uur aanpandige geluidgevoelige gebouwen
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 7.00 uur
30 dB(A)
25 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
55 dB(A)
55 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
45 dB(A)
45 dB(A)
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
6.5.2
35 dB(A)
Doorvertaling planvoornemen
Wegverkeerslawaai In het kader van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit is bijgevoegd als bijlage 2. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woning aan de Burgemeester van Suchtelenstraat 26, Beuningen berekend. Toetsing standaardwaarden en grenswaarden De berekende geluidbelasting van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 58 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden, maar de grenswaarde van 70 dB niet. Maatregelen worden niet doelmatig geacht, zie paragraaf 3.3 van het onderzoek. De gevelbelasting van maximaal 58 dB is in de regels vastgelegd. Gevelwering en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 58 dB ter plaatse van de voorgevel. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 58 - 33 = 25 dB. Om de vereiste gevelwering te verkrijgen moeten bouwkundige maatregelen worden genomen. De initiatiefnemer zal bij het bouwkundig ontwerp rekening houden met de vereiste gevelwering.
28
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als 'matig' tot 'zeer goed'. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woning wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.4.1 en 3.4.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Railverkeerslawaai De woning in het plangebied is niet gelegen nabij een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd. Industrielawaai (geluid door activiteiten) De woningen in het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd. 6.5.3
Conclusie
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.6
Bedrijven en milieuzonering
6.6.1
Regelgeving
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bij milieuzonering gaat het specifiek om de milieuthema's die afstandsgerelateerd zijn. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten worden gerealiseerd, moet worden gemotiveerd in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat bedrijfsmatige activiteiten zich vestigen/wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. In de loop van 2024 wordt de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' verwacht. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
6.6.2
Doorvertaling planvoornemen
Totdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is verschenen, wordt nog uitgegaan van de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor het vaststellen van de minimum richtafstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies worden de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Als de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Wanneer niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen met een hindercontour die een overlap kent met het plangebied. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. 6.6.3
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.7
Externe veiligheid
6.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in: zeer kwetsbare gebouwen kwetsbare gebouwen en locaties beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De categorieën kwetsbare gebouwen en locaties zijn aangewezen in bijlage VI Bkl. Plaatsgebonden risico Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling (dus vergunning) mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico: aandachtsgebieden Het Bkl introduceert zogenaamde 'aandachtsgebieden' rond risicobronnen.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis,
30
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Deze aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk en zijn zichtbaar in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen de aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Een (deel van een) aandachtsgebied kan in het omgevingsplan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen een dergelijk gebied gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aanvullende bouwvoorschriften (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl voor het verbeteren van de veiligheid) voor de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw (en dus niet voor bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen.
Er geldt een plicht (artikel 5.14 Bkl) tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten. 6.7.2
Doorvertaling planvoornemen
Op navolgende afbeeldingen is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop zijn de PR contouren en de aandachtsgebieden weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes over weg, water en spoor en buisleidingen. Op de eerste afbeelding zijn de aandachtsgebieden rondom buisleidingen niet weergegeven; deze staan wel op de tweede afbeelding (in verband met overzichtelijkheid).
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe cirkel Bron: www.atlasleefomgeving.nl) Kwetsbaarheid De beoogde woning betreft een kwetsbaar gebouw.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Plaatsgebonden risico Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 contour.
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied blauwe cirkel (bron: www.atlasleefomgeving.nl) Aandachtsgebied Dit plan voorziet in de toevoeging van een kwetsbaar gebouw in het brandaandachtsgebied van een hogedruk aardgasleiding. De brandaandachtsgebieden zijn opgenomen afhankelijk van de druk en diameter van de (hogedruktransport)leiding. Omdat het plan ligt buiten de PR 10-8 contour en buiten de house burning distance van de betreffende buisleidingen wordt ervan afgezien het plangebied aan te wijzen als voorschriftengebied. Groepsrisico De woning is als kwetsbaar gebouw gelegen binnen het brandaandachtsgebied van een buisleiding. Gezien de woning in het brandaandachtsgebied is gelegen moet conform artikel 5.15, lid 1 Bkl rekening worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Hieraan is volgens 5.15, lid 2 Bkl voldaan als er maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in het gebouw of als het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in het gebouw beperkt is. Bij die te treffen maatregelen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de inzet van de brandweer op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron.
Ook informatievoorziening over hoe te handelen in geval van brand is van belang. Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. 6.7.3
Conclusie
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.8
32
Luchtkwaliteit
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
6.8.1
Regelgeving
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO 2. 6.8.2
Doorvertaling planvoornemen
Het plangebied is niet gelegen in of nabij één van de aandachtsgebieden uit artikel 5.51, lid 2 Bkl. Bovendien geldt dat de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van maximaal 1 extra woning mogelijk en draagt zodoende niet in betekenende mate bij aan de verhoging van de luchtverontreiniging. Bestaande luchtkwaliteit Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2021 (monitoringsronde 2023) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 27364178_428696 op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de A73, niet worden overschreden. De waardes bedragen 12,68 µg/m3 voor NO2, 16,77 µg/m3 voor PM10 en 9,47 µg/m3 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 6.8.3
Conclusie
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
6.9
Waterhuishouding
6.9.1
Regelgeving
Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren; Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.
In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.
De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.
Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk.
34
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.
Uitgangspunten gemeente Beleidsplan Water en Riolering De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027' in november 2022 vastgesteld. In dit plan legt de gemeente haar ambities en doelen voor het watersysteem vast en wordt nadere invulling gegeven aan de gemeentelijke watertaken en zorgplichten. Bij elke ingreep in de leefomgeving wil de gemeente afwegen hoe het water zo hoog mogelijk in de voorkeursvolgorde kan worden verwerkt. Hoe meer water wordt vastgehouden of geborgd hoe minder last is er van droogte, hoe minder is de inzet van pompen en gemalen nodig en des te hoger is het rendement van de RWZI's. Het afvoeren van regenwater is de laatste stap en de minst gewenste oplossing. Het uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Afvalwater en hemelwater worden afzonderlijk van elkaar ingezameld, getransporteerd en verwerkt. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is. 6.9.2
Doorvertaling planvoornemen
Bestaande situatie In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als oprit voor de bestaande woning. Daarnaast staan er een tweetal kippenschuurtjes. Het plangebied is grotendeels verhard. Waterkeringen In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Watergangen Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een A-watergang met in beginsel een beschermingszone van 4,0 meter. Uit overleg met het waterschap en uit de kaart bij de Waterschapsverordening is gebleken dat op basis van informatie uit de legger deze beschermingszone is teruggebracht van 4 naar 1 meter. Het onderhoud vindt in de praktijk altijd plaats vanaf de aan de zuidzijde van de watergang gelegen onverharde weg. De beschermingszone is in het plangebied gelegen en blijft gehandhaafd.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Uitsnede kaart bij de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland Watercompensatie Er is een verhardingsbalans opgesteld om te laten zien hoe de bestaande situatie en de toekomstige situatie zich tot elkaar verhouden: Dakoppervlak (m²)
Terreinoppervlak (m²) Onverhard (m²) Totaal (m²)
Bestaande situatie
20
180
400
600
Toekomstige situatie
100
150
350
600
Verschil
+ 80
- 30
- 50
0
Uit de verhardingsbalans blijkt dat de hoeveelheid verhard oppervlak nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de bestaande situatie. Dit betekent dat er op basis van het beleid van het waterschap geen compensatie hoeft plaats te vinden. Grondwater Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. Ingrepen voorkomend uit dit plan zullen het functioneren van het grondwatersysteem niet beïnvloeden. Riolering en hemelwaterafvoer Voor de afvoer van het afvalwater is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de rioolaansluiting. Het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem, maar wordt op het eigen perceel verwerkt. Het plangebied biedt voldoende ruimte om het hemelwater te verwerken. In de regels is een voorwaardelijke verplichting waterberging opgenomen, opdat met realisatie van de woning tevens wordt voorzien in voldoende waterberging. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.
Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de
36
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het Waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofdwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. 6.9.3
Wateradvies
Het planvoornemen is aan het waterschap voorgelegd. Zij adviseren positief over het plan, mits in de regels in de bestemming 'Wonen' de aanwezigheid van water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk worden gemaakt en ook de beschermingszone van 1 meter wordt geborgd. Dit is verwerkt in de regels. Conclusie Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.10
Natuur en ecologie
6.10.1 Regelgeving Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow). Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn.
Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten. Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Gebiedsbescherming Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Stikstofdepositie Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).
6.10.2 Doorvertaling planvoornemen Soortenbescherming Vanwege het huidige gebruik van het plangebied in de vorm van een kippenren en het grotendeels behouden van de bestaande groenstructuren, is de aanwezigheid en verstoring van beschermde planten en diersoorten onwaarschijnlijk. Met uitzondering van de te slopen houten kippenschuurtjes worden er geen bouwwerken gesloopt. De gevel en het dak van de schuurtjes zijn gemaakt van hout en/of golfplaten en hebben geen openingen, zoals open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die beschermde diersoorten, zoals vleermuizen, toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. De rest van het perceel is in gebruik als kippenweide en oprit zonder (opgaande) beplanting, zodat ook daar de aanwezigheid en verstoring van beschermde planten en diersoorten onwaarschijnlijk is. Bovendien is het plangebied geen onderdeel van essentieel leefgebied van beschermde soorten. Onderzoek wordt daarom niet nodig geacht. De beoogde ontwikkeling leidt, mits algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, niet tot overtreding van de Omgevingswet en het Bal. Onderzoek stikstofdepositie Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase.
Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de motivering gevoegd. In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van de ontwikkeling aan de Burgemeester van Suchtelenstraat 26, Beuningen de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. 6.10.3 Conclusie De aspecten 'natuur' en 'ecologie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.11
Cultureel erfgoed
Het onderdeel cultureel erfgoed gaat over zowel archeologie als cultuurhistorie. 6.11.1 Regelgeving
38
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen. Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
6.11.2 Doorvertaling planvoornemen Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is het 'Parapluplan Archeologie' waarin het geactualiseerde archeologische beleid van 24 januari 2022 is geborgd. Deze archeologische waarden zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Archeologie Op onderstaande uitsnede is een fragment te zien van de archeologische beleidskaart.
Uitsnede archeologische beleidskaart met globale aanduiding plangebied (gele omkadering) Op de onderstaande inpassingstekening is weergegeven waar de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' (rode omkadering) is gelegen binnen het plangebied (gele omkadering). De rest van het plangebied heeft de bestemming 'Waarde - Archeologie 4'.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Uitsnede inpassingsschets met globale aanduiding plangebied (gele omkadering) en aanduiding 'Waarde - Archeologie 2' (rood omkaderd) Uit de kaart volgt dat ter plaatse van het plangebied grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4' is geldt en voor een klein deel 'Waarde - Archeologie 2' is vastgesteld. Binnen 'Waarde - Archeologie 4' is een gebouw toegestaan met een oppervlakte van ten hoogste 250 m2. Binnen 'Waarde - Archeologie 2' is het toegestaan om een gebouw op te richten met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2. Voor de bouw van de beoogde woning en bijgebouw worden deze oppervlaktecriteria niet overschreden. Uitgaande van een hoofdgebouw met bijgebouwen van 150 m 2, en een strook voor kabels en leidingen van 30 m lang en 0,5 m breed, zijnde 15 m2, komt de maximaal bebouwde oppervlakte neer op (150 + 15 =) 165 m2. Er komt slechts een zeer beperkt deel van de woning (10 m2 van het bouwvlak) binnen de 'Waarde - Archeologie 2' te liggen. Daarnaast komen aan de achterkant van de woning (ter plaatse van deze aanduiding 'Waarde - Archeologie 2') geen kabels en leidingen te liggen. Binnen deze strengere dubbelbestemming wordt dus maar een klein deel bebouwd. De rest valt binnen de 250 m2 van de 'Waarde - Archeologie 4'. Verkennend archeologisch onderzoek is derhalve niet benodigd.
De dubbelbestemmingen zijn in onderhavig TAM-omgevingsplan, conform de regels uit het 'Parapluplan Archeologie', geborgd op de verbeelding en in de regels. Cultuurhistorie Op basis van de gemeentelijke cultuurhistorische kenmerkenkaart is het plangebied gelegen binnen 'jong cultuurland, de velden (Volle Middeleeuwen). Daarnaast is er sprake van wegbeplanting.
40
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Uitsnede gemeentelijke cultuurhistorische kenmerkenkaart met globale aanduiding plangebied (gele omkadering) De burgemeester van Suchtelenstraat ten noorden van het plangebied is aangeduid als 'weg of pad, situatie 1832' en als 'achterwende (Middeleeuwen)'. Langs de Burgemeester van Suchtelenstraat is de aanduiding 'wegbeplanting' opgenomen. Deze aanduidingen zijn verder niet van invloed op de beoogde ontwikkeling in het plangebied. De inrit wordt aangesloten de Burgemeester van Suchtelenstraat, maar de inrit is bestaand en hiervoor hoeft geen wegbeplanting verwijderd te worden. 6.11.3 Conclusie Het aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.12
Duurzaamheid
6.12.1 Regelgeving Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Het gaat daarbij om het minimaliseren van zowel de energievraag van gebouwen als die van bedrijfsprocessen. De energie die dan nog gebruikt wordt, wordt zoveel mogelijk duurzaam opgewekt. Uitgangspunt is dat bij nieuwbouw daken geschikt moeten zijn voor zonnepanelen. Nieuwbouw moet voldoen aan de BENG. In het kader van natuurinclusief bouwen wordt er bewust ruimte gemaakt voor biodiversiteit op, aan of in een gebouw of de omgeving, zodat er meer verschillende planten- en diersoorten kunnen leven, bijvoorbeeld in de vorm van nestkasten.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
6.12.2 Doorvertaling planvoornemen Door in het ontwerp van de openbare ruimte rekening te houden met de mogelijke gevolgen van klimaatverandering wordt de leefbaarheid van de nieuwe woning in de toekomst gegarandeerd. Deze verwachte gevolgen zullen het meest merkbaar zijn in een toenemende regenintensiteit enerzijds en een toenemende droogte en hitte anderzijds. Aspecten die gaan over water en biodiversiteit worden beschreven in paragraaf 6.9 en 6.10. Gemeente Beuningen heeft op basis van de Woondeal 2.0 ambities opgenomen op het gebied van duurzaamheid. Hierin wordt gestuurd op duurzame en circulaire bouw en bescherming van de biodiversiteit en wordt onder andere gestreefd naar 25% industriële bouw en 25% minder gebruik van primaire grondstoffen. Daarnaast is er oog voor verschillende doelgroepen en bouwt men levensloopbestendige en woningen die geschikt zijn voor bijzondere woonvormen. Het plan bevat de realisatie van een woning die niet valt onder milieubelastende activiteiten. Voor het realiseren van de woning wordt er gestreefd naar een energiezuinig plan waarin energiebesparende maatregelen worden genomen. Denk aan het gebruik van zonnepanelen en natuurinclusief bouwen door een goede inpassing in de omgeving. De woning in het plangebied wordt duurzaam, levensloopbestendig en energiezuinig gebouwd, waarbij er aandacht is voor onder andere klimaatadaptief bouwen.
Het dak van de woning wordt afgekoppeld en al het hemelwater kan op eigen terrein infiltreren naastgelegen watergang. Uiteraard wordt de woning gasloos uitgevoerd en er zal daarnaast sprake zijn van goede isolatie en duurzame vorm van verwarming. 6.12.3 Conclusie Het aspect 'duurzaamheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
42
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van de economische haalbaarheid van de nieuwe ontwikkelingen en de uitkomsten van overleg en inspraak.
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Alle kosten die gemaakt moeten worden met het opstellen van een ruimtelijk plan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade c.q nadeelcompensatie is geregeld. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.
7.2
Participatie
Onderdeel van het zorgvuldig opstellen van een TAM-omgevingsplan is participatie. Bij participatie worden burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voorafgaand aan de besluitvorming actief betrokken. De omgeving en betrokken instanties vroeg bij een project betrekken, vergroot het draagvlak en voorkomt vaak bezwaren in een later stadium. Participatie In het kader van de beoogde ontwikkeling is door de initiatiefnemers met de omwonenden gesproken. Afgezien van een enkel huishouden hadden de omwonenden geen bezwaar. Zienswijzen Te zijner tijd zal het ontwerp TAM-omgevingsplan gedurende zes weken ter visie worden gelegd. De zienswijzen zullen hier of in een separate nota zienswijzen van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
7.3
Consultatie
In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland. Het Waterschap adviseert positief over het plan, mits in de regels in de bestemming 'Wonen' de aanwezigheid van water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk worden gemaakt en ook de beschermingszone van 1 meter wordt geborgd. Dit is verwerkt in de regels
7.4
Zienswijzen
Het ontwerp TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]” heeft ingevolge het bepaalde in artikel 16.40 Omgevingswet (Ow) en afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 april tot en met 5 juni 2025 als ontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon eenieder - zowel mondeling als schriftelijk - zienswijzen indienen tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan. Er is één zienswijze ontvangen. De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend. In de zienswijzennota wordt de zienswijze samengevat weergegeven en van een reactie voorzien, zie bijlage 4.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 43
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
44
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Bijlagen bij motivering
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 45
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Bijlage 1
46
Inpassingsschets
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 47
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Bijlage 3
48
Stikstofdepositieonderzoek
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Bijlage 4
Nota zienswijzen
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 49
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
50
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Regels
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 51
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Hoofdstuk 1 Artikel 1
1.1
Inleidende bepalingen
Toepassingsbereik
Omgevingsplan Beuningen
Dit plan wijzigt het omgevingsplan gemeente Beuningen in die zin dat na hoofdstuk 22 [een hoofdstuk 22b] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als afdelingen van [hoofdstuk 22b] van het omgevingsplan gemeente Beuningen. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer [22b.] gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage [22b.] gelezen worden. 1.2
Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4. 1.3
Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat
De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan. 1.4
Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26], waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0209.TAMSuchtelenstr26- zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl
52
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
Artikel 2
Begrippen
2.1 van toepassing verklaring Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan. 2.2
aanvullende begrippen
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.38 gehanteerd. 2.3 plan Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26] met identificatienummer NL.IMRO.0209.TAMSuchtelenstr26-vadf van de gemeente Beuningen. 2.4 TAM-omgevingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 2.5 Omgevingsplan gemeente Beuningen omgevingsplan bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet; 2.6 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 2.7 aanduidingsgrens grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 2.8 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 2.9 afhankelijke woonruimte een voor huisvesting van een (zelfstandig) huishouden geschikt gebouw, dat ruimtelijk ondergeschikt is aan en/of ruimtelijke een geheel vormt met het hoofdgebouw en blijvend onderdeel uitmaakt van de kavel van het hoofdgebouw.
Het betreft een aangebouwd of vrijstaand bijgebouwen of een tijdelijke mantelzorgunit met een eigen toegang en eigen voorzieningen, maar wel gelegen op hetzelfde perceel en in de nabijheid van de woning waarin de zorgverlener of zorgvrager woont. De afhankelijke woonruimte is ten behoeve van mantelzorg (verlenen of ontvangen). Het bijgebouw of de tijdelijke unit blijft een onderdeel van de bestaande woning en er is geen sprake van een nieuwe woonbestemming; 2.10 archeologisch onderzoek onder archeologisch onderzoek wordt verstaan het verrichten van een archeologisch onderzoek, in de zin van de KNA. Een archeologisch onderzoek mag enkel worden verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet of een certificaat ex artikel 5.1 Erfgoedwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA); 2.11 archeologische waarden waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk in de bodem bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde; 2.12 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 2.13
bed & breakfast
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld) 53
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
een nevenactiviteit met als doel het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, met een absoluut maximum van zeven overnachtingen, ter plaatse verblijft; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid; 2.14 bestaand t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden; 2.15 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 2.16 bijgebouw een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zich daarvan door zijn constructie of geringere afmetingen visueel onderscheid; 2.17 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 2.18 bouwlaag een begane grond of hoger gelegen verdieping, waarbij ruimten in de kap zonder zelfstandige functie niet worden meegerekend; 2.19 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een
zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 2.20 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel; 2.21 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 2.22 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 2.23 bouwwijze de wijze van bouwen van een woning, waarbij: a. onder aaneengebouwd wordt een woning verstaan, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee woningen en/of andere functies, waarvan het hoofdgebouw aan het op het aangrenzende bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd; b. onder gestapeld wordt een gebouw verstaan, dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd; c. onder twee-aaneen wordt een woning verstaan, waarvan het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van maximaal twee direct aaneengebouwde hoofdgebouwen (twee-onder-één-kap); d. onder vrijstaand wordt een woning verstaan, waarvan het hoofdgebouw niet aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen gebouw is aangebouwd;
54
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b [Burgemeester van Suchtelenstraat 26]
2.24 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 2.25 locatiegrens de grens van een locatievlak; 2.26 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 2.27 huishouden één of meerdere personen die in vast verband samenleven (eventueel met (hun) kinderen) waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid; 2.28 kamer een onzelfstandige woonruimte in een woning en/of vrijstaand bijbehoren bouwwerk, die geen eigen adres heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte; 2.29 kamerbewoning bewoning van een kamer; 2.30 locatievlak een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.
2.31 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 2.32 seksinrichting een gelegenheid waarin beroepsmatig of bedrijfsmatig voorstellingen en/of vertoningen van hoofdzakelijk pornografische aard plaatsvinden, en/of verkoop en/of uitstalling van hoofdzakelijk goederen van pornografische en/of erotische aard plaats heeft, en/of tegen vergoeding seksuele diensten worden verricht dan wel bedrijfsmatig gelegenheid wordt gegeven tot seksuele handelingen; 2.33 voldoende parkeergelegenheid van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de gemiddelde parkeernormering zoals opgenomen in de rij 'weinig stedelijk', aanwezigheidspercentages en berekeningsaantallen zoals opgenomen in CROW publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Op het moment dat de CROW een opvolger van de hiervoor genoemde publicatie publiceert, wordt deze 'opvolger' gehanteerd voor het bepalen of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.