CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 01 Toelichting en regels bestemmingsplan Binnenweg 2 Ewijk

Raadsvergadering 12 november 2024, gemeente BeuningenBij agendapunt: Bestemmingsplan Binnenweg 2 Ewijk19.774 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aangezien het plangebied op grotere afstand gelegen is dan de watergang, is aannemelijk dat de drift dusdanig gereduceerd is, dat de gezondheidsrisico's beperkt zijn.  Afschermende werking van de beoogde suites en de landschappelijke inpassing Behalve de toepassing van driftreducerende technieken vindt tussen de boomgaard en de recreatiesuites ook driftreductie plaats middels de inpassing van het planvoornemen. Op het perceel met de boomgaard is langs de watergang een windhaag aanwezig. Daarnaast worden ook in het plangebied voor de recreatiesuites enkele maatregelen genomen. Langs de perceelsgrens (buiten de beheerstrook voor de A-watergang) wordt een dichte windhaag

24

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

aangeplant en zijn de recreatiesuites gesitueerd te midden van tal van fruitbomen. Ook de ruimte tussen de suites wordt ingeplant met bloem- en kruidenrijk grasland. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is met voorwaardelijke verplichtingen in de planregels geborgd. Verder zijn de buitenruimtes bij de recreatiesuites van de boomgaard afgekeerd, waardoor deze door de recreatiesuites worden afgeschermd. Gevoeligheid van de beoogde functie Een recreatieverblijf is een gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen, omdat sprake is van een verblijfsfunctie. De duur van het verblijf bij de recreatiesuites in het plangebied zal echter, anders dan een kampeerterrein, beperkt zijn tot enkele dagen in plaats van enkele weken. Bovendien zal de ruimte tussen de suites door de landschappelijke inpassing niet worden gebruikt op een manier die op kampeerterrein wel het geval is.

Conclusie Uit voorgaande wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goed leefklimaat ter plaatse van de recreatiesuites en dat de fruitteler niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Deze conclusie wordt bevestigd vanuit de uitkomsten van het bodemonderzoek: In de rapportage van het bodemonderzoek (VMT, kenmerk B22.8516/Brfrpp-01/RS, d.d. 13 oktober 2022) is een teeltlaagonderzoek naar bestrijdingsmiddelen (OCB) opgenomen in verband met de (voormalige) boomgaarden op de locatie en directe omgeving. Aangezien geen verhoogde gehalten voor OCB zijn aangetoond in de teeltlaag, hebben de boomgaarden niet geleid tot een bodemverontreiniging. Dus is er naar verwachting ook geen sprake geweest van verwaaiing van aangrenzende boomgaarden. Zoals gesteld in de rapportage zijn er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen voor de herontwikkeling en toekomstig gebruik van de locatie (realisatie en gebruik recreatie suites). De aanwezigheid van de boomgaard leidt niet tot een belemmering om het bestemmingsplan vast te stellen.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de 'Wet milieubeheer' in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:  negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken,  mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde)  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang waaronder een project met zekerheid Nibm

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

25

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht (bijvoorbeeld een woongebied met maximaal 1.500 woningen). Ook in gevallen waar op basis van berekeningen aannemelijk is gemaakt dat een ontwikkeling Nibm bijdraagt aan de concentraties hoeft geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. Voor deze berekeningen wordt de zogenaamde Nibm-tool gehanteerd. Deze rekentool is zodanig opgezet dat slechts op basis van een beperkt aantal invoergegevens een beoordeling kan worden uitgewerkt van een worst-case benadering. Op basis van de toename van het aantal verkeersbewegingen en de toename van het vrachtverkeer wordt middels een uitgevoerde berekening een inschatting gemaakt of de voorgenomen plannen in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van stof in de lucht. 4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

De realisatie van maximaal 200 recreatiewoningen past binnen de term 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet benodigd. Desondanks is met de NIBM-tool gekeken of sprake is van een NIBMbijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De in subparagraaf 4.1.1 bepaalde hoeveelheid extra voertuigbewegingen is hiervoor als uitgangspunt genomen.

Hieruit blijkt dat de bijdrage van de extra voertuigbewegingen niet-in-betekende-mate is en er geen nader onderzoek nodig is. Goede ruimtelijke ordening Op basis van de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5, ter plaatse van het plangebied, voor het peiljaar 2025 (gegevens 2022), bepaald. Uit deze kaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden met waarden van respectievelijk 12,43 µg/m3 (voor NO2), 14,6 µg/m3 (voor PM10) en 8,2 µg/m3 (voor PM2,5). Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

26

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

4.7

Geur

4.7.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel.

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kunnen gemeenten een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid.

Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

27

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving van het plangebied, met een geurcontour die (deels) over het plangebied ligt. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Voor de beoordeling van risico's van transport van gevaarlijke stoffen is de circulaire 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' (RNVGS) van 4 augustus 2004 richtinggevend. In deze circulaire wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het beleid zoals verwoord in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. 4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

De beoogde recreatiesuites zijn aan te merken als nieuwe kwetsbare objecten, waardoor externe veiligheid van belang kan zijn. Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen.

28

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) Inrichtingen c.q. bedrijven Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting. Vervoer van gevaarlijke stoffen De A50 is op circa 925 m van het plangebied gelegen. De Waal is op circa 680 m afstand van het plangebied gelegen. Op basis van deze afstanden ligt het plangebied buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 m zone). Conform het Basisnet Water, is de Waal een zwarte vaarweg (belangrijke vaarwegen). Voor een dergelijke vaarweg geldt dat de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour niet verder dan de oever komt. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen. De twee meest nabijgelegen aardgastransportleidingen liggen op 780 m ten oosten van het plangebied. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

29

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

4.9

Waterhuishouding

4.9.1

Regelgeving

Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:  Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;  Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;  Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren;  Gemeente: Beleidsplan water en riolering 2023-2027.  Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.

De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert

30

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:  De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.  De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen. Uitgangspunten gemeente In het gemeentelijk beleidsplan water en riolering is het beleid voor de zorgplicht voor het afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het grondwater vastgelegd. Gemeenten moeten verankerd hebben hoe ze omgaan met waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hittestress.

Rioolsystemen (ondergronds) hebben bij hevige buien niet altijd voldoende capaciteit voor de afvoer en berging van het hemelwater. Voor het borgen van een adequate afvoer en berging van het hemelwater moet ook gebruik worden gemaakt van de inrichting van de openbare ruimte (bovengronds). Daarmee wordt de gemeentelijke zorgplicht meer bovengronds zichtbaar in wegen en groen en is de relatie met ruimtelijke ordening, openbare ruimte en vergunningverlening cruciaal. Het klimaatbestendig maken van stedelijk gebied vergt bewuste keuzes bij stedelijke inrichting en stedelijke activiteiten. Bij nieuwe ruimtelijke plannen is een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van groot belang. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar afgestemd zijn en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan. Het uitgangspunt is dat de perceeleigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is. 4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Ten behoeve van de planontwikkeling is een waterhuishoudkundigonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Bestaande situatie In de huidige situatie is het plangebied een onverhard grasveld. Bodemopbouw De bovenlaag van de bodem bestaat uit klei en is sterk zandig en matig humeus. Daaronder is zand (matig grof, zwak siltig, zwak tot matig grindig) aanwezig. De slecht doorlatende klei bovengrond (deklaag) is slechts 1,0 m dik. Grondwater Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied. De gemiddeld hoogste grondwaterstand van het grondwater in het eerste watervoerend pakket bevindt zich rond de 1,0 à 1,2 m -mv. Watergangen Op basis van de legger wateren van Waterschap Rivierenland ligt direct ten noordwesten van het plangebied een A-watergang, waarvoor een obstakelvrije zone van 4,0 m geldt. Het onderhoud is in beheer bij het waterschap. De slotgracht en overige wateren zijn geclassificeerd als C-watergangen.

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

31

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Uitsnede legger Waterschap Rivierenland met aanduiding plangrens (rode omkadering) Hemelwaterafvoer Volgens de regels van het waterschap is waterberging noodzakelijk, de vrijstelling voor particulieren is niet van toepassing voor de uitbreiding door Slot Doddendael B.V. De daken van de nieuw te bouwen suites mogen dus niet op een gemengd rioolstelsels worden aangesloten, vanwege het gebrek aan een gescheiden stelsel moet de afwatering binnen het plangebied worden geregeld. Op basis van de bodemopbouw zijn in het plangebied niet voldoende mogelijkheden van infiltratie van regenwater. Regenwater kan wel in oppervlaktewater worden geborgen in de slotgracht, die in de zomer vaak niet watervoerend is. In de huidige situatie stroomt hemelwater dat niet ter plekke infiltreert vertraagd af richting de Awatergang, het maaiveld loopt in die richting af. In de nieuwe situatie vindt versnelde afvoer van afstromend hemelwater plaats vanaf de daken. Ter plaatse van de halfverharding vindt geen versnelde afvoer of verminderde infiltratiecapaciteit plaats. Gezien het feit dat slechts een klein deel van het terrein wordt verhard, is weinig sprake van versnelde afvoer. Hoewel in de slotgracht al een grote hoeveelheid waterberging aanwezig is, met een overloop richting het rabattenbos, dient op verzoek van de gemeente Beuningen toch aanvullende waterberging worden aangelegd.

Op de locatie wordt geen extra watergang gegraven, dus dat dient te worden gerealiseerd in maaiveldverlaging, wadi's of greppels. Voor de recreatiesuites (480 m 2 zonder dakgoot), dient 31,9 m3 compensatie te worden aangelegd (op basis van 66,4 mm). Een greppel langs het wandelpad ligt voor de hand. Dit wandelpad heeft ter hoogte van de suites een lengte van 150 m, wat betekent dat deze greppel een doorsnede van 0,2125 m2 zal hebben. De greppel loopt dan parallel aan de A-watergang, waardoor een noodoverlaat ontstaat richting de verbinding tussen de slotgracht en de A-watergang. Overwogen wordt om dit water richting de wijngaard te leiden voor nuttig hergebruik.

32

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Om aan deze doorsnede te komen, kan gekozen worden voor een greppel van 2 m breed, talud 1:3, en einddiepte 0,2 m (dus een bodembreedte van 0,8 m). Alternatief kan gekozen worden voor een greppel van 1 m breed, talud 1:2 en einddiepte 0,5 meter (nauwelijks bodembreedte), of een tussenvorm. Wateroverlast In het plangebied is sprake van een geregeld zomerpeil van +6,9 m NAP. Voor voldoende drooglegging zou dus een bouwpeil van +8,2 m NAP de aanbeveling verdienen. Aangezien het maaiveld zich op +7,8 à +8,4 m NAP bevindt, wordt aanbevolen om ter plaatse van de suites op te hogen. Waarschijnlijk houdt dit in dat westelijk van het toegangspad gelegen suites circa 20 cm worden opgehoogd. Daarbij kan gekozen worden om alleen de suite zelf op de hogen, of de gemaaide percelen op te hogen. In de praktijk zal hiermee voornamelijk voorkomen worden dat bij extreme regenval water niet rond de suites zal blijven staan. Vuilwaterafvoer De acht suites zullen niet het hele jaar gebruikt worden, en de kleine toename in vuilwater zal naar verwachting niet tot problemen leiden in het hoofdriool. Wel moet overwogen worden of de al aanwezige huisaansluiting van het slot de piekafvoer van gelijktijdige bezetting aan kan. Conclusie Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10

Ecologie

4.10.1 Regelgeving Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.

De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

33

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Verbodsbepalingen Wnb In de Wnb zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Gebiedsbescherming De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht.

Onderzocht dient te worden of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

34

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is zowel een quickscan naar de aanwezige flora en fauna (zie bijlage 4) als een onderzoek naar de stikstofdepositie (zie bijlage 5 en 6) uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder beknopt weergegeven, de volledige rapportages zijn als bijlagen aan de toelichting toegevoegd. Soortenbescherming Ter plaatse van het plangebied is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. Op basis van de quickscan flora en fauna is gebleken dat er geen aanleiding is om een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Er worden geen negatieve effecten verwacht op (beschermde) flora en fauna binnen en nabij het plangebied, wanneer gewerkt wordt buiten het broedseizoen. Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of een Groen Ontwikkelingszone. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', circa 300 m ten noorden van het plangebied.

Vanwege de aard van de ontwikkeling en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, worden geen significante nadelige effecten, als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke, op de aangewezen habitatypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied verwacht. Voor deze storingsfactoren is daarom geen verdere toetsing aan de natuurwetgeving nodig. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn op voorhand niet uit te sluiten. Vandaar dat ten aanzien van de stikstofdepositie naar stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden twee stikstofdepositieberekening zijn uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in bijlagen 5 en 6 bij de toelichting. Berekening met deels elektrisch materieel en voorheen aanwezige koeien In het weiland waar de recreatiesuites beoogd zijn, vond jaarrond beweiding plaats door twee Angus runderen. Ter voorbereiding op het planvoornemen zijn de runderen niet meer aanwezig. Het beweiden door de twee Angus runderen is als referentiesituatie gehanteerd. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is (ten opzichte van de referentiesituatie) kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar.

Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Berekening met deels elektrisch materieel en het gebruik van NoNox-filters In het kader van de stikstofproblematiek is een duurzame technologie ontwikkelt waarmee de stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase wordt verlaagd: het NoNOx filter. Deze NoNOx filterunit kan aangesloten worden op de uitlaat van bestaand diesel materieel. Hierdoor zal de emissie van NOx met minimaal 90% afnemen. Het NoNOx filter zal toegepast worden op een deel van het materieel. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.11

Archeologie & cultuurhistorie

4.11.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

35

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussengelegen periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden.

De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. Gemeentelijk archeologisch beleid In 2021 is een actualisatie doorgevoerd van de gemeentelijke archeologiekaarten en het vigerende vrijstellingsbeleid geanalyseerd. De nieuwe archeologische beleidskaarten en een wijziging van het vrijstellingsbeleid zijn op 19 april 2022 in de gemeenteraad vastgesteld. Het geactualiseerd gemeentelijke archeologiebeleid is planologisch-juridisch verankerd in het 'Parapluplan Archeologie', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 11 juli 2023. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie Op de archeologische beleidskaart is het plangebied aangeduid als 'Waarde - Archeologie 2' en dit is doorvertaald in het 'Parapluplan Archeologie' naar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.

Uitsnede archeologische beleidskaart met globale aanduiding plangebied (groene omkadering)

36

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Ter plaatse van deze dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' geldt dat bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm alleen zijn toegestaan indien een omgevingsvergunning van burgermeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden en /of een omgevingsvergunning voor het bouwen is verkregen. De oppervlakte- en dieptecriteria worden niet overschreden, omdat voor de aanleg van de suites de bodem niet wordt geroerd. De suites behoeven geen fundering en het watersysteem wordt op het maaiveld aangelegd. Archeologisch onderzoek ten behoeve van de onderhavige ontwikkeling is daarom niet benodigd. Om de archeologische verwachtingswaarden blijvend te beschermen zijn de geldende archeologische dubbelbestemmingen in de regels geborgd. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Cultuurhistorie Slot Doddendael is in het monumentenregister opgenomen. Aangezien het landgoed een rijkmonument is zijn bij de uitwerking van het planvoornemen, naast de gemeente, ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de provincie betrokken geweest. De Historische buitenplaats Doddendael is gelegen ten noordoosten van het dorp Ewijk en bestaat uit het in oorsprong middeleeuwse huis, dat samen met enkele 19e eeuwse bijgebouwen en restanten van een oude walmuur op het omgrachte huiseiland staat.

Via een brug is het eiland verbonden met een nieuw ingericht voorplein, vanwaar een gebogen oprijlaan met oude eiken naar de Ewijkse Binnenweg voert. Ten westen van de laan en ten zuidwesten van de deels zeer brede gracht ligt een drassig bos, waarin oude legakkers te herkennen zijn. Ten oosten van het huiseiland ligt een door een sloot omringd vierkant terrein, waar vroeger een moestuin en wellicht ook een bongerd was. Op de zuidoosthoek ervan staat een 19e eeuws tuinprieel; de rest van het complexgebied bestaat uit weilanden en een nieuwe parkeerplaats. e buitenplaats wordt begrensd door agrarische percelen van derden. In jaar 1553 liep er een wandelpad rondom het Slot. Dit pad werd vroeger gebruikt door inwoners uit de omgeving om naar de kerk van Ewijk te lopen. Het Kerkepad liep door de boomgaard en het bos naar de binnenweg. Onderstaande afbeelding geeft hiervan een weergave:

Kaart uit 1553 met het Kerkepad (rood omcrikeld)

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

37

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

De plaatsing van kleinschalige suites gaat goed samen met de monumentale waarden van de locatie. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol:  De locatie ligt, gezien vanaf de oprijlaan, achter het kasteel en is van buitenaf niet of nauwelijks zichtbaar.  Vanaf het kasteel is de locatie slechts zeer beperkt zichtbaar.  Bestaande structuren van de watergangen en bomensingel worden gehandhaafd.  De locatie, in de huidige situatie een open weiland, was vroeger een kersenboomgaard. De initiatiefnemer wil graag een boomgaard op deze plek terug brengen en de oogst ook benutten. Nu al wordt het fruit van andere boomgaarden binnen het kasteelterrein zelf verwerkt en in de horeca van slot Doddendael gebruikt.  Langs de watergang liep vroeger een kerkpad naar de kerk in Ewijk. Het voormalige pad kan (deels) worden hersteld en dient als toegang tot de locatie. Bovendien leveren de recreatiesuites een bijdrage aan het behoud van Slot Doddendael. Met de extra inkomsten die via de overnachtingen worden gegenereerd kan het slot onderhouden worden en blijft het slot een cultuurhistorische trekker binnen de gemeente. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.12

Leidingen

4.12.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.

4.13

Vormvrije MER-beoordeling

4.13.1 Regelgeving Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

38

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.13.2 Doorvertaling bestemmingsplan In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2).

Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Omdat de beoogde ontwikkeling beperkt blijft tot het toevoegen van 8 recreatiesuites, is er geen m.e.r.-beoordeling conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

39

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Beuningen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor (bouw)vergunningvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht. 5.1.1

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.1.2

Opbouw bestemmingen

Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

40

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

5.1.3

Algemene regels

Anti-dubbeltelbepaling Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen. Overige regels In deze bepaling is een parkeerregeling bouwen en gebruik opgenomen. 5.1.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2

Bestemmingsplan

Het bestemmingsplan kent één bestemming en twee dubbelbestemmingen. Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de bestemmingen. Recreatie De voor ‘Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor dag- en verblijfsrecreatie. Binnen de bestemming zijn de gronden in ieder geval bestemd voor bedrijfsmatige geëxploiteerde verblijfsrecreatie (in categorie 2). Waarde - Archeologie 2 (dubbelbestemming) De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. 'Waarde - Archeologie 4' geldt voor gebieden met een hoge verwachting. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden.

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

41

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Alle kosten die gemaakt moeten worden het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2

Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat gemeenten bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het plan onder andere besproken met de volgende partijen:  Provincie Gelderland;  Waterschap Rivierenland.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak In het kader van de beoogde ontwikkeling is door de initiatiefnemers met de omwonenden gesproken. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 28 december 2023 tot en met 7 februari 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is in een seperate Nota van Zienswijzen van een gemeentelijke reactie worden voorzien. De Nota van Zienswijzen is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd.

42

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

43

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Bijlage 1

44

Inrichtingsplan en beeldkwaliteit

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

45

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Bijlage 3

46

Waterhuishoudkundig onderzoek

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Bijlage 4

Quickscan flora en fauna

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

47

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Bijlage 5

48

Rapport stikstofdepositie 1

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Bijlage 6

Rapport stikstofdepositie 2

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

49

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Bijlage 7

50

Nota van Zienswijzen

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Regels

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

51

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan: het bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael met identificatienummer NL.IMRO.0209.BPRecrDoddendaelEw-vadf van de gemeente Beuningen; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 archeologisch onderzoek: onder archeologisch onderzoek wordt verstaan het verrichten van een archeologisch onderzoek, in de zin van de KNA. Een archeologisch onderzoek mag enkel worden verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet of een certificaat ex artikel 5.1 Erfgoedwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA); 1.6 archeologische waarden: waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk in de bodem bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde; 1.7 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.8 bestaand:  t.a.v.

bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;  t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden; 1.9 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.10 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.11 bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.12 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.13 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.14 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.15 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel;

52

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

1.16 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.17 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.18 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur; 1.19 extensief recreatief medegebruik: die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën, survivaltochten en natuurgerichte recreatie zoals vogelobservatie; 1.20 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.21 natuurwaarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang; 1.22 peil:  voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang van het perceel

onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel;  in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.23 solitaire recreatiewoning: een recreatiewoning die geen onderdeel is van een bedrijfsmatig geëxploiteerd recreatiepark; 1.24 voldoende parkeergelegenheid van voldoende parkeergelegenheid is sprake indien wordt voldaan aan de gemiddelde parkeernormering in de rij 'Buitengebied', zoals opgenomen in CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. Op het moment dat het CROW een opvolger van de hiervoor genoemde publicatie publiceert, wordt deze 'opvolger' gehanteerd voor het bepalen of sprake is van voldoende parkeergelegenheid; 1.25

verblijfsrecreatieve onderkomens:

onderkomens bedoeld voor tijdelijk recreatief nachtverblijf van personen die elders hun hoofdverblijf hebben; hieronder vallen onder andere kampeermiddelen, stacaravans, chalets, recreatiewoningen en groepsaccommodaties. De verblijfsrecreatieve onderkomens worden onderverdeeld in de volgende categorieën:  categorie 1: kampeermiddelen, geen gebouwen zijnde (waaronder tenten of caravans op seizoensplaatsen);  categorie 2: verblijfsrecreatieve gebouwen tot 45 m² (waaronder stacaravans, chalets en trekkershutten);  categorie 3: verblijfsrecreatieve gebouwen tot 90 m² (recreatiewoningen);  categorie 4: verblijfsrecreatieve gebouwen ten behoeve van groepen (groepsaccommodaties); 1.26 waterhuishoudkundige doeleinden: doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d.; 1.27 watergang: een voor de oppervlaktewaterkwantiteit van overwegend belang zijnde watergang;

bestemmingsplan "Recreatiesuites Doddendael" (definitief)

53

bestemmingsplan Recreatiesuites Doddendael

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 bebouwd(e) oppervlak(te) van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=d0cf5dea-cdc5-4f15-9544-9232486d9ea6