CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

10 Bestemmingsplan Asdonck, at21000712.pdf

Commissie Ruimte 25 mei 2021, gemeente BeuningenBij agendapunt: Deelsessie: Raadsvoorstel herziening bestemmingsplan ‘Locatie Asdonck’29.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

» In de tweede plaats is beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan 'Locatie Asdonck' omdat kort gezegd - de ontwikkeling die met het bestemmingsplan 'Locatie Asdonck' wordt mogelijk gemaakt, beperkingen stelt aan het agrarische gebruik in de ruimste zin van het woord, meer specifiek (de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij) bij boomgaarden of teelten van andere gewassen. In het nieuwe onderzoek (zie bijlage 5) is gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel van de European Food Safety Autority (EFSA-model, in plaats van het PRI-model) om de blootstelling aan drift van een aantal representatieve gewasbeschermingsmiddelen in beeld te brengen. Uit de berekeningen van dat onderzoek blijkt dat conform EFSA al bij een afstand van 5 m uit de boomgaard en 3 m uit de agrarisch bestemde percelen wordt voldaan aan de maximaal acceptabele blootstellingsnormen voor individuele middelen. Binnen deze afstanden dienen in principe beperkingen te worden gesteld aan regulier menselijk verblijf, waarbij uit voorzorg dient te worden gekozen voor aanvullende afscherming bij de nieuwe woonbestemming. Dit in tegenstelling tot de conclusie vanuit het oude spuitzoneonderzoek dat conform PRI een minimum afstand van 30 m is benodigd tot aan de bestaande boomgaard en alleen afscherming aan de zijde van deze boomgaard benodigd is (zie bijlage 4).

Nieuwe woonbestemming Laagstam boomgaarden en boomkwekerijgewassen De bestaande perenboomgaard (binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied' en binnen de beheersverordening 'Centrum Beuningen') is aanwezig op een afstand van minimaal circa 17 m tot de nieuwe woonbestemmingen. De agrarisch bestemde gronden waar sprake kan zijn van sier- en boomteelt, zijn gelegen op een afstand van minimaal circa 22 m ten oosten van de nieuwe woonbestemmingen. Gelet op de omstandigheid dat reeds op een afstand van 5 m tot deze agrarisch bestemde percelen geen sprake meer is van een overschrijding van de acceptabele individuele blootstellingswaarden,

30

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

bestemmingsplan Locatie Asdonck

zijn er voor deze agrarische gronden uit voorzorg in principe geen verdere afschermende maatregelen noodzakelijk om een ruimtelijk aanvaardbare situatie te creëren voor de nieuwe woningen. Het is uiteraard niet bezwaarlijk indien de thans in het bestemmingsplan opgenomen maatregelen toch worden getroffen. (Eenjarige) akkerbouwgewassen De overige agrarisch bestemde percelen in het bestemmingsplan 'Locatie Asdonck' zelf zullen aan de nieuwe woonbestemming grenzen. Gelet op de omstandigheid dat op basis van het EFSA-model enkel kan worden geconcludeerd dat vanaf een afstand van 2 à 3 m sprake zal zijn van een aanvaardbare situatie voor individuele middelen, dienen uit voorzorg afschermende maatregelen te worden getroffen nabij de nieuwe woonbestemming. Bij wijze van voorzorg kan de afscherming ten behoeve van de boomgaard worden doorgetrokken. Er kan hierbij worden gekozen voor een jaarrond groenblijvende haag met een hoogte van 3,0 m (uitgaande van de maximaal voorstelbare hoogte van akkerbouwgewassen zoals mais of zonnebloemen, vermeerderd met 0,5 m). Bedoelde haag dient daarbij uit voorzorg te worden doorgetrokken tot aan de punten waar de afstand tussen de woonbestemming en die delen van de agrarische bestemming waar toepassing van gewasbescherming niet is verboden meer dan 10 m bedraagt.

In onderhavig bestemmingsplan is gekozen voor een zone van 10 m breed ^ aanduiding 'vrijwaringszone gewasbeschermingsmiddelen') langs de volledige zuidzijde van de agrarische bestemming. Daarbij zijn de gronden die in de voorheen geldende beheersverordening 'Centrum Beuningen' waren bestemd als 'Wonen' en 'Verkeer', maar nu voorzien zijn van een agrarische bestemming, gelijk behandeld als de niet-agrarische bestemmingen. Verder is van belang dat beperkingen dienen te worden gesteld aan de realisatie van te openen ramen, deuren en balkons aan deze zijde van het betreffende appartementengebouw, eveneens als het gaat om posities welke op minder dan 10 m tot de agrarische bestemming zijn gelegen. Aangezien met het EFSA-modelnoch op andere wijze uitsluitsel kan worden gegeven over de verspreiding van drift in de hoogte en/of de invloed van gebouwen op drift, geldt deze beperking uit voorzorg voor alle bouwlagen van het pand, inclusief eventuele luchtinlaten op het dak (alleen op een afstand van minder dan 10 m tot die delen van het gewasperceel waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is verboden). Verkeersbestemmingen De gronden ten westen van de woonbestemming, behalve in een zone van 10 m van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’, zijn in het bestemmingsplan 'Locatie Asdonck' bestemd voor ‘Verkeer - 1’.

De gronden in de ‘10 m zone’, ten westen van de woonbestemming, en de gronden ten oosten daarvan zijn bestemd voor ‘Verkeer - 2‘. De gronden met de bestemming ‘Verkeer - 1’ zijn onder meer bestemd voor de realisatie van speelvoorzieningen. In lijn met het voorgaande ligt voor de hand om op dit punt te kiezen voor afscherming en/of gebruiksbeperkingen welke ervoor zorgen dat geen sprake is van menselijk verblijf op deze gronden welke relevant kan zijn in relatie tot driftblootstelling. In de context van deze verkeersbestemmingen kan hierbij worden gedacht aan verblijf in een speeltuin c.q. op een zitbankje o.i.d.. Verblijf met een kortstondig en meer incidenteel karakter, zoals dat plaatsvindt op een parkeerterrein of op een wandel- of fietspad leidt in principe niet tot relevante blootstellingsrisico’s. Aanpassingen ten opzichte van december 2020 In het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan zal het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op gronden die reeds agrarisch zijn bestemd worden gerespecteerd. Echter op gronden die eerder een andere bestemming hadden en thans met dit bestemmingsplan agrarisch bestemd zijn, zal het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden verboden.

Verder zullen door middel van een vrijwaringszone beperkingen worden gesteld (zie lid 11.4 van de regels) aan bebouwing en gebruik van gronden welke zich op een afstand van 10 m en minder bevinden van agrarisch bestemde percelen waar toepassing van gewasbeschermingsmiddelen niet is uitgesloten (met uitzondering ter plaatse van een locatie waar zich een scherpe hoek bevindt in het gewasperceel waar gewasbescherming niet is verboden). Deze beperkingen houden in, dat in deze vrijwaringszone geen bouwwerken met te openen delen mogen worden gerealiseerd en evenmin voorzieningen gericht op verblijf mogen worden gerealiseerd (zoals terrassen, speelvoorzieningen en dergelijke). Daarbij wordt ook bepaald dat de gronden niet

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Locatie Asdonck

mogen worden gebruikt voor regulier verblijf. Kortstondig verblijf met het oog op bijvoorbeeld groenonderhoud (van een tuin bij de appartementen) of parkeren (in de verkeersbestemmingen) blijft hier mogelijk zonder dat sprake zal zijn van onacceptabele driftblootstelling. Tot slot wordt uit voorzorg voorzien in extra afscherming op de grens tussen de woonbestemming en de agrarische bestemming op posities waar de afstand tot aan locatie(s) waar gewasbescherming niet is verboden minder dan 10 m bedraagt (zie lid 11.3 van de regels). Op navolgende afbeelding is in rood de zone weergegeven waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zal worden verboden en waar bedoelde bouw- en gebruiksbeperkingen zullen gelden. Verder is met groen de positie van de afschermende haag aangeduid. De groene lijn is in de vorm van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - windhaag' op de verbeelding opgenomen met bijbehorende juridische regeling:

Via de beschreven aanpassingen zal kunnen worden voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat waarbij de bestaande, niet wederrechtelijke situatie ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gerespecteerd wordt. Dit wordt bereikt door de beschreven vrijwaringszone met de daarin beoogde beperkingen ten aanzien van bebouwing en gebruik (verblijf) alsook het verbod op toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij agrarische teelten op gronden waar dat eerder ook nog niet was toegestaan. De aanvullende afschermende haag zal daarbij uit voorzorg onverhoopte blootstelling op de voor woondoeleinden bestemde percelen minimaliseren. Daarbij is van belang dat de al in het bestemmingsplan opgenomen afscherming ten oosten van de woonbestemming ook nog steeds zal worden gerealiseerd (op basis van de rapportage SPA ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - windhaag', zie lid 11.2). Specifiek punt van aandacht in deze context is de beoordeling van de begrenzing van de vrijwaringszone op de locatie waar sprake is van een scherpe hoek ten opzichte van de gronden waar gewasbescherming mag worden toegepast (zie navolgende afbeelding). Op deze locatie bedraagt de minimale breedte van de vrijwaringszone circa 5 m in plaats van 10 m:

32

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

bestemmingsplan Locatie Asdonck

Op dit punt is het volgende van belang. Driftblootstelling op basis van het EFSA-model is gebaseerd op en situatie waarin sprake is van driftblootstelling langs een rechte perceelgrens. Toepassing van gewasbeschermingsmiddelen vormt hierbij als het ware een lijnbron (180^ van waaruit driftblootstelling kan optreden. In de onderhavige situatie zal daar geen sprake van zijn. Zoals aangegeven is sprake van een vrijwel rechte perceelgrens (174^, maar zal grenzend aan de woonbestemming enkel sprake mogen zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op gronden die in een hoek van 53° toelopen in een punt met de woonbestemming. Bij wijze van indicatie: als blootstelling aan een lijnbron als 100/ wordt beschouwd, zou dit neerkomen op een aandeel van circa 30 /o daarvan. Hierbij is verder relevant dat het vanwege de logistiek ongunstige begrenzing lastig is om tot op de grens van het gewasperceel te telen en tevens gewasbescherming toe te passen. Bij machinale bewerkingen kan om die reden in de representatieve situatie rekening worden gehouden met een vrije ruimte van enkele meters in deze punt tussen de grens van het gewasperceel en de daadwerkelijke teelt van gewassen.

Zou desalniettemin sprake zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen tot in deze punt, dan is dat enkel voorstelbaar met handapparatuur voor bijvoorbeeld onkruidbestrijding waarbij in de regel sprake is van zeer geringe spuithoogtes en spotsgewijze toepassing in plaats van integrale behandeling van de gewassen. Samenvattend: » Er is geen sprake van een lijnbron (waar de rekenresultaten van EFSA wel van uitgaan); » Er zal in de punt de facto een afstand van enkele meters tot de perceelgrens moeten worden aangehouden bij machinale bespuitingen vanwege de omvang en manoeuvreerbaarheid van die machines; » Toepassing van gewasbescherming in de punt zal enkel kunnen plaatsvinden met handapparatuur. Het risico op driftblootstelling vanwege toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in deze punt zal dus aanzienlijk lager zijn dan in geval van een doorlopende akker. Om die reden is het gerechtvaardigd hier een minder brede vrijwaringszone aan te houden. Zoals hiervoor beschreven volgt uit de rekenresultaten dat op een afstand van 2 tot 3 m uit het gewasperceel geen sprake meer is van te hoge driftblootstelling aan individuele middelen. Uitgaande van enkele meters teeltvrij gebied in de punt, zal ook hier per saldo nog steeds sprake zijn van een veiligheidszone welke minimaal 6 m breed is, dus minimaal tweemaal zo breed.

Nu aanvullend ook nog wordt voorzien in een afschermende haag waarmee driftblootstelling wordt geminimaliseerd, is het gerechtvaardigd om ter plaatse van deze punt uit te gaan van deze smallere vrijwaringszone, zonder dat dit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Locatie Asdonck

Evenemententerrein Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de geluidafstraling van evenementen op het vastgestelde evenemententerrein zoals dat in onderhavig bestemmingsplan is opgenomen. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd. Het gaat hierbij om evenementen die als activiteit worden gezien, en niet met een vergunning in het kader van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) afzonderlijk worden verleend. Daarbij zijn als te houden evenementen die evenementen genomen die zeer recent tot enkele jaren geleden hebben plaatsgevonden. Het gaat hierbij om Beuningen on Ice, de Lentefeesten (met kermis) en de najaarskermis. Daarnaast is het twee keer per jaar houden van een muziekevenement meegenomen in het jaaroverzicht. Om de geluidhinder voor de omwonenden in te schatten is een jaaroverzicht van de evenementen gemaakt. Dit leidt tot het beeld dat er jaarlijks met 17 tot 30 evenementendagen rekening moet worden gehouden. Het grootste gedeelte van deze dagen wordt veroorzaakt door het evenement Beuningen on Ice, dat tweejaarlijks plaatsvindt en in een oneven jaar tot een tijdsduur van 18 dagen leidt en in een even jaar aan vijf dagen. Daarnaast wordt de kermis in het najaar als evenement met een duur van zeven dagen opgevoerd. Het is maar zeer de vraag of dit gaat plaatsvinden.

Bij de beschouwing van de optredende geluidniveaus in relatie tot de aanwezige bebouwing is onderscheid gemaakt tussen de nog te realiseren nieuwbouw als onderdeel van onderhavig bestemmingsplan en de bestaande bebouwing. Bij de bestaande bebouwing is vaak sprake van niet geluidgevoelige bestemmingen (bioscoop, kantoren). Als maatgevend voor de bestaande bebouwing zijn daarom de pastorie aan de Dorpssingel 2 en de woningen aan de Kloosterstraat 3 - 7 genomen. De nieuwbouwwoningen gaan op zeer korte afstand van het evenemententerrein gerealiseerd worden. Daarom wordt zeer kritisch naar de ligging van deze woningen gekeken. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de verkeersaantrekkende werking van de evenementen als indirecte hinder voldoet aan de Circulaire Indirecte Hinder. Bij de beoordeling of de te houden evenementen zullen leiden tot ontoelaatbare hinder speelt de geluidwering van de gevel van de nieuwbouw woningen en bestaande woningen een belangrijke rol. Vooralsnog moeten hier aannamen voor worden gedaan ten aanzien van de bestaande woningen. Voor de nieuwbouwwoningen kunnen richtlijnen worden opgesteld zodat de vereiste geluidwering van de woningen, in ieder geval, voor de dichtstbijzijnde woningen geregeld kan worden.

Bestaande woningen Bij een aanname van de geluidwering van de gevel met een waarde van 25 dB(A) treden voor de bestaande woningen nagenoeg geen problemen op in de dag-, avond- en verschoven nachtperiode (verschoven nachtperiode van 23:00 tot 01:00 op dagen dat een vrije dag volgt) voor de evenementen die in beschouwing zijn genomen. Voor een normale nacht waarop geen vrije dag volgt is eigenlijk geen evenement mogelijk anders dan louter met achtergrondmuziek. Nieuwbouwwoningen Voor de dichtstbijzijnde nieuwbouwwoningen zijn de optredende geluidniveaus bij evenementen heel hoog. Zonder een opwaardering van de standaard nog aan te brengen geluidwering geeft dit een zeer beperkende randvoorwaarde voor het houden van evenementen op het terrein. Met een standaard geluidwering van de gevel wordt dan voor Beuningen on Ice tijdens de dag- en nachtperiode al een overschrijding van 1 dB tijdens de dag- en avondperiode geconstateerd. Verder is het dan ook in de verschoven nacht (van 23:00 tot 01:00 als een vrije dag volgt) niet mogelijk om de evenementen met de voorgestelde geluidniveaus te houden. Door het aanbrengen van een verhoogde geluidwering van de gevel kan voor de nieuwbouwwoningen worden bewerkstelligd dat het mogelijk is onder voorwaarden evenementen te organiseren gedurende dag-, avond- en verschoven nachtperiode.

Helaas is het niet mogelijk om zonder aanvullende richtlijnen door middel van een maatwerkvoorschrift evenementen op het terrein te laten plaatsvinden. Het maatwerkvoorschrift garandeert dat met rechtsgelijkheid evenementen kunnen worden toegelaten, terwijl er een garantie voor de bewoners is dat er geen excessen kunnen optreden. Dat laat onverlet dat het wel nodig blijft om het vertrouwen van de bewoners te blijven behouden door voldoende controle en toezicht (handhaving) tijdens de te houden evenementen.

34

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

bestemmingsplan Locatie Asdonck

Het genoemde maatwerkvoorschrift voor de evenementen op het evenemententerrein kan als onderdeel van het Ontwerpbesluit Hogere Waarden voor onderhavig bestemmingsplan worden doorlopen. Aanbevelingen De volgende aanbevelingen worden geadviseerd: » een maatwerkvoorschrift op te stellen voor evenementen die gaan plaatsvinden op het evenemententerrein. Dit maatwerkvoorschrift moet richtlijnen geven over geluidniveaus op dagen dat geen vrije dag volgt en op dagen dat een vrije dag volgt. Dit laatste betekent dat de voorschriften van jaar tot jaar geactualiseerd moeten worden op basis van de duur van het evenement (in dag-, avond- en nachtperiode), het aantal dagen van het evenement, de periode in het jaar dat het evenement plaatsvindt en het geluidniveau dat toegestaan wordt; » het is essentieel dat de geluidwering van de dichtstbijzijnde nieuwbouwwoningen wordt verhoogd van een ‘standaard’ waarde van 25 dB(A) naar een waarde die liefst 10 dB(A) hoger ligt; » het is verstandig om de bestaande geluidwering van de maatgevende (geluidgevoelige) al aanwezige woningen te controleren op moment dat het evenemententerrein doorgang vindt. Hiermee wordt zeker gesteld dat door deze woningen aan het normale en verhoogde regime wordt voldaan. Op 10 november 2020 zijn de maatwerkvoorschriften met maximaal toelaatbare hogere grenswaarden voor de evenementen op het terrein vastgesteld.

Het aspect 'milieuzonering' vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze zogenaamde 'Wet luchtkwaliteit' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: » negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. » mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: » er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. » een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. » een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 30Zo ten opzichte van de grenswaarde).

Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen. » een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Ook in gevallen waar op basis van berekeningen aannemelijk is gemaakt dat een ontwikkeling Nibm bijdraagt aan de concentraties hoeft geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. Voor deze berekeningen wordt de zogenaamde NIBM-tool gehanteerd. Deze rekentool is zodanig opgezet dat slechts op basis van een beperkt aantal invoergegevens een beoordeling kan worden uitgewerkt van een worst-case

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Locatie Asdonck

benadering. Op basis van de toename van het aantal verkeersbewegingen en de toename van het vrachtverkeer wordt berekend of de voorgenomen plannen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van stof in de lucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 gg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van maximaal 64 - 1 s 63 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Het grootste evenement op het evenemententerrein is 'Beuningen on Ice'. Zoals in subparagraaf 4.1.1 is weergegeven, bedraagt het extra aantal voertuigbewegingen per etmaal (tijdens dit maatgevende evenement) 2 x 240 s 480 motorvoertuigbewegingen. Dit aantal is licht hoger dan het aantal voertuigbewegingen dat per weekdag veroorzaakt wordt vanwege de nieuwe woningen ^397). Dit betekent dat sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een berekening met de NIBM-tool (versie 27 maart 2020) laat zien dat zelfs bij het optellen van alle voertuigbewegingen (480 + 394 s afgerond 875) in 2023 (jaar van oplevering) sprake is van een NIBM-bijdrage en geen nader onderzoek noodzakelijk is:

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verkeer

NO2 in gg/m

Grens voor "Niet In Betekenende Mate in gg/m

Conclusie

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (peiljaar 2016) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Uit deze tool blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarde van 40 gg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 gg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

36

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

bestemmingsplan Locatie Asdonck

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: » voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; » voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

Binnen bebouwde kom

diercategorieën Rgv

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

max. 3 ouE/m3

max. 2 ouEZm3

andere diercategorieën min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object Buiten bebouwde kom

diercategorieën Rgv

max. 14 ouEZm3

andere diercategorieën min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 8 ouEZm3 min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: » de geurbelasting wordt bepaald; » de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gevestigd die geurhinder veroorzaken. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Locatie Asdonck

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 /o van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

38

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

bestemmingsplan Locatie Asdonck

4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen.

'I SaJenj

J

Marskramer

?Ste'Geri

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omcirkeling) Inrichtingen c.q. bedrijven Er zijn binnen het plangebied geen inrichtingen aanwezig met een veiligheidsrisico als bedoeld in het Bevi. Daarnaast zijn er ook geen bedrijven in de directe omgeving van het plangebied aanwezig waarvan het invloedsgebied tot in het plangebied reikt. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Aan de zuidzijde van het plangebied loopt de Van Heemstraweg, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk is. Harde cijfers over dit vervoer zijn niet beschikbaar. Transport kan bijvoorbeeld incidenteel plaatsvinden voor de bevoorrading van een LPG-tankstation. De Wet vervoer gevaarlijke stoffen schrijft echter voor dat bevolkingskernen gemeden moeten worden. Transport van deze aard zal slechts sporadisch voorkomen. Van een PR of GR is dus geen sprake. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water Het plangebied is op ruim 1.300 m of meer van de Waal gelegen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze rivier is dan ook niet van invloed op dit bestemmingsplan. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van een buisleiding met een veiligheidsrisico als bedoeld in het Bevb. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Locatie Asdonck

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: » Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; » Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; » Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren; » Gemeente: Gemeentelijk riool- en waterplan 2018 - 2022. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed.

Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 /o afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: » De 1=10+10/0 neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. » De T=100+10%-neerslag.

Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen.

40

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

bestemmingsplan Locatie Asdonck

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen. Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt. Uitgangspunten gemeente Gemeentelijk riool- en waterplan 2018 - 2022 De gemeenteraad heeft het Gemeentelijk Riool- en waterplan in januari 2018 vastgesteld. Hierin is het beleid voor de zorgplicht voor het afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het grondwater vastgelegd. Samengevat hieruit het volgende: In 2020 moeten gemeenten verankerd hebben hoe ze omgaan met waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hittestress.

Rioolsystemen (ondergronds) hebben bij hevige buien niet altijd voldoende capaciteit voor de afvoer en berging van het hemelwater. Voor het borgen van een adequate afvoer en berging van het hemelwater moet ook gebruik worden gemaakt van de inrichting van de openbare ruimte (bovengronds). Daarmee wordt de gemeentelijke zorgplicht meer bovengronds zichtbaar in wegen en groen en is de relatie met ruimtelijke ordening, openbare ruimte en vergunningverlening cruciaal. Het klimaatbestendig maken van stedelijk gebied vergt bewuste keuzes bij stedelijke inrichting en stedelijke activiteiten. Bij nieuwe ruimtelijke plannen is een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van groot belang. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar afgestemd zijn en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan. Het uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is.

4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Bestaande situatie Het totale plangebied heeft een omvang van ongeveer 16.700 m2. Een groot gedeelte hiervan is ingericht als parkeerterrein voorzien van half- of volledige verharding. Aan de westzijde van het gebied (buiten de plangrens) staat een gebouw waar onder andere de bioscoop in is gehuisvest. Aan de oostzijde van de Kloosterstraat en de noordzijde van de van Heemstraweg ligt een Cwatergang die het hemelwater uit het plangebied afvoert in noordelijke richting. In navolgende tabel is het totaal afvoerende oppervlakte weergegeven. Vanwege de zeer beperkte waterdoorlatendheid van de half verharding is dit oppervlakte in volledigheid, zonder reducerende factor, meegenomen als afvoerend oppervlak. Type verharding

Oppervlakte

Rekenfactor Afvoerend oppervlak

Dakoppervlak

1.152 m2

1000Zo

1.152 m2

Openbare ruimte (straten, paden, parkeerplaatsen)

9.754 m2

10007o

9.754 m2

Totaal verhard oppervlak

10.906 m2

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

10.906 m2

41

bestemmingsplan Locatie Asdonck

Toekomstige situatie In de nieuwe situatie wordt het plangebied opnieuw ingericht met woningen, verharding (straten, voetpaden, parkeervoorzieningen) en groenvoorzieningen. Voor de stedenbouwkundige opzet hiervan wordt verwezen naar de beschrijving in paragraaf 2.2. Ook in de nieuwe situatie blijven de bestaande watergangen in het plangebied gehandhaafd. Om het onderhoud en het functioneren van deze watergangen te borgen zullen zij mogelijk een zogenoemde B-status verkrijgen. Als gevolg van de herinrichting zal de verhouding van verhardingstypen, als mede de omvang van het afvoerende verharde oppervlak wijzigen. In navolgende tabel is het totaal afvoerende oppervlakte in de nieuwe situatie weergegeven: Type verharding

Oppervlakte

Rekenfactor Afvoerend oppervlak

Dakoppervlak

3.361 m2

1000Zo

3.361 m2

Openbare ruimte (straten, paden, parkeerplaatsen)

5.163 m2

10007o

5.163 m2

Totaal verhard oppervlak

8.524 m2

8.524 m2

Het (huishoudelijk) afvalwater zal aangesloten worden op het gemeentelijk rioolstelsel van Beuningen. Met de herinrichting van het plangebied zal de hoeveelheid verhard oppervlak, en daarmee het afvoerende verharde oppervlak, afnemen. De versnelde afvoer van hemelwater naar het watersysteem wordt hierdoor verminderd. Het is daarom niet noodzakelijk extra waterberging te realiseren. Het onderdeel 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de 'overige soorten' die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb.

Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

42

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

bestemmingsplan Locatie Asdonck

Artikel 3.1. Verboden m.b.t. van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verbaden om 1. 2. 3. 4.

Levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Nesten, rustplaatsen en eieren opzettelijk te vernielen ofte beschadigen of nesten van vogels weg te nemen. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben. Vogels opzettelijk te storen.

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5. Verbodsbepalingen ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen var Bern en Bonn. Het is verbaden om 1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden ofte vanger. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lidl in de natuur opzettelijk te vernielen ofte rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.

Artikel 3.10. Verbodsbepalingen t.a.v overige soorten (plant- en diersoorten}. Het is verboden om: c) d) e)

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of ruslplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn Gedeputeerde Staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde 'tabelsoorten' niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan zal met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt gaan worden. 3. Ten derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Ter plaatse is een ecologische quickscan uitgevoerd in het kader van de nieuwbouwontwikkeling. De belangrijkste resultaten worden hieronder besproken, de volledige rapportage is als bijlage 7 bij de toelichting opgenomen. Soortenbescherming Er moet aanvullend onderzoek uitgevoerd worden naar boombewonende vleermuizen en kleine marterachtigen. Ten aanzien van algemene broedvogels moeten de kapwerkzaamheden plaatsvinden buiten het broedseizoen. Verder is het plangebied mogelijk onderdeel van algemeen leefgebied van algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën en insecten welke (behoudens de Algemene zorgplicht) niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming.

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Locatie Asdonck

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk Gelet op de aard van de werkzaamheden, de beperkte afstand tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, moeten de effecten van de beoogde stikstofemissie berekend worden middels een Aerius-calculatie. Er is daarom een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij de toelichting gevoegd. In het onderzoek is niet alleen gekeken naar de effecten van de bouw van de nieuwe appartementen. Ook is gekeken naar de effecten van het evenement (Beuningen on Ice), dat één keer per twee jaar plaatsvindt. De berekening van het projecteffect van zowel de aanlegfase, gebruiksfase en het evenement Beuningen on Ice met respectievelijk peiljaar 2020, 2021 en 2021 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is, indien er tijdens de aanlegfase rekening gehouden wordt met de inzet van een elektrisch aangedreven kraan of een NoNox filter, kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/j. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof.

Houtopstanden Op het plangebied zijn geen (volgens de Wnb geldende) houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ontwikkeling leidt, mits het aanvullend onderzoek uitsluit dat er beschermde diersoorten voorkomen in het plangebied, of dat er een ontheffing verleend wordt en enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Van Heemstraweg 62 te Beuningen uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen » Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). » Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, moet direct contact opgenomen worden met een ter zake deskundige. » Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. » Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

» Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). » De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd moet voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is moeten de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden. Aanvullend onderzoek kleine marterachtigen, steenmarter en boombewonende vleermuizen Uit de resultaten van het onderzoek (zie bijlage 8) blijkt dat steenmarter gebruikt maakt van de groenstructuur ten noordenoosten van de planlocatie. De soort is op twee verschillende momenten tijdens het onderzoek waargenomen, wat duidt op een essentiële migratieroute. Tot vaste voortplantings- of rustplaatsen als bedoeld in artikel 3.10, lid 1, onder b van de Wnb worden locaties gerekend waarin zich overwinteringsplaatsen en voortplantingsplaatsen bevinden, afhankelijk van de soort.

Essentiële migratieroutes en foerageergebied die van belang zijn voor de instandhouding van een vaste voortplantings- of rustplaats van de soort op populatieniveau, vallen hier ook onder. Ten tijde van de uitvoering van het aanvullende ecologisch onderzoek was de gemeente nog van plan deze groenstructuur te verwijderen. Inmiddels is duidelijk dat deze groenstructuur gehandhaafd blijft en daarnaast een grondlichaam met een hoogte van 1,5 m met daarop een groenblijvende windhaag (of een vergelijkbare driftreducerende voorziening) van 3,0 m hoog wordt opgericht. Daarmee blijft de

44

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

bestemmingsplan Locatie Asdonck

essentiële migratieroute voor de steenmarter behouden en hoeft er geen beschikking in het kader van de Wet natuurbescherming (artikel 3.10, lid 1b) te worden aangevraagd. Conclusie Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten moeten eventueel maatregelen worden getroffen om effecten te voorkomen. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10 Archeologie Å. cultuurhistorie 4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Hierbij wordt als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden.

De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie In het plangebied is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van de nieuwbouwontwikkeling. Het doel van het onderzoek was om gegevens te verzamelen over de inhoudelijke en fysieke kwaliteit (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering) van het ter plekke aanwezige archeologisch bodemarchief en tot een waardestelling van de archeologische vindplaats te kunnen komen. De belangrijkste resultaten worden hieronder besproken, de volledige rapportage is als bijlage 10 bij de toelichting opgenomen. Het proefsleuvenonderzoek heeft sporen opgeleverd die op grond van de datering tot één vindplaats gerekend worden, hoewel niet uitgesloten kan worden dat de aard van de sporen verschilt en er strikt genomen wellicht van meerdere vindplaatsen gesproken moet worden. Verspreid over het hele plangebied is wat vroegmiddeleeuws aardewerk aangetroffen. Dit materiaal is echter beperkt in aantal, sterk gefragmenteerd en hoofdzakelijk afkomstig uit sporen met jonger aardewerk afkomstig. Derhalve moet dit worden beschouwd als opspit of zwerfvuil. Mogelijk is het terrein dus ook in de Karolingische periode in gebruik geweest. Deze constatering is ook gedaan bij de door RAAP uitgevoerde opgraving direct ten noordwesten van het plangebied.

Gezien het feit dat in beide onderzoeken geen sporen uit deze periode zijn aangetroffen lijkt een verklaring als akkerland in de Karolingische periode het meest voor de hand te liggen.

bestemmingsplan "Locatie Asdonck" (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Locatie Asdonck

Voor beide onderzoeken geldt dat de oudste sporen uit de Volle Middeleeuwen stammen. De aard van de sporen lijkt binnen het onderhavige onderzoek echter sterk verschillend ten opzichte van het onderzoek van RAAP, waar sprake is van een rurale nederzetting uit de Volle Middeleeuwen. Los van twee volmiddeleeuwse kuilen bestaan de sporen in het plangebied namelijk uit drie verschillende grachten. In werkput 4 en 6 zijn twee volmiddeleeuwse grachten aangetroffen. In vijf werkputten ten oosten hiervan is een grote gracht aangetroffen die een terrein ten noorden van het plangebied omsluit. Hierin zijn drie verschillende fases onderscheidden. De oudste grachtfase dateert uit de Volle Middeleeuwen (1.100 - 1.300). De tweede fase dateert in de Late Middeleeuwen met een doorloop in de 16e eeuw en de jongste grachtfase dateert in de 16e eeuw tot in de eerste helft van de 17e eeuw. De gracht kent een langere doorlooptijd dan het nederzettingsterrein ten noordwesten van het plangebied, waar de jongste bewoningssporen uit de 15e eeuw dateren. Het vondstmateriaal geeft geen inzicht in de functie van de gracht. Mogelijk gaat het om een restant van een omgracht nederzettingsterrein uit de Volle Middeleeuwen. Het is hierbij denkbaar dat er sprake is van een link met het nabijgelegen kasteel Blankenburg dat in de 15e eeuw gebouwd is.

De fasering van de gracht sluit hier echter niet helemaal goed bij aan, aangezien de jongste grachtfase uit de nieuwe tijd dateert. Nader archeologisch en historisch onderzoek zou meer duidelijkheid moeten geven omtrent een eventuele link met kasteel Blankenburg. De conserveringstoestand van de sporen is redelijk tot goed, maar verspreid over het plangebied zijn wel vrij veel recente verstoringen waargenomen. De hoeveelheid verstoringen en ook het geringe aantal paalkuilen en kuilen geven waarschijnlijk een vertekend beeld weer. Dit beeld is het gevolg van het gehanteerde puttenplan. De kans dat sporen in kleine, ogenschijnlijk willekeurig geplaatste kijkvensters worden aangetroffen is niet groot. Tegelijkertijd wekken enkele grotere recente verstoringen zoals die in de werkputten 2, 10 en 11 de indruk dat het gebied sterk verstoord is. Deze verstoringen zijn waarschijnlijk echter vrij lokaal en beperken zich tot de zone waarbinnen de steenbouw uit de afgelopen twee eeuwen heeft gestaan. Om dergelijke zaken beter in beeld te krijgen had een puttenplan met langere, systematisch geplande sleuven meer effect gehad. Een dergelijk plan had waarschijnlijk ook meer inzicht kunnen bieden in het vraagstuk of we hier met één of meerdere vindplaatsen te maken hebben.

De paalkuilen zouden namelijk tot een erf kunnen horen terwijl de grachten juist onderdeel uitmaken van een meer adellijk complex. Dit zal echter in de toekomst moeten blijken. Selectieadvies Op basis van de scores kan de vindplaats als behoudenswaardig beschouwd worden. Indien er sprake is van verstoring van de vindplaats kan zij ex situ behouden worden door middel van een opgraving. Op basis van de verstrekte gegevens kan de vindplaats opgedeeld worden in drie deelgebieden (zie navolgende afbeelding). Het uiterste westen van het plangebied lijkt vrij te zijn van archeologische resten en is dus niet als onderdeel van de vindplaats beschouwd. Voor deze zone wordt vrijgave geadviseerd. Op grond van de beschikbare gegevens lijkt het verder zo te zijn dat het overige deel van het plangebied volledig als onderdeel van de middeleeuwse vindplaats kan worden beschouwd. Omdat men in eerste instantie duidelijkheid wilde krijgen in de archeologische situatie ter hoogte van de zone waar appartementencomplexen komen te staan, is deze zone aangemerkt als deelgebied A. Deze zone door de voorgenomen bouwwerkzaamheden verstoord worden en de hier gelegen resten komen zeker in aanmerking voor behoud ex situ. In dit geval is een opgraving het meest voor de hand liggend.

Wel wordt geadviseerd om de aanwezige kabels en leidingen voorafgaand aan het onderzoek onklaar te maken en/of te verwijderen opdat de archeologische graafwerkzaamheden zonder veel oponthoud kunnen voortgaan. De mate van verstoring door de voorgenomen bouwwerkzaamheden in deelgebied B is niet bekend, maar gezien de beschikbaar gestelde bouwplannen, zullen ook hier grondroerende werkzaamheden plaats gaan vinden. Mochten de bodemingrepen die met deze bouwwerkzaamheden dieper reiken dan circa 0,8 m onder het maaiveld, dat wil zeggen dieper dan 7,5 m NAP, dan zal behoud ex situ door middel van een opgraving noodzakelijk zijn. Voor deelgebied C zijn vooralsnog geen bouwplannen bekend. Mochten er in de toekomst bodemingrepen plaatsvinden dan geldt voor dit deel hetzelfde advies als voor deelgebied B. Wel is het raadzaam om hier eerst aanvullende proefsleuven te trekken om een betere inschatting te kunnen maken van hetgeen hier verwacht kan worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=f86c3be0-1553-4ee6-a6bf-31372cfb554a