26022.05 - Motivering TAM-omgevingsplan Aarleseweg 42-42a (A)
Tekst van het document
woning qua maat en schaal passend zijn in de omgeving. Daarnaast kan de ontwikkeling inzetten op het gemeentelijke doel om natuurinclusief te bouwen door het toepassen van neststenen voor huismussen gierzwaluwen en vleermuizen. ,
4. 3. 4 Structuurvisie Buitengebied Best Naast de omgevingsvisie is binnen de gemeente Best ook de structuurvisie nog van toepassing op het buitengebied. De structuurvisie Buitengebied is vastgesteld door de gemeenteraad op 4 april 2016. De kern van de structuurvisie is om de kansen van het buitengebied en maatwerk van kwaliteitsverbetering in visie uit te drukken. Het buitengebied van de gemeente Best is een dynamisch geheel waarin sprake moet zijn van balans tussen het landschap en haar bewoners en gebruikers. Dynamiek staat echter ook voor verandering. Binnen de structuurvisie is de planlocatie gelegen binnen het agrarisch-recreatief landschap. Dit landschap heeft voor het overgrote deel de kenmerken van een kampenlandschap. Het buurtschap Aarle is een specifieke eenheid binnen dit deelgebied. Van oudsher is bebouwing aanwezig in buurtschap Aarle. In de loop der eeuwen is hier bebouwing aan toegevoegd en zijn nieuwe functies ontwikkeld. Landschapsinvesteringsregeling De gemeente Best staat open voor nieuwe initiatieven maar stelt tegelijk eisen aan (het behoud van) de omgevingskwaliteit. Ruimtelijke initiatieven in het buitengebied dienen bij te dragen aan de voorgestane kwaliteitsverbetering van het landschap: ‘voor wat hoort wat’. De ‘Landschapsinvesteringsregeling Best’ (LIR) vormt hiervoor de basis.
Deze beleidsregel is van toepassing op ontwikkelingen die op basis van de regels van het bestemmingsplan niet direct zijn te vergunnen. Naast feitelijke investeringen bij voorkeur te realiseren op de locatie zelf of in de nabijheid kan ervoor worden gekozen om (aanvullend) een geldbedrag te storten in het gemeentelijke fonds voor kwaliteitsverbetering van het buitengebied. ,
,
,
Met de omzetting van de bedrijfswoning naar een reguliere woning is sprake van een categorie 1 ontwikkeling volgens de LIR. Dit komt omdat de ontwikkeling een dusdanig geringe ruimtelijke invloed heeft dat een substantiële extra kwaliteitsverbetering disproportioneel zou zijn. Voorwaarde is dat er sprake is van een afname van de bebouwing of verkleining van het bouwvlak. Het bouwvlak wordt met onderhavige bestemmingsplan verkleind en een deel van het bijgebouw wordt gesaneerd. Door de geringe invloed is geen extra kwaliteitsverbetering nodig. ,
Voor het realiseren van de extra woonkavel betekent dat er een kwaliteitsverbetering ter waarde van €125.000- gedaan moet worden. Hiervoor wordt een maatwerkregeling toegepast zoals beschreven in artikel 5. 14 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze regeling is in paragraaf 3. 1. 2 en 3. 2. 2 nader toegelicht. ,
4. 3. 5 Woonvisie Best Op 6 maart 2017 heeft de gemeente Best haar woonvisie ‘Wonen met visie’ vastgesteld. Deze visie is een doorkijk naar het wonen in Best voor de komende jaren. Met de komst van de omgevingswet beoogt de gemeente deze woonvisie uit 2017 te actualiseren en een woonprogramma 2023 op te stellen. Het ‘Volkshuisvestingsprogramma 2024-2028 – Werken aan een compleet en comfortabel wonen’ is in concept ter beschikking gesteld. Met het opgestelde Volkshuisvestingsprogramma wordt richting
26
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
gegeven aan de in 2022 vastgestelde omgevingsvisie. Op basis van de vastgestelde waarden in de omgevingsvisie en volkshuisvestelijke kaders worden in het volkshuisvestingsprogramma 4 thema’s
uitgewerkt. 7. Voldoende en betaalbare woningen 8. Leefbare en gezonde wijken 9. Duurzame woning en woonomgeving 10. Zorgzame samenleving
Onderhavig initiatief voorziet in een ruim bouwvlak voor een vrijstaande woning. Op basis van het Volkshuisvestingsprogramma Best kan worden gesteld dat er vraag is naar dergelijke woningen waardoor wordt voldaan aan een kwalitatieve behoefte. Verder bestaat ook een kwantitatieve behoefte binnen de gemeente Best. Met onderhavig plan wordt bijgedragen aan deze kwantitatieve behoefte. Doordat onderhavig wijzigingsplan voorziet in een ruim bouwvlak voor een vrijstaande woning is het mogelijk om het gehele woonprogramma (wonen wassen en slapen) op de begane grond te situeren. Het bouwvlak biedt ook voldoende mogelijkheden voor het realiseren van een levensloopbestendige woning. Geconcludeerd kan worden dat met voorliggend plan aangesloten kan worden bij het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Best.
,
,
,
27
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Hoofdstuk 5. Planologische
en
milieukundige aspecten
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse relevante aspecten uit de fysieke leefomgeving. Dit om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1. 2 van de Omgevingswet (Ow).
5. 1
M. E. R. -beoordeling
5. 1. 1 Beoordelingskader De milieueffectrapportage (M. E. R. ) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvormig te geven. Een M. E. R. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De wettelijke basis voor de M. E. R. ligt in Europa: • De mer-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor projecten ; • De smb-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s. Daarnaast
geldt het verdrag van Espoo milieueffecten kunnen zijn.
inclusief het SEA-protocol
,
,
als er grensoverschrijdende
De eisen van de bovengenoemde richtlijnen en het verdrag zijn nationaal omgezet in afdeling Afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Commissie m. e. r. is geregeld in artikel 17. 5 van de Omgevingswet en hoofdstuk 12 van het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan mer-plichtig is is artikel 16. 36 van de Omgevingswet van toepassing. Een plan-mer moet worden doorlopen als: • Voor het plan een passende beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied moet worden gemaakt. • Het Omgevingsplan een kader vormt voor projecten die zijn aangewezen in bijlage V bij het ,
•
Omgevingsbesluit. Het Omgevingsplan een kader vormt voor andere projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
Bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling zijn twee mogelijke resultaten: 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) gemaakt worden. 2. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde komt: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die millieueffecten kunnen hebben. Maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een planmer-beoordeling is aan de orde indien: a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft ; ,
28
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
b.
Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.
5. 1. 2 Toetsing van het initiatief Het gaat hier niet om een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is zie paragraaf 4. 8. Wel gaat het hier om een plan dat kaderstellend is voor projecten die milieueffecten kunnen hebben. De nieuwe activiteiten binnen het plangebied staan niet genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het plan is daarmee niet direct plan-mer plichtig. Onder de Omgevingswet geldt voor deze gevallen wel een mer-beoordelingsplicht (zie artikel 16.36 vierde en vijfde lid Ow). ,
,
,
Het plan aan de Aarleseweg 42/42a betreft een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Best. Ten opzichte van het gemeentelijk omgevingsplan als geheel gaat het hier om een klein gebied op lokaal niveau waarvoor u als gemeente het bevoegd gezag bent. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat voor dit plan volstaan kan worden met een plan-mer-beoordeling. Verderop in dit hoofdstuk (4) zijn de belangrijkste milieuaspecten voor dit plan in beeld gebracht. Samen met de andere hoofdstukken van deze ruimtelijke onderbouwing vormt deze paragraaf de zogenaamde plan-mer beoordeling in het kader van artikel 16. 36 lid 4 en 5 van de Omgevingswet. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit over dit wijzigingsbesluit te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage geeft geen verder inzicht op de relevante milieuaspecten. U als bevoegd gezag kan op basis van deze ruimtelijke onderbouwing een besluit nemen over de uitkomst van de plan-mer-beoordeling of er al dan niet een m. e. r. nodig is en publiceert dit in een m. e. r. beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m. e. r. uitgevoerd hoeft te worden hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant.
Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m. e. r. -plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor dit wijzigingsbesluit. ,
,
5. 1. 3 Conclusie Het aspect ‘milieurapportage’ vormt geen belemmering voor dit plan.
5. 2
Activiteiten en milieuzonering
5. 2. 1 Beoordelingskader Voor ruimtelijke ontwikkelingen van bedrijven of in de omgeving van bedrijvigheid wordt onder de Omgevingswet gebruik gemaakt van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl). Deze is door de VNG gepubliceerd op 17 oktober 2024. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Hierin zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruik gemaakt van milieuwaarde in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven en milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen. ,
29
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
,
5. 2. 2 Toetsing
Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer van de bedrijfsactiviteiten die nu op de locatie plaatsvinden en van de bedrijfsactiviteiten die na realisatie van dit plan op de locatie (nog) plaatsvinden. Bij geur en geluid staan achter de afstanden de zones behorende bij deze activiteit voor geur en geluid tussen haakjes genoemd. Tabel 1: richtafstanden milieubelastende activiteiten
Omschrijving bedrijfsactiviteit
Afstanden in meters Geur
Geluid
Grootste afstand (rustige woonwijk)
Grootste afstand (gemengd gebied)
Afstand tot Aarleseweg 4242a*
Opslaggebouwen
FM (10)
1 (30)
30
30
n. v. t.
Grth in hout b. o. < =2.000 m 2
FM (10)
1 (30)
30
30
n. v. t.
Recreatiewoning
FM (10)
FM (10)
10
10
n. v. t.
Tuincentrum
FM (10)
1 (30)
30
30
circa 145 meter
Rundveehouderij
3 (100)
1( 30)
100
100
circa 90 meter
Varkenshouderij
3 (100)
2 (50)
100
100
circa 70 meter
KI station
1 (30)
1 (30)
30
30
circa 70 meter
Pluimvee
3 (100)
2 (50)
100
100
circa 200 meter
Schoonmaak en reparatiebedrijf**
n. v. t.
*Gemeten vanaf het bouwvlak **Het schoonmaak- en reinigingsbedrijf houdt zich bezig met het schoon maken van erfverharding , stoepen en dergelijke en de werkzaamheden worden dan ook voornamelijk op locaties van derden uitgevoerd. Op de locatie aan de Aarleseweg 38 te Best zullen de voertuigen enkel gereed gemaakt , schoongemaakt en gestald worden.
In de VNG-publicatie ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ zijn twee omgevingstypen opgenomen voor de omgevingskwaliteit ; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig tot geen verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. ,
Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Best en is gelegen in een omgeving wat kan worden aangemerkt als gemengd gebied. Nu
geldt nog een grootste richtafstand van 30 meter omdat op de locatie sprake is van een opslag/handel in openhaardhout. Met voorliggend plan vervalt deze richtafstand van 30 meter en wordt de grootste richtafstand bepaald door geur en geluid afkomstig van de recreatiewoning. Het gaat hierbij
30
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
dan
richtafstand van 10 meter. Het dichtstbijzijnde gevoelige object is direct naast de initiatieflocatie gelegen. De afstand van de recreatiewoning tot de woning is circa 19 meter. Het betreft de (burger)woning aan de Aarleseweg 40. Met dit plan komen de bestaande gevoelige objecten of bedrijven/inrichtingen niet binnen de richtafstanden te liggen van de recreatiewoning. Het plan zorgt om
een
daarmee niet voor extra hinder voor de omgeving. Het dichtstbijzijnde intensieve agrarische bedrijf (varkens) is gelegen op circa 70 meter van het plangebied. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf met melkvee is gelegen op circa 52 meter. Voor het houden van varkens en melkvee geldt een grootste richtafstand van 100 meter. Echter omdat de planlocatie is gelegen in een gemengd gebied mag de afstandsnorm met één stap verkleind worden. Voor een agrarisch bedrijf met varkens en koeien geldt derhalve een afstand van geldt derhalve een afstand van 50 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. 5. 2. 3 Conclusie De beoogde ontwikkeling
voldoet aan de richtafstanden onder de ‘activiteiten en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor dit plan.
5. 3
Omgevingswet.
Het
aspect
Geur
5. 3. 1 Beoordelingskader De gemeente stelt in het omgevingsplan regels voor geur. Deze regels moeten zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau.
Paragraaf 5. 1. 4. 6. 1 van het Bkl bevat instructieregels die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Er zijn voor drie bronnen regels gesteld: • • •
Zuiveringstechnische werken (paragraaf 5.1.4.6.2) ; Houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (paragraaf 5.1.4.6.3) ; Andere agrarische activiteiten (paragraaf 5. 1. 4. 6. 4).
De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5. 92 lid 1 van het Bkl. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen ; • • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5. 92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden volgens artikel 22. 98 van het omgevingsplan waarden waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor 1 gelden volgens artikel 22. 101 geen waarden maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden uit dit artikel. Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: ,
,
1 Definitie
landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor in het Omgevingsplan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld , met uitzondering van pelsdieren.
31
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
a.
b. c.
d.
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan ; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Ook een geurgevoelig gebouw dat er nog niet is maar er wel mag komen
is geurgevoelig. Daarnaast kan de gemeente in het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen wanneer er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. ,
,
,
5. 3. 2 Toetsing De nieuwe woning (op basis van kwaliteitsverbetering) is op basis van het Bkl een geurgevoelig gebouw voor de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen met landbouwhuisdieren. Deze nieuw te realiseren woning ligt buiten de bebouwde kom.
Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor – afstand tot nieuwe woning Normaal gesproken moet een bedrijf dat landbouwhuisdieren houdt met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw toetsen aan de toelaatbare geurnorm op zo’n gebouw (artikel 22.98 eerste lid van het tijdelijke Omgevingsplan gemeente Best/ artikelen 5.109 eerste en tweede lid en 5. 109a van het Bkl). De gemeente Best heeft in hun omgevingsplan de geurverordening opgenomen hierin geldt ter plaatse van het plangebied een geurbelasting van 7 ouE/m.3 ,
,
,
Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor – afstand en ondergrens afstand tot geurgevoelig gebouw In artikel 22. 101 van het tijdelijke Omgevingsplan gemeente Best/ artikel 5. 112 van het Bkl staan regels over de afstand waaraan een bedrijf met landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor dient te voldoen tot een woning. Hiervoor geldt een minimale afstand van 50 meter tussen het emissiepunt van het bedrijf met landbouwhuisdieren en de gevel van de nieuwe woning die ligt buiten de bebouwingscontour geur. Daarnaast geldt een minimale afstand van 25 meter vanaf de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelige gebouw (nieuwe woning op basis van kwaliteitsverbetering).
Afstand nieuwe woning tot dichtstbijzijnde inrichting met landbouwhuisdieren De locatie is geen veehouderijlocatie of locatie die op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Hierdoor is het object in de bestaande situatie al beschermt voor wat betreft de aspecten geur. De bestaande afstand tussen de woning en veehouderijen in de omgeving wordt met het initiatief niet verkleind. De dichtstbijzijnde veehouderij met landbouwhuisdieren ligt aan de Aarleseweg 23 in Best. Hier zijn 106 melk- en kalfkoeien 68 stuks jongvee en 1 fokstier vergund (bron: KRD Noord-Brabant). Deze locatie ligt op circa 90 meter van het perceel waarop de nieuwe woning komt (gemeten rand bestemmingsvlak tot rand perceel nieuwe woning). De afstand tot de dichtstbijzijnde intensieve veehouderij (pluimvee) is ruim 200 meter. Ter beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt gekeken naar de voorgrondbelasting. Wanneer de voorgrondbelasting van één bedrijf meer dan de helft bedraagt van de achtergrondbelasting is de voorgrondbelasting bepalend bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat. Uit de geurberekening die onderdeel uitmaakt van de laatst verleende vergunning van het pluimveebedrijf aan de Aarleseweg 31 blijkt dat dit bedrijf inderdaad voor meer dan de helft bijdraagt aan de achtergrondbelasting ter plaatse.
Ook kan hieruit worden afgeleid dat op de locatie van de nieuwe woning wordt voldaan aan de geldende geurnorm zie afbeelding 9. De berekening is als separate bijlagen opgenomen bij dit plan. ,
,
32
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Afbeelding 9: uitsnede geurberekening pluimveebedrijf Aarleseweg 31 te Best Voor het aspect geur zijn de direct naastgelegen woningen maatgevend voor dit pluimveebedrijf. Hiermee voldoet het plan ruimschoots aan de gestelde afstanden voor geur van 50 en 25 meter en aan de geldende voorgrondgeurnormen ter plaatse. Daarnaast is in afbeelding 10 te zien dat de achtergrond concentratie geur ruim voldoet aan de normen. Daarom zal de gebruikswijziging met zekerheid geen onevenredige belemmering de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen vormen voor veehouderijen. De toetsingsafstand voor die veehouderijen verandert immers niet.
Gezondheid en achtergrondbelasting geur Ook voor het bepalen van het beschermen van de gezondheid van geurgevoelige gebouwen in het buitengebied is het aspect geur van belang. Hierbij gaat het om de cumulatieve geurhinder als gevolg van de geuremissie van alle veehouderijen in een bepaald gebied. De omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft een kaart opgesteld waarop de achtergrondbelasting veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen in odour units per kubieke meter ,
33
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
,
(ouE/m³) per locatie is af te lezen. Deze kaart geeft een indicatie van de hoogte en verdeling van de geurconcentraties over de gehele regio. Volgens de uitsnede van deze kaart in onderstaande afbeelding is ter plaatse van het plangebied sprake van een achtergrondbelasting van 3-7 ouE/m.3 Daarmee is ,
sprake van een goede geursituatie.
Afbeelding 10: achtergrond geurkaart ODZOB (2025) 5. 3. 3 Conclusie De realisatie van een nieuwe woning op basis van kwaliteitsverbetering binnen het plangebied vormt op gebied van geur geen belemmering voor omliggende bedrijven met landbouwhuisdieren.
5. 4
Geluid
5. 4. 1 Beoordelingskader In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door de activiteit door wegen spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2 Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2. 1 lid 4 Omgevingswet). ,
,
,
,
De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59 5. 78l en 5. 78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten moet aan twee eisen voldoen: houd rekening met geluid op geluidgevoelige gebouwen ; • voorzie in aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. • ,
,
,
34
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Een geluidgevoelig gebouw is op basis van artikel 3. 21 van het Bkl een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan ; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Ook een geluidgevoelig gebouw dat er nog niet is maar er wel mag komen is geluidgevoelig. ,
,
5. 4. 2 Toetsing wegverkeerslawaai Met dit plan worden een nieuw geluidgevoelige gebouw aan de omgeving toegevoegd. Vanuit akoestisch oogpunt is voor wegverkeerslawaai een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Ter plaatse van de gevels van de beoogde woning aan de Aarleseweg 42-42a te Best bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de gemeentelijke wegen ten hoogste 53 dB. Het uitgevoerde akoestisch onderzoek toont aan dat voldaan kan worden aan deze standaardwaarde. In overeenstemming met de gemeente is de berekening uitgevoerd voor het jaar 2035 binnen de gemeente is een onderhoudsplan (Het Actieplan geluid 2024-2029) vastgesteld waarbij het wegdek binnen enkele jaren vervangen wordt. Derhalve zal voor de situatie 2035 het uitgangspunt zijn. ,
Ter hoogte van de oostelijk gelegen achtertuin heerst een overwegend goede milieukwaliteit. Ter hoogte van de westelijk gelegen voortuin heerst een overwegend redelijke milieukwaliteit. Direct langs de weg is sprake van een matige milieukwaliteit echter kan hiervan beoordeeld worden dat dit direct langs de weg gelegen is en derhalve niet in gebruik zal zijn als een buitenruimte ter behoeve van recreatie. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er overwegend sprake is van een redelijk tot goed woon- en leefklimaat rondom de beoogde woning. Hierdoor kan worden verondersteld met in achtneming van bovenstaande opmerkingen dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. ,
,
,
,
De gezamenlijke geluidbelasting bij het planproject heeft bij de beoogde nieuwbouw woning een dermate geluidsbelasting dat een standaard karakteristieke geluidwering van geveldelen (GAk) ; van 20 dB voldoende is om een binnenwaarde van 33 dB volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving Artikel 4.103 te waarborgen. Zie hoofdstuk 6. 2 voor de benodigde gevelwering. ,
,
,
Derhalve wordt onderbouwd met behulp van de conclusies in hoofdstuk 6 aangetoond dat er geen overschrijding van de standaardwaarde van de gemeentelijke wegen plaatsvindt conform Artikel 5. 78t. (hoofdregel toelaten van geluidgevoelig gebouw) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ,
,
,
5. 4. 3 Toetsing industrielawaai Zoals vastgesteld in paragraaf 4. 2. 2 liggen binnen de richtafstanden voor geluid geen gevoelige objecten. Deze liggen op dusdanige grote afstand van het plangebied dat deze geen geluidhinder van de activiteiten die binnen het plangebied worden uitgeoefend ondervinden. Een onderzoek naar effect van industrielawaai afkomstig van de activiteiten binnen het plangebied op omliggende geluidgevoelige objecten is niet nodig. Omgekeerd hebben de omliggende bedrijven geen ander effect op de bestaande bedrijfswoning (geluidgevoelige functie) binnen het plangebied. 5. 4. 4 Conclusie Op basis van artikel 5. 59 van het Bkl dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het geluidsniveau op geluidsgevoelige gebouwen dient aanvaardbaar te zijn. Voor de projectlocatie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In een rapport wordt het effect van het projectvoornemen op het akoestisch klimaat weergegeven. Er is akoestisch gezien geen belemmering geconstateerd om de voorgenomen uitbreiding te realiseren. Het
35
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
akoestisch onderzoek is separaat in de bijlagen opgenomen.
5. 5
Luchtkwaliteit
5. 5. 1 Beoordelingskader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofoxide (NO)2 of fijnstof (PM). 10 Soms wordt hier een rijksomgevingswaarden overschreden. Ook kan de achtergrondconcentratie zo hoog zijn dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarden overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect van de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor regels met betrekking tot lucht staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Deze volgen uit artikel 5. 51 van het Bkl. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden tenzij de activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO)2 of fijnstof- (PM)10 concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8. 17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). ,
,
,
,
Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17 8. 21 en 8. 24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze gaan over: • Beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden ; Ammoniakemissies van veehouderijen ; • • Geologische opslag CO.2 ,
5. 5. 2 Toetsing Dit plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. In de nieuwe situatie worden geen dieren gehouden binnen het plangebied. Voor de effecten op het gebied van luchtkwaliteit is alleen de optredende verkeersaantrekkende werking van belang. Deze neemt niet toe ten opzichte van de bestaande situatie. Voor toetsing van de verkeersaantrekkende werking is de zogenaamde NIBM-tool ontwikkeld. Met deze tool is te bepalen wat de maximaal mogelijke gevolgen zijn voor de luchtkwaliteit vanwege de mogelijk extra verkeersaantrekkende werking van een voorgenomen ontwikkeling. Van een verslechtering van de luchtkwaliteit is volgens de NIBM-tool 2 pas sprake als een ontwikkeling per weekdag leidt tot een toename van meer dan 1. 277 voertuigbewegingen (aandeel vrachtverkeer 5%) per etmaal. Gezien de kleinschalige aard en omvang van de recreatietak dat met de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied is voorzien is dit in alle redelijkheid geen ontwikkeling die een dergelijk aantal voertuigbewegingen naar en/of vanaf het plangebied met zich meebrengt. Zodoende wordt in dit geval geconcludeerd dat de bijdrage aan de luchtverontreiniging ‘niet in betekende mate’ is.
In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Vanuit het aspect luchtkwaliteit is daarom gekeken naar de achtergrondwaarden voor fijnstof en stikstofdioxide ,
2 Jaar van
planrealisatie 2025
36
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). Tabel 2 geeft de achtergrondwaarden en normen weer. Tabel 2: achtergrondwaarden luchtkwaliteit Totale concentratie (μg/m³) NO 2 Plangebied 114 Norm 40 ,
Totale concentratie (μg/m³) PM 10 1527 40 ,
Totale concentratie (μg/m³) PM 25 8552 25/20 3 ,
,
Uit de tabel blijkt dat de concentraties aan stikstofdioxide en fijnstof ruimschoots beneden de gestelde normen liggen. Daarnaast is voor het plangebied een fijnstofberekening uitgevoerd waarbij is gekeken naar de fijnstofbelasting van het naastgelegen pluimveebedrijf op de woningen. Hieruit blijkt dat voldaan kan worden aan de normen. Daarmee wordt gesproken van een acceptabel woon- en leefklimaat qua luchtkwaliteit. De fijnstofberekening is als losse bijlagen toegevoegd aan dit plan. 5. 5. 3 Conclusie Als gevolg van onderhavig plan is geen toename van de verkeersaantrekkende werking te verwachten. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van de aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof en enkel fijnstof zoals benoemd in artikel 5. 51 van het Bkl. Er worden geen dieren gehouden waardoor de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Het project betreft geen milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie van ongewenste stoffen in de buitenlucht.
5. 6
Bodem
5. 6. 1 Beoordelingskader Op basis van paragraaf 5. 1. 4. 5. 1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22. 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving dient in een planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem en grondwaterkwaliteit. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5. 1. 4. 5. 1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem door in onderlinge samenhang: • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreiniging en aantastingen ; • Evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem ; Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en • aantastingen. ,
,
3
Ter bescherming van de menselijke gezondheid definieert de Europese Richtlijn Luchtkwaliteit (2008/50/EG) een jaargrenswaarde van PM-25, jaargemiddelde (PMis fijnstof (particulier matter) waarbij de deeltjes kleiner dan 25, micrometer 25, doorsnee zijn. Deze zijn naar huidige inzichten schadelijker voor de gezondheid dan PM). 10 In artikel 2. 5 van het Bkl staan de omgevingswaarden voor fijnstof. De omgevingswaarden van 25 μg/m 3 als kalenderjaargemiddelde en 20 μg/m 3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden voor PM 25, zijn resultaatverplichtingen.
37
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving). De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • Op grond van artikel 5. 89i en artikel 5. 89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. • Op grond van artikel 5. 89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. • Op grond van artikel 5. 89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. • Op grond van artikel 5. 89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu in het bijzonder van de bodemkwaliteit. ,
5. 6. 2 Toetsing Met dit plan wordt een nieuwe woning gerealiseerd en de bestaande bedrijfsbestemming omgezet naar burgerwoning. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige een bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering.
Onder de omgevingswet dient een voorafgaand bodemonderzoek te worden uitgevoerd omdat er sprake is van bouwen op een bodemgevoelige locatie. Het voorafgaand bodemonderzoek dient in eerste instantie te bestaan uit een vooronderzoek volgens de NEN 5725. Indien uit het vooronderzoek blijkt dat er sprake is van een verdachte locatie dient er een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 uitgevoerd te worden.
Omzetten van bedrijf naar burgerwoning In dit geval wordt er geen nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De bestaande bedrijfswoning mag al als zodanig gebruikt worden. Ook de te legaliseren recreatiewoning wordt als zodanig gebruikt. De vrijkomende bedrijfsbebouwing die behouden blijft zal gebruikt worden als bijgebouw bij de woning en als opslagruimte. Dit gebruik is vergelijkbaar met het huidige gebruik. Derhalve is voor de locatie een bodemonderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de locatie als verdachte locatie beschouwd moet worden met een plaatselijke bodembelasting. Naar aanleiding van het vooronderzoek is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in de bijlagen bij dit plan. ,
Aarleseweg ong. De locatie Aarleseweg ongenummerd is momenteel in gebruik als grasland. Voor dit perceel heeft tevens een bodemonderzoek conform NEN 5725 plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat er in het verleden geen bodemverontreinigingen hebben plaatsgevonden ter plaatse van de beoogde woonkavel. Omdat dit deel van het plangebied altijd in gebruik is geweest als landbouwgrond en er op basis van de historische toets geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging is de verwachting dat dit deel van het plangebied als onverdacht van bodemverontreiniging kan worden beschouwd. Deze bodemkwaliteit is geschikt voor het voorgenomen gebruik wonen met tuin en vormt dan ook geen belemmering voor de bestemmingswijziging. ,
,
38
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
5. 6. 3 Conclusie Voor het aspect bodemkwaliteit zijn er ter plaatse van de noordelijke woonbestemming geen aanvullende onderzoeken noodzakelijk en vormt het daarom geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de zuidelijke woonbestemming is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken: • NEN5740: De waarden van de onderzochte stoffen van de geanalyseerde mengmonsters en het grondwater voldoen aan de gestelde criteria uit Omgevingswet en Omgevingsverordening Noord-Brabant voor het beoogde gebruik. • NEN5707/5897: De halfverharding voor en onder de loods is voldoende onderzocht. Het asbestgehalte vormt geen aanleiding voor nader onderzoek. Op basis van het onderzoek kan uitgegaan worden van een verontreiniging met asbest die de interventiewaarde niet overschrijdt. Het terrein achter de loods is mogelijk verontreinigd met asbest boven interventiewaarde. Middels nader onderzoek kan de verontreiniging worden vastgesteld. Advies •
Geadviseerd wordt het asbestgehalte van het terrein ten oosten van de loods nader te onderzoek.
•
Geadviseerd wordt het SEM-gehalte van de druppelzone van de zuidzijde van gebouw 4 te bepalen om de humane risico’s van de respirabele vezels te bepalen.
5. 7
Archeologie en cultuurhistorie
5. 7. 1 Beoordelingskader De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5. 130 lid 1 van het Bkl. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Archeologie Als in een omgevingsplan regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek bepaalt het omgevingsplan dat die regels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m² (artikel 5. 130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen (artikel 5. 130 lid 5 Bkl). Bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in zo’n gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.
,
Cultuurhistorie Het Bkl bevat instructieregels waarmee gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. 5. 7. 2 Toetsing Archeologie Het plangebied ligt conform de gemeentelijke beleidskaart in de zone ‘waarde – archeologie 3 (gebied met hoge archeologische verwachting historische kern)’. Het betreft een landschappelijke zone met ,
39
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
naar verwachting een hoge dichtheid aan archeologische sporen. De beleidsdoelstelling voor deze categorie is archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden. In het geldend omgevingsplan is dit vertaald naar een regeling die stelt dat voor ontwikkelingen waarvoor bodemingrepen groter dan 250 m 2 benodigd zijn of dieper dan 30 cm er een verplichting geldt tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Met voorliggend plan vinden bodemingrepen plaats dieper dan 30 cm hiervoor is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. De ligging van het plangebied op een slecht ontwaterd terreindeel met op relatief korte afstand ten noorden en oosten daarvan terreindelen die aanmerkelijk geschikter waren voor bewoning maakt dat het plangebied van oudsher onaantrekkelijk is als vestigingslocatie. De te verwachten bewoningresten die staan aangegeven op historische kaarten liggen onder de huidige bebouwing en worden indien nog aanwezig niet bedreigd door de nieuwbouwplannen. Op basis van louter booronderzoek kan echter zelden worden uitgesloten dat in de diepere ondergrond van het plangebied wellicht toch behoudenswaardige archeologische sporen aanwezig zijn. Om te voorkomen dat dergelijke sporen ongedocumenteerd verloren gaan is een proefsleuvenonderzoek een gangbare methode. Een dergelijk karterend en waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek (conform protocol Proefsleuven KNA 4.2) dient aan de hand van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) uitgevoerd te worden door een hiertoe gecertificeerd archeologisch bedrijf. Dit PvE is toegevoegd aan de bijlagen. ,
,
,
,
,
5. 7. 3 Toetsing Cultuurhistorie Vanuit de Omgevingswet is het verplicht om cultuurhistorische waarden te beschermen. De instructieregels uit artikel 5. 130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is (o. a. ontsiering beschadiging of sloop van monumenten en aantasting van de omgeving of karakteristieke stadsgezichten dorpsgezichten en cultuurlandschappen). Voor het bepalen van de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied zijn de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024 (CHW) en de Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Best geraadpleegd. ,
,
Afbeelding 11: uitsnede ‘Cultuurhistorische waardenkaart herziening 2024’ (bron: Provincie Noord-Brabant) ,
40
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Afbeelding 12: uitsnede ‘Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Best’ Zoals hierboven te zien op de Provinciale als gemeentelijke kaart is de planlocatie niet gelegen in cultuurhistorisch waardevol gebied. 5. 7. 3 Conclusie Het aspect archeologie staat dit plan niet in de weg aspect cultuurhistorie.
5. 8
,
daarnaast wordt het plan niet beperkt door het
Ecologie
5. 8. 1 Beoordelingskader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de Wet natuurbescherming het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming komen te vervallen. Deze regels zijn opgegaan in de Omgevingswet via het aanvullingsspoor natuur. Dit aanvullingsspoor ziet op zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door ,
stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet Natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden regels voor de soortenbescherming van te beschermen planen diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). ,
,
,
5. 8. 2 Toetsing gebiedsbescherming Onder de Omgevingswet moet getoetst worden of nieuw of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten effecten hebben op Natura 2000-gebieden.
41
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Natuur Netwerk Nederland: Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. De provincie Noord-Brabant heeft dit doorvertaald in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee tenzij-‘ principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. ,
Het regime ter bescherming van het NNB kent in de provincie Noord-Brabant externe werking. Dit houdt in dat niet alleen de effecten van activiteiten die gelegen zijn binnen de grenzen van NNB-gebieden beoordeeld en eventueel gecompenseerd moeten worden maar ook (potentiële) effecten op NNBgebieden die in de omgeving van het plangebied liggen (externe effecten). Voor de storingseffecten die effect op NNB-gebied kunnen veroorzaken kan worden gesteld dat negatieve effecten op voorhand niet te verwachten zijn. Dit in verband met de aard omvang en effectbereik van het voornemen én vanwege de afstand ten opzichte van NNB gebied. ,
,
,
,
De planperiode ligt niet binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Nederland/Brabant. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNB ligt op ruim 13 km ten noorden van de planlocatie. Op een afstand van 11 km is een ecologische verbindingszone gelegen afbeelding 13 geeft de ligging van de gebieden weer ten opzichte van de planlocatie. ,
,
,
Afbeelding 13: ligging NNB ten opzichte van het plangebied (bron: omgevingsverordening Noord-Brabant) Natura 2000-gebieden: De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn) 92/43/EEG). Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden worden onder de Omgevingswet met een aanwijzingsbesluit aangewezen (artikel 2. 44 van de Ow). De aanwijzing van Natura 2000-gebieden gebeurt bij besluit van de Minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit. In het aanwijzingsbesluit ,
42
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
worden (onder vastgelegd.
andere) de instandhoudingsdoelstellingen voor het betrokken Natura 2000-gebied
Als er naar aanleiding van projecten plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten mogelijkerwijs significante effecten optreden dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. ,
,
,
,
,
,
Een plan dat significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden ; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard ; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. ,
,
In afdeling 8. 6 van het Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Storingseffecten Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Dit gebied ligt op een afstand van circa 65 km van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van Natura 2000-gebieden weer. ,
Afbeelding 14: ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van de planlocatie (bron: Omgevingsverordening NoordBrabant)
43
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
,
Stikstofonderzoek Voor onderhavige plangebied zal het bedrijf worden beëindigd en zal omgeschakeld worden naar de functie ‘Wonen’. Als gevolg van de aangegeven ontwikkelingen zal er een afname in het aantal vervoersbewegingen van en naar de locatie plaatsvinden in de beoogde situatie. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht te verwachten. Dit blijkt ook uit de uitgevoerde AERIUS berekeningen deze zijn als bijlage toegevoegd aan voorliggende motivering. ,
Overige effecten Voor de overige 19 storingseffecten die naast stikstofdepositie een mogelijk effect op Natura 2000gebied kunnen veroorzaken kan worden gesteld dat negatieve effecten op voorhand niet zijn te verwachten. Dit in verband met de aard omvang en effectbereik van het voornemen én vanwege de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebied. ,
,
,
,
Bescherming houtopstanden De bestaande houtsingel binnen het plangebied blijft behouden in de gewenste situatie. Tevens wordt bij de realisatie van het plan de locatie aangevuld met extra beplanting in de vorm van houtwallen. 5. 8. 3 Toetsing soortenbescherming Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel soorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving maar ook van fysieke maatregelen die bescherming vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2. 18 lid 1 sub g van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Maar ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij wordt gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: Er soorten aanwezig zijn ; en • • Om welke soorten het gaat. ,
,
,
,
,
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Voor onderhavige locatie wordt de functie gewijzigd naar wonen. Het huidige gebruik van de locatie wordt ook in de nieuwe situatie voortgezet. De planlocatie wordt op dit moment gebruikt voor bewoning en deels voor niet agrarische doeleinden. De bijgebouwen bestaan uit golfplaten of dakpannen zonder isolatie en enkelsteens muren van steen of hout en hebben een open structuur met veel tocht. In deze gebouwen is veel menselijke activiteit door het gebruik. Water op het terrein ontbreekt. Aan de noordzijde wordt het bouwvlak begrensd door een houtwal van zomereiken met onderbegroeiing van braam en opslag. Voor beschermde amfibieën is de planlocatie geen geschikt habitat in verband met het ontbreken van water om in voort te planten. Beschermde reptielen leven doorgaans alleen in natuurgebieden waar een afwisseling van ruigte (voor dekking) en open terrein (om op te warmen) aanwezig is. De landbouwpercelen rondom de planlocatie en het erf op de planlocatie zijn geen geschikt habitat voor beschermde reptielen. De houtwal ten noorden van de locatie kan als migratieroute gebruikt worden
44
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
,
staat niet in verbinding met andere groenstructuren. Daarnaast vinden er geen rooiwerkzaamheden plaats aan deze wal. De gebouwen zijn bouwkundig niet geschikt voor gebouw gebonden soorten zoals huismussen zwaluwen en vleermuizen. Voor uilen is er te veel reuring in de gebouwen waardoor het geen rustig leefgebied is. Steenmarters gebruiken veel verschillende verblijfplaatsen in hun territorium. Ze laten enorme sporen achter in de vorm van ‘nestmateriaal’ en uitwerpselen. Daarmee is het uitgesloten dat er verblijfplaatsen of nesten van gebouw gebonden soorten zoals huismus zwaluwen vleermuis uil en steenmarter wordt beschadigd. Ook worden er geen bomen gekapt waardoor eveneens het beschadigen van verblijfplaatsen of nesten van boom gebonden soorten zoals roofvogels uilen boom bewonende vleermuizen kleine marterachtigen en grond gebonden zoogdieren kan worden uitgesloten. maar
,
,
,
,
,
,
In de beoogde situatie is gewenst extra groen toe te voegen in de vorm van houtwallen met een variatie aan bomen en struiken. Wanneer in de houtwal voldoende ruigte wordt gecreëerd wordt hiermee een stimulans gegeven aan habitat voor broedvogels. Ook kleine marterachtigen kunnen de wal gebruiken als migratievoorziening en mogelijk in de toekomst zelfs als verblijfplaats. Het plaatsen van bijvoorbeeld een torenvalkkast bied een koppeltje torenvalken een nieuwe verblijfplaats. In de omgeving is zeer geschikt habitat aanwezig voor een torenvalk. ,
In de nieuw te bouwen woning kunnen voorzieningen opgenomen worden voor gierzwaluw en vleermuis. Het opnemen van nestvoorzieningen voor huismussen is alleen zinvol wanneer ook in de tuin een geschikt habitat aangelegd wordt. Dit habitat moet voorzien in voldoende dekking (in de vorm van struiken en/of hagen) en een jaar rond voedsel in de vorm van zaden en insecten. In de tuinen is sierbeplanting en zijn bomen aanwezig. Daarnaast wordt de ruimte rond de bebouwing ingericht als gazon en grasland. ,
5. 8. 4 Conclusie Voor het aspect ecologie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5. 9
Water
5. 9. 1 Weging van het waterbelang Met het in werking treden van de Omgevingswet vervangt het begrip ‘weging van het waterbelang’ de term ‘watertoets’. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat er bij ruimtelijke plannen aandacht is voor de waterveiligheid waterkwaliteit en waterkwantiteit. Het is een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in Best is in handen van de gemeente Best en het Waterschap de Dommel. ,
5. 9. 2 Waterbeleid De Omgevingswet regelt onder meer de vergunningverlening het toezicht en de handhaving voor activiteiten die invloed hebben op de waterkwaliteit de waterkwantiteit de waterveiligheid en de waterfuncties. Denk bijvoorbeeld aan het lozen van afvalwater het onttrekken of infiltreren van grondwater het aanleggen of wijzigen van waterstaatswerken of het organiseren van evenementen op of langs het water. ,
,
,
,
,
De Omgevingswet vervangt onder anderen de Waterwet. De Waterwet en de onderliggende regelgeving bevatten veel normen die rechtstreeks voortvloeien uit Europese richtlijnen zoals de Kaderrichtlijn Water de Grondwaterrichtlijn en Drinkwaterrichtlijn. De bepalingen ter implementatie van deze ,
,
45
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
,
richtlijnen blijven grotendeels ongewijzigd in de Omgevingswet de Europese verplichtingen.
,
omdat Nederland zich moet houden aan
Bepaalde regels die voorheen op rijksniveau waren gesteld zijn onder de Omgevingswet overgegaan naar de Waterschapsverordening. 5. 9. 3 Waterbeheerprogramma 2022-2027 waterschap de Dommel Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start waterschap de Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekend een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijk gebied van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt ; • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan ; • Wat schoon is moet schoon blijven. • Het waterschap moet zich nog meer dan voorheen aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden.
Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristiek verwevenheid van bebouwing landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpas is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur stikstof economie landbouwtransitie energietransitie biodiversiteit mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal maar integraal. Alleen dan worden er oplossingen gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners bedrijven landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt wordt. Hierbij wordt door het waterschap een omschakeling gemaakt: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht ; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal ; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt ; maximaal water conserveren minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Waterschapsverordening Waterschap de Dommel Het algemeen bestuur van het waterschap stelt een waterschapsverordening vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. De Waterschapsverordening is een aanvulling op de regels uit de Omgevingswet. Deze is van toepassing op de rivieren beken sloten grondwater en dijken (waterkeringen) die in beheer zijn bij het waterschap. Maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen zoals agrariërs en tuinders. De voorschriften in de Omgevingswet en de Waterschapsverordening geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. ,
,
,
,
Regels afvoeren hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 2025 dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 voor het laatst geactualiseerd. Met de inwerkingtreding van de omgevingswet is de Keur vervangen door de Waterschapsverordening waterschap de Dommel.
46
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
,
Bij een toename en het afkoppelen van verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m 2 toename van een verhard oppervlak tussen 500 m 2 en 10. 000 m 2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10. 000 m.2 Plannen met een verhardingstoename tot 500 m 2 zijn in de Waterschapsverordening vrijgesteld van compensatie. Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 m 2 en 10. 000 m 2 hanteert het waterschap een algemene (reken) regel: (benodigde compensatie (in m)3 = Toename verhard oppervlak (m)2 x gevoeligheidsfactor x 006 , ,