26022.05 - Motivering TAM-omgevingsplan Aarleseweg 42-42a (A)
Tekst van het document
(in m). Programma Water en Riolering Best In dit programma zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van het water voor natuur en mens te waarborgen overlast tegen te gaan en water te bergen om in te spelen op droogte. In het programma wordt een waterbergende compensatie verlangd van 70 mm voor al het toekomstig verhard oppervlak. ,
Binnen het plangebied vindt ter plaatse van de bestaande woning een afname in verharding plaats van circa 1. 258 m.2 Ter plaatse van de nieuw te realiseren woning wordt circa 297 m 2 verhard oppervlak toegevoegd. Dit betekent dat er ter plaatse een waterbergende compensatie van circa 21 m 3 (297 m 2 x 70 mm) gerealiseerd moet worden. 5. 9. 4 Oppervlaktewater Binnen de initiatieflocatie liggen geen leggerwatergangen. Direct ten zuidoosten en zuiden van het plangebied ligt een B-watergang zonder beschermingszone.
Afbeelding 15: uitsnede Legger Waterschap de Dommel plangebied rood weergegeven. ,
47
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
5. 9. 5 GHG en grondsoort De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse ligt op basis van arcgis rond de 04 – 06 meter onder maaiveld. De bodem binnen het plangebied bestaat voornamelijk uit laarpodzolgronden en voor een gedeelte uit hoge zwarte enkeerdgrond (lemig fijn zand). ,
,
5. 9. 5 Toetsing Binnen het plangebied zijn geen watergangen gelegen. Direct ten zuidoosten en zuiden van het plangebied is een B-watergang gelegen (zonder beschermingszone). In de bestaande situatie wordt het (bedrijfs-)afvalwater van huishoudelijke aard geloodst op het gemeentelijk riool. In de beoogde situatie wordt de nieuw te realiseren woning voor wat betreft het afvalwater van huishoudelijke aard aangesloten op het gemeentelijk riool. De afvoer van het huishoudelijke water zal hierdoor toenemen. De huidige riolering is hierop mogelijk niet berekend en deze dient mogelijk aangepast te worden. De eventuele kosten voor het aanpassen of aanleggen van nieuwe riolering zijn voor rekening van de ,
,
initiatiefnemer. De afwatering van hemelwater vindt plaats op de eigen gronden aan de hand van regenbuizen en dakgoten. Ondanks dat op basis van de Waterschapsverordening een vrijstelling geldt voor het compenseren van waterberging heeft de gemeente Best hier wel een regel voor opgesteld. In veel gevallen wordt bij de bouw van woningen op grote kavels gekozen voor een infiltratietransportriool en een wadi. In de plaats daarvan of daarnaast kan gebruik worden gemaakt van andere maatregelen. Een mogelijkheid voor infiltreren van hemelwater is het opvangen in infiltratiekratten of grindkoffers. Daartoe zal alvorens wel het perceel opgehoogd te worden om te voorkomen dat de grondwaterspiegel te hoog staat. Een andere mogelijkheid voor het opvangen van hemelwater is door in het tuinontwerp rekening te houden met een aflopend perceel. Bij extreme regenbuien wordt op deze wijze een natuurlijke wadi ,
gecreëerd. De afvoer van hemelwater van de huidige bebouwing kan infiltreren in de gronden rondom. In deze situatie vindt er een flinke afname van verharding plaats. Dit heeft een positief effect de afvoer van hemelwater. Voor beide percelen geldt dat een noodoverloop wordt aangelegd op de achterliggende Bwatergang ten zuiden van het plangebied. Nadere uitwerking dient te geschieden in het kader van een concrete bouwaanvraag van de woning. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Het hemelwater afkomstig van daken en verharding bloeit naar de omliggende gronden (tuin) waar het wordt vastgehouden dan wel kan infiltreren in de bodem. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen zoals lood koper zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. ,
,
,
,
5. 9. 6 Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5. 10
Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen
5. 10. 1 Beoordelingskader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en volksgezondheid. Welke afstand
48
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
precies (minimaal) aangehouden moet worden tussen spuitzones en woningen (en tuinen) is niet wettelijk vastgesteld. Bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de teelt mag de gemeenteraad een algemeen belang toekennen aan de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk vindt. Op basis van rechtspraak kan deze afstand verkleind worden wanneer: • ‘drift’ reducerende maatregelen worden toegepast ; • overdrachtsmaatregelen worden toegepast bijvoorbeeld een dichte haag ; • hier een goede onderbouwing aan ten grondslag ligt. ,
5. 10. 2 Toetsing De locatie Aarleseweg 42a betreft een bestaande situatie. Een toetsing aan spuitzonering is daarvoor niet relevant. Voor de nieuwe woonkavel ten noorden van Aarleseweg 42a dient hier wel aan te worden getoetst. Ten noorden en oosten van de nieuwe woonkavel zijn momenteel nog gronden gelegen welke gebruikt worden voor akkerbouw (direct aangrenzend) en boomteelt (circa 28 meter). Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor deze gronden op 17 juni 2019 het bestemmingsplan Aarlesche Erven onherroepelijk is vastgesteld en aan deze gronden de enkelbestemming Woongebied – Uit te werken is toegekend. Het bestemmingsplan laat op deze gronden akkerbouw en boomteelt niet meer toe echter het overgangsrecht in dit bestemmingsplan staat het huidig gebruik wel toe. ,
Uit onderzoek van Wageningen University & Research (‘PRI 2015’) blijkt dat wanneer tussen de landbouwgrond en het gevoelige object een heg (wind)haag of aardewal aanwezig is de afstand van 50 meter kan worden verkleind tot 20 meter en 5 meter. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een dubbele heg dubbele houtwal of een wintergroene dan wel blad houdende windhaag vindt er geen overschrijding van de huidblootstelling plaats direct achter de haag. ,
,
,
,
Om drift die ontstaat bij bespuiting tot een minimum te beperken wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen in de open lucht moet een drift reducerende spuittechniek worden gebruikt. De spuittechniek moet de drift met ten minste met 75% reduceren ten opzichte van een vastgestelde referentietechniek in veel gevallen is deze driftreductie hoger ≥ 90%. Het vaststellen van de driftreductie van een spuittechniek of spuitdop gebeurt met onderzoek. De driftreductie van een spuittechniek wordt bepaald ten opzichte van de vastgestelde referentietechniek. Technieken worden ingedeeld in zogenaamde Drift Reducerende Techniek-klassen (DRT-klassen). Die zijn gebaseerd op internationale standaarden (ISO 22 369). Spuittechnieken waarvan is aangetoond dat deze bij juist gebruik aan de driftreductie-eisen voldoen staan op de DRT-Lijst. Deze spuitdoppen ,
,
,
worden getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande wordt niet gespoten bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Het gebruik bij een hogere windsnelheid heeft een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen. Hierdoor is een ondernemer gebaat bij gebruik bij een lage windsnelheid. De gemiddelde windrichting in Nederland is zuidwest. Daardoor staat de wind van de nieuwe woonkavel af. Met het spuiten wordt rekening gehouden met de windrichting. Dit zodat drift niet richting de nieuwe woonkavel waait. Daarnaast wordt enkel gespoten bij een lage windsnelheid. Het effect van windhagen wordt in diverse onderzoeken beschouwd wanneer deze direct naast de perceelgrens dan wel (enkele meters) uit het gewas(perceel) zijn geplaatst. In situaties waarbij sprake is van een grotere afstand (meer dan 5 meter bij neerwaarts spuiten en meer dan 10 meter in andere ,
49
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
situaties) tot de relevante gewaspercelen zal de drift vooral bestaan uit aerosolen/dampen 4 zoals ook ,
,
blijkt uit onderzoek. Bij aerosolen en dampen gaat het over zeer kleine hoeveelheden waarbij deze stoffen enkel nog via inademing in het menselijk lichaam terecht kunnen komen. Op grotere afstand zal een (relatief) open windhaag minder effect hebben dan in de beschreven onderzoeken doordat druppelvormige drift bij toenemende afstand voor een steeds groter deel gedeponeerd zal zijn en drift in de vorm van dampen en aerosolen niet of nauwelijks afneemt en enkel nog zal verdunnen bij verdere verspreiding in de buitenlucht. Een windhaag zal op deze afstand echter nog wel een positief effect hebben op de blootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen in de vorm van aerosolen/dampen mits wordt gekozen voor een andfere configuratie: Een zo dicht mogelijke windhaag kan enerzijds zorgen voor de opstuwing van de lucht en anderzijds voor turbulentie die ontstaat wanneer de lucht afgeremd wordt door de vegetatie. Dit zal eraan bijdragen dat in de lucht aanwezige dampen en aerosolen voor een deel op veel grotere hoogte zal verwaaien en dat de concentratie potentieel schadelijke stoffen daalt door de turbulente menging van de met drift belaste lucht en schone achtergrondlucht. Op leefniveau betekent dit een lagere blootstelling aan de schadelijke stoffen.
Kortom gewasbeschermingsmiddelen hebben op deze afstand met name hun mogelijk negatieve gezondheidseffecten via inademing van de aerosolen. Ondanks dat de windhagen slechts beperkte remming bieden aan deze kleine aerosolen zal een dichte windhaag zorgen voor een verbeterd leefklimaat. ,
,
,
,
,
5. 10. 3 Conclusie De gronden aan de overzijde van de weg zijn in gebruik ten behoeve van bomenteelt. De richtafstand van 50 meter is met name bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten worden. Denk aan de teelt van siergewassen (fruit)bomen vaste planten bloemen of bloembollen. Bij boomkwekerijen en fruitteelt worden gewasbeschermingsmiddelen niet alleen neerwaarts gespoten maar ook zij- en opwaarts. Bij opwaarts spuiten komt de vloeistof op een grotere hoogte vrij waardoor er meer kans is op verspreiding van drift. Dit wordt als maatgevend gehanteerd voor gezondheidsrisico’s. Verder ligt het middelengebruik in de fruitteelt hoger dan in de boomteelt. Dit geldt ook voor de toxiciteit van de gebruikte middelen. Om die reden wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij fruitteelt gezien als het meest maatgevend ten aanzien van spuitzones. ,
,
,
,
In voorhanden wetenschappelijke onderzoeken is in Nederland niet gebleken van gezondheidseffecten ook niet voor wat betreft van niet consumptieve blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen omwonenden. Ook is niet gebleken van hogere blootstellingen dan waarmee rekening wordt gehouden bij het toelaten en herbeoordelen van gewasbeschermingsmiddelen. In het kader van planologische besluitvorming dient evenwel blijkens diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak aanvullende voorzorg te worden ingebouwd. Dit vanwege wetenschappelijke onzekerheid op het vlak van onder meer toxicologie. In lijn daarmee wordt geadviseerd om een afscherming in de vorm van windhagen aan te brengen op daarvoor relevante plekken in het plangebied. Voor wat betreft de concrete uitvoering wordt verwezen naar onderstaande voorzorgsmaatregelen. Opgemerkt dient te worden dat de boomkwekerij aan de overzijde niet in haar bedrijfsvoering wordt beperkt omdat dichter dan de nieuw toe te voegen woning al gevoelige functies aanwezig zijn. ,
,
,
,
Voorzorgmaatregelen In het kader van een goede landschappelijke inpassing van het geheel wordt zowel aan de achterzijde van de ‘nieuwe woonbestemming’ als de bestaande woning een groenstrook in de vorm van een houtwal 4 Blootstelling op
afstanden groter dan enkele meters uit een gewas (pakweg 2-3 meter bij neerwaarts spuiten en 3-5 meter bij zijwaarts en opwaarts spuiten) zal enkel nog kunnen plaatsvinden in de vorm van blootstelling aan dampen en aerosolen. Bij deze zogenaamde dampdrift gaat het om verwaarloosbaar kleine hoeveelheden , ver onder de toegelaten blootstellingsnormen. Immers gewasbeschermingsmiddelen worden ook gekozen op een zo laag mogelijke uitdampbaarheid. Voor zover sprake is van blootstelling , kan deze alleen nog optreden door inademing , niet door opname via de huid of door de mond. De aanwezige dampen en aersolen zullen steeds verder verdunnen in de lucht.
50
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
gerealiseerd van 140 meter breed. Deze houtwal zorgt voor een fysieke beperking tussen de naast en achtergelegen percelen en bebouwing. Aan de noordzijde van het perceel wordt een groene blad houdende haag van 1 meter breed en 25 meter hoog gerealiseerd. Een haag met een breedte van 115 meter biedt veelal een dergelijke bladdichtheid. De afschermende haag dient om die reden 90% bladdichtheid te bieden. Qua soorten kan hierbij worden gedacht aan bijvoorbeeld haagbeuk els meidoorn liguster laurier hazelaar en dergelijke. Bij voorliggend plan is gekozen voor een haagbeuk. Qua hoogte wordt uitgegaan van 25 meter uitgaande van een spuithoogte van maximaal 2 meter en een overhoogte van 05 meter (om te voorkomen dat drift zich over de afscherming heen zou kunnen verspreiden). Bij voorliggend plan is gekozen voor zowel een houtwal van behoorlijke breedte als een hoge groene blad houdende windhaag hierdoor wordt de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. Verder dient de afschermende haag een overlengte te bieden van 37 meter om te voorkomen dat drift zich om een afscherming heen zou kunnen verspreiden. In de gegeven situatie kan dat worden bereikt door de afscherming te integreren in de groene invulling houtwal aan de noord- en oostzijde van het projectgebied.
Het aanbrengen en de instandhouding van bedoelde afscherming moet als een voorschrift aan dit plan worden verbonden ten einde dit planologisch te borgen. ,
,
.
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
5. 11
Gezondheid
5. 11. 1 Beoordelingskader De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. ,
In artikel 1. 3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. ,
Omwonenden van veehouderijen kunnen een verhoogde blootstelling aan onder meer geur fijnstof ,
,
endotoxinen en biologische agentia hebben. Van geur is bekend dat dit kan leiden tot hinder en andere gezondheidsklachten zoals misselijkheid en hoofdpijn. De laatste jaren is er steeds meer informatie bekend geworden over de volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. De nadruk ligt hier vooral op de verspreiding van endotoxinen en zoönosen. 5. 11. 2 Toetsing Veedichtheid Uit VGO onderzoeken komen aanwijzingen naar voren dat het wonen in de buurt van veehouderijen een nadelig effect heeft op de longfunctie. De vermindering van de longfunctie wordt gevonden bij mensen die veel veehouderijen in hun directe omgeving hebben vooral bij de groep met 15 of meer bedrijven binnen een kilometer afstand. Het type veehouderij maakt hierbij niet uit. Nabij het plangebied zijn er in een straal van 1. 000 meter volgens KRD. igoview Noord-Brabant zeventien veehouderijen gesitueerd. In onderstaande afbeelding en tabel is de hoedanigheid van de veehouderijen weergegeven. Hierbij dient te worden opgemerkt dat vier van deze aangewezen veehouderijlocaties niet de functie veehouderij heeft in het geldende omgevingsplan van de gemeente Best. ,
51
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Afbeelding 16: veehouderijen in straal van 1km rondom plangebied (bron: KRD. igoview Noord-Brabant) Tabel 3: details omliggende veehouderijen (bron: KRD. igoview Noord-Brabant) Volgnummer (zie afbeelding 16)
Adres
Details
Afstand (m)
1
Mosselaarweg 22b Best
738
2
Mosselaarweg 15 Best
3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13* 14*
Mosselaarweg 9b Best Mosselaarweg 10 Best Broekstraat 13 Best Aarleseweg 31 Best Hagelaarweg 29 Best Aarleseweg 23 Best Aarleseweg 34 Best Aarleseweg 30 Best Hagelaarweg 14 Best Aarleseweg 8 Best St. Franciscusweg 11 Best St. Antoniusweg 5 Best
15*
Aarleseweg 4c Best
16*
Sint-Annaweg 5 Best
17
Kapelweg 25 Best
1552 varkens 1052 rundvee 36 schapen en overige dieren 11. 000 kippen 191 rundvee 60 rundvee 131. 075 kippen en 7 rundvee 46 rundvee 175 rundvee 228 varkens 84 rundvee 217 rundvee 40 rundvee 37 rundvee en overige dieren 10 rundvee en overige dieren 45 rundvee 60 schapen en overige dieren 30 kippen 4 rundvee 10 schapen 4 varkens en overige dieren 90. 743 kippen ,
,
,
,
,
730 478 677 764 250 931 110 175 269 653 625 663 851 908 841 974
*13 wonen , 14 maatschappelijk – zorgboerderij , 15 bedrijf – loonwerk , 16 bedrijf – hondenkennel/kleindierhouderij
52
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Endotoxinen Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën. Als deze organismen afsterven komen de endotoxinen vrij. Fijnstof afkomstig uit stallen bevat endotoxinen en micro-organismen. De GGD is van mening dat endotoxinen een betere parameter is dan fijnstof. Van endotoxinen is bekend dat deze deeltjes bij een te hoge concentratie schadelijk zijn voor de gezondheid. Door de Gezondheidsraad is een grenswaarde voorgesteld van 30 EU/m.3 In haar advies " Gezondheidsrisico's rond veehouderijen " concludeert de Gezondheidsraad dat concentraties van endotoxinen en micro-organismen over het algemeen zullen afnemen met toenemende afstand tot een bedrijf en eveneens afhangen van de mate van emissie vanuit ,
een
bedrijf.
Blijkens een uitgevoerd Nederlands onderzoek werden verhoogde endotoxineniveaus gemeten tot boven de advieswaarde bij stallen van varkens tot zo'n 200 meter en bij stallen van pluimvee tot zo'n 500 meter. Er wordt gesteld dat een nadere uitwerking van een toetsingskader voor endotoxine is nodig om het gewenste beschermingsniveau te bieden. Op basis van de handreiking Endotoxine is de afstand berekend waarbinnen naar verwachting de gezondheidskundige advieswaarde van endotoxine (30 EU/m)3 wordt overschreden. Afhankelijk van de diercategorie en de uitstoot van fijnstof is bepaald wat de richtafstand voor endotoxine dient te zijn. Wetenschappelijk zijn er slechts drie diercategorieën onderzocht namelijk vleeskuikens legkippen en vleesvarkens. Voor de locatie Aarleseweg 34 wordt om elk risico uit te sluiten bij dekberen aangesloten bij de richtlijn voor vleesvarkens. De hiervoor relevante veehouderij (genoemd in bovenstaande tabel) ligt op een afstand van 175 meter. De berekende endotoxine afstand waarbinnen de endotoxine concentratie groter is dan 30 EU/m 3 is -9 meter. Voor de locatie Aarleseweg 31 wordt aangesloten bij legkippen aangesloten. Deze veehouderij ligt op 250 meter afstand. De berekende endotoxine afstand waarbinnen de endotoxine concentratie groter is dan 30 EU/m 3 is 148 meter.
Er kan daarom worden geconcludeerd dat endotoxinen geen belemmering vormen voor het initiatief. ,
,
Zoönosen
Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Per diersoort kunnen verschillende ziekten voorkomen die zich via de lucht verspreiden naar mensen via direct contact tussen dier en mens of via voedsel. Voor omwonenden zijn vooral de via de lucht overdraagbare aandoeningen van belang. De belangrijkste zijn Q-koorts en influenza (vogelgriep varkensgriep). De aanwezige veehouderijbedrijven zorgen voor een (mogelijke) verhoogde blootstelling aan via de lucht overdraagbare zoönose verwekkers en antibioticaresistente bacteriën die leiden tot een verhoogd risico op infectieziekten of onbehandelbare infecties. Het is nog niet goed inzichtelijk vanaf welke concentraties of binnen welke afstand tot aan veehouderijen het risico verhoogd is. Er zijn nog geen wetenschappelijk aanvaardbare onderzoeken waarbij dat in een juridisch kader is vastgelegd. Alleen voor de combinatie pluimvee en varkens gelden er op dit moment argumenten dat een combinatie van deze dieren niet als wenselijk te beschouwen. Voor rundvee gelden er op dit moment geen zwaarwegende argumenten in het kader van infectierisico’s. Ervaring leert dat een integrale benadering van de bedrijfsvoering essentieel is voor terugdringen van antibiotica gebruik. Er zijn geen resultaten bekend dat er een verhoogde kans op zoönosen hierdoor ontstaat. Binnen 1.
000 meter van het plangebied is bedrijfsmatig geen sprake van een gemengde bedrijfsvoering (zie afbeelding 16 en tabel ,
,
3). Geitenhouderij In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO1). Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport (VGO2) gepubliceerd waarbij een nadere uiteenzetting voor de geitenhouderij is beschreven. Naar aanleiding van het aanvullende VGO-rapport (VGO2) heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 juli 2017 besloten tot een moratorium op de geitenhouderij. Recent is nader onderzoek gedaan in een aanvullend VGO-rapport (VGO3).
53
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Er zijn geen geitenhouderijen binnen een straal van 2. 000 meter aanwezig. Het dichtstbijzijnde bedrijf met geiten volgens KRD. igoview Noord-Brabant is gelegen op ca. 78 km. Mede door het moratorium is nieuwvestiging van een geitenhouderij niet mogelijk. ,
,
,
Landschappelijke inpassing Daarnaast is voor het plan onder meer een landschappelijke inpassing opgesteld. Hierin is aangegeven waar er rond de nieuwe bestemmingen ruimte komt voor groen. Ten opzichte van de huidige situatie zal er kwalitatief meer groen worden toegepast binnen het plangebied. Dit draagt bij aan een gezonde en
fysieke leefomgeving.
Tevens is voor dit plan een omgevingsadvies van de GGD opgevraagd via de website van de GGD omgevingsadvies. Dit advies is als bijlage toegevoegd aan deze motivering.
–
Tot slot is in voorgaande paragrafen onderzocht welke effecten het plan ondervindt van aspecten met betrekking tot een gezonde leefomgeving zoals geluid geur en luchtkwaliteit. Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat geen van deze thema’s zorgt voor een verslechtering van de fysieke leefomgeving. ,
5. 11. 3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5. 12
voor
onderhavig
plan. Er is sprake
van
een
Duurzaamheid
Het aspect duurzaamheid is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Het speelt een rol bij de beoordeling van activiteiten en het draagt op een positieve manier bij aan de fysieke leefomgeving. De lijst in artikel 1. 2 Ow is niet uitputtend. Naast de in dit artikel genoemde onderwerpen behoren ook de onderwerpen als duurzaamheid en klimaatadaptatie tot de fysieke leefomgeving. Het gaat dan met name om duurzaamheid vanuit het beleid energieprestaties verbouw en nieuwbouw. Bij klimaatadaptatie gaat het om onderwerpen als: schaduwwerking van gebouwen / reflectie van glas beperken ; • bomen of beplanting plaatsen voor nieuwbouw ; • hitteplan per gemeente (leefbaarheid en gezondheid) ; • toepassen bodemenergie (afhankelijk van de locatie behoefte etc. ). WKO restwarmte • geothermie individuele toepassing (luchtwarmtepompen) etc ; blauwgroene daken / groene gevels: het bergen van water voorkomen van verhitting van de • gevel (en dus weer moeten koelen) ; • voorkomen van verdroging: regenwaterinfiltratie ; • bouwen vanaf vastgesteld aantal meter boven / t. o. v. NAP ; • waterberging van een x aantal m 2 voor bepaalde typen nieuwbouw ; • technische installaties enkel door erkende / bevoegde bedrijven. ,
,
,
,
,
,
,
5. 12. 1 Betekenis voor het project Op de planlocatie wordt bebouwing gesloopt om verloedering en verpaupering te voorkomen. Met de omschakeling van de locatie heeft een groot gedeelte van de huidige bebouwing geen functie meer. Bij de realisatie van de nieuwe woning wordt er rekening gehouden met verschillende aspecten op het gebied van duurzaamheid. Zo wordt er rekening gehouden met natuurinclusief bouwen ; in de nieuw te bouwen woning worden voorzieningen opgenomen voor de gierzwaluw en vleermuis. Het opnemen van nestvoorzieningen voor
54
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
huismussen is alleen zinvol wanneer ook in de tuin een geschikt habitat aangelegd wordt. daarnaast is er op kavelniveau aandacht voor water infiltratie. Er wordt ingezet op slimme groene tuinen en doorlaatbare bestrating zodat deze bijdraagt aan een betere waterhuishouding. De planlocatie wordt landschappelijk ingepast. De hoeveelheid groen zorgt voor koeling en een sociaal en gezond leefklimaat en beperkt hittestress. Op deze manier wordt er een bijdrage geleverd aan een groene klimaatbestendige omgeving. Zo wordt bij de bouw van Ook wordt bij de bouw van de woning rekening gehouden met CO-reductie. 2 de woning gekozen voor (lokale) duurzame ontwerpen materialen maatregelen. Het goed isoleren van de nieuwe woning draagt bij aan een lager energieverbruik. Gewenst is om de nieuw te bouwen woning energieneutraal (ENG) uit te voeren wanneer de uitvoering van de woning dit toelaat wordt gestreefd naar een Nul-Op-de-Meter (NOM) woning. ,
,
,
,
5. 12. 2 Conclusie Door rekening te houden met verschillende factoren bij de (her)ontwikkeling van het plangebied draagt het aspect duurzaamheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5. 13
Omgevingsveiligheid
5. 13. 1 Beoordelingskader
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag productie gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 Bkl gaan ,
,
over het toelaten van beperkt kwetsbare , kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie
is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevings-planactiviteit. 5. 13. 2 Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5. 6 tot en met artikel 5. 11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5. 7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5. 11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden afhankelijk van de activiteit vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit komen. ,
,
5. 13. 3 Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5. 12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a z. d. ). Aandachtsgebieden zijn er voor brand explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe ,
,
,
,
veiligheidsrisico’s (REV).
55
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Afbeelding 17: Kaart omgevingsveiligheid Aarleseweg 42 te Best 5. 13. 4 Conclusie Op ruim voldoende afstand van de planlocatie zijn aandachtsgebieden gelegen. Het realiseren van een extra woning op de planlocatie omvatten geen werkzaamheden betreffende het gebruik opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd worden dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid. ,
5. 14
Verkeer en parkeren
5. 14. 1 Beoordelingskader Onder de Omgevingswet moet bij de ontwikkeling van nieuwe projecten gekeken worden naar de wegen het verkeer en parkeren. Dit mag niet significant verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen en het aantal benodigde parkeerplaatsen in en/of rondom het plangebied. Het is daarom van belang dat inzichtelijk wordt gemaakt welke veranderingen er op kunnen treden en of deze effect hebben op de verkeersafwikkeling en parkeerbehoefte. In dit geval is voor de verkeersgeneratie gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ van parkeerkencijfers naar parkeernormen (december 2018) en voor parkeren de Nota Parkeernormen 2022 van de gemeente Best. ,
,
56
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
5. 14. 2 Toetsing verkeer De vrijstaande woning op het noordelijke deel heeft een verkeersgeneratie van 78 tot 86. De bestaande woning 42 is een 2-onder-1-kapwoning deze heeft een verkeersgeneratie van 74 tot 82. De recreatiewoning wordt aangemerkt als bungalow dit geeft een verkeersgeneratie van 26 tot 28. Dus in het worst-case scenario zou dit een verkeersgeneratie betekenen van 86+82+28=196 waarvan 11 voor het zuidelijke deel. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Het plangebied is gelegen aan de Aarleseweg. Een verharde weg in het buitengebied van de gemeente Best. De weg wordt ontsloten door enkele zijwegen deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen in de beoogde situatie voornamelijk personenvervoersmiddelen en fietsen van en naar de planlocatie bewegen. ,
5. 14. 3 Toetsing parkeren Op basis van voornoemde Nota parkeernomen geldt voor de vrijstaande woning op het noordelijke deel een behoefte van 17 + 03 = 2 parkeerplaatsen. De bestaande woning (nr. 42) is een 2-onder-1-kap groot (perceel > 275 m).2 Hiervoor geldt een parkeerbehoefte van: 16 + 3 = 19 parkeerplaatsen. Recreatiewoning wordt gezien als bungalow hiervoor geldt 20 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte op zuidelijke deel is dus 19 + 20 = 39 afgerond 4. Dus 6 parkeerplaatsen nodig op eigen terrein waarvan 2 op het noordelijke deel en 4 op het zuidelijke deel. Op het erf van beide percelen is voldoende ruimte om in de benodigde parkeerbehoefte te voorzien. Er hoeft geen gebruik gemaakt te worden van de omliggende gronden. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
5. 14. 4 Conclusie Ten aanzien van de aspecten verkeer en parkeren wordt het plan niet onevenredig belemmerd.
57
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Hoofdstuk 6. Juridische aspecten
en
planverantwoording
6. 1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-Omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridisch deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. ,
6. 2 Regels In deze paragraaf wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen. De in de regels opgenomen regelingen en/of beperkingen dienen te worden gemotiveerd. regels en verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan zijn ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. De
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten) ; 2. bestemmingsregels ; 3. algemene regels (o. a. afwijkingsregels) ; 4. overgangs- en slotregels. 6. 2. 1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: Begripsbepalingen (artikel 1) ; • Meet- en rekenbepalingen (artikel 2) ; • 6. 2. 2 Functies en gebiedsaanwijzingen Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o. a. : Functieomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan ; • • Beoordelingsregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte bebouwingspercentage etc.) ; ,
,
58
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
• • •
Vergunningplicht voor afwijken: het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de gestelde regels ; Specifieke functieregels: omschrijving van activiteiten die niet zijn toegestaan ; Vergunningplicht voor afwijken van de gebruiksregels: omschrijving van de onderdelen van de gebruiksregels waar vanaf mag worden geweken ;
6. 2. 3 Algemene regels voor activiteiten Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Algemene gebruiksregels (Artikel 8) Binnen deze regels is onder meer opgenomen welk gebruik in elk geval strijdig is met de aan de grond gegeven functieomschrijving. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) • In dit artikel wordt de vergunningplicht voor afwijken van de functieregels beschreven.
59
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Hoofdstuk 7. Uitvoerbaarheid 7. 1
Economische uitvoerbaarheid
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst te sluiten is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. ,
,
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8. 13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is artikel 8. 14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8. 15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13. 12 Ow). ,
,
Het
plan betreft een particulier initiatief waarvan alle kosten en risico’s voor rekening van de initiatiefnemer komen. De initiatiefnemer die eigenaar van de betreffende woningen en gronden is fungeert als financiële drager. Eventuele kosten komen eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het plan gemoeid. Op grond van het omgevingsplan wordt het kostenverhaal geregeld via een kostenverhaalsovereenkomst (anterieure overeenkomst). ,
,
7. 2
,
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7. 2. 1 Algemeen Ruimtelijke ontwikkelingen hebben een aanzienlijke impact op de levenskwaliteit het milieu en onze beleving van steden en dorpen. Het is daarom van cruciaal belang om burgers belanghebbenden en gemeenschappen actief te betrekken bij het plannen en vormgeven van deze ontwikkelingen. ,
,
7. 2. 2 Vooroverleg en participatie Provincie Noord-Brabant Op 23 januari 2025 heeft afstemming plaatsgevonden met de provincie. Wettelijk vooroverleg is niet meer vereist. Er vindt afstemming plaats. De plannen zijn toegelicht. De provincie Noord-Brabant heeft aangegeven dat er meer inzicht in de tegenprestatie moet komen de gemaakte opmerkingen zijn in voorliggend omgevingsplan verwerkt. ,
Waterschap De Dommel Naast overleg met de provincie heeft ook overleg met het waterschap plaatsgevonden. Uit de reactie van 19 januari 2025 blijkt dat er nog een aantal onderdelen aangevuld moeten worden in het kader van waterbelang. Voorts is hiervoor een handreiking weging waterbelang meegestuurd. De gemaakte opmerkingen zijn verwerkt in voorliggend plan. Participatie De gemeente wil dat voor iedere ontwikkeling die wijziging of afwijking van het geldende omgevingsplan vraagt een omgevingsdialoog gehouden wordt. Dit om omwonenden in een vroegtijdig stadium bij ontwikkelingen te betrekken zodat mogelijke wensen of opmerkingen te bespreken en verwerken zijn. ,
,
60
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Initiatiefnemer
heeft zodoende in het kader van het wijzigen van het omgevingsplan een omgevingsdialoog gehouden met omwonenden over de ontwikkeling die zijn beoogt in het plangebied. Initiatiefnemer heeft op 17 oktober 2024 een bijeenkomst georganiseerd waarvoor de omwonenden uitgenodigd waren. Tijdens deze bijeenkomst waren omwonenden van 3 adressen en adviseur van initiatiefnemer aanwezig. Een vraag tijdens deze dialoog was of het zogenaamde olifantenpaadje afgesloten kan worden voor publiek. Er is door adviseur aangegeven dat dit paadje op privéterrein ligt daardoor niet vrij toegankelijk is en afgesloten kan worden. Andere opmerkingen die gemaakt worden is dat omwonenden zich kunnen vinden in de plannen. Het wordt als positief ervaren. In de bijlage bij deze motivering is het verslag van deze dialoog opgenomen en een presentielijst van de aanwezigen.
,
7. 2. 3 Zienswijzen en beroep Voorliggend ontwerpplan heeft voor een termijn van zes weken voor iedereen ter inzage gelegen. Gedurende de terinzageperiode zijn er drie zienswijze ingediend. De ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De ingekomen zienswijzen zijn zienswijzen afkomstig van twee buren en de Provincie. De wijzigingen t. o. v. het ontwerp zullen in de zienswijzenota worden verwoord. Na vaststelling wordt het wijzigingsplan voor de tweede maal zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventuele gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd. ,
,
61
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
Bijlagen Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage
1: 2: 3: 4: 5: 6: 7: 8: 9: 10:
Landschappelijke inpassing + kwaliteitsberekening Rekenmodule maatwerk Provincie Akoestisch onderzoek Geurberekening V-stacks Vergunning Fijnstofberekening ISL3a Bodemonderzoek Archeologisch onderzoek AERIUS berekeningen aanleg en gebruiksfase Advies GGD Verslag omgevingsdialoog
62
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’
63
Motivering omgevingsplan ‘Aarleseweg 42-42a te Best’