CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

26021.04 - Toelichting (Motivering) TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 (A)

Raadsvergadering 15 juni 2026, gemeente BestBij agendapunt: Rik Dijkhoff32.129 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

,

,

De uitloop tussen de stallen A en B heeft geen nieuwe fundering nodig. De overkapping van de uitloop wordt bevestigd aan de bestaande staalconstructie van de aangelegen stallen. Dit geldt ook voor de westgevel van de uitloop aan stal C.

28 NOVEMBER 2025

37

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

De oostgevel van de uitloop aan stal C wordt gefundeerd op staal. Hier komen circa 20 stalen spanten te staan gefundeerd op poeren van maximaal 800 x 800 mm. Dit leidt tot een maximale verstoring van circa 20 m². Stal H inclusief de overdekte uitloop wordt gefundeerd op avegaarpalen. De boorpalen leiden tot een verstoring. Conform de offerte van de aannemer wordt gebruik gemaakt van 22 boorpalen met een diameter van 300 mm en 34 boorpalen met een diameter van 350 meter. De verstoring is maximaal 1 m² per paal wat een totale verstoring van maximaal 56 m² geeft. ,

,

,

,

Daarnaast zal ten behoeve van de waterinfiltratiezone met een oppervlakte van circa 350 m² dieper gegraven worden dan de genoemde 03 meter. De oppervlakte van alle verstoringen tezamen is ruimschoots kleiner dan de gestelde 500 m². Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkelingen. Archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Mochten tijdens de bodemingrepen toch archeologische resten worden aangetroffen dan geldt een meldingsplicht. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het gebied van archeologie. ,

,

,

,

4. 2. 2

Cultuurhistorie De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de gemeentegrenzen aanwezig is. Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen.

Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed cultuurlandschappen archeologische monumenten gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Gemeenten moeten in het omgevingsplan cultureel erfgoed beschermen. De primaire vraag daarbij is: welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de provinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met de instructieregels in de artikelen 5. 130 en 5. 131 van het Bkl en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Bkl (rijksmonumenten en werelderfgoed). ,

,

,

,

Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1. 2 lid 1 sub g van de Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5. 129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. ,

Cultuurhistorische waarden dienen ook te worden beschermd om de identiteit en het karakter van Brabant te behouden en te versterken. Het Brabantse erfgoed uit de provincie Noord-Brabant is geborgd in de provinciale omgevingsverordening en daarnaast opgenomen op de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)’. De CHW is in 2024 geactualiseerd en opgenomen in paragraaf 7. 2 van de “Beleidsregel omgevingsrecht”.

28 NOVEMBER 2025

38

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

Onderhavig bedrijf is gelegen in het cultuurhistorische landschap ‘Het Groene Woud’ aangewezen ,

als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen heidevelden zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren kastelen en buitenplaatsen en watermolens. Bij ontwikkelingen in dit cultuurhistorische landschap zijn de volgende aspecten van belang: Het behoud van de kleinschalige karakteristieken. Eisen stellen aan de uitbreidingen van dorpskernen. De economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van Het Groene Woud. Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving. ,

,

,

Op 11 mei 2011 is tevens de “Erfgoedverordening Gemeente Best 2010” in werking getreden. Deze is bij intreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 aangepast in werking getreden. In de verordening is de regelgeving voor beschermde gemeentelijke monumenten dorps- of ,

stadsgezichten en monumentale zaken te vinden. De cultuurhistorische waarden zijn opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart.

Onderhavig bedrijf is blijkens de genoemde kaart gelegen op een es een aaneengesloten oud ,

bouwlandgebied dat in gebruik is bij verschillende boeren. De kavelscheidingen bestaan uit (nauwelijks zichtbare) greppels grasstroken of grensstenen. Essen liggen meestal in de delen van het landschap met een gunstige grondwaterstand. De grote aaneengesloten essen ontstonden over het algemeen in de negende en tiende eeuw onder invloed van de toenemende graanbehoefte als gevolg van de opkomst van de steden. In de loop der eeuwen raakte het grondbezit op de essen door erfdeling sterk versnipperd waardoor veel essen verkaveld werden in smalle stroken. De perceelsscheidingen werden echter gevormd door ondiepe greppels of smalle stroken gras waardoor de essen een grootschalige indruk maakten. Vanaf de vijftiende of zestiende eeuw ging men de akkers met een mengsel van mest en bosstrooisel heidemaaisel en/of plaggen bemesten (de zogenaamde plaggenmest). Door de eeuwenlange plaggenbemesting kregen de essen een dikke humeuze bovengrond het zogenaamde esdek. ,

,

,

,

,

Onderhavige

ontwikkelingen zullen geen wijzigingen toebrengen aan dit cultuurhistorisch waardevolle landschap. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de waarden en kenmerken van de omgeving. De overdekte uitlopen worden in dezelfde richting als de bestaande / vergunde stallen gebouwd en krijgen een beperkte breedte. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande karakteristiek van het landschap. Er worden geen bestaande (verkavelings)structuren doorbroken. De landschappelijke inpassing van het perceel is afgestemd op de omgeving. Voor de woning geldt de functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. Deze functieaanduiding wordt in onderhavig TAM-omgevingsplan verwijderd aangezien deze ten onrechte is opgenomen. De woning (gebouwd in 1979) komt niet voor in het overzicht ‘cultuurhistorische waarden in het buitengebied van Best’. Binnen het projectgebied zijn verder geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zoals gemeentelijke monumenten rijksmonumenten of waardevolle bomen. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het gebied van cultuurhistorie. ,

,

28 NOVEMBER 2025

,

39

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

STEDENBOUW De aanwezige bebouwing binnen het projectgebied is helder gezoneerd in een voor- en achtererf. Aan de straatzijde is het voorerf gelegen met de bedrijfswoning en een aangrenzend gelegen ruimte met kantine hygiënesluis en kantoor. Het achtererf betreft de agrarische bedrijfsbebouwing. De stal aan de westkant is vergund maar nog niet gebouwd. De verharding aan de westkant van het voorerf is om die reden evenmin gerealiseerd. ,

,

De afzonderlijke gebouwen op een boerenerf dienen samen een herkenbare eenheid te vormen. Er is samenhang gewenst in architectuur tussen de bedrijfswoning en de bedrijfsbebouwing. Samen tonen ze de normen en voorkeuren van de ondernemer. De bebouwing wordt in schaal en karakter aangesloten op het omliggende landschap en op de stedenbouwkundige structuur. De nieuwe overdekte uitlopen worden in eenzelfde richting op het erf geplaatst als de bestaande pluimveestallen. De bebouwing is georiënteerd naar de openbare weg. Hiermee wordt aangesloten bij de bebouwingsstructuur op het bedrijf en in de omgeving. De uitlopen krijgen een beperkte breedte en worden aan de bestaande / vergunde stallen gerealiseerd waardoor de ruimtelijke impact minimaal is. De uitbreiding van het bedrijf doet geen afbreuk aan de huidige landschapsstructuur en is dermate gering dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Er ontstaat een compact erf. ,

De erfzonering blijft gehandhaafd. Binnen het erf blijft gezien vanaf de weg de woning beeldbepalend ten opzichte van de achterliggende bedrijfsgebouwen. Bij het ontwerp van de uitlopen wordt met een aantal aspecten rekening gehouden. Het betreffen eenvoudige rechthoekige constructies. Er wordt gebruik gemaakt van ‘natuurlijke’ sobere goed in het landschap passende kleuren zoals groen overeenkomstig de bestaande bebouwing. Het dak krijgt een donkere antracietkleur (niet glimmend). Dit alles geeft een rustiger beeld op het terrein. Op deze wijze voegt de nieuwbouw zich in het landschap. ,

,

,

,

,

,

,

Het functievlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ wordt zodanig aangepast dat ook de reeds aanwezige verkoopautomaat binnen het vlak komt te liggen. De automaat staat aan het begin van de inrit op circa 13 meter vanaf de openbare weg. Het betreft een eenvoudige houten constructie. De gevelbekleding betreft donkere houten geveldelen. Het materiaalgebruik is afgestemd op de bedrijfsgebouwen. Het bouwwerk is voorzien van een plat dak. Figuur 4. 2 betreft een foto van de verkoopautomaat. Gezien de beperkte afmetingen en de geringe hoogte is het passend binnen de stedenbouwkundige structuur en is de ruimtelijke impact beperkt. Een dergelijke automaat is een fraai voorbeeld van een korte keten tussen producent en afnemer ; een belangrijke manier bij te dragen om aan Figuur 4. 2 Foto verkoopautomaat ter plaatse van de openbare weg klimaatoplossingen. ,

28 NOVEMBER 2025

40

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij onderhavige activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (‘ETFAL’). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1. 2 van de Omgevingswet.

MILIEUZONERING Het milieubeleid en de daarop gebaseerde regelgeving spelen een belangrijke rol bij het ruimtelijk ordeningsbeleid. Beide beleidsterreinen richten zich op de bescherming van de kwaliteit van de (leef)omgeving. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan: het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. De milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies ; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de “Milieuzonering Nieuwe Stijl” gehanteerd.

In plaats van een milieuzonering aan de hand van zones met oplopende milieucategorieën en een ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ krijgt de milieuzonering nieuwe stijl vorm door zones die bij grotere afstand tot de woonomgeving voorzien in een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf ; zonder een ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft een nieuwe handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gepubliceerd die de bekende uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ vervangt. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van milieuhinderlijke activiteiten onder de Omgevingswet. Om de activiteiten in één passende term te vangen hanteert de handreiking het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’. Onder een milieuhinderlijke activiteit wordt verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit anders dan wonen die milieuhinder kan veroorzaken in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder. ,

,

,

,

Ook in het buitengebied komen

activiteiten voor met gebruiksruimte voor geluid en geur. De systematiek in deze handreiking kan ook in het buitengebied worden toegepast. Voor de inpassing van agrarische activiteiten waarbij juist geur door die activiteiten bepalend is is de methodiek niet dekkend. De waarden voor geur die gelden in de zones voor geur op basis van deze systematiek richten zich niet op geur door agrarische activiteiten. De toelating en inpassing van agrarische activiteiten moet daarom specifiek worden afgewogen en gereguleerd. Voor geur door agrarische activiteiten zijn in het Bkl specifieke instructieregels opgenomen. Dit wordt in de volgende paragraaf verder uitgewerkt. ,

,

28 NOVEMBER 2025

,

41

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

Met het oog op een doelmatige en evenwichtige toedeling van gebruiksruimte voor zowel milieugevoelige activiteiten zoals wonen als aan een locatie toegedeelde milieuhinderlijke activiteiten wordt in deze handreiking bij functiescheiding uitgegaan van inwaartse zonering. Bij de inwaartse zonering vindt de zonering plaats vanuit de (bestaande en/of geprojecteerde) woningen of andere milieugevoelige activiteiten nabij een bedrijventerrein of ander werkterrein. Binnen het bedrijventerrein of ander werkterrein zijn op korte afstand van een milieugevoelige activiteit slechts in beperkte mate milieuhinderlijke activiteiten toelaatbaar dus activiteiten met een beperkte milieugebruiksruimte. Hoe groter de afstand tot de milieugevoelige functie hoe groter de beschikbare milieugebruiksruimte kan zijn. ,

,

,

Deze inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid (en twee voor geur). De ligging van de zones is afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. De binnen de zones toegelaten geluidbelastingen per activiteit gelden op een vaste afstand van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Best met weinig verstoring waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustig woongebied’. Nabij een rustig woongebied wordt de beschikbare gebruiksruimte voor geluid per activiteit lager gesteld dan nabij een gemengd gebied met wonen. Dit is een voortzetting van het ruimtelijk beleid conform de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering ,

2009’. Uitgangspunt voor de zonering van geluid is de basiswaarde voor een milieuhinderlijke activiteit van 50 dB(A) etmaalwaarde op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Het is in de ruimtelijke ordening gebruikelijk om rustige woongebieden extra te beschermen tegen hinder door geluid van milieuhinderlijke activiteiten. Deze ‘extra bescherming’ vindt niet plaats door het toepassen van grotere afstanden maar door voor geluid uit te gaan van 45 dB(A) op 50 meter afstand van die milieuhinderlijke activiteit. Bovendien is er sprake van een zone ‘geluid beperkt’ naast de zone ‘geluid basis’. Deze zone ‘geluid beperkt’ omvat een zone van 100 meter gemeten vanaf de grens van het rustig woongebied. Dit is de grens van het gebied waar geluidgevoelige gevels staan of gebouwd mogen worden al dan niet vergunningsvrij. ,

,

Op een afstand van circa 360 meter (afstand tussen het bouwvlak van onderhavig agrarisch bedrijf en het functievlak ‘Wonen’) is een gevoelige functie gelegen namelijk de woning Hagelaarweg 15A ,

te Best. Deze woning is ruimschoots buiten de genoemde zones gelegen waardoor geconcludeerd kan worden dat deze functie geen geluidhinder ondervindt als gevolg van de gewenste ontwikkeling. Ter plaatse van deze functie is er geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat. ,

Binnen de zonering van geluid zijn wel een aantal agrarische bedrijfswoningen gelegen namelijk Kapelweg 40 op circa 41 meter Kapelweg 38 op circa 51 meter en Kapelweg 25A op circa 80 meter gemeten vanaf de grens van onderhavig bouwvlak. Dit betekent dat er gericht milieuonderzoek noodzakelijk is. Deze functies kunnen geluidhinder ondervinden als gevolg van onderhavige ontwikkeling. In paragraaf 5. 5 wordt getoetst of het voorgenomen initiatief voldoet aan de wettelijke regels omtrent geluid. Hieruit blijkt dat ter plaatse van de genoemde woningen geen geluidhinder te verwachten is waardoor gemotiveerd afgeweken kan worden van de gestelde gebruiksruimte. ,

,

,

,

28 NOVEMBER 2025

42

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

GEUR 5. 2. 1

Individuele geurbelasting Het waarnemen en waarderen van geur verschilt per persoon. Naast het feit dat mensen het kunnen ervaren als hinderlijk kan het waarnemen van een onaangename geur samenhangen met klachten zoals depressie verminderde kwaliteit van leven en moeheid (Op den Kamp 2006). De hinder gaat dan vergezeld met stress-gerelateerde lichamelijke gezondheidseffecten. Er is geen eenduidige relatie bekend tussen de hoogte van de geurbelasting en de mate van klachten die ontstaan. Ook kan een onaangename geur veroorzaken dat mensen niet graag thuis zijn of naar buiten willen gaan (Op den Kamp 2006). Voor de mate van geurhinder geeft de Omgevingswet geen waarden of bandbreedten. Wel zijn er wettelijke geurnormen waaraan men zich moet houden. ,

,

,

,

De gemeente moet bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (artikel 5. 92 lid 1 Bkl). Dit werkt twee kanten op: enerzijds bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen en anderzijds bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van reeds bestaande geur veroorzakende bedrijven. ,

De gemeente moet overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit of voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5. 92 lid 2 Bkl). Dit wordt verder ook geborgd in artikel 2. 1 lid 4 van de Omgevingswet.

Onderhavig initiatief betreft het uitbreiden van een agrarisch bedrijf. Bij de besluitvorming omtrent de ontwikkeling van dit bedrijf dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vraag of er ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten een minimaal aanvaardbaar woonen leefklimaat gegarandeerd kan worden. Dit borgt de belangen van deze objecten. Zoals in de vorige paragraaf reeds is aangegeven bevindt het meest nabijgelegen geurgevoelige object zich op een afstand van circa 400 meter van de inrichting. Dit betreft de woning Hagelaarweg 15A te Best. De regelgeving omtrent geur afkomstig van veehouderijen is opgenomen in paragraaf 22. 3. 6. 2 van het tijdelijk omgevingsplan (‘bruidsschat’). Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde zoals bedoeld in artikel 22. 98 (zie figuur 5. 1). Bovendien dient de afstand tussen de gevel ,

,

van

een

dierenverblijf en een

geurgevoelig object minimaal 50 meter binnen de bebouwde kom en 25 meter buiten de bebouwde kom te bedragen (artikel 22. 103).

28 NOVEMBER 2025

Figuur 5. 1 Waarde voor geur ouE/m³ als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor (tabel 22. 3. 10 “Omgevingsplan gemeente Best”)

43

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

Voor een concentratiegebied waarin de inrichting is gelegen geldt een maximale geurbelasting van 30 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 140 ouE/m³ buiten de bebouwde kom. Voor gemeenten is het – door middel van het vaststellen van een omgevingsplan – mogelijk om af te wijken van wettelijke normen uit het Bkl mits de waarde niet hoger is dan de grenswaarde. De gemeente Best heeft op 16 juli 2008 de “Verordening geurhinder en veehouderij” vastgesteld. Daarin zijn aangescherpte normen opgenomen. Voor geurgevoelige objecten welke gelegen zijn binnen invloedsgebied A (kern van Best) geldt een maximale geurbelasting door een veehouderij van 10 ouE/m³. Voor geurgevoelige objecten welke gelegen zijn binnen invloedsgebied B C D of E geldt een maximale geurbelasting door een veehouderij van 70 ouE/m³. ,

,

,

,

,

,

,

Ook de naastgelegen gemeente Oirschot heeft een dergelijke verordening opgesteld maximale geurbelasting door een veehouderij van: 20 ouE/m³ in gebied A (invloedsgebied van de woonkernen) 70 ouE/m³ in gebied B (250 meter bufferzone rond de woonkernen) 100 ouE/m³ in gebied D (buitengebied). ,

,

met een

,

,

,

,

In

de gewenste situatie zal de geuremissie verlagen 33. 341 van OU/s (35. 850 vleeskuikenouderdieren) naar 27. 638 OU/s (83. 750 vleeskuikens). Dit betreft bedrijfssituatie 2. In bedrijfssituatie 1 zal de geuremissie verlagen van 33. 341 OU/s (35. 850 vleeskuikenouderdieren) naar 31. 248 OU/s (33. 600 vleeskuikenouderdieren). In onderstaande figuur 5. 2 zijn de resultaten van de geurverspreidingsberekening van de vergunde en de gewenste situatie inzichtelijk gemaakt.

Bijlage 6 betreft de berekening.

Geurgevoelig object

Geurnorm

Kapelweg 19 Kapelweg 25a Sint Annaweg 10 Kapelweg 26 Kapelweg 26a Aarleseweg 16 Aarleseweg 20 Oirschotseweg 113 Oirschotseweg 124 Schoofvelden 14 Rogvelden 20 Hagelaarweg 13 Hagelaarweg 15 + 15a Hagelaarweg 17 Hagelaarweg 21 Hagelaarweg 16 Hagelaarweg 18 De Bollen 7 De Bollen 9 De Bollen 11 De Leppers 2 Bestseweg 49

140 140 70 70 70 70 70 140 140 10 10 140 140 140 140 140 140 100 100 100 70 20 , ,

, , , , ,

, ,

, ,

, , , , , , , , ,

, ,

Vergund 24 117 15 11 14 14 13 10 17 08 08 23 23 24 25 23 21 09 08 08 05 04 ,

,

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Bedrijfssituatie 1

Bedrijfssituatie 2

21 108 13 10 12 13 12 09 15 08 07 21 21 22 22 21 19 08 08 07 05 04

18 91 11 09 11 11 11 08 13 07 06 18 18 19 19 18 16 07 07 06 04 03

,

,

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Figuur 5. 2 Resultaten geurberekening

28 NOVEMBER 2025

44

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

Uit de resultaten blijkt dat beide bedrijfssituaties ruimschoots voldoen aan de gestelde normen en dat onderhavig initiatief een positief effect heeft op het woon- en leefklimaat van omliggende geurgevoelige objecten. Het aspect ‘geur’ vormt derhalve geen belemmering voor de wijziging van het bedrijf maar zorgt juist voor een verbetering ten opzichte van de huidige vergunde situatie. ,

,

Overigens leidt enkel de realisatie van de nieuwe overdekte uitlopen na het verlenen van de noodzakelijke omgevingsvergunning milieu voor de beide bedrijfssituaties niet tot een toe- of afname , ,

van de geuremissie. De dieraantallen en de toegepaste huisvestingssystemen blijven gelijk. Vanuit

het aspect geurhinder zijn er evenmin belemmeringen voor de bouw van de uitlopen. Zoals reeds aangegeven geldt volgens het tijdelijk omgevingsplan (‘bruidsschat’) een minimaal in acht te nemen afstand tussen de dichtstbijzijnde gevel van een stal waarin dieren worden gehouden en de gevel van het dichtstbijzijnde geurgevoelige object. Tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom moet een afstand van 25 meter gerekend worden. Aan deze afstand wordt na de realisatie van de overdekte uitlopen ruimschoots voldaan. Hiermee is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden gegarandeerd. Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkelingen. ,

,

,

5. 2. 2

Cumulatieve geurbelasting De cumulatieve geurbelasting ook wel de ‘achtergrondbelasting’ geur betreft de geurbelasting vanuit alle veehouderijen in de omgeving (binnen een straal van 4 kilometer) op de geurgevoelige objecten. Toetsing van de cumulatieve geurbelasting geschiedt aan de hand van indeling van het leefklimaat. Het RIVM heeft bandbreedtes gemaakt voor het leefklimaat gekoppeld aan het percentage geurgehinderden. Voor de indeling van het leefklimaat moet worden getoetst aan de voorgrond- of aan de achtergrondbelasting. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder indien de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Wanneer er veel veehouderijen in de omgeving zijn gelegen wordt geur anders beleefd dan wanneer er weinig veehouderijen aanwezig zijn. ,

,

,

,

Met het rekenprogramma V-Stacks Gebied wordt aan de berekende geurbelasting een percentage geurgehinderden gekoppeld. In bijlage 7 is de berekende cumulatieve geurbelasting met het daarbij behorende leefklimaat inzichtelijk gemaakt voor de vergunde situatie en voor de gewenste bedrijfssituaties. Uit de resultaten blijkt dat het omschakelen van het huisvesten van vleeskuikenouderdieren naar het huisvesten van vleeskuikens over het algemeen leidt tot een afname van de cumulatieve geurbelasting. Het leefklimaat ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten wijzigt niet behoudens ter plaatse van de nabijgelegen bedrijfswoning Kapelweg 25A. Hier verbetert het leefklimaat van ‘tamelijk slecht’ naar ‘matig’. ,

,

,

In subparagraaf 5. 2. 1 is reeds aangegeven dat enkel de realisatie van de nieuwe overdekte uitlopen na het verlenen van de noodzakelijke omgevingsvergunning milieu voor de beide bedrijfssituaties niet leidt tot een toe- of afname van de geuremissie aangezien de dieraantallen en de toegepaste huisvestingssystemen gelijk blijven. De gehuisveste dieren krijgen alleen meer leefruimte. Vanuit het aspect geurhinder zijn er dan ook geen belemmeringen voor de bouw van de uitlopen. Hiermee is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden gegarandeerd.

, ,

,

28 NOVEMBER 2025

45

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

LUCHTKWALITEIT De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) afdeling 2. 2. De luchtkwaliteit wordt hier aan de hand van verscheidene omgevingswaarden uiteengezet. Bij de start van een plan moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk worden gemaakt dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in plannen die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

,

Als een plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn de voorwaarden voor NIBM opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). ,

Onderhavig project leidt tot een wijziging van het aantal dieren op het bedrijf aan de Kapelweg 27. Daardoor kan er sprake zijn van een wijziging van de hoeveelheid fijnstof (PM)10 in de buitenlucht. Hiertoe moet er worden gekeken naar de omgevingswaarden voor PM 10 zoals bedoeld in Bkl artikel 2.5 eerste lid. Voor PM 10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: 50 μg/m 3 als 24-uurgemiddelde dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden ; en 40 μg/m 3 als kalenderjaargemiddelde. ,

,

,

De artikelen 5. 53 en 5. 54 van het Bkl gaan in op de NIBM-bijdrage van activiteiten. Het exploiteren van een veehouderij wordt hier niet genoemd. Wel wordt dit in artikel 3. 200 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) aangewezen als een milieubelastende activiteit een zogenaamde ‘mba’. In artikel 5.51 eerste lid onder c van het Bkl is bepaald dat er voor een ‘mba’ regels gelden welke zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Uit de artikelen 5. 53 en 5. 54 van het Bkl volgt dat er sprake is van een NIBM-project of -activiteit als de toename van de concentratie van PM 10 niet hoger is dan 12 µg/m 3 tenzij het gaat om exploitatie van een veehouderij waarvan de emissie van PM 10 vanuit de dierenverblijven meer bedraagt dan 800 kg per jaar. ,

,

,

,

,

,

Om te beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving is er een ISL3a-berekening uitgevoerd (zie bijlage 8). Uit de berekening blijkt dat er als gevolg van het omschakelen van vleeskuikenouderdieren naar vleeskuikens geen overschrijding is van de toegestane concentratie van fijnstof ter plaatse van gevoelige locaties. Er wordt ruimschoots aan de gestelde normen voldaan. Dit geldt ook voor de aangevraagde bedrijfssituatie 1.

Overigens leidt enkel de realisatie van de nieuwe overdekte uitlopen na het verlenen van de noodzakelijke omgevingsvergunning milieu voor de beide bedrijfssituaties niet tot een toe- of afname van de fijnstofemissie. De dieraantallen en de toegepaste huisvestingssystemen blijven gelijk. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving. Dit betekent dat de , ,

gewenste activiteiten aan de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit voldoen. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de uitbreiding van het bedrijf aan de Kapelweg 27.

28 NOVEMBER 2025

46

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

OMGEVINGSVEILIGHEID In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5. 1. 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit ,

,

leefomgeving. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag productie gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 van het Bkl. De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 van het Bkl gaan over het toelaten van (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties in ,

,

verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5. 6 tot en met artikel 5. 11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5. 7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5. 11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden afhankelijk van de activiteit vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). ,

,

Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5. 12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5. 14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4. 90 tot en met 4. 96 Bbl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen zoals scholen kinderdagopvang en verzorgingstehuizen geldt altijd een voorschriftengebied en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5. 14 Bkl). ,

,

,

,

,

,

,

,

,

28 NOVEMBER 2025

47

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel ; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

,

,

Naast de hiervoor genoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5. 1. 2. 3 Bkl. Veiligheid rond opslaan herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5. 1. 2. 4 Bkl. Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5. 1. 2. 5 Bkl). Veiligheid rond luchthavens (par. 5. 1. 2. 6 Bkl). ,

In de omgeving van het projectgebied (blauw omcirkeld) is een hogedruk aardgasleiding van de Gasunie gelegen die relevant is vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid. Onderstaande figuur 5. 3 toont deze buisleiding waarbij een plaatsgebonden risico van één op de 100 miljoen per jaar geldt. Het bedrijf van initiatiefnemer bevindt zich binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding. ,

,

Figuur 5. 3 Risicokaart externe veiligheid (bron: www. atlasleefomgeving. nl)

28 NOVEMBER 2025

48

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

Voor de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan geldt dat er geen nieuwe kwetsbare bestemmingen gerealiseerd mogen worden binnen de 10 -6 contour van het plaatsgebonden risico (indien aanwezig) en dat deze contour een richtwaarde is voor beperkt kwetsbare bestemmingen. Binnen de belemmeringenstrook mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gerealiseerd.

,

Het projectgebied is niet gelegen binnen de 10 -6 contour. Bovendien is er geen sprake van het realiseren van een nieuwe kwetsbare bestemming. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Verantwoording van het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding is dan ook niet aan de orde. De belemmeringenstrook dient ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. Binnen deze strook mogen geen nieuwe bouwwerken worden opgericht. De plangrens ligt op een afstand van ruim 100 meter van de leiding en daarmee buiten de belemmeringenstrook. Verder gaat de “Wet vervoer gevaarlijke stoffen” in op het basisnet. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via hoofdroutes op de weg het spoor of vaarwegen plaatsvinden ; het netwerk van deze transportroutes wordt het basisnet genoemd. In artikel 12 wordt verwoord in referentie tot het basisnet dat de volgende belangen met elkaar in duurzaam evenwicht moeten zijn: het vervoer van gevaarlijke stoffen over het basisnet ; het gebruik van de ruimte langs dat basisnet ; en een maatschappelijk aanvaardbaar veiligheidsniveau in de nabijheid van dat basisnet. ,

,

,

,

De snelwegen A2 en A58 worden voor dergelijke transporten gebruikt. Het plan ligt op een zodanige afstand van deze hoofdroutes dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. Door Best loopt een spoorlijn. Deze wordt eveneens gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het spoortracé bevindt zich eveneens op grote afstand (circa 20 kilometer) waardoor er geen sprake is van enige invloed. Het agrarische bedrijf aan de Kapelweg 27 ligt ruimschoots buiten de aandachtsgebieden voor het basisnet. ,

,

Op de risicokaart is eveneens te zien wat de kans is dat er een overstroming plaatsvindt vanuit zeeën meren of rivieren. Een groot deel van Nederland kan bij een overstroming onder water komen ,

te staan maar in werkelijkheid zullen de dijken niet allemaal tegelijk doorbreken. De kans op een overstroming wordt groter door klimaatverandering. Rivieren hebben meer piekafvoer en de zeespiegel stijgt. De kans op een overstroming is voor het projectgebied nihil. ,

Vanuit het aspect omgevingsveiligheid zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

GELUID In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen spoorwegen industrieterreinen en ,

,

dergelijke).

28 NOVEMBER 2025

49

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

5. 5. 1

Geluid door wegen en spoorwegen Langs rijks- provinciale- en gemeentewegen en langs waterschapswegen lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen geldt een standaardwaarde voor geluid. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde (artikel 5. 78t Bkl). Slechts onder voorwaarden kan het geluid hoger zijn dan deze waarde. Hiervoor moet aangetoond worden dat er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen dat de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde (artikel 5. 78u Bkl). Geluidbeperkende maatregelen hoeven alleen in aanmerking te worden genomen als die financieel doelmatig zijn en als daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige verkeerskundige vervoerskundige landschappelijke of technische aard bestaan. ,

,

,

,

,

,

,

Als een projectlocatie nabij een weg ligt kan het zijn dat deze in het geluidaandachtsgebied van die weg ligt. Het geluid in dat gebied kan hoger zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het geluid op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied moet aanvaardbaar zijn (artikel 5. 78s Bkl). Langs rijks- en provinciale wegen kan sprake zijn van een geluidproductieplafond. ,

In het onderhavige geval is de projectlocatie niet gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Bovendien betreft de gewenste ontwikkeling de nieuwbouw van enkele overdekte uitlopen. Deze bouwwerken worden niet aangemerkt als een geluidgevoelig object in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Derhalve vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisering van het onderhavige plan. 5. 5. 2

Geluid door industrieterreinen Binnen de gemeentegrenzen van Best liggen twee grootschalige bedrijventerreinen: 't Zand en Heide en Breeven. Om beide terreinen ligt een geluidszone. Deze bedrijventerreinen zijn aan de zuidzijde van Best gelegen op grote afstand van het projectgebied. Het bedrijf van initiatiefnemer is niet gelegen binnen een geluidszone. De regels die de Omgevingswet hiervoor stelt zijn daarom niet van toepassing. ,

,

5. 5. 3

Geluid door activiteiten Daarnaast is van belang of in het kader van een goede ruimtelijke ordening sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omgeving. Voor de beoordeling van geluid van bedrijfsmatige activiteiten op geluidgevoelige objecten wordt meestal aansluiting gezocht bij de richtwaarden zoals die in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ wordt gehanteerd (richtafstand 50 meter). In paragraaf 5. 1 is reeds geconstateerd dat door toepassing van interne milieuzonering er geen externe effecten zijn van het plan op de omgeving en dat er sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat voor de omgeving. Als gevolg van de nieuwbouw van de overdekte uitlopen wijzigt het aantal geluidbronnen op het bedrijf aan de Kapelweg 27 nauwelijks. Wel vinden er activiteiten plaats waarbij geluid geproduceerd wordt bijvoorbeeld bij het schoonmaken van de uitlopen middels een shovel. Het betreft vergelijkbare geluidbronnen en activiteiten die reeds op het bedrijf aanwezig zijn c. q. plaatsvinden. ,

28 NOVEMBER 2025

50

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

Middels de omgevingsvergunning wordt zeker gesteld dat geldende geluidsnormen niet worden overschreden. Met voorgenomen veranderingen worden geen nadelige gevolgen voor de geluidbelasting op de omliggende woningen verwacht mede gezien de afstand tot omliggende geluidgevoelige objecten. Derhalve is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. ,

TRILLINGEN Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn van mensen of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt om die reden (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. Artikel 5. 80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie ‘wonen’ aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie zoals woningen en verzorgingshuizen. Aangezien de beoogde ontwikkeling betrekking heeft op de realisatie van extra ruimte voor dieren (lichte industriefunctie voor het houden van dieren) kan er worden gesteld dat er geen sprake is van trillinggevoelige gebouwen. Bovendien is het bedrijf niet in de nabijheid van drukke wegen spoorwegen of een industrieterrein gelegen. Derhalve vormt het aspect ‘trillingen’ geen belemmering voor de nieuwbouw van de overdekte uitlopen. ,

,

VERKEER EN PARKEREN Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op eigen terrein. Ten behoeve van de nieuwbouw van de overdekte uitlopen zijn geen nieuwe parkeerplaatsen noodzakelijk. De bestaande erfverharding zal indien nodig uitgebreid worden ter plaatse van de uitlopen. De nieuwe bebouwing moet bereikt kunnen worden voor de noodzakelijke aan- en afvoer. Bovendien worden op deze wijze de draaicirkels van de voertuigen die op het bedrijf moeten laden lossen en parkeren op eigen terrein gerealiseerd. Er is ruim voldoende ruimte op het erf voor meerdere vrachtauto’s zodat geen (vracht)auto’s op de openbare weg hoeven te wachten. Alle erfverharding zowel bestaand als nieuw is binnen het gewijzigde bouwvlak gelegen. Dit geldt ook voor de parkeerplaatsen ter plaatse van de verkoopautomaat en ter plaatse van de nieuwe mantelzorgwoning. ,

,

,

,

,

,

Voor de ontsluiting van het bedrijf zijn twee inritten vanaf de Kapelweg vergund. De inrit aan de westzijde van het perceel wordt gebruikt voor de agrarische bedrijfsdoeleinden zoals de aan- en afvoer van dieren de aanvoer van voer en de afvoer van mest en alle andere verkeersbewegingen. De meest oostelijk gelegen inrit kan hoofdzakelijk gebruikt gaan worden voor privédoeleinden. Op deze wijze ontstaat een veiligere situatie rondom de bedrijfswoning. Deze situatie zal als gevolg van de nieuwbouw van de overdekte uitlopen niet wijzigen. Ook het aantal inritten blijft gelijk. ,

,

De infrastructurele ontsluiting van het projectgebied is goed. Het bedrijf wordt verlaten via de Kapelweg een weg met voldoende breedte waar een snelheidsregime van 60 kilometer per uur geldt. De Kapelweg is een lokale erfontsluitingsweg. De weg leidt langs bestaande (niet-)agrarische bedrijven en burgerwoningen en bevat hoofdzakelijk bestemmingsverkeer. Aanpassingen aan de wegenstructuur zijn niet noodzakelijk. Het perceel is te bereiken zonder (kwetsbare) dorpskommen te doorsnijden. Op circa 42 kilometer afstand zijn de op- en afritten van de snelweg A2 gelegen. ,

,

,

28 NOVEMBER 2025

51

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

In de huidige situatie is er reeds sprake van diverse bedrijfsmatige verkeersbewegingen. onderstaande figuur 5. 4 zijn deze verkeersbewegingen in beeld gebracht.

In

Vergunde situatie Zwaar vrachtverkeer Aanvoer kippen Afvoer kippen Afvoer eieren Aanvoer voer Afvoer mest Afvoer kadavers Aan- / afvoer overig

Licht verkeer Overige verkeersbewegingen Auto’s woning

Aantal keer 4 4 3 2 1 1 1

Per dag / week / maand / jaar jaar jaar week week jaar week week

Voertuigen per keer 3 3 1 1 4 1 1

Voertuigen per jaar 9 10 157 60 24 52 52

Aantal bewegingen per jaar 18 20 314 120 48 104 104

Dag- / avond- / nachtperiode dag avond / nacht dag dag dag dag dag

Aantal voertuigen 2

Per dag / week / maand / jaar dag

Voertuigen per keer 1

Voertuigen per jaar 520

Aantal bewegingen per jaar 1. 040

Dag- / avond- / nachtperiode dag

4

dag

1

1. 248

2. 496

dag / avond

Figuur 5. 4 Verkeersbewegingen vergunde situatie

Ten opzichte van de vergunde situatie zal in geval van bedrijfssituatie 2 het aantal vervoersbewegingen afnemen. Figuur 5. 5 bevat de verkeersbewegingen in de beoogde situatie. Deze afname wordt na omschakeling naar vleeskuikens met name veroorzaakt door het vervallen van de afvoer van eieren. Bovendien zal het verkeer van en naar het bedrijf verspreid over de dag rijden waardoor de invloed van het verkeer van / naar het bedrijf op de kwaliteit van de verkeersafwikkeling op de omliggende wegen verwaarloosbaar is. ,

,

,

,

,

Beoogde situatie Zwaar vrachtverkeer Aanvoer kippen Afvoer kippen Aanvoer voer Afvoer mest Afvoer kadavers Aan- / afvoer overig Licht verkeer Overige verkeersbewegingen Auto’s woning

Aantal keer 6 6 2 6 1 1

Per dag / week / maand / jaar jaar jaar week Jaar week week

Voertuigen per keer 2 15 1 5 1 1

Voertuigen per jaar 12 90 72 40 52 52

Aantal bewegingen per jaar 24 180 144 80 104 104

Dag- / avond- / nachtperiode dag dag / nacht dag dag dag dag

Aantal voertuigen 2

Per dag / week / maand / jaar dag

Voertuigen per keer 1

Voertuigen per jaar 520

Aantal bewegingen per jaar 1. 040

Dag- / avond- / nachtperiode dag

4

dag

1

1. 248

2. 496

dag / avond

Figuur 5. 5 Verkeersbewegingen beoogde situatie

Verder zijn de verkeersintensiteiten op de provinciale wegenstructuur in de huidige situatie relatief laag. Omdat de provinciale wegen een ontsluitende functie voor het gebied en de omliggende kernen hebben is aangenomen dat de verkeersintensiteiten op de gemeentelijke wegen lager zijn. Voor beide type wegen geldt dat intensiteiten nog niet de capaciteit van de wegen (inclusief kruispunten) hebben bereikt. In de gewenste situatie treden er daarom geen knelpunten wat betreft de verkeersafwikkeling op. Het voornemen leidt tot zeer kleine wijzigingen in de verkeersstromen en in gebruik van de omliggende gemeentelijke en provinciale wegen. ,

28 NOVEMBER 2025

52

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

BODEMKWALITEIT Met de invoering van de Omgevingswet is er veel veranderd op het gebied van bodembescherming en bodemsanering. Zo is de “Wet bodembescherming” komen te vervallen. Uitgangspunt van de Omgevingswet is duurzaam bodembeheer: het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem (vaste bodem en grondwater) en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem door het in onderling samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen ; evenwichtig toedelen van functies aan locaties en het stellen van andere regels die met het oog daarop nodig zijn in het omgevingsplan rekening houdende met de kwaliteit van de bodem ; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. ,

,

In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Paragraaf 5. 1. 4. 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem die gemeente voor bodem in het omgevingsplan moeten verwerken. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op een bodemgevoelig gebouw.

,

Een bodemgevoelig gebouw wordt in artikel 5. 89g van het Bkl beschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Aangezien de beoogde ontwikkeling betrekking heeft op de realisatie van extra ruimte voor dieren kan er worden gesteld dat er geen sprake is van bodemgevoelige gebouwen. Er zullen hier geen personen langer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Derhalve vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de nieuwbouw van de overdekte uitlopen. Het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. ,

In de gemeente Best geldt de “Bodemkwaliteitskaart 2025 gemeente Best” (in werking getreden op 18 juni 2025). Het doel van de deze kaart is om een actueel en dekkend beeld te krijgen van de te verwachten diffuse chemische bodemkwaliteit van de gemeente. Op de ‘bodemfunctieklassenkaart 2025’ is het projectgebied reeds voorzien van de bodemfunctieklasse ‘Landbouw / natuur’ (zie figuur 5. 6 op de volgende pagina). De ‘Ontgravingskaart’ geeft eveneens aan dat de ontgravingskwaliteit van zowel de boven- als ondergrond ter plaatse het projectgebied ‘Landbouw / Natuur’ betreft. De bodemkwaliteit op de locatie wordt geschikt geacht voor het voorgenomen gebruik. De grond waarop de nieuwbouw van de gewenste bouwwerken plaatsvindt heeft reeds een agrarische bestemming en is in het verleden landbouwkundig gebruikt. Verwacht mag worden dat deze grond niet verontreinigd is. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering is voor de te realiseren overdekte uitlopen. ,

De bodem ter plaatse van het bedrijf is opgebouwd uit zand (hoge zwarte enkeerdgronden ; lemig fijn zand). Ten behoeve van de nieuwbouw vinden graafwerkzaamheden plaats. De grond die hierbij vrijkomt wordt elders op het perceel gebruikt om hoogteverschillen te vereffenen. Aangezien sprake is van zandgrond is het uitvoeren van sonderingen niet noodzakelijk. Voor de omgevingsvergunning wordt het plan nader constructief onderbouwd. ,

28 NOVEMBER 2025

53

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

Figuur 5. 6 Bodemfunctieklassenkaart 2025 (

= planlocatie) , bron:

“Bodemkwaliteitskaart 2025 gemeente Best”

Voor veehouderijen gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hoofdstuk 3 van het Bal bevat de aanwijzing van wat er onder de milieubelastende activiteit valt en wat vergunningplichtig is. Ook staat hier welke inhoudelijke regels gelden. De milieubelastende activiteit veehouderij staat in paragraaf 3. 6. 1 van het Bal. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. De nadelige gevolgen zijn vooral emissies van ammoniak en fijnstof geurhinder verontreiniging van de bodem en lozingen. ,

,

Bij het houden van dieren in een dierenverblijf gelden regels om de bodem te beschermen (paragraaf 4. 82 van het Bal). Het gaat om voorschriften om verontreiniging van de bodem te voorkomen. Bij de uitbreiding van onderhavig bedrijf aan de Kapelweg 27 wordt aan deze voorschriften gehouden. De vloer van de overdekte uitlopen zal bestaan uit een aaneengesloten bodemvoorziening te weten worden opgevangen. De bodembeschermende een betonvloer. Vloeistoffen die vrijkomen voorzieningen zijn bestand tegen de inwerking van meststoffen en bieden genoeg opvangcapaciteit. Daarnaast zijn de vul- en aftappunten zoveel mogelijk lekdicht. Deze good-housekeepingmaatregelen schrijft het Bal niet precies voor. Wel zijn die maatregelen een onderdeel van de specifieke zorgplicht van het Bal (artikel 2. 11). ,

,

28 NOVEMBER 2025

54

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

FLORA EN FAUNA De

Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de “Aanvullingswet natuur Omgevingswet” het “Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet” en de “Aanvullingsregeling natuur Omgevingswet”. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de ,

huidige Wnb. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). ,

,

,

In de Omgevingswet is een algemene zorgplicht opgenomen voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden voor bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. ,

5. 9. 1

Gebiedsbescherming: Natura 2000 Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. Landen wijzen beschermingszones aan en stellen een beheerplan op om deze natuurgebieden te beschermen. In Nederland gaat het om 162 gebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De soortenbescherming komt verderop in dit hoofdstuk aan de orde. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. In de omgeving van het bedrijf zijn enkele Natura 2000-gebieden gelegen (zie figuur 5. 7 op de volgende pagina). Op circa 40 kilometer afstand ten zuidwesten ligt Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’. Ten noordwesten van het bedrijf op circa 67 kilometer afstand is Natura 2000gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ gelegen. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling dient beoordeeld te worden of onderhavig initiatief leidt tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde Natura 2000-gebieden.

Als niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het project significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied moet een passende beoordeling worden opgesteld. ,

,

,

,

,

,

,

Gezien de afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied zijn overige effecten (trilling geluid licht en dergelijke) anders dan stikstofemissie op voorhand uitgesloten. Ten behoeve van de stikstofemissie dient getoetst te worden of er sprake is van een toename van stikstofemissie en of deze toename leidt tot stikstofdepositie. ,

,

28 NOVEMBER 2025

,

,

,

55

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

Figuur 5. 7 Kaart Natura 2000-gebieden (

= planlocatie) , bron: www. atlasleefomgeving. nl

De referentiesituatie bij ruimtelijke plannen betreft de feitelijk aanwezige planologisch legale situatie. Een plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die ten opzichte van de feitelijk aanwezige planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling leidt tot een toename van stikstofdepositie is een plan dat op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied significante gevolgen kan hebben en dat passend beoordeeld moet worden. ,

,

,

Op 7 juli 2016

heeft de provincie Noord-Brabant in het kader van de voormalige Wet natuurbescherming voor het bedrijf aan de Kapelweg 27 een vergunning verleend voor het houden van 21. 600 vleeskuikenouderdieren (OW-code HE 4.4.1) 14. 250 vleeskuikenouderdieren (OW-code HE 4. 4. 1 in combinatie met OW-code AP 100. 4) en 12 pony’s in opfok (OW-code HL 4. 100) met een totale ammoniakemissie van 8.9781 kg NH3. ,

,

,

,

Initiatiefnemer wenst om te schakelen van het houden van vleeskuikenouderdieren naar het houden van vleeskuikens. In onderhavige situatie worden 83. 750 vleeskuikens (OW-code HE 5. 8 in combinatie met OW-code AP 100. 4) en 12 pony’s in opfok (OW-code HL 4. 100) gehouden waarbij sprake is van een totale ammoniakemissie van 1.7744 kg NH.3 Dit betekent een afname van ruim 80% ammoniakemissie op jaarbasis. De diertabel is als bijlage 1 bij deze motivering opgenomen. Stal H is thans nog niet gerealiseerd. Ten opzichte van de feitelijk aanwezige planologisch legale situatie is de afname van de emissie van ammoniak in de gewenste situatie nog circa twee derde. ,

,

,

28 NOVEMBER 2025

56

Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best

Per 1 januari 2024 zijn activiteiten die de natuur betreffen onderdeel geworden van de Omgevingswet en opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 4. 820 bepaalt dat bij een huisvestingssysteem (met inbegrip van een aanvullende techniek) voor varkens kippen of kalkoenen de emissie van ammoniak niet meer is dan de emissiegrenswaarde zoals opgenomen in tabel 4. 820. Dit artikel is echter niet van toepassing op een huisvestingssysteem (met inbegrip van een aanvullende techniek) voor varkens kippen of kalkoenen dat deel uitmaakt van een dierenverblijf dat voor 1 januari 2007 is opgericht als de totale emissie van ammoniak van de op het perceel aanwezige huisvestingssystemen niet hoger is dan de totale emissies van ammoniak die de huisvestingssystemen op grond van artikel 4.820 berekend op basis van de emissiegrenswaarden (zoals opgenomen in tabel 4.820) per afzonderlijk huisvestingssysteem zouden mogen veroorzaken. Dit laatste is opgenomen in artikel 4.833 betreffende het overgangsrecht intern salderen. ,

,

,

,

,

,

,

Volgens de Omgevingsregeling is de ammoniakemissie van de beoogde stalsystemen op het bedrijf lager (0250 en 0021 kg NH/dier) dan de maximale emissie (0435 en 0024 kg NH/dier) uit het 3 3 Besluit activiteit leefomgeving (Bal) voor bestaande dierverblijven. De dierverblijven zowel bestaande als nieuwe voldoen daarmee aan het Bal en ook aan provinciale beleidsregels voor wat betreft emissie-eisen. ,

,

,

,

,

,

Om het onderdeel stikstof goed te kunnen beoordelen dient rekening gehouden te worden met de ,

volgende wet- en regelgeving en jurisprudentie:

PAS-uitspraken: De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitspraak gedaan (zie: AbRS 29 mei 2019 ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604). De Afdeling beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Beoordeeld moet worden of door een project of plan relevante stikstofdeposities ( > 000 mol per hectare per jaar) kunnen optreden ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State inzake Porthos Op 2 november 2022 (tussenuitspraak) en 16 augustus 2023 heeft de AbRS een uitspraak gedaan in de zaak over het inpassingsplan “Porthos transport en opslag van CO”.2 Uit de uitspraak blijkt dat de onderbouwing van de partiële bouwvrijstelling die was geregeld in artikel 2. 9a van de Wet natuurbescherming en artikel 2. 5 van het Besluit natuurbescherming (gebruikt sinds 1 juli 2021) niet toegepast mag worden. De emissies en depositie van stikstof dienen daarom bij elk afzonderlijk project beoordeeld te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16876576/1