26021.04 - Toelichting (Motivering) TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 (A)
Tekst van het document
c.
Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ wordt er voldaan aan de regels zoals opgenomen in 41. 4. 3. Het bedrijf is niet gelegen in een gebied met de aanduiding ‘Beperking veehouderij’.
,
zoals opgenomen in
,
,
d.
Er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 4. 4. 1. Er is sprake van een forse afname van de emissie van ammoniak met circa 80%. In subparagraaf 5. 9. 1 komt dit uitgebreid aan de orde.
e.
Er dient (dan) sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf. Een vertegenwoordiger van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) heeft een bedrijfsbezoek gebracht aan onderhavig bedrijf. De AAB constateert dat de omschakeling van het bedrijf naar het houden van vleeskuikens volgens het Beter Leven keurmerk met 1 ster en de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met een vierde stal resulteert in een agrarische bedrijfsvoering die de omvang heeft van een volwaardig agrarisch bedrijf. Om deze bedrijfsopzet te verwezenlijken en de uitloop aan de vierde stal aan de westzijde te kunnen bouwen is de wijziging van de vorm van het functie- / bouwvlak noodzakelijk (zie voor een uitgebreid verslag bijlage 3).
,
,
f.
De uitbreiding is noodzakelijk uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Ook dit aspect komt in het hiervoor genoemde verslag van de AAB aan de orde. De omschakeling van ouderdieren naar het houden van vleeskuikens is een ondernemerskeuze die gelet op de marktontwikkelingen over de afgelopen jaren vanuit optiek van bedrijfsvoering rendement en bedrijfsrisico kan worden gevolgd. ,
,
,
Om bij de omschakeling naar vleeskuikens te opteren voor het houden van vleeskuikens conform het Beter Leven Keurmerk met 1 ster is gelet op de groei van dit keurmerk in het afgelopen ,
decennium
,
een logische keuze.
g.
Advies kan worden gevraagd aan de AAB over de volwaardigheid en de noodzakelijkheid. Het advies van de AAB is als bijlage 3 bij deze motivering gevoegd.
h.
Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
28 NOVEMBER 2025
,
waaronder die
17
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
In hoofdstuk 5 wordt nader toegelicht dat voldaan wordt aan deze voorwaarde. Uit de diverse onderzoeken blijkt dat omliggende functies geen hinder ondervinden als gevolg van onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse van deze functies wordt het woon- en leefklimaat niet aangetast. i.
Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede leefkwaliteit. Zie punt h. Het omschakelen van het huisvesten van vleeskuikenouderdieren naar het huisvesten van vleeskuikens voldoet ruimschoots aan de gestelde normen op het gebied van geur en luchtkwaliteit. Onderhavig initiatief heeft geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat van omliggende objecten. Voor wat betreft geur is er sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige vergunde situatie. Overigens leidt enkel de realisatie van de nieuwe overdekte uitlopen na het verlenen van de noodzakelijke omgevingsvergunning milieu voor de bedrijfssituaties 1 en 2 niet tot een toe- of afname van de emissie van geur fijnstof en ammoniak. Dit betreft een aanpassing van het bedrijf ten behoeve van dierenwelzijn (vergroting van de leefruimte) waarbij het aantal dieren en de toegepaste huisvestingssystemen gelijk blijven. ,
,
,
,
,
j.
Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid onder andere op het gebied van gezondheid geluid bodemkwaliteit luchtkwaliteit geurhinder hinder van bedrijfsactiviteiten flora en fauna externe veiligheid water en archeologie. In de hoofdstukken 4 en 5 komen deze onderzoeken uitgebreid aan de orde. Naast de stedenbouwkundige en landschappelijke toets en het ruimtelijk-planologische beleid zijn alle ruimtelijke en milieuhygiënische deelaspecten onderzocht. In deze motivering is nadrukkelijk gemotiveerd dat de gewenste uitbreiding zich verhoudt zowel in negatieve als positieve zin tot de aanwezige functies en waarden binnen het projectgebied en in de directe omgeving ervan. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Het bedrijf wordt landschappelijk ingepast middels verscheidene inheemse bomen en planten worden aangeplant. Daarnaast wordt aan de westzijde van het bedrijf een strook struweel aangeplant. Op deze wijze worden schuil- en broedmogelijkheden geboden aan de inheemse faunasoorten. Het biedt ruimte voor een grote soortenrijkdom en versterkt de biodiversiteit. k.
Voldaan wordt aan de overige bouwregels voor bedrijfsgebouwen als opgenomen in 4. 2. Bij het realiseren van de overdekte uitlopen zal aan de gestelde bouwregels worden voldaan.
l.
Binnen gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag gebruikt worden voor het houden van dieren met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden. Ook aan deze voorwaarde zal worden voldaan bij het realiseren van de overdekte uitlopen.
m.
Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan waarbij de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat. Door tuin- & landschapsarchitect ir. Guido W. F. M. Paumen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit komt uitgebreid aan bod in paragraaf 4. 1. Het plan is als bijlage 5 bij deze onderbouwing gevoegd. De landschappelijke inpassing bedraagt minstens 10% van de omvang van het functievlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ (circa 17 hectare).
,
,
,
28 NOVEMBER 2025
18
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
n.
Er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR) van de gemeente Best. Subparagraaf 3. 4. 2 gaat in op de Landschapsinvesteringsregeling (LIR). De landschappelijke inpassing zoals opgenomen op het bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 5) zal uiterlijk binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van de planologische maatregel zijn gerealiseerd en vervolgens – zowel kwantitatief als kwalitatief – in stand worden gehouden. ,
,
Het onder punt a genoemde artikel 41. 4. 1 (voorwaarden voor een veehouderij) omschrijft dat voor een uitbreiding van vestiging of omschakeling naar een veehouderij alsmede uitbreiding van de bestaande bebouwde oppervlakte dierenverblijf binnen een bestaand bouwvlak de hierna opgenomen bepalingen gelden. ,
a.
Er worden maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij. In paragraaf 3. 2 komt het provinciale beleid aan de orde waaronder de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). Dit is een instrument dat stuurt en stimuleert dat een veehouderij zorgvuldig is en daarmee goed past in haar omgeving. De BZV is gebaseerd op de denklijn dat ontwikkelruimte verdiend moet worden maar niet onbegrensd is. De voor onderhavige ontwikkelruimte vereiste score is behaald. ,
,
b.
Er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20% tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. Het omschakelen van het huisvesten van vleeskuikenouderdieren naar het huisvesten van vleeskuikens leidt tot een afname van de geuremissie. Daarmee zal de cumulatieve geurhinder in de omgeving lager worden. Ter plaatse van de woningen in de nabijheid van de bedrijfslocatie is sprake van een ‘redelijk goed’ tot ‘zeer goed’ leefklimaat. Alleen ter plaatse van de woning De Leppers 2 is sprake van een ‘matig’ leefklimaat waarbij de kans op cumulatieve geurhinder minder is dan 20%. Bovendien wordt de geurhinder in dit geval veroorzaakt door een andere – naast de genoemde woning gelegen – veehouderij. ,
,
,
,
Aan de gestelde voorwaarde wordt ruimschoots voldaan. In subparagraaf 5. 2. 2 is het aspect ‘cumulatieve geurbelasting’ nader uitgewerkt.
Overigens leidt enkel de realisatie van de nieuwe overdekte uitlopen na het verlenen van de noodzakelijke omgevingsvergunning milieu voor de bedrijfssituaties 1 en 2 niet tot een toe- of afname van de emissie van geur fijnstof en ammoniak. Dit betreft een aanpassing van het bedrijf ten behoeve van dierenwelzijn (vergroting van de leefruimte) waarbij het aantal dieren en de ,
,
,
,
toegepaste huisvestingssystemen gelijk blijven.
28 NOVEMBER 2025
19
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
c.
Er is een zorgvuldige dialoog gevoerd gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief. In het kader van participatie zijn omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd over de gewenste ontwikkelingen op het bedrijf aan de Kapelweg 27 in Best. Het verslag van de gevoerde omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage 11 bij deze onderbouwing. ,
Artikel 41. 4. 2 (bebouwing in stalderingsgebied) omschrijft dat in het kader van staldering geldt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat: 1) binnen het stalderingsgebied een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is ,
,
beëindigd ; 2) de oppervlakte van de sanering onder 1) tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen ; 3) de sanering onder 1) plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling. Het bewijs dat aan de hiervoor genoemde voorwaarde is voldaan wordt uitgegeven door of namens Gedeputeerde Staten. Onder een bestaand dierenverblijf wordt verstaan: een feitelijk aanwezig legaal opgericht dierenverblijf dat (op grond van een omgevingsvergunning milieu een omgevingsvergunning beperkte milieutoets een of een melding Activiteitenbesluit) op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren. ,
,
,
Voor de nog te realiseren stal H zijn in 2021 de benodigde stalderingsmeters aangekocht. Voor de realisatie van de overdekte uitlopen zal initiatiefnemer de komende periode eveneens stalderingsmeters aankopen. Het bewijs van deze aankoop wordt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen aangeleverd. Hiermee wordt gewaarborgd dat elders leegstaande dierenverblijven worden gesloopt (zie subparagraaf 3. 2. 2). In artikel 4. 4. 1 van het vigerende bestemmingsplan wordt aangegeven dat het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt gerekend wordt tot een strijdig gebruik. Uit het vervolg van onderhavige motivering zal blijken dat een toename van de stikstofemissie niet aan de orde. Er is sprake van een forse afname van de emissie van ammoniak met circa 80%. 2. 3. 3
Toetsing dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen Zoals weergegeven in paragraaf 1. 3 is de locatie voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ ‘Leiding – Riool’ en ‘Leiding – Water’. In het vervolg van deze motivering komt uitgebreid aan de orde dat gebouwd wordt met inachtneming van de aanwezige waarden en leidingen. ,
28 NOVEMBER 2025
20
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Verder
gelden
ter
plaatse
een
aantal
gebiedsaanduidingen.
‘luchtvaartverkeerzone – ihcs en invliegfunnel’ en ‘vrijwaringszone
–
Conform de aanduidingen radar’ is er sprake van een
maximale bouwhoogte van bouwwerken ten opzichte van NAP. Aan deze eisen wordt ruimschoots voldaan. Ter plaatse van de als ‘overige zone – esdekken’ agrarisch aangeduide gronden gelden eveneens specifieke regels die zijn opgenomen in de (dubbel)bestemming waarbinnen dit geldt. Bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met deze regels. ,
Tenslotte geldt de gebiedsaanduiding ‘wetgevingzone – voorwaardelijke verplichting 4’. Deze verplichting komt voort uit het “Wijzigingsplan Kapelweg 27” (vastgesteld op 18 juli 2017) ten behoeve van de realisatie van de vergunde maar nog niet gerealiseerde stal H. Eén van de voorwaardes is dat zo spoedig mogelijk – doch in elk geval in het eerste plantseizoen – na de bouw van de stal de landschappelijke inpassing (overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan behorende bij het genoemde wijzigingsplan) wordt gerealiseerd en deze daarna onderhouden en behouden wordt. De tweede voorwaarde betreft de aanleg en instandhouding van voldoende waterberging. Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing en de compenserende waterberging is rekening gehouden met deze voorwaarden (zie tevens de paragrafen 4. 1 en 5. 12). ,
,
28 NOVEMBER 2025
21
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
BELEID EN REGELGEVING RIJKSBELEID EN RIJKSREGELS 3. 1. 1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld op 11 september 2020 biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan de Rijksoverheid inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies gemeenten en waterschappen ligt kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. ,
,
,
,
,
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie ; Duurzaam economisch groeipotentieel ; Sterke en gezonde steden en regio's ; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes ,
,
,
geformuleerd: 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies gericht op een efficiënt en zorgvuldig ,
2)
gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: Wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling tussen concurrentiekracht en leefbaarheid verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. ,
,
3)
28 NOVEMBER 2025
22
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Centrale opgave in het landelijk gebied is het vinden van balans of synergie tussen versterking van het verdienvermogen – onder andere in de agrarische sector en vrijetijdseconomie – en het behouden van een goede leefbaarheid en omgevingskwaliteit. Voorliggend plan voorziet in het ontwikkelen van een toekomstbestendig landelijk gebied en past daarmee binnen de genoemde prioriteiten van de NOVI. 3. 1. 2
Nationaal Water Programma 2022-2027
Op 18 maart 2022 is het “Nationaal Water Programma 2022-2027” (NWP) vastgesteld. Dit programma een uitwerking van de NOVI bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De drie hoofdambities van het NWP zijn: ,
,
een veilige en klimaatbestendige delta ; een concurrerende , duurzame en circulaire delta ; een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met het bodem- en watersysteem. Opgaven voor klimaatadaptatie water en scheepvaart moeten een integraal onderdeel zijn van alle ruimtelijke ingrepen. Het is hiervoor belangrijk dat de weging van het waterbelang wordt meegenomen in de ontwikkeling van plannen. In de waterparagraaf 5. 12 wordt hier nader op ingegaan. ,
3. 1. 3
Nationaal Bestuursakkoord Water In het “Nationaal Bestuursakkoord Water” (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21 e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. In de waterparagraaf 5. 12 wordt nader ingegaan op de weging van het waterbelang. ,
,
3. 1. 4
Instructieregels Rijk (AMvB’s) Bij een wijziging van het omgevingsplan moeten de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en eventuele instructies in acht worden genomen. Het Bkl bevat instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor onder andere de volgende hoofdonderwerpen: algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1) ; waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) ; beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) ; beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4) waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht trillingen geluid en geur en bodemkwaliteit ; ,
,
,
,
28 NOVEMBER 2025
,
23
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
beschermen
van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5) waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking ; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5. 1. 6) voor autowegen ,
buisleidingen natuur- en recreatiegebieden ; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7) waaronder landsverdediging en nationale veiligheid elektriciteitsvoorziening rijksvaarwegen en luchtvaart fiets- en wandelroutes aanwijzing van
,
,
,
,
,
,
,
woningbouwcategorieën ; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5. 1. 8). Voor de instructieregels voor bovenstaande thema’s is een toepassingsbereik bepaald. Het is mogelijk dat een thema niet van toepassing is op een specifieke activiteit. Daarnaast bevat afdeling 5. 2 van het Bkl instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In onderhavige motivering wordt in de hoofdstukken 4 en 5 gedetailleerd ingegaan op de doorwerking van de instructieregels over de verschillende relevantie ruimtelijke- en milieuaspecten binnen het projectgebied. Hierbij wordt aangegeven hoe wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl. Op deze wijze wordt een helder inzicht geboden in de naleving van de betreffende regels binnen het projectgebied. 3. 1. 5
Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 5. 129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt bepaald dat een ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ nodig is voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein een zeehaventerrein een woningbouwlocatie kantoren een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. In het omgevingsplan dient met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening te worden gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling ; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. ,
,
,
,
,
,
Artikel 5. 129g Bkl heeft geen ondergrens voor de minimale omvang van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Op basis van vaste jurisprudentie wordt gesteld dat bij woningbouw een plan vanaf 12 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Voor alle andere stedelijke functies wordt een oppervlakte van 500 m² BVO aangehouden als ondergrens. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. Dit valt – ook blijkens jurisprudentie – niet onder de noemer van een stedelijke ontwikkeling. De uitbreiding is in oppervlakte namelijk beperkt en vindt plaats binnen het vigerende functievlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ van circa 17 hectare of direct grenzend aan dit vlak waartoe het functievlak wordt verschoven. De totale oppervlakte van het functievlak wijzigt niet. De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ behoeft daarom niet te worden doorlopen. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt wel beoordeeld of de locatie waar de ontwikkeling plaatsvindt hier optimaal en geschikt voor is. ,
,
28 NOVEMBER 2025
24
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Het is niet mogelijk de gewenste ontwikkeling te laten plaatsvinden in bestaand stedelijk gebied. De belangrijkste reden hiervoor is dat een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd in een dichtbevolkt gebied vanwege diverse milieuaspecten als geur geluid etc. Bovendien heeft de Raad van State in een uitspraak (201310329/1/R2) van 15 april 2015 bepaald dat versnippering van agrarische bedrijven door uitbreiding elders niet gunstig is vanwege de toename van verkeersbewegingen. Daarnaast betekent versnippering een zwaardere belasting voor het landschap. Uitbreiding op een andere locatie is niet wenselijk. ,
,
De gewenste overdekte uitlopen dienen per definitie aan de bestaande stallen op het perceel aan de Kapelweg 27 te worden gerealiseerd omdat deze direct verband houdt met het functioneren van de bedrijfsvoering ter plaatse. Het is niet reëel de bestaande bouwwerken en installaties of de nieuw te realiseren bouwwerken elders te ontwikkelen. ,
,
,
PROVINCIAAL BELEID EN PROVINCIALE REGELS 3. 2. 1
Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie “De kwaliteit van Brabant: Visie op de Brabantse Leefomgeving” vastgesteld. Voor het handelen van de provincie zijn kernwaarden geformuleerd. Het gaat achtereenvolgens om de volgende kernwaarden: gaan voor meerwaardecreatie ; gaan voor technische én sociale innovatie ; gaan voor kwaliteit boven kwantiteit ; gaan voor steeds beter ; gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. De provincie heeft tevens een basisopgave opgenomen in haar omgevingsvisie. Centraal hierbij staat het werken aan veiligheid gezondheid en omgevingskwaliteit. Hoewel er gesproken wordt over één basisopgave is deze opgave in feite tweeledig aangezien voor zowel het jaar 2030 als voor het jaar 2050 een basisopgave geformuleerd is. Eén en ander is als volgt geformuleerd: Doel 2050: “Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOPlandschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal. ” Doel 2030: “Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen.
Natuurgebieden zijn ingericht de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak. ” ,
,
,
,
,
,
De basisopgave ligt aan de basis van vier hoofdopgaven. De volgende hoofdopgaven worden benoemd: 1) werken aan de Brabantse energietransitie 2) een klimaatproof Brabant 3) de slimme netwerkstad en 4) een concurrerende duurzame economie. ,
,
,
,
28 NOVEMBER 2025
25
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
De provincie Noord-Brabant wil ook in de toekomst voorop blijven lopen als provincie van agrarische kennis en -productie. De export van hoogwaardige Brabantse producten agrotechniek en -kunde is een belangrijke bron van inkomsten. Om dit te behouden en verbeteren is een transitie noodzakelijk de eerste stappen al gezet zijn. Hierdoor ontstaat een diverser palet aan waarvan productiemethoden op de as low-tech high-tech. Dit vraagt nu en in de toekomst om inspanningen in de gehele keten. Een innovatieve ketensamenwerking wordt gestimuleerd waarbij een gezonde en duurzame voedselproductie voorop staat en consumenten meer bewust worden gemaakt van de impact van de voedselproductie. Dit is cruciaal voor de agrofood van de toekomst. ,
,
,
Eerst en vooral is een verdere beperking van de impact van de primaire landbouw door emissies vanuit de veehouderij en de gevolgen van het gebruik van mest- en gewasbeschermingsmiddelen van belang. Ook de landschappelijke inpassing van stallen kassen plastic tunnels en loodsen verdient aandacht. Daarnaast is gezondheid een thema waaraan alle partijen in de keten gezamenlijk moeten werken. Circulariteit nieuwe productiewijzen en kortere schone ketens zijn een belangrijke sleutel om bij te dragen aan klimaatoplossingen. Ook kan de agrarische wereld intensief bijdragen aan de energietransitie. ,
,
,
De Omgevingsvisie Noord-Brabant bevat geen specifieke ambities voor het projectgebied. Met het planvoornemen wordt invulling gegeven aan een ‘concurrerende duurzame economie’ door bij te dragen aan een verdere ontwikkeling van onderhavige pluimveehouderij. De uitbreiding is gewenst in het kader van dierenwelzijn en er kan beter worden ingespeeld op de toenemende vraag naar vlees met het ‘Beter Leven keurmerk’. Met deze investering kan het bedrijf ook over een aantal jaren de concurrentie aan en zo op een duurzame wijze gezond voedsel produceren. Bovendien kan de nieuwbouw deels plaatsvinden binnen het huidige functievlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf ; Voor de realisatie van de overdekte uitlopen aan stal H is een verschuiving van het vlak noodzakelijk. De oppervlakte van het functievlak (circa 17 hectare) wijzigt niet. De ammoniakemissie neemt behoorlijk af ten opzichte van de vergunde situatie. ,
,
.
,
Door de realisatie van overdekte uitlopen aan de pluimveestallen wordt een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied mogelijk gemaakt. Middels de landschappelijke inpassing van het bedrijf en de realisering van een infiltratiezone wordt bijgedragen aan het klimaatadaptatief inrichten van het projectgebied (klimaatproof Brabant) en de directe omgeving hiervan. Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan de ambitie om de agrarische sector vitaal en duurzaam te houden en ruimte te geven aan ondernemers.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals deze zijn verwoord in de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant. ,
3. 2. 2
Omgevingsverordening Noord-Brabant Vanuit de Omgevingswet moet de provincie naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Die regels staan in de “TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant” welke is vastgesteld op 5 december 2023. Deze verordening is op 1 januari 2024 in werking getreden. ,
,
28 NOVEMBER 2025
26
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
De provincie heeft vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet een voorbereidingsbesluit vastgesteld (d. d. 20 november 2023) waardoor voorbeschermingsregels in het tijdelijk regelingdeel van het omgevingsplan van gemeenten worden geplaatst. Dit voorbereidingsbesluit heeft als doel dat bestaande regels die waren opgenomen in de “Wet bodembescherming” of de “Interim omgevingsverordening Noord-Brabant” blijven gelden onder de Omgevingswet. Er zijn regels opgenomen om grondwaterverontreiniging te voorkomen bij bouwactiviteiten regels voor de ontwikkeling van veehouderijen mestbewerking en grootschalige logistiek. ,
,
,
,
,
Hoofdstuk 5 van de “TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant” geeft instructieregels voor omgevingsplannen waarbij afdeling 5. 6 specifiek ingaat op een vitaal platteland. Samen met haar ,
partners werkt de provincie al geruime tijd aan de transitie naar zorgvuldige veehouderij. Vanuit het streven naar een sterke en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij bevat artikel 5. 63 voorwaarden voor de ontwikkeling van een veehouderij in het landelijk gebied. Artikel 5. 63 Veehouderij in Landelijk gebied Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan op een bestaand bouwperceel voorzien in de ontwikkeling van een veehouderij als: a. is geborgd dat de veehouderij voldoende maatregelen treft en in stand houdt die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij ; b. de omvang van het bouwperceel ten hoogste 15 hectare bedraagt ; c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving ; d. dieren alleen op de grond worden gehouden ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden ; e. mestbehandeling mestvergisting en mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is ; f.
is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder of achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20% tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentagesmaatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting en die ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert ; en g. de landschappelijke inpassing ten minste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
Lid 2 Een veehouderii treft voldoende maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het eerste lid onder a als is voldaan aan de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij. ,
,
Mestbehandeling mestvergisting en mestbewerking is niet aan de orde. Verder wordt voor wat betreft de nieuw te realiseren overdekte uitlopen aan de genoemde bepalingen in artikel 5. 63 voldaan. Dit is reeds in paragraaf 2. 3 aangetoond. Ook in het vervolg van onderhavige onderbouwing worden de verschillende aspecten uitgebreid toegelicht. ,
,
,
28 NOVEMBER 2025
27
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
De omvang van het functievlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ (bouwvlak) bedraagt thans circa 17 hectare. Onderhavig plan vraagt om een vormverandering van het functievlak waarbij de oppervlakte niet wijzigt. Een differentiatievlak is niet van toepassing. Wel is het zo dat een gedeelte van het functievlak (circa 2. 000 m²) achter de stallen C F en H niet in gebruik is ten behoeve van bebouwing. Op deze wijze wordt voldaan aan punt b. ,
,
,
,
,
Artikel 5. 64 richt zich op het stellen van voorwaarden aan de toename van de oppervlakte van dierenverblijf binnen het bouwperceel of het in gebruik nemen van gebouwen die eerder niet als dierenverblijf in gebruik waren. De genoemde voorwaarden zijn gebaseerd op de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. Deze denklijn behelst drie principes of sporen:
ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van (extra) maatregelen ; de som van het effect van alle bedrijven in een gebied mag de draagkracht van een gebied niet te boven gaan ; door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product transparantie en nieuwe verdienmodellen. ,
Ter plaatse van de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ gelden extra voorwaarden voor de ontwikkeling van veehouderijen gericht op het voorkomen van een verdere regionale concentratie van vee en het tegengaan van (verdere) leegstand. De toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel is alleen mogelijk als er elders dierenverblijven verdwijnen ; het zogenaamde stalderen. Provinciaal beleid (instructieregels zoals inzake de toename van de oppervlakte van dierenverblijf en regels ten aanzien van stalderen) worden overgenomen in het TAM-Omgevingsplan. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de bebouwing voor het houden van dieren wordt aan deze regels getoetst. ,
Verder geeft ‘Kaart 1: Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden natuur water en wegen’ behorende bij de “TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant” aan dat ter plaatse van het bedrijf van initiatiefnemer sprake is van de aanduidingen ‘Diep grondwaterlichaam’ en ‘Geen attentiezone waterhuishouding’. ,
,
,
,
Artikel 3. 11 bepaalt dat boven in of onder een diep grondwaterlichaam de onconventionele winning van koolwaterstoffen is verboden. Aangezien er geen sprake is van (onconventionele) winning van koolwaterstoffen vormt dit geen belemmering voor het planvoornemen. ,
Een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem – als bedoeld in artikel 3. 19 van het Besluit activiteiten leefomgeving – is niet vereist als de onttrekking buiten de ‘Attentiezone waterhuishouding’ ligt de te onttrekken hoeveelheid grondwater ten hoogste 10 m³ per uur bedraagt en de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 meter minus maaiveld (zie artikel 3. 15). Aangezien er geen sprake is van de onttrekking van grondwater vormt dit geen belemmering voor het planvoornemen. Bovendien is het bedrijf niet gelegen in de ‘Attentiezone waterhuishouding’. ,
28 NOVEMBER 2025
28
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Blijkens ‘Kaart 7: Instructieregels voor waterschappen: watersystemen -veiligheid en -berging’ is ter plaatse van het bedrijf aan de Kapelweg 27 tevens sprake van de aanduiding ‘Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied’. Hier geldt met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht als omgevingswaarde wateroverlast een overstromingskans van 1/25 per jaar. De omgeving van het projectgebied bestaat namelijk vooral uit agrarische gronden. Deze norm drukt de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De normering bakent de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen dan wel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolge van neerslag. Zij geeft daarmee helderheid voor de burgers en de bedrijven over het restrisico en hun eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van roerende en onroerende zaken. In paragraaf 5. 12 wordt nader ingegaan op het aspect ‘water’. ,
,
,
Voor elke ruimtelijke ontwikkeling gelden de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in paragraaf 5.1.2 artikel 5. 7 van de “TAM-omgevingsverordening NoordBrabant”. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 5.8 ; b. de lagenbenadering bedoeld in artikel 5.9 ; en c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5. 10. ,
,
,
,
,
,
Zorgvuldig ruimtegebruik Conform artikel 5. 8 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied is een belangrijk uitgangspunt. Mede gelet op de leegstand van agrarisch vastgoed is nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied niet nodig of wenselijk. In het algemeen geldt dat het oprichten van bebouwing buiten bestaand ruimtebeslag gepaard gaat met sanering van leegstaande bebouwing elders. Aangezien intensivering van gebruik binnen bestaand ruimtebeslag in onderhavige situatie niet tot de mogelijkheden behoort worden ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van de nieuwe overdekte uitlopen zogenaamde ‘stalderingsmeters’ aangekocht. Om de toename van de oppervlakte dierenverblijf mogelijk te maken zullen elders dierenverblijven verdwijnen. ,
,
Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. De nieuwe uitlopen krijgen een beperkte breedte en worden aan de bestaande / vergunde stallen gerealiseerd waardoor de ruimtelijke impact minimaal is. De uitbreiding van het bedrijf doet geen afbreuk aan de huidige landschapsstructuur en is dermate gering dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Er ontstaat een compact erf. Daarmee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. ,
,
28 NOVEMBER 2025
29
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond zoals het bodem- en watersysteem aardkundige en archeologische waarden ; b. de netwerklaag zoals natuurnetwerk energienetwerk infrastructuur inclusief waterwegen en een goede multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer ; en c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden de omvang van de functie en de bebouwing de effecten op bestaande en toekomstige functies de effecten op lucht milieu veiligheid en een gezonde leefomgeving. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen het verleden de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid (artikel 5. 9 lid 3). De toetsing van de gevolgen van het initiatief op de bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in de volgende hoofdstukken van onderhavige motivering. Daaruit blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er is geen sprake van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan. ,
,
Meerwaardecreatie Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken waaronder de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren en de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. ,
,
Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 een regeling voor ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’. Een omgevingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied moet hiervoor een regeling opnemen. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als één van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals genoemd in artikel 5. 11 van de “TAM-omgevingsverordening NoordBrabant” en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. ,
,
Kwaliteitsverbetering landschap De kwaliteit van het landelijk gebied is belangrijk voor een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat en draagt daardoor bij aan de economische ontwikkeling. Om de kwaliteit in het landelijk gebied te versterken heeft de provincie Noord-Brabant het principe ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ geïntroduceerd. De provincie biedt ruimte aan een gemeente over hoe de uitvoering van dit principe wordt aangepakt. De gemeente Best heeft daartoe de “Landschapsinvesteringsregeling 2019 gemeente Best” opgesteld. Subparagaaf 3. 4. 2 geeft een nadere beschrijving van deze regeling. Elke ruimtelijke ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied moet op grond van provinciaal beleid gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap ook wel de rood-met-groen koppeling. Dit is van toepassing voor alle ontwikkelingen in het buitengebied die niet rechtstreeks passen binnen de regels van het omgevingsplan. ,
,
28 NOVEMBER 2025
,
30
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
De vormverandering van een agrarisch bouwvlak valt in categorie 2: ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing is nader toegelicht in paragraaf 4. 1. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is juridisch-planologisch gewaarborgd door een voorwaardelijke verplichting in de regels van onderhavig TAMomgevingsplan. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 5. 11 van de “TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant”. Aangezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik en meerwaardecreatie en er geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. ,
Op basis van de hiervoor genoemde aspecten kan worden geconcludeerd dat het plan aansluit bij het in de omgevingsvisie en -verordening van de provincie Noord-Brabant verwoorde en verankerde provinciale ruimtelijke beleid. BELEID WATERSCHAP Waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer watersysteembeheer beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer – waaronder grondwater – heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. ,
3. 3. 1
,
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het “Waterbeheerprogramma 2022-2027: Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving”. In het waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’ ; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem / ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt ; functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan ; wat schoon is moet schoon blijven. ,
Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer ‘weging van het waterbelang’. De watertoets moet uitwijzen of er belangen van het waterschap in het geding zijn. In paragraaf 5. 12 ,
wordt een verantwoording van het meewegen van het waterbelang gegeven.
28 NOVEMBER 2025
31
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
3. 3. 2
Waterschapsverordening De waterschapsverordening voorheen de keur is een verzameling regels die het Waterschap De Dommel hanteert om dammen dijken sloten beken rivieren gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in met of rondom het water is wet- en regelgeving uit deze verordening van toepassing. De waterschapsverordening is in werking getreden op 1 januari 2024. Deze verordening berust op artikel 2. 5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur Waterschap De Dommel 2015. Paragraaf 5. 12 zal verder ingaan op de regels van de Waterschapsverordening. ,
,
,
,
,
,
,
,
GEMEENTELIJK BELEID 3. 4. 1
Omgevingsvisie Best 2022 Op 31 januari 2022 heeft de gemeenteraad de “Omgevingsvisie Best 2040: dorp van formaat” vastgesteld. In mei 2023 is deze herzien. De omgevingsvisie is een beleidsinstrument voor de gemeente voortkomend uit de Omgevingswet. In de omgevingsvisie zijn drie integrale kernopgaven ,
geformuleerd: ruimte voor comfortabel wonen ; versterken van de groene leefomgeving ; accommoderen van een vitale en schone economie.
Op basis van het toekomstbeeld en de kernopgaven is een integraal ontwikkelperspectief voor de fysieke leefomgeving opgesteld waarin tien ruimtelijke keuzes voor de fysieke leefomgeving worden onderscheiden: 1. gezonde duurzame en vitale wijken ; 2. een multifunctioneel en bruisend dorpshart ; 3. hoogwaardige groenstedelijke dorpsuitbreiding ; 4. een gezonde groenstructuur ; 5. buitengebied in balans ; 6. toekomst bestendige werklocaties ; 7. multimodaal bereikbaar ; 8. ruimte voor duurzame energie ; 9. ruimte voor cultuur een activiteiten ; 10. beschermen cultuurhistorische waarde. ,
De gemeente heeft onder andere voor het buitengebied een gebiedsgerichte vertaling in de omgevingsvisie opgenomen. Best kent een veelzijdig buitengebied met verschillende landschappelijke typologieën zoals heide bos weilanden en vennen. Aan de noord- west- en oostrand van de woonkern Best liggen de agrarische gronden waar men van oudsher brood verdiende met landbouw en veehouderij. Door uiteenlopende ontwikkelingen (zoals schaalvergroting en specialisatie) is het karakter van dit agrarische gebied veranderd. Tegelijkertijd weerspiegelen de langgevelboerderijen de buurtschappen en de verkavelingsstructuur een rijke historie. De intensieve vormen van voedselproductie trekken een wissel op het landschap de natuur bodemkwaliteit en volksgezondheid. De gemeente wil het gebruik van het buitengebied meer in balans brengen met het natuurlijke systeem. Om die reden wordt ingezet op de transitie naar een ‘natuurinclusief’ landbouw- en voedselsysteem gebaseerd op gesloten kringlopen. Historisch waardevolle ruimtelijke structuren bebouwing en landschap worden beschermd en bieden uitgangspunten voor verdere ruimtelijke ontwikkeling. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
28 NOVEMBER 2025
32
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Onderhavig plan betreft de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. Initiatiefnemer wil de bedrijfsvoering verder verduurzamen door de dieren op het bedrijf meer leefruimte te bieden in het kader van dierenwelzijn. Dit past binnen de (ruimtelijke) uitgangspunten van de gemeente voor het buitengebied. Door de gewenste wijzigingen in de bedrijfsvoering en de omschakeling van het houden van vleeskuikenouderdieren naar vleeskuikens heeft deze ontwikkeling bovendien een positief effect op de omgeving. De emissies met betrekking tot onder andere ammoniak geur en fijnstof worden teruggedrongen. Ook wordt de groene leefomgeving versterkt door een verdere landschappelijke inpassing van het bedrijf. ,
3. 4. 2
Landschapsinvesteringsregeling 2019 gemeente Best De gemeente Best staat open voor nieuwe initiatieven (‘nodigt uit’) maar stelt tegelijk eisen aan (het behoud en de versterking van) de omgevingskwaliteit. Ruimtelijke initiatieven in het buitengebied dienen bij te dragen aan de voorgestane kwaliteitsverbetering van het landschap: ‘voor wat hoort wat’. De “Landschapsinvesteringsregeling 2019 gemeente Best” geldend vanaf 19 november 2022 vormt hiervoor de basis. Deze beleidsregel is van toepassing op ontwikkelingen die op basis van de regels van het omgevingsplan niet direct zijn te vergunnen. Naast feitelijke investeringen bij voorkeur te realiseren op de locatie zelf of in de nabijheid kan ervoor worden gekozen om (aanvullend) een geldbedrag te storten in het gemeentelijke fonds voor kwaliteitsverbetering van het buitengebied. ,
,
,
,
,
Niet alle ontwikkelingen hebben een even grote negatieve impact op de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Bovendien is een onderscheid te maken tussen ontwikkelingen die thuishoren in het buitengebied en ontwikkelingen die dat minder doen. Rekening houdend met de impact op de omgeving worden drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen. Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering wordt vormgegeven door een goede landschappelijke inpassing en een extra bijdrage. De vormverandering van een agrarisch bouwvlak valt in categorie 2. Het gaat hierbij om ontwikkelingen die een relatief beperkte invloed op de omgeving hebben en (traditioneel) als passend binnen en eigen aan het landelijk gebied worden beschouwd. Het ruimtelijk effect van deze categorie ontwikkelingen blijft veelal beperkt tot het eigen erf en heeft slechts in een aantal gevallen een beperkt visueel-ruimtelijk effect op de directe omgeving. Van deze ontwikkelingen wordt alleen verlangd dat deze op eigen terrein goed landschappelijk worden ingepast.
Landschappelijke inpassing betekent een zodanige vormgeving en inpassing dat deze is afgestemd op bestaande dan wel nog te ontwikkelen ruimtelijke natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten. Landschappelijke inpassing vindt plaats op of aansluitend aan het bouwvlak. Als al sprake is van afdoende bestaande voorzieningen kan daarmee ook worden volstaan. ,
28 NOVEMBER 2025
33
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Aan deze vorm van kwaliteitsverbetering worden geen kwantitatieve normen gekoppeld waaraan voldaan moet worden maar worden enkele kwalitatieve eisen gesteld: De landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd op basis van een landschappelijk inrichtingsplan waaruit duidelijk blijkt hoe en met welke (natuur- en landschaps)elementen de landschappelijke inrichting wordt vormgegeven. Middels een overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer wordt de realisatie van het landschappelijk inrichtingsplan financieel juridisch en feitelijk verzekerd. Duurzame instandhouding beheer en onderhoud van de landschappelijke inpassing vormen ook aspecten die in deze overeenkomst worden vastgelegd. Als de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt met een omgevingsplan wordt hierin een voorwaardelijke verplichting opgenomen die de realisatie instandhouding en het onderhoud van het landschappelijk inrichtingsplan verzekert. De landschappelijke inpassing moet voldoen aan nadere eisen bijvoorbeeld het toepassen van inheemse soorten. ,
,
,
,
,
,
,
Bij de vormgeving en invulling van de landschappelijke inpassing wordt gekeken naar de algehele situering van bouwvlak en niet alleen naar wat er door de desbetreffende ruimtelijke ontwikkeling wordt toegevoegd of veranderd. Door tuin- & landschapsarchitect ir. Guido W. F. M. Paumen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld aan de hand van de hiervoor genoemde eisen. Dit komt uitgebreid aan bod in paragraaf 4. 1. De realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing is door middel van een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan. ,
28 NOVEMBER 2025
34
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
LANDSCHAPPELIJKE CULTUURHISTORISCHE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN ,
LANDSCHAP Onderhavig pluimveebedrijf is gelegen in een gebied met van oudsher door houtwallen omzoomde kleinschalige percelen akkerland en grasland tussen de nederzettingen Straten en Aarle. Deze ,
situatie duurde voort tot in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Het kleinschalige en versnipperde karakter vormde de aanleiding om een ruilverkaveling door te voeren in de jaren ’80. In het kader van deze ruilverkaveling werd de Kapelweg aangelegd en werd er ook bebouwing binnen het projectgebied gerealiseerd. Het projectgebied is tamelijk verscholen gesitueerd. Het zicht op het bedrijf wordt sterk beperkt door de beplanting en bebouwing van de buurerven. Ook binnen het projectgebied is veel beplanting aanwezig waaronder: een lage haag van Prunus lusitana langs de oprit een rij lindes de tuin met siergroen en enkele goed in het landschap passende bomen een groensingel aan de oostzijde van het bedrijf bestaande uit inheemse struiken (veldesdoorn hazelaar liguster) en bomen (eik berk en lijsterbes) een rij jonge notenbomen (zaailingen) een bomengroep (eik en berk). ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
De aanwezige beplanting wordt goed beheerd en verkeert in goede conditie. In 2017 is een beplantingsplan opgesteld in het kader van de realisatie van stal H aan de westzijde van het erf. Dit plan voorziet in een passende omzoming van het bedrijf. De beplanting is nog niet aangeplant omdat de realisatie van de genoemde stal is uitgesteld. In het beplantingsplan is tevens vastgelegd dat de aanwezige paardenkastanjes voor gebouw D mogen worden gerooid ten behoeve van de aanleg van de verhardingen. ,
Door tuin- & landschapsarchitect ir. Guido W. F. M. Paumen is het landschappelijk inpassingsplan in het kader van de nieuwe – in onderhavig rapport omschreven – ontwikkelingen herzien. Hierbij wordt rekening gehouden met de hiervoor omschreven historisch gegroeide landschapsstructuur de abiotische omstandigheden ter plaatse en de bestaande ruimtelijke kwaliteit. Ook zijn bedrijfsmatige overwegingen van belang voor de landschappelijke inpassing. Figuur 4. 1 op de volgende pagina betreft een overzicht van de landschappelijke inpassing. Het complete plan is als bijlage 5 bij deze onderbouwing gevoegd. ,
,
,
Op het voorerf worden geschoren hagen
bestaande uit hulst en een bomenrij van haagbeuken toegevoegd. De haag is in stand te houden op een hoogte van 80 tot 90 centimeter. De haagbeuken mogen worden opgekroond tot een hoogte van 400 centimeter. Aan de bomengroepen aan de achterzijde van het bedrijf worden enkele nieuwe bomen (essen en haagbeuken) toegevoegd om deze groepen te verduurzamen. Ter plaatse van de nieuwe stal wordt de rij notenbomen in westelijke richting verlengd. Alle bomen aan de achterzijde van het bedrijf mogen geleidelijk worden opgekroond tot een hoogte van 350 tot 400 centimeter. Het is de wens dat deze bomen zich parkachtig gaan ontwikkelen. ,
,
,
28 NOVEMBER 2025
35
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Verder wordt aan de westzijde van het bedrijf een strook struweel aangeplant met soorten als Drents krenteboompje rode kornoelje hazelaar vuilboom en Gelderse roos. De strook struweel mag eenmaal per 5 tot 7 jaar voor 50% worden afgezet. Overigens worden in de beschermingszones van de drinkwater- en riooltransportleiding geen diepwortelende bomen geplant. ,
,
,
,
Figuur 4. 1 Overzicht landschappelijke inpassing bedrijf Kapelweg 27 Best
De geplande infiltratiezone ten zuiden van de stallen zal in westelijke richting worden vergroot. Doelstelling is conform het inpassingsplan uit 2017 dat het hemelwater spoedig na de neerslag volledig infiltreert om zo het aantrekken van watervogels te beperken en hierdoor het risico op overdracht van ziektes te minimaliseren. ,
,
,
28 NOVEMBER 2025
36
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE In bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet is de definitie van cultureel erfgoed opgenomen. Dit archeologische vindplaatsen historische stads- en dorpsgezichten omvat monumenten cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed zoals beschreven in artikel 1. 1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet regelt het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is verplicht om bij de belangenafweging de aspecten van historische (steden)bouwkunde en historische geografie te betrekken zowel voor beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De bescherming van erfgoed wordt verder geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5. 130 lid 1). Dit geldt ook voor het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed (artikel 5. 131 Bkl). ,
,
,
,
,
,
De gemeente kan lokale regels stellen over archeologisch onderzoek (artikel 5. 130 lid 3 4 en 5 Bkl). Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of om ze deskundig te laten opgraven. Het archeologisch onderzoek kan verschillende vormen aannemen. Voor de bescherming van het landschap geldt in Nederland het Europees landschapsverdrag dat erkent dat landschappen een integraal onderdeel vormen van de fysieke leefomgeving. Artikel 1. 2 lid 1 sub g van de Omgevingswet classificeert ‘landschappen’ als een onderdeel van de fysieke leefomgeving. Het landschapsbeleid kan worden vastgelegd in een omgevingsvisie door het Rijk provincie of gemeente. ,
,
,
4. 2. 1
Archeologie
Conform het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van het projectgebied sprake van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ (gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemming(en) indien en voor zover het een bouwplan betreft: a. met een oppervlakte van maximaal 500 m 2 of ; b. met een oppervlakte groter dan 500 m 2 en een verstoringsdiepte van minder dan 03 meter ten opzichte van het maaiveld. ,
,
,
De maaiveldhoogte ter plaatse van de nieuwbouw varieert van 039 meter tot 068 meter onder het peil van de stalvloeren. Het terrein en de omgeving zijn relatief vlak. Onder de vloeren van de uitlopen wordt de zode als bovenlaag verwijderd. Daarop wordt grondverbetering aangebracht. Dit is noodzakelijk om voldoende vloerhoogte te bereiken. Dit betekent dat alleen ter plaatse van de funderingen dieper gegraven zal worden dan 03 meter onder het maaiveld. ,