26021.04 - Toelichting (Motivering) TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 (A)
Tekst van het document
Uitspraken afdeling bestuursrechtspraak Raad van State inzake intern salderen Op 18 december 2024 heeft de AbRS twee uitspraken gedaan waardoor het beoordelingskader bij intern salderen wijzigt (ECLI:NL:RVS:2024:4923 ECLI:NL:RVS:2024:4909). Uit de uitspraken ,
,
,
,
,
,
blijkt dat intern salderen aangemerkt wordt als mitigerende maatregel. Daarmee kan intern salderen niet langer ingezet worden in de voortoets omdat significante gevolgen niet op voorhand uit te sluiten zijn. Dit betekent dat er bij intern salderen een passende beoordeling opgesteld dient te worden en dat intern salderen in het projectspoor vergunningplichtig is. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor intern salderen beperkter geworden. ,
28 NOVEMBER 2025
57
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Update AERIUS Regelmatig wordt er een update doorgevoerd van rekenmodel AERIUS Calculator. Bijlage II bij artikel 1. 4 van de Omgevingsregeling wordt na elke update aangepast. Het is na elke update van het rekenmodel verplicht om stikstofdepositie te berekenen met rekenmodel AERIUSCalculator met de nieuwste versie.
Om inzicht te krijgen in het effect van de beoogde veranderingen is er een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij deze motivering gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat er op stikstofgevoelige gebieden in de aanlegfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 000 mol per hectare per jaar. Hierdoor is duidelijk dat er geen significant negatieve effecten ,
optreden binnen Natura 2000-gebieden met de realisatie van de overdekte uitlopen aan de bestaande stallen met de nieuwbouw van stal H en met de aanleg van waterberging en beplanting op het perceel aan de Kapelweg 27 in Best. De beoogde gebruiksfase veroorzaakt een (flink) lagere depositie op natuur in de wijde omgeving. De overige functies / gebruiksactiviteiten die zijn toegestaan blijkens de functieomschrijving (waaronder aan huis verbonden beroepen nevenactiviteiten en extensief recreatief medegebruik) zijn hierin niet meegenomen. De effecten van deze activiteiten zijn nihil te noemen en hebben daarmee geen effect op natuur die op grote afstand is gelegen. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan en de realisatie van de nieuwbouw. ,
,
,
,
,
Door de hiervoor genoemde uitspraak van 18 december 2024 is er voor de beoogde situatie op het bedrijf aan de Kapelweg 27 een vergunningplicht voor wat betreft effecten op natuur. Met voorgaande motivatie is het aspect ‘gebiedsbescherming’ in het kader van de uitvoerbaarheidstoets voldoende kwalitatief beoordeeld. Hierna worden enkele aspecten benoemd die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de beoogde bedrijfssituatie. ,
,
Voortoets In een voortoets wordt beoordeeld of het project op zichzelf significante gevolgen op natuur kan hebben. Er is in de beoogde situatie sprake van het houden van vleeskuikens waarbij er intern wordt gesaldeerd met de vergunde situatie voor het houden van vleeskuikenouderdieren. Uit de projectberekening blijkt dat er in de beoogde situatie stikstofeffecten op natuur kunnen plaatsvinden. Passend beoordelen De voor het bedrijf op 7 juli 2016 verleende vergunning in het kader van de voormalige Wet natuurbescherming kan worden ingezet als referentiesituatie. Door de bedrijfswijziging is er een afname van de stikstofemissie op het bedrijf van 80%. Daarmee blijkt dat er geen significant negatief effect op natuur zal optreden indien de referentiesituatie wordt ingezet als mitigerende maatregel. Deze mitigerende maatregel is onlosmakelijk verbonden met de beoogde bedrijfssituatie. ,
,
,
Bij het wijzigen van het omgevingsplan wordt een vergelijking gemaakt met de feitelijk legaal aanwezige situatie als referentie. Uit bijlage 9 ‘Onderzoek stikstofdepositie’ blijkt dat de beoogde ruimtelijke situatie geen significant negatief effect heeft op natuur ten opzichte van de huidige feitelijke en legale situatie op het bedrijf.
28 NOVEMBER 2025
58
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Additionaliteit Met de investeringen in emissiebeperking en met het wijzigen van de diercategorie maakt het bedrijf grote stappen op het gebied van emissiebeperking en dierenwelzijn. Provincie Noord-Brabant is als bevoegd gezag al langere tijd bezig met maatregelen om eventueel negatieve effecten op natuur te beperken of te voorkomen. Zij kan de stand van zaken van die maatregelen zelf het beste in beeld brengen. Zij moet ook een plan programma of pakket van maatregelen hebben die uitvoering geeft aan artikel 6 eerste en tweede lid van de Habitatrichtlijn. Het bedrijf aan de Kapelweg 27 levert hier met de beoogde situatie een bijdrage aan door het verlagen van de stikstofemissie. Welke instandhoudings- en / of passende maatregelen er voor natuur worden getroffen ligt echter niet bij een individueel plan of project maar is project overstijgend en moet landelijk en / of provinciaal ingevuld worden om aan het additionaliteitsvereiste te voldoen. ,
,
,
Indien de beoogde situatie geen doorgang kan vinden dan zal de vergunde situatie op het bedrijf in stand blijven met een hoge bedrijfsemissie tot gevolg. Dat is voor alle betrokkenen een ongewenste situatie en niet gunstig voor de staat van instandhouding van natuurwaarden in de omgeving. ,
,
5. 9. 2
Gebiedsbescherming: Natuurnetwerk Nederland De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is in 1990 in het leven geroepen om de achteruitgang van de natuur in Nederland een halt toe te roepen. De EHS wordt gedefinieerd als ‘het samenhangend netwerk van in (inter)nationaal opzicht belangrijke duurzaam te behouden ecosystemen’. Uit deze definitie wordt duidelijk welk doel de EHS moet dienen namelijk: het duurzaam behouden van ecosystemen die in nationaal of zelfs internationaal opzicht belangrijk zijn. Het middel om dat doel te bereiken is het tot stand brengen van een samenhangend netwerk van natuurgebieden met daartussen ecologische verbindingen. In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid de naam Natuurnetwerk Nederland (NNN) gaat gebruiken in plaats van Ecologische ,
,
Hoofdstructuur. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027 80. 000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten ‘panEuropees Ecologisch Netwerk (PEEN)’ vormen. ,
NNN-gebieden worden beschermd wanneer zij tevens zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving of wanneer in het gebied een activiteit wordt opgericht of uitgebreid. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt binnen het NNN het ‘nee tenzij’-principe. Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten het netwerk kan dit aantasting geven van de ecologische waarden binnen het NNN. Dit is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling een negatief effect heeft op de waarden van het NNN vanwege geluid licht of betreding. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld ook schaduwwerking windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een natuurgebied – waardoor migratie niet langer mogelijk is – kan negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden. In de omgeving van het bedrijf zijn enkele natuurgebieden gelegen (zie figuur 5. 8 op de volgende pagina). ,
,
,
28 NOVEMBER 2025
,
59
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Figuur 5. 8 Kaart Natuurnetwerk Nederland (EHS) , bron: www. atlasleefomgeving. nl (
= planlocatie)
Onderhavige ontwikkeling betreft het wijzigen van het bouwvlak ten behoeve van het realiseren van overdekte uitlopen aan de pluimveestallen in verband met dierenwelzijn en de ontwikkeling naar een toekomstbestendige en duurzame veehouderij. Het projectgebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het vormt ook geen verbinding tussen twee of meerdere gebieden. Er is dus geen sprake van versnippering van het samenhangende netwerk. De afstand van het bedrijf tot de natuurgebieden sluiten negatieve effecten op het NNN uit.
Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Bovendien is ingeval van omschakeling van vleeskuikenouderdieren naar vleeskuikens sprake van een behoorlijke afname van de ammoniakemissie (zie subparagraaf 5. 9. 1). Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt niet noodzakelijk geacht. Met voorgaande motivatie is het aspect ‘gebiedsbescherming’ in het kader van de uitvoerbaarheidstoets voldoende kwalitatief beoordeeld. ,
,
,
,
28 NOVEMBER 2025
,
60
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
5. 9. 3
Soortenbescherming Artikel 5.1 tweede lid onder g van de Omgevingswet bepaalt dat het verboden is een flora- en faunaactiviteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder een flora- en fauna-activiteit wordt verstaan: een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten (bijlage bij artikel 1. 1. Omgevingswet). Een ecologisch onderzoek moet uitwijzen of een activiteit gevolgen heeft voor dieren of planten. Als er negatieve gevolgen zijn dan houdt dat in dat er sprake is van een flora- en fauna-activiteit. Een omgevingsvergunning mag in dat geval alleen worden verleend als het voldoet aan de beoordelingsregels van artikel 8. 74 lid j van het Besluit kwaliteit ,
,
leefomgeving. Voor de nieuwbouw van stal H is in 2017 op onderhavige locatie reeds een ‘Quickscan Flora en Fauna’ uitgevoerd door De Groene Ruimte BV (datum 10 februari 2017 projectnummer 16743). Dit onderzoek is als bijlage 10 opgenomen bij deze onderbouwing. Uit het onderzoek komen de volgende bevindingen naar voren: Vogels: door de ingreep worden geen jaarrond beschermde nesten verstoord of vernietigd ; bij kort houden van de vegetatie is er ook geen kans op grondbroeders. Zoogdieren: door de ingreep worden geen vaste verblijfplaatsen ook geen foerageergebieden van beschermde soorten verstoord. Overige soorten: door de ingreep worden geen streng beschermde soorten of verblijfplaatsen verstoord of vernietigd. ,
,
,
Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning wordt de quickscan geactualiseerd. De verwachting is dat er geen grote verschillen zullen optreden ten opzichte van het eerdere rapport aangezien de uitlopen aan de bestaande stallen op het agrarische erf worden gerealiseerd – zoals dat in 2017 ook het geval was. De uitloop aan stal H wordt gebouwd op agrarische cultuurgrond wat intensief gebruikt wordt als grasland. Zoals reeds bij het onderzoek uit 2017 is aangegeven wordt de vegetatie kort gehouden.
,
,
,
Voor wat betreft de realisatie van de nieuwbouw op het bedrijf zijn er geen effecten op jaarrond beschermde vogelsoorten te verwachten. Wel zijn enkele broedvogels te verwachten in de opgaande vegetatie aan de randen van het projectgebied. Werkzaamheden worden om die reden buiten het broedseizoen (globale richtlijn 15 maart – 15 juli) uitgevoerd. Verstorende werkzaamheden zijn zo beperkt mogelijk (algemene zorgplicht). Ook materialenopslag bouwketen etc. zullen geen verstorend effect hebben binnen of buiten het projectgebied. Op vleermuizen en grondgebonden zoogdieren zijn eveneens geen effecten te verwachten. Ter plaatse bevinden zich geen verblijfplaatsen van vleermuizen en het gebied is ook niet geschikt als foerageergebied. Het grasland rondom het erf is geen leefgebied voor de das. Effecten op amfibieën en vissen zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het gebied uitgesloten. Dit geldt ook voor vlinders libellen en ,
,
,
juffers. Vanuit de soortenbescherming zijn er geen belemmeringen te verwachten voor de voorgenomen ingreep. Met voorgaande motivatie is het aspect ‘soortenbescherming’ in het kader van de uitvoerbaarheidstoets voldoende kwalitatief beoordeeld. Het landschapsinrichtingsplan voorziet in de aanleg van nieuwe erfbeplanting en een infiltratiezone. Deze maatregelen dragen bij aan een verhoging van de ecologische waarden ter plaatse zoals beschutting nestgelegenheid uitkijkpost geleidingsroute en voedsel voor kleine zoogdieren vogels amfibieën libellen en andere ongewervelden. ,
,
,
,
,
28 NOVEMBER 2025
,
,
,
,
61
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
5. 9. 4
Bescherming houtopstanden Houtopstanden die onder de werking van de Omgevingswet vallen mogen alleen worden gekapt als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De kap moet van te voren worden gemeld bij Gedeputeerde Staten van de provincie. Na de (gemelde) kap dient de eigenaar van de houtopstand ervoor te zorgen dat drie jaar na het kappen van het bos hetzelfde areaal bos aanwezig is in de vorm van jonge beplanting. Provinciale Staten kunnen in een verordening regels stellen over het indienen van de melding en over de wijze waarop moet worden herbeplant. Het kappen van beschermde bomen is in onderhavige situatie niet aan de orde. ,
,
LICHTHINDER De nieuw te bouwen overdekte uitlopen worden alleen tijdens de dagperiode gebruikt. Daarnaast wordt door het realiseren van de landschappelijke inpassing de lichtuitstraling van het bedrijf op het omringende open landschap beperkt. Significante veranderingen ten aanzien van de nachtelijke lichtuitstraling zijn dan ook niet te verwachten. ,
,
KABELS EN LEIDINGEN In verband met onder andere graafschade moet er bij bouwprojecten worden vastgesteld of de aanwezigheid van kabels en / of (buis)leidingen risico’s met zich meebrengen. Ook zijn bijvoorbeeld elektriciteitskabels voor het hoog- en middenspanningsnet langs het spoor aangewezen (artikel 9. 20 Bal). Om te bepalen of er sprake is van enige belemmering voor onderhavig initiatief door de aanwezigheid van kabels en leidingen moet de afstand tot de dichtstbijzijnde kabels en leidingen worden bepaald. ,
,
De beoogde ontwikkeling wordt beoordeeld via de regels in (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan. In het omgevingsplan is te zien dat binnen en in de nabijheid van het projectgebied enkele planologisch relevante leidingen aanwezig zijn. Ten westen van het bedrijf is een hogedruk aardgasleiding van de Gasunie gelegen. Dit is in paragraaf 5. 4 reeds uitgebreid aan de orde geweest. Verder bevinden zich binnen het projectgebied een waterleiding en een rioolleiding. Deze leidingen zijn aan de voorzijde van het perceel gelegen. De nieuwe overdekte uitlopen maar ook de nog te plaatsen mantelzorgwoning worden op ruim voldoende afstand van de leidingen en de bijbehorende belemmeringen- en werkstroken gerealiseerd. Vanuit het aspect ‘kabels en leidingen’ zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,
,
WEGING VAN HET WATERBELANG In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. In paragraaf 3. 1 van onderhavige onderbouwing is reeds het waterbeleid op Rijksniveau besproken en in paragraaf 3. 3 het beleid van Waterschap De Dommel.
Onder de Omgevingswet is het wettelijk verplicht om in het kader van het Bkl artikel 5.37 lid 1 een ‘weging van het waterbelang’ uit te voeren (voorheen: watertoets). Hierdoor wordt rekening ,
,
,
gehouden met water en watervoorzieningen in ruimtelijke plannen. Dit vermindert de kans op natte voeten door een overstroming of een hoge grondwaterstand. Het plan mag geen vervuiling geen ,
28 NOVEMBER 2025
62
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
wateroverlast of het droger worden van de omgeving veroorzaken. In de navolgende subparagrafen wordt nader ingegaan op deze aspecten. 5. 12. 1
Hydrologisch neutraal ontwikkelen Bouw of uitbreiding van woningen bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico's voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. ,
,
,
,
28 NOVEMBER 2025
63
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. opnieuw gebruiken ; 2. vasthouden / in laten trekken in de grond ; 3. water bergen ; 4. afvoeren naar sloten of rivieren ; 5. afvoeren naar een riool. ,
In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (artikel 2.2 vijfde lid). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel “Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater Brabantse waterschappen”. ,
,
,
Het verbod uit artikel 2. 2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij: het afkoppelen van het bestaand verhard oppervlak maximaal 10. 000 m² is of ; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m² is of ; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak of ; de toename van het verhard oppervlak meer dan 500 m² en maximaal 10. 000 m² bedraagt en er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x < gevoeligheidsfactor > x 006 (in m). ,
,
,
,
,
Daarbij dient de bergingsvoorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen ; de afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha ; de afvoer uit de voorziening dient via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaats te vinden ; indien een afvoerconstructie wordt toegepast dient deze een diameter van 4 centimeter te hebben ; daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. ,
,
Binnen het projectgebied is sprake van een substantiële toename van bebouwing en/of verharding als gevolg van de gewenste ontwikkelingen. Door deze toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met mogelijke wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename moeten er in het desbetreffende peilgebied compenserende maatregelen getroffen worden in de vorm van extra waterberging en/of infiltratie van hemelwater in de bodem. ,
28 NOVEMBER 2025
64
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
De verandering van het klimaat heeft gevolgen voor de veiligheid de economie en de gezondheid van onze inwoners. Hevige buien veroorzaken schade en overlast. Langdurige droge periodes veroorzaken hittestress met name in stedelijke gebieden. Een slim ingerichte ruimtelijke inrichting helpt deze steeds vaker voorkomende weersextremen het hoofd te bieden. Het uitgangspunt hierbij is om water lokaal op te slaan tijdens (extreme) buien zodat het vervolgens gebruikt kan worden in droge perioden. Voorbeelden van maatregelen die hierbij helpen zijn wadi's waterdoorlatende verharding op bijvoorbeeld parkeervakken waterbergende wegen en opslag in infiltratiekratten. ,
,
,
,
,
Zoals hiervoor is aangegeven hanteert het waterschap een bergingseis van 60 mm. De gemeente Best gaat echter uit van 70 mm. Met deze eis wordt dan ook gerekend. De gewenste realisatie van de overdekte uitlopen stal H en de mantelzorgwoning leidt tot een toename van verhard oppervlak met circa 4. 000 m². Bovendien wordt de erfverharding uitgebreid ter plaatse van de voorzijde van de stallen (circa 295 m²). De nieuwe inrit en de nieuw aan te leggen parkeerplaatsen bestaan uit ,
,
halfverharding. De locatie aan de Kapelweg 27 ligt in een gebied met gevoeligheidsfactor 1. Dit betekent dat het een vrij nat gebied betreft waar alleen volledige compensatie volstaat. De inhoud van de compenserende waterberging is als volgt berekend: ,
Benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) 007 (in m) = 4. 295 x 1 x 007 = 300 m³. ,
x < gevoeligheidsfactor > x
,
Er dient een waterberging gerealiseerd te worden van circa 300 m³. Ten zuiden van de stallen wordt een infiltratiezone aangelegd. De waterberging moet boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) liggen. De GHG bedraagt ter plaatse van de beoogde infiltratiezone grotendeels 60 – 80 centimeter onder maaiveld. Aan de westzijde is sprake van een GHG van 40 – 60 centimeter onder maaiveld Voor het ontwerp van de infiltratiezone wordt uitgegaan van een GHG van gemiddeld 60 centimeter. De waterberging moet steeds droogvallen (infiltratie of overloop) omdat van belang is dat er geen (wilde) watervogels worden aangetrokken in verband met het risico op overdracht van vogelgriep. ,
Aangezien de bebouwing behoorlijk hoger ligt dan het omliggende maaiveld wordt ervoor gekozen rondom de infiltratiezone een verhoging van circa 40 centimeter aan te leggen wat leidt tot extra waterberging. De infiltratiezone krijgt een oppervlakte van circa 350 m² waarmee voldoende compenserende waterberging is gerealiseerd. De exacte afmetingen worden na de bouw van stal H nader in het veld bepaald. Daarbij zal rekening worden gehouden met de exacte grondwaterstanden. In de regels wordt geborgd dat er voldoende compenserende waterberging (300 m³) wordt gerealiseerd. ,
,
De infiltratiezone is weergegeven op het bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 5). Bij extreme regengeval wordt het water in deze wadi vastgehouden geïnfiltreerd in de bodem en uiteindelijk middels een overstort geloosd op de achterliggende watergang. In de regels (artikel 13.7) behorende bij dit TAM-omgevingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren van voldoende compenserende waterberging in overeenstemming met het gemeentelijk beleid en de Waterschapsverordening. ,
,
,
28 NOVEMBER 2025
65
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
5. 12. 2
Waterkwaliteit In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn omgevingswaarden voor waterkwaliteit vastgesteld waaraan getoetst moet worden. In het Bkl wordt er onderscheid gemaakt tussen oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen. Voor onderhavig initiatief zijn enkel grondwaterlichamen relevant. In de artikelen 2. 13 en 2. 14 van het Bkl zijn omgevingswaarden vastgesteld voor respectievelijk een ‘goede kwantitatieve toestand’ en een ‘goede chemische toestand’. In de Waterschapsverordening van Waterschap De Dommel wordt dit geborgd in artikel 1. 13. Het is niet de verwachting dat door de uitbreiding van onderhavig agrarisch bedrijf de chemische en kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam achteruitgaan. ,
,
Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van de Waterschapsverordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen wateroverlast en waterschaarste ; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen ; ,
en
de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe ‘eerst schoonhouden dan scheiden dan pas zuiveren’ een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. ,
,
,
,
,
,
,
Het ‘schone’ hemelwater van het erf en de daken wordt bij onderhavig plan niet afgevoerd via het riool maar via dakgoten straatkolken en ondergrondse hemelwaterafvoeren naar de infiltratiezone en de watergangen rondom het bedrijf. Dit heeft als voordelen dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie niet wordt belast en dat er minder of geen overstorten van het riool zullen plaatsvinden bij hevige buien. Doordat het schone hemelwater niet in contact komt met bedrijfsprocessen raakt het niet vervuild en kan het rechtstreeks afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. Bovendien wordt het erf na werkzaamheden gereinigd om te voorkomen dat hemelwater in contact komt met vervuilende stoffen als mest voeders etc. ,
,
,
,
5. 12. 3
,
Leidingen Door het plangebied loopt een rioolwatertransportleiding van het waterschap. Ook is er een drinkwaterleiding aanwezig. Zoals in paragraaf 1. 3 reeds is aangegeven geldt ter plaatse van deze leidingen de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ of ‘Leiding – Water’. Onlangs heeft het waterschap de ligging van de rioolleiding opgegraven waaruit is gebleken dat de feitelijke ligging overeenkomt met de ligging zoals deze is weergegeven op de verbeelding bij het vigerende bestemmingsplan. ,
,
,
28 NOVEMBER 2025
66
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Het is noodzakelijk deze leidingen te beschermen. Voor inspectie onderhoud vervanging en dergelijke moeten de leidingen toegankelijk zijn. Voor de bescherming van riooltransportleidingen hanteert het waterschap veelal een zone van 70 meter: 35 meter aan weerszijden van het hart van de leiding. Dat is een meter meer dan in het vigerende bestemmingsplan is opgenomen. Vergroting van de belemmeringenstrook is nodig als gevolg van de toenemende omvang van machines die gebruikt worden voor de werkzaamheden. Voor ingrijpende werkzaamheden (bijvoorbeeld bij vervanging) is soms een werkstrook nodig of gewenst van 15 meter: 75 meter aan weerszijden van het hart van de leiding. ,
,
,
,
,
,
De belemmeringenstrook is ook in het belang van de veiligheid van de eigenaar ingeval van een calamiteit met betrekking tot de leiding of ter voorkoming van schade aan gebouwen bij toegang tot of werken aan de leiding. Deze belemmeringenstrook wordt dan ook op de juiste wijze geborgd in onderhavig omgevingsplan. De nieuwe overdekte uitlopen en de mantelzorgwoning worden op voldoende afstand van de leidingen en de bijbehorende belemmeringen- en werkstroken gerealiseerd. ,
,
DUURZAAMHEID Voor de Nederlandse veehouderij heeft verdere verduurzaming van de productie hoogste prioriteit. Het streven is een duurzame veehouderij met draagvlak in de samenleving. Centraal in die verduurzaming staan onderwerpen als dierenwelzijn diergezondheid volksgezondheid en milieu. Maar ook de maatschappelijke en landschappelijke inpassing van bedrijven heeft volop de aandacht. Het gezamenlijke doel is een toonaangevende integraal duurzame veehouderij die concurrerend produceert met respect voor mens dier milieu en omgeving. Integraal wil zeggen met aandacht voor alle aspecten van de bedrijfsvoering dus naast het dierenwelzijn ook de diergezondheid het milieu het energiegebruik en de arbeid. Eén van de marktconcepten rondom duurzaamheid is het ‘Beter Leven keurmerk (‘sterrenvlees’) van de Dierenbescherming. Zoals in hoofdstuk 3 reeds omschreven is wenst initiatiefnemer conform dit concept te gaan produceren: het ontwikkelen van een veehouderij die dierlijke producten en andere economisch en maatschappelijk gewenste waarden levert die vol te houden is en niet te koste gaat van mens en dier of van de mogelijkheden van toekomstige generaties. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Er is voor gekozen om de nieuwe stal H op te zetten aan de hand van de eisen uit de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) wat betekent dat diverse bovenwettelijke maatregelen worden getroffen. De MDV bevordert duurzame innovaties in de veehouderij. Stallen die voldoen aan de criteria van de MDV tonen betrouwbaar aan dat zij voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen van overheidsregelingen. Deze doelstellingen zijn uitgewerkt in concrete criteria op het gebied van brandveiligheid fijnstof ammoniak dierwelzijn diergezondheid omgeving en energie. ,
,
,
,
,
,
Het voldoen aan de eisen uit de MDV vraagt om meer staloppervlakte en extra investeringen die weer terugverdiend moeten worden. Daarmee wordt wel vooruit gelopen op toekomstige ontwikkelingen en is er sprake van een duurzaam bedrijf. Een bedrijf wat aansluit op de behoeften van het heden en dat het vermogen heeft om voor toekomstige generaties in behoeften te voorzien kan als duurzaam worden bestempeld. ,
28 NOVEMBER 2025
,
67
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
De te realiseren bouwwerken voldoen verder aan de huidige normen zoals gesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hierin worden verscheidene milieubrandveiligheidseisen geborgd. De vleeskuikenstallen worden voorzien en van een luchtmengsysteem in combinatie met een warmtewisselaar (OW-code HE 5. 8). Daarnaast wordt de warmtewisselaar toegepast voor de reductie van fijnstof (OW-code AP 100. 4). De beperking van de ammoniakemissie is gebaseerd op het drogen en verwarmen van de mest- / strooisellaag door middel van een onderhoudsvriendelijke warmtewisselaar in combinatie met continu draaiende circulatieventilatoren of een in hoogte verstelbaar verdelersysteem met buizen op dierniveau. Met warme ventilatielucht vanuit de stal wordt in één of meer warmtewisselaar(s) verse lucht opgewarmd. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt bij het gebruik van circulatieventilatoren boven in de nok van de stal gebracht. Vervolgens wordt deze lucht door circulatieventilatoren vermengd met warme lucht bovenin de stal en naar één of beide staluiteinden gestuwd. Via de topgevelwand(en) wordt de lucht terug over de strooisellaag geleid. Bij het gebruik van verdeelbuizen wordt de opgewarmde verse ventilatielucht via een in hoogte verstelbaar verdelersysteem gelijkmatig over de strooisellaag geleid.
Door het mengen van de stallucht wordt een gelijkmatige temperatuur in de gehele stal bereikt. De mest- / strooisellaag wordt gedroogd en de kooldioxide (CO)2 andere gassen (onder andere ammoniak) en waterdamp worden bij de dieren afgevoerd. ,
,
Daarnaast wordt onderhavig plan landschappelijk ingepast zoals in paragraaf 4. 1 is beschreven. Het inpassingsplan is zodanig opgesteld dat er verscheidene inheemse bomen en planten worden aangeplant. Daarnaast wordt aan de westzijde van het bedrijf een strook struweel aangeplant. Op deze wijze worden schuil- en broedmogelijkheden geboden aan de inheemse faunasoorten. Het biedt ruimte voor een grote soortenrijkdom en versterkt de biodiversiteit. ,
Er kan geconcludeerd worden dat er wordt voldaan aan de duurzaamheidseisen zoals verwoord in de Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) welke voornamelijk van toepassing zijn op de te realiseren bouwwerken. Daarbij voorziet de landschappelijke inpassing in het behoud en een versterking van de lokale flora en fauna en zijn hiervoor strategische beslissingen genomen ten behoeve van het versterken van de biodiversiteit. ,
,
GEZONDHEID Naar de risico’s van veehouderijen voor de gezondheid van mensen die in de omgeving van veehouderijen verblijven is recent veel onderzoek gedaan. In een uitgebreid onderzoek “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden” (VGO) in plattelandsgemeenten met veel veehouderijen wordt een verhoogd aantal luchtwegklachten en gevallen van longontsteking gerapporteerd vooral op locaties waar meerdere veehouderijen in de directe omgeving aanwezig zijn. Naar de oorzaak hiervan wordt nader onderzoek gedaan. Er wordt geen relatie gevonden met bepaalde diercategorieën met uitzondering van geitenhouderijen. In de VGO-onderzoeken wordt aangegeven dat er sinds 2014 geen verhoogde kans op longontsteking gevonden wordt bij omwonenden van pluimveebedrijven. ,
,
,
Naast eventuele negatieve effecten zijn er positieve effecten gevonden: wonen in de buurt van een veehouderij blijkt een beschermend effect te hebben op het ontwikkelen van atopie vooral op heel korte afstand van een veehouderij. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD een chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in de omgeving die wel COPD hebben daar vaker en/of ernstigere complicaties van kunnen hebben. ,
,
,
28 NOVEMBER 2025
68
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Het bedrijf aan de Kapelweg 27 ligt niet in een veedicht gebied en de afstand van het bedrijf tot omwonenden is relatief groot. Er liggen minder dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1 kilometer. In de VGO-onderzoeken wordt bij deze dichtheid geen verhoogd risico gevonden. Door de grote afstand tot andere veehouderijen waar dieren worden gehouden is er ook geen risico op onderlinge beïnvloeding wat betreft ziektedruk. De risico’s voor de gezondheid van omwonenden worden op grond van de resultaten uit de VGO-onderzoeken als zeer gering beoordeeld. ,
,
De “GGD-richtlijn medische milieukunde: Veehouderij en gezondheid” beschrijft de huidige kennis over dit onderwerp. De richtlijn is door de GGD’en ontwikkeld zodat ze op basis van dezelfde kennis over veehouderij en gezondheid kunnen adviseren. Deze informatie kan een gemeente gebruiken om de gezondheid van omwonenden mee te wegen bij beleidskeuzes voor de ontwikkeling van veehouderijen. De coördinatie van de richtlijn ligt bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu ,
(RIVM). De GGD heeft twee uitgangspunten bij haar adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen scholen en ziekenhuizen. Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur stof endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. Binnen een straal van 250 meter van het projectgebied zijn enkele gevoelige objecten aanwezig. In paragraaf 5. 3 is in het kader van een goede ruimtelijke ordening reeds onderbouwd dat er ter plaatse van omliggende gevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot fijnstof. Bovendien is er sprake van een forse afname van de emissie van ammoniak. Dit geldt ook voor de geuremissie. ,
,
,
,
Stallen stoten via hun ventilatielucht stofdeeltjes uit (fijnstof). Deze stofdeeltjes kunnen endotoxinen bevatten. Endotoxine is een deel van de celwand van bepaalde zogenaamde Gram-negatieve bacteriën en worden beschouwd als een algemene marker voor bacteriële blootstelling (Douwes et al. 2003). De endotoxineniveaus zijn gemiddeld circa 50% hoger voor meetlocaties op korte afstand van veehouderijbedrijven ( < 250 meter) dan op grote afstand van veehouderijbedrijven ( > 1. 000 meter). Concentraties op woonadresniveau zijn circa een factor 10 lager dan de ,
,
,
endotoxineconcentraties die op 100 meter van stallen van veehouderijbedrijven gemeten zijn. De jaargemiddelde endotoxineconcentraties zijn relatief laag zijn hoger wanneer de maar dichtstbijzijnde veehouderij meer nabij is of met meer veehouderijen in een straal van 1. 000 meter rond de meetlocaties. ,
Met behulp van het in Noord-Brabant beschikbare ‘Endotoxine toetsingskader’ is een adviesafstand voor onderhavige locatie bepaald. De adviesafstand bedraagt circa 218 meter. De meest nabij gelegen burgerwoning betreft de woning Hagelaarweg 15A op een afstand van circa 400 meter van de inrichting. Deze woning is dus ruimschoots buiten de adviesafstand gelegen. De bedrijfswoningen Kapelweg 38 en Kapelweg 40 bevinden zich binnen de adviesafstand van stal H. Beide bedrijfswoningen behoren tot een varkenshouderij (intensieve veehouderij) en worden ook blootgesteld aan fijnstof / endotoxine afkomstig van de eigen – dichterbij gelegen – varkensstallen. Onder de vigerende milieutoestemming bevinden deze woningen zich reeds binnen de endotoxine ,
,
adviesafstand.
28 NOVEMBER 2025
69
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Het bedrijf neemt diverse maatregelen ten behoeve van de (volks)gezondheid. Zo hebben bezoekers beperkt toegang tot het bedrijf en worden zij in een bedrijfsregister geregistreerd. Voor bezoekers is er bovendien bedrijfskleding aanwezig. De dierenverblijven en het erf worden frequent gereinigd. Ook is er een ongediertebestrijdingsplan aanwezig om de insleep van ziektes te voorkomen. Daarnaast wordt de emissie van geur fijnstof en stikstof sterk gereduceerd. ,
Het aspect (volks)gezondheid is betrokken in de ruimtelijke afweging van dit planvoornemen. Vanwege het feit dat er slechts weinig veehouderijen in de omgeving zijn gelegen is de inschatting dat er geen effecten op de volksgezondheid zijn te verwachten. Deze inschatting is gemaakt op basis van meest recente wetenschappelijke inzichten omtrent de effecten van veehouderijen op de omliggende omgeving en met de eerder beschreven (gunstige) milieueffecten in de omgeving. ,
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE De wetgeving
over de milieueffectrapportage (m. e. r) is opgenomen in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt , als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen
in artikel 16. 43 van de Omgevingswet.
Onder een plan of programma als bedoeld in artikel 2 onder a van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling) wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie programma omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-MER moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m. e. r. -procedure verplicht is. ,
,
,
,
,
,
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en / of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m. e. r. -beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m. e. r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m. e. r. -beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m. e. r. (beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m. e. r. -beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III van de EU-richtlijn m. e. r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. ,
28 NOVEMBER 2025
,
70
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Of een besluit over een plan m. e. r. -plichtig of m. e. r. -beoordelingsplichtig is kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11. 6 en 11. 8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan vervolgens de besluiten genoemd waarvoor de m. e. r. -verplichtingen ,
,
gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit wateractiviteit en dergelijke). Daarnaast kunnen de m. e. r. -verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m. e. r. -plicht of een m. e. r. -beoordelingsplicht geldt volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2 geldt een m. e. r. -plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. ,
,
,
,
,
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m. e. r. -beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is thans één m. e. r. beoordelingsprocedure: Artikel Omgevingswet: 16. 43 en 16. 88 (eerste lid onder h). Artikel Omgevingsbesluit: 11. 11. Nadere regels project-m. e. r. -beoordeling. ,
Het
bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten bedoeld in artikel 16.43 tweede lid van de wet met de bijbehorende motivering op in het besluit en voor zover hier sprake van is in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11 lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11. 11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn ; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: de kenmerken en maatregelen bedoeld in artikel 11.10 derde lid als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld ; en het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Omdat de beoogde activiteit betrekking heeft op de oprichting wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken mesten of houden van dieren moet het bevoegd gezag eerst beoordelen of bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Een milieueffectrapport is alleen nodig indien de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de bijgevoegde MER-beoordelingsnotitie is onderzocht of er sprake is van (potentiële) belangrijke nadelige milieugevolgen en is een afweging gemaakt of het doorlopen van een m. e. r. -procedure noodzakelijk is. Gebleken is dat er geen bijzondere omstandigheden aan ,
,
de orde zijn die het uitvoeren van een MER noodzakelijk maken. Hierover neemt het bevoegd gezag een separaat besluit. ,
28 NOVEMBER 2025
71
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING ALGEMEEN In onderhavige motivering is ingegaan op het projectgebied het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het juridische deel van dit TAM-omgevingsplan: de regels en de locatie. In deze juridische planbeschrijving wordt ingegaan op de opzet van dit juridische deel. ,
OPZET VAN DE REGELS 6. 2. 1
Inleidende regels In het eerste hoofdstuk van het TAM-omgevingsplan worden een aantal algemene dingen geregeld. Zo worden in artikel 1 begripsbepalingen opgenomen. Voor dit TAM-omgevingsplan zijn naast de specifieke begrippen die zijn opgenomen in artikel 1 ook de begrippen die horen bij het Omgevingsbesluit de Omgevingsregeling het Besluit kwaliteit leefomgeving het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing verklaard. De specifieke begrippen uit het TAM-omgevingsplan krijgen voorrang op de begrippen die horen bij de amvb’s als sprake is van een andere definitie. Daarnaast zijn de begrippen uit bijlage 1 van de Omgevingswet altijd van toepassing op omgevingsplannen. Begrippen die al zijn opgenomen in bijlage 1 van de Omgevingswet zijn daarom niet opgenomen in de begripsbepalingen van het TAM-omgevingsplan. ,
,
,
In artikel 2 wordt een aanvulling gedaan op de meetbepalingen uit de bruidsschat. Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze hoogtes afstanden dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. ,
,
Artikel 3 regelt specifiek het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan. Zo wordt geregeld dat het vigerende bestemmingsplan niet langer van toepassing is na inwerkingtreding van het TAMomgevingsplan. De overige onderdelen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan blijven wel in stand. Ook wordt de verhouding met de bruidsschat (afdeling 22. 2 en 22. 3) geduid. Tot slot wordt geregeld dat de locatie die is gemaakt voor het TAM omgevingsplan ook juridisch deel uitmaakt van het TAM-omgevingsplan. 6. 2. 2
Functies en activiteiten
Hoofdstuk 2 kent diverse functies toe aan de locatie en stelt regels aan activiteiten. Binnen het projectgebied zijn meerdere functies aangewezen namelijk ‘Agrarisch’ ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ ‘Leiding – Riool’ ‘Leiding – Water’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Binnen deze functie zijn een ,
,
,
,
aantal activiteiten toegestaan. Deze activiteiten staan genoemd in de artikelen 4 tot en met 8. De genoemde functies zijn gebaseerd op de gelijknamige bestemmingen in de bestemmingsplannen “Buitengebied Best 2021” (vastgesteld op 25 september 2023) en “Partiële herziening buitengebied Best” (vastgesteld op 16 december 2024) van de gemeente Best.
28 NOVEMBER 2025
72
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
Binnen de functie ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ is één functieaanduiding aangebracht te weten de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – pluimvee’. De aanduiding heeft als doel om aan te geven dat naast de uitoefening van een agrarisch bedrijf zijnde een (vollegronds)teeltbedrijf ter plaatse tevens een pluimveehouderij(tak) is toegestaan. Binnen de functie is een bouwvlak aangebracht. ,
,
,
De functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ ter plaatse van de woning is in onderhavig TAMomgevingsplan verwijderd aangezien deze ten onrechte is opgenomen. De woning (gebouwd in 1979) komt niet voor in het overzicht ‘cultuurhistorische waarden in het buitengebied van Best’. ,
In de tweede paragraaf van de artikelen 4 tot en met 8 zijn de beoordelingsregels voor bouwwerken binnen de betreffende functies geformuleerd. Bouwen is enkel toegestaan indien voldaan is aan de hier genoemde beoordelingsregels. Verder bevatten de artikelen 4 tot en met 8 indien aan de orde specifieke regels over functies maatwerkvoorschriften omgevingsplanactiviteiten en beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk – geen bouwwerk zijnde – of van werkzaamheden. Paragraaf 8. 6 bevat tevens beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk binnen de functie ‘Waarde – Archeologie 4’. ,
,
,
,
6. 2. 3
Algemene regels over functies
Hoofdstuk 3 bevat algemene regels over functies. Het hoofdstuk begint met de anti-dubbeltelregel (artikel 9). Verder zijn de algemene bouwregels (artikel 10) de algemene gebruiksregels (artikel 11) en de algemene omgevingsplanactiviteiten (artikel 12) opgenomen. Artikel 13 bevat een regeling over parkeren (paragraaf 13.1) geluidgevoelige gebouwen (paragraaf 13.2) agrarische esdekken de vliegverkeersveiligheid (paragraaf 13.4) radarinstallatie voor (paragraaf 13.3) een vliegbewegingen (paragraaf 13. 5) en een voorwaardelijke verplichting (paragraaf 13. 6). ,
,
,
,
6. 2. 4
,
Overgangsregels In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels van deze planwijziging opgenomen. Er is bewust gekozen lijkend op het verplicht voorgeschreven overgangsrecht voor voor een overgangsrecht inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit betekent dat legaal aanwezig gebruik kan worden voortgezet en dat legaal aanwezige bebouwing of bebouwing welke op grond van een omgevingsvergunning gebouwd mag worden aanwezig kan blijven. ,
,
28 NOVEMBER 2025
73
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal het omgevingsplan een onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Conform de memorie van motivering zal in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeente belangrijke voorinvesteringen doet de motivering bij het omgevingsplan passages moeten bevatten over de dekking van deze investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal. ,
,
De gronden waarop de gewenste ontwikkelingen plaatsvinden zijn in eigendom van initiatiefnemer. De realisatie vindt plaats voor rekening en risico van initiatiefnemer en kent derhalve geen financiële consequenties voor de gemeente. De ontwikkelingskosten worden geheel door initiatiefnemer gedragen. De kosten welke verbonden zijn aan het doorlopen van de noodzakelijke procedures worden verhaald op de initiatiefnemer op basis van de legesverordening. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zal ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten worden. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd. ,
Mogelijke nadeelcompensatie is eveneens voor rekening van initiatiefnemer. Overigens is het niet de verwachting dat er sprake is van nadeelcompensatie. De uitbreiding van het bedrijf aan de Kapelweg 27 in Best zorgt namelijk niet voor een beperking van de activiteiten uitgevoerd door (agrarische) bedrijven en burgerwoningen in de omgeving. Bovendien is het aantal omwonenden beperkt. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID In het kader van de openbare voorbereidingsprocedure wordt het TAM-omgevingsplan in procedure gebracht en is er voor eenieder de gelegenheid om kennis te nemen van het plan. In het kader van deze procedure bestaat er de mogelijkheid om op de plannen te reageren via de gangbare beroepsprocedures. 7. 2. 1
Participatie Participatie is een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving maar ook op de mensen die daar wonen werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Een initiatiefnemer moet in alle gevallen bij de aanvraag aangeven of participatie heeft plaatsgevonden en wat de resultaten daarvan zijn (artikel 7. 4 ,
,
Omgevingsregeling). In het kader van participatie zijn omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd over de gewenste ontwikkelingen op het bedrijf aan de Kapelweg 27 in Best. Het verslag van de gevoerde omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage 11 bij deze onderbouwing.
28 NOVEMBER 2025
74
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
7. 2. 2
Vooroverleg Voorliggend plan wordt in het kader van het wettelijke vooroverleg voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant en het Waterschap De Dommel.
7. 2. 3
Ontwerp Dit plan zal voor 6 weken als ontwerp ter inzage worden gelegd. Wanneer er zienswijzen worden ingediend zal daar in deze subparagraaf verslag van worden gedaan. ,
7. 2. 4
Vaststelling PM
28 NOVEMBER 2025
75
Motivering TAM-omgevingsplan Kapelweg 27 Best
BIJLAGEN
28 NOVEMBER 2025
76